HetHartOpDeTong

© copyright Rob Wolf; bewerking voor internet: Mark van Loon/Stichting Noviomagus.nl

Het hart op de tong
De Kolpingbuurt in Nijmegen


4. Een ander wereld: het begin van de Kolpingwijk

Veertig jaar geleden overleed een luchtmachtofficier, die in de Kolpingstraat woonde. Hij was tijdens een mars ongelukkig op zijn hoofd gevallen. Een paar dagen later was de begrafe­nis. Met militaire eer. Langs de hele Kolpings­traat stond een ere­wacht van hon­derden in grijs uniform gekle­de luchtmachtmen­sen. Zes sterke soldaten droegen de kist. Voorop liepen somber tromme­lende tam­boers van de Lucht­machtka­pel.

Zo'n begrafenis met al die uniformen zou tegenwoordig on­voorstelbaar zijn. Over de veranderingen die de Kolpingwijk sindsdien heeft ondergaan, gaan de komende hoofd­stukken.


De eerste steen

In september 1950 begon de bouw van de Kolpingbuurt. Op dins­dag 10 oktober metselde pater H. van Ruth in de hoek van het pand AriŽnsstraat 1 de eerste steen, die daar nog steeds te zien is. De eerste bewo­ners van de Kolpingbuurt betrokken hun huis op 19 maart 1951.

De voorbereidingen voor de bouw waren moei­zaam geweest. Woningbouwvereni­ging Kolping was de opdrachtgever. Kolping wilde niets liever dan bouwen. En wel om twee redenen. Ten eerste vanwege het geloof. In Nijmegen was 80% van de bevol­king katho­liek, maar er bestond geen katholieke woning­bouwver­eniging, wel een socialistische en een protes­tantse. In 1947 was Kolping opge­richt. De stichters waren katholieke voorman­nen. Zij wilden dat katholieke arbeiders in een huis van een katholieke ver­eniging woonden. Dus bij Kolping.

Bovendien was de woningnood in Nijmegen bijzon­der hoog. Duizenden gezinnen waren door de oorlog dakloos geworden. Als ze pech hadden, woonden ze in bij oma en opa. Dan leefden ze bijvoorbeeld met vier personen een slaapka­mertje.

Wie wat meer geluk had, kreeg een noodwoning. Tussen 1946 en 1948 bouwde de gemeente 500 goedkope huizen die gro­tendeels van hout waren. Ze stonden onder andere aan de Driehui­zer­weg en de Ploeg­straat. De noodwonin­gen waren bedoeld voor een jaar of vijf, maar ze bleven veel langer staan. Dat kwam doordat de woningnood bleef toenemen. Nooit zijn in Nederland zoveel baby's geboren als in de eerste tien jaar na de oorlog.


Dan moet u twintig jaar wachten

In 1950 kreeg aanne­mer B. van Berkel vergunning van de gemeen­te om tussen de Muntweg en de spoorlijn 108 huizen te bouwen. Dit werd het oostelijke deel van de Kolping­buurt. Archi­tect L.D. Kuipers ont­wierp de wo­nin­gen. Ze moesten goedkoop zijn. Daarom kwam in de AriŽnsstraat een schuurtje aan de voorkant. Wel kregen alle huizen een douche, wat nieuw was voor arbei­ders­wonin­gen. Niemand die de bouwtekeningen zag, was enthou­siast. Een ge­meenteraadslid vond ze zelfs 'erg lelijk'.

Toch vielen de huizen duur uit. De huur zou boven zeven gulden per week uitkomen: te veel naar de zin van de gemeente Nijmegen. Daarom maakte ingenieur B. Fokkinga van de gemeente een nieuw plan: niet voor 108, maar voor 145 wonin­gen. Omdat de algemene kosten zo over meer huizen werden omgeslagen, daalde de huur tot ?6,83 per week. Ook kwamen er aan de Leo XIII-straat acht boven- en benedenwo­nin­gen. Boven kwam een dou­che, beneden niet. Deze woningen waren dan ook be­doeld als winkel­pand, al leken ze ook 'zeer ge­schikt voor bejaar­den'.

Het bestuur van Kolping protes­teerde tegen de smalle AriŽns­straatjes, die nu zo nauw waren dat twee auto's elkaar niet konden passe­ren. En 'als een vuilniswagen de straat in rijdt, is ze vol'. Fokkinga vond deze kritiek onzin: 'De straten moeten niet perfect zijn, want dat zijn de wonin­gen ook niet.' Zo'n opmerking vond het bestuur beneden alle peil: Zo willen 'wij niet bou­wen. Dan wachten wij nog liever'. Fok­kinga vond het best: 'Dan moet u 20 jaar wachten'. Maar dat was het aller­laat­ste wat het be­stuur wilde. Het gaf toe.

Een paar kwartjes huur per week meer zijn dus de oorzaak dat de oostelijke helft van de Kol­pingbuurt zo vol is gebouwd.


Met rails en al uit de muur.

Architect B.W.A. Goddijn ontwierp het westelijke deel van de wijk. De 109 woningen in dit gebied werden in twee fasen gebouwd: 52 werden opgeleverd op 1 septem­ber 1952, de reste­rende 57 op 1 juni 1953. Hiermee was de Kolpingbuurt klaar.

De kwaliteit van de huizen was slecht. Wijkbewoonster me­vrouw Kerkhoff herinnert zich dat ze helemaal in het begin op bezoek ging in de Ban­nings­traat. 'Toen we aan tafel zaten, vielen de gordij­nen met rails en al uit de muur.'

Een veel ernstiger manco was de douche. Het bleek dat de douches in de Kolpingbuurt, maar ook in andere nieuw­bouwwijken niet geaard waren. Hierdoor kreeg een man in de Landbouwstraat een dodelijke schok. Dat gaf grote paniek. De heer Boerboom, die van 1954 tot 1959 op AriŽnsstraat 17 woonde, herinnert zich dat de woningbouwvereniging alle huurders verbood te douchen, zolang de douches niet goed geaard waren.


Wie waren Kolping en Leo XIII?

De wijk en de straten heten naar de helden van woning­bouwver­eniging Kolping, katholieke voormannen die het lot van de arbei­ders wilden verbeteren. Nu nog hangen op veel plaatsen de oorspronkelijke straatnaambordjes met een korte omschrijving.

* Adolph Kolping (1813-1865) was een pries­ter die in de omge­ving van Keulen werkte. Hij zorgde voor jonge arbei­ders op die op zoek naar werk door Duitsland zwier­ven. Hij stichtte zogenaam­de gezellenhuizen (of Kolpinghuizen), waar ze konden overnach­ten, een bord eten kregen en zich konden ontspannen.
* P.J.M. Aalberse was tussen 1918 en 1925 minis­ter van Ar­beid.
* Alphons AriŽns was priester. Hij richtte in 1900 in Enschede de eerste katho­lieke woning­bouw­vereniging van Nederland op.
* Dr. C. Banning was arts en werkte in de jaren twintig en dertig als inspec­teur voor de volksgezondheid te Nijme­gen.
* W. Engels was een Nijmeegse vakbondsman en een van de op­rich­ters van woningbouwvereniging Kolping.
* W.E. von Ketteler (1811-1877) was bisschop van Mainz en wegbereider voor de encycliek 'Rerum Novarum'.
* Paus Leo XIII (1810-1893) schreef in 1891 de encycliek 'Rerum Novarum', waarin hij aan­dacht vraagt voor de positie van de arbeiders.
* H.E. Manning (1808-1892) was kardinaal van Londen en wegbe­rei­der voor de encycliek 'Rerum Novarum'.
* Dr. H.A. Poels (1868-1948) was een priester die in het begin van de twintigste eeuw aalmoezenier van de mijn­werkers in Limburg was.


Op de grond slapen

Het bestuur van Kolping was van plan de huizen te verhuren aan katholieke arbeiders die lid waren van een vakbond. Het liep heel an­ders. De gemeente wees het voorste deel van de Kol­pingbuurt aan voor de opvang van Indische Nederlanders. Zij waren naar Neder­land ge­vlucht, toen de vroegere kolonie Indo­nesiŽ in 1950 zelfstan­dig werd. Kol­ping moest voor hen veertig woningen in de Ari­nsstraat vrij­houden. De heer Boer­boom herinnert zich dat de eerste jaren vooral IndiŽrs bij hem in de buurt woonden. Hun buurman was wel een Neder­lander, maar hij had op Java bij de spoorwe­gen ge­werkt en was met een Indische vrouw getrouwd.

Overigens had de familie Boerboom nadeel van dit voor­keurs­be­leid. Ze had zich al in 1947 als lid van Kolping ingeschre­ven, maar moest 'op een akelig kleine etage' aan de Munt­weg wach­ten, totdat ze in 1954 eindelijk aan de beurt was.

De Indische bewoners van de Kolpingbuurt waren in het alge­meen rustige mensen. Hun aantal (50 gezin­nen, ofwel 20% van de bevolking in 1953) nam geleide­lijk af, doordat ze naar nieuwe wijken als Hatert verhuis­den. Toch wonen nog steeds voormalige repatrian­ten in de wijk. De be­kend­ste was mevrouw Holzap­fel, onder­wij­ze­res en piano­lera­res, die op Kolpingstraat 23 woonde.

Diverse Indische families veranderden hun manier van leven niet. Ze bleven net als in de tempo doeloe nasi eten en op een matje op de grond slapen. Er stonden dus geen bedden. Henk Ger­rits, voormalig wo­ning­in­specteur van Kolping, herin­nert zich een Indisch gezin dat niet tegen het Neder­landse kli­maat kon. Ze hadden alle kieren van het huis dicht ge­stop­t met vet. Anders was het veel te koud. 'Ver­vol­gens klaag­den ze over het vocht: er kwam geen druppel uit.'


Met z'n vijven op een slaapkamer

In de begintijd kon je op twee manieren een huis in de Kol­pingbuurt krijgen. Of je was lid van de woningbouw­vereni­ging, of je klopte aan bij Bureau Huis­vesting van de gemeente.

Er woonden veel mensen die in overheidsdienst waren: ambte­naren, militairen, of werknemers van de NS, de PTT of de ­elek­trici­teitscen­trale. Een andere groep, die via Bureau Huis­vesting in de wijk te­recht kwam, werkte in de industrie. Het personeel van bedrijven als Smit, Nijma, Phi­lips en Honig kreeg voor­rang bij het zoeken van een huis. Zodoende woonden nogal wat mensen in de wijk die bij een groot bedrijf werkten. Het waren overi­gens niet alleen arbei­ders, maar ook chefs. Tenslotte hielp Bureau Huisvesting gezinnen die in een krot of noodwoning leef­den. Of ergens inwoonden.

Hoewel de wijk al met al een erg gemengde bevolking had, werkten de meeste mannen (in 1960 55%) met hun han­den. Dat maakte de Kol­ping tot een echte arbei­ders­wijk


Piepkleine schuurtjes

De wijk was in die dagen rustig en gezellig. De tuintjes lagen er netjes bij, terwijl in de Leo XIII-straat en in de Kol­pings­traat goed onderhouden rozenper­ken lagen.

Een nadeel was het gebrek aan ruimte. Je woonde dicht op elkaar, ook al omdat de huizen gehorig waren. Binnen was weinig ruimte. De schuurtjes waren klein. De mensen moesten er zowel hun fietsen stal­len als de was doen. En dat lukte niet. Daarom timmerden veel mannen een tweede schuur.

Omdat dit niet hoorde, dreigde het bestuur van Kolping meer dan eens alle bouwsels te slopen. Als puntje bij paaltje kwam, gebeurde er niets, want het bestuur begreep ook wel dat de bewoners geen keus hadden. Door dit toe te laten verrezen steeds meer illegale bouw­sels in de achter­tuinen. De een zette een kippen­ren neer, de ander een groot duivenhok en de derde een werk­plaats. Het zag er niet uit, maar de enige die er echt last van had was de tuinman die de ligusterhagen knipte. Hij kon zo zijn werk niet doen, klaag­de hij.

De tuinman was niet de enige die namens de woningbouwvereni­ging regelmatig in de wijk te vinden was. In de Ketteler­straat stond de werk­plaats. En H. Pu­bliekhuijsen, die zelf in de dr. Poel­straat woonde, haalde de huur op. Hij ging 's zater­dags alle huizen af. Dan hoorde hij dingen zoals: het dak lekt en drie deuren verder hebben ze een kostganger.


Vliegergevechten

In de begintijd beschikte de Kolpingbuurt niet over speeltuin­tjes, waardoor de kinderen op straat speelden. Nu was dat niet echt erg, want er reden nauwelijks auto's. De heer Boerboom was eind jaren vijftig een van de eerste met auto, omdat vanwege zijn werk als loodgieter veel onderweg was.

Ook buiten de wijk was plaats genoeg. Aan de westkant waren veld­jes waar de grotere kinde­ren naar hartelust konden cros­sen. Omdat de Muntweg nog lekker rustig was, gingen ze ook veel in het Goffert­park spelen. Voetballen of vliegeren.

Hennie Cals, die in de jaren vijftig aan de overkant van de spoorlijn opgroeide, herinnert zich minder onschuldige spelle­tjes. 'Er reden toen nog kolentrei­nen. De jongens van de twee buurten probeerden met behulp van afgevallen steenkool bij elkaar de spoorhelling in brand te steken. Ook waren er boven de spoorlijn vlie­gergevech­ten, waarbij we in de lucht met snij­touwen el­kaars vliegertouw probeerden door te snij­den.'


Mejuffrouw Gerritsen, de hoofd­leidster

Het bestuur van de woningbouwvereniging vond een eigen school­tje in de wijk nodig, omdat de kleuterschool op de Dob­belman­weg zo ver weg lag. Op 1 okto­ber 1956 ging de Kolpingkleu­ter­school - een ontwerp van archi­tect Ockhuijsen - open. Een maand eerder was 'mejuffrouw Gerritsen, de hoofd­leidster' begonnen met de inschrijving van de leerlin­gen. Het liep storm. Er waren dat eerste jaar maar liefst 104 kleuters, die haast allemaal in de Kolping­buurt woonden.

Het was een bijzondere kleuterschool: de enige in Nederland die werd bestuurd door een woningbouwvereniging. Het was er ook leuk: 'de eerste in Nijme­gen waar de kinde­ren met carnaval verkleed mochten zijn. 's Middag was er optocht door de wijk.'


Advertenties met kraai

De dichtstbijzijnde katholieke kerk stond aan de Groenestraat. De pastoor en zijn kapel­aans hadden weinig aan­dacht voor dit buurtje dat in een uithoek van hun parochie lag. Om deze redenen kreeg de Kolpingbuurt een eigen kerk.

Faustinus Hendriks, een pater van de Heilige Har­ten, werd in 1958 bouwpas­toor. Hij moest ervoor zorgen dat de kerk er kwam. Dat bete­kende vooral bede­len om geld, veel geld. Hij was daar handig in. Elke week zette hij een kleine adver­ten­tie in De Geld­er­lander, die een korte tekst bevatte en een cartoon van een pastoortje in toog en een misdie­naar met een kaars. Op elke tekening stond ook een kraai, wat in die tijd een scheld­woord voor priesters was. Hij had suc­ces, want het geld stroomde met dubbeltjes en kwartjes binnen. Wim Hof­stede, tussen 1960 en 1966 kapelaan: 'Wij sprok­kelden als armste parochie van het bisdom Den Bosch het meeste geld bij elkaar.'


Kerstliedjes over de Goffertweide

Voordat de kerk klaar was, woonden de priesters op dr. Poels­straat 21. Hofstede vond het er prima: 'We zaten midden tussen de mensen. Als we met de brommer door het achterpad reden, dan riepen de blagen vanuit de tuinen: Hť kape­laan.'

De kantine van Swift-schoen­fa­briek, die in de bocht van de Muntweg stond, deed voorlopig dienst als kerk. Iedere zater­dag ontruimde een ploeg mannen de kantine. Daarna kwamen de vrou­wen poet­sen. Zondag na de mis was er koffie. Daarna werd de kantine weer in zijn oude staat teruggebracht. Volgens Hofste­de bracht al dit werk het buurt­leven op gang, want voor het eerst kwam een groot aantal bewoners bij elkaar.

Architect Strik uit Boxtel ontwierp de kerk (het huidige wijkcen­trum 'De Klokketoren') en een pastorie (waarin nu een filiaalkan­toor van welzijnsorganisatie Tandem zit). De toren zat er aanvan­ke­lijk niet bij, maar 'Fausti­nus heeft zo lang bij het bisdom gezeurd totdat hij de toren kreeg'.

In 1962 zegende monseigneur Bekkers van Den Bosch de kerk van de Heilige Harten plechtig in. Pater Hofstede herinnert zich nog hoe sprookjesachtig de eerste kerstnacht was: 'Het sneeuw­de. We hebben toen in de toren een luidspreker ge­plaatst. Terwijl de vlokken naar beneden dwar­relden, schalden de kerst­liedjes over de Goffert­weide.'


Jeugdwerk in de 'Ponderosa'

De parochie had veel aandacht voor het jeugdwerk voor de Kol­pingbuurt. Dat moest, omdat de gezin­nen groot, de huizen klein en de schoolvakanties lang waren. Zes weken, terwijl vader maar twee weken vrij had. Boven­dien hadden veel gezinnen geen geld om op vakantie te gaan.

Kapelaan Hofstede organiseerde het jeugdwerk. Zes weken lang, vijf dagen per week, gingen de kinderen op stap. Hofste­de: 'We verzamel­den 's ochtends om negen uur op de hoek van de Muntweg en de Heide­parkse­weg. De jongens van De Groot reden mee met een bakfiets, waarop een melkbus met chocomel of thee stond. in het begin gingen we naar het Jon­kerbos, later naar Heumens­oord. De oudere kinderen fiets­ten, de kleine blagen liepen de hele afstand. Het was prachtig jeugdwerk.'

In 1966 nam pater Harrie van Dijk de leiding van het jeugd­werk over. Hij ging in de weekeinden naar de Pondero­sa. Dit was een boerde­rijtje aan het Wijchense ven dat burgemeester Van Thiel van Wijchen aan de parochie had geschonken. Van Dijk: 'Ik ging er op de motor heen om het geheel op te knap­pen, samen met mensen uit de wijk. Een smid maakte een schom­mel, het kippen­hok werd omge­bouwd tot slaap­plaats voor de kinderen. We hebben een strand aangelegd en de voorma­lige mestvaalt water­dicht gemaakt en omgebouwd tot peuterbadje.' De Ponde­rosa is intensief gebruikt, totdat Van Dijk in 1973 naar Nuland werd overge­plaatst. Het boerde­rijtje is gesloopt, toen recreatiege­bied De Berendonck werd aange­legd.

terug

Reactie 1:

Rob Essers, 08-02-2013: Dat de Engelsstraat genoemd is naar W. Engels, een Nijmeegse vakbondsman en een van de oprichters van woningbouwvereniging Kolping is niet juist.
De straat is genoemd naar Arnoldus Hendrikus Johannes Engels (Enschede 24 juni 1869 – Leiden, 31 oktober 1940), de eerste katholieke arbeider die Tweede Kamerlid is geworden. In een brief d.d. 7 december 1950 van De Archivaris aan de Chef ver Afd. Bevolking, Verkiezingen en Militaire Zaken staat onder meer de naam Hendrik Engelsstraat. Volgens www.parlementairdocumentatiecentrum.nl was zijn roepnaam Arnold. In het ambtelijk voorstel waarmee B&W op 13 december 1950 hebben ingestemd, zijn alle voornamen en titels geschrapt (behalve twee maal Dr). Als ik mij niet vergis, stond er op de straatnaamborden als onderschrift: EERSTE R.K.ARBEIDER-KAMERLID.

Reactie 2:

Nel Roelofsma, 14-03-2013: Wat een leuk stukje. Ik heb met mijn ouders en 2 zusjes vanaf het begin in de Kolpingstraat no.67 gewoond. Wij kwamen uit Nijmegen oost en waren erg blij met deze voor ons mooie nieuwe woning. Mijn man en ik waren een van de eerste die trouwden bij Faustinus Hendriks. Wij hadden speciaal gewacht op de nieuwe kerk omdat we niet in de Groenestraat wilden trouwen. Hij verkocht ook door hem zelf getekende kaarten.

Reactie 3:

Martin Aalbers, 20-03-2013: Toevallig kwam ik op deze site en vond de tekst over de Kolpinbuurt. Wat leuk en mogelijk heb ik wat interessante aanvullingen.

Mijn ouders zijn in augustus 1946 getrouwd en hebben i.v.m. de woningschaarste tot eind 1952 op een etage aan de Groenestraat gewoond. De eerste eigen woning was de Dr. Poelsstraat 29.

Mijn vader was beroepsmilitair bij de Luchtmacht. Onze eerste buren op nr. 27 was de fam. van Asselt. Meneer van Asselt was werkzaam bij Rijkswaterstaat en de familie van Asselt is een aantal jaren later naar IJmuiden verhuist. Zij hadden een zoon, Chris, die van mijn leeftijd was. Ikzelf ben in juli 1947 geboren. Op nr. 31 woonde de fam. Wielhouwer. Meneer Wielhouwer was schilder en zij hadden 5 of 6 kinderen.

Op nr. 27 kwam later de fam. de Klerk wonen. Meneer de Klerk was bij de Koninklijke Marechaussee en was de brigadecommandant van de brigade Nijmegen van de Kon. Marechaussee aan de Coehoornstraat.

Verder woonde toen bij ons in de straat de families Janssen (nr. 33-werkte bij Honig), Toonen (nr. 35-werkte bij van Gend& Loos), Dekker (nr. 37-hadden een drukkerij op de Groenestraat) en (de in het stuk genoemde) familie Publiekhuijsen (nr. 39). Op nr. 25 woonde de fam. Hoogeveen. Op nr. 21 was de pastorie gevestigd en op nr. 19 woonde de fam. Gentenaar.

Aan de achterzijde van ons huis in de Aalbersestraat woonde o.a. de families Elbers, Weijers, Jansen en van Leth.

Mijn vader was collectant in de H.Hartkerk en was een van de mensen die de kantine van de Swift in het weekend mee ombouwde tot noodkerk. Ikzelf heb jaren langs de deuren gelopen bij de mensen in de wijk voor de ”steentjesactie” van pastoor Hendriks. Voor een dubbeltje of een kwartje kochten de mensen regelmatig een klein of groot steentje voor de nieuw te bouwen kerk. Zo werd o.a. de kerk bij elkaar gespaard.

De overzijde van de toenmalige Weg door Jonkerbos was ons speelterrein, evenals het terrein van de Crommert aan de Muldersweg en de dikke boom achter restaurant de Teunismolen, waar nu de Boeckstaetehof en de sportvelden van Quick zijn.

De huidige brug over het spoor is ook in de jaren ’50 gebouwd ter vervanging van de betonnen brug. De 4daagse kwam in de jaren ’50 op de tweede dag vanaf Wijchen over de Graafseweg over de Weg door Jonkerbosch en ging via de Muntweg en de Groenestraat naar ”de Vereeniging” aan het Keizer Karelplein.

Waar nu de Opel garage is aan de Muntmeesterlaan (v/h Weg door Jonkerbos) was toen nog een zandafgraving en deze zandafgraving werd later de vuilnisbelt. De Muntweg hield op bij de huidige Muntmeesterlaan en het verlengde van de Muntweg was een boerenlaantje met grote bomen aan de linkerzijde en een boerderij, waar nu het Jonkerbosplein is. Dat laantje noemden wij, of heette mogelijk wel echt, het Pieperslaantje. Direct rechts op het Pieperslaantje was toen de inrit naar de zandafgraving/vuilnisbelt. De huidige fabriek van NXP (v/h Philips) moest toen nog gebouwd worden, evenals de fabriek van Friden, later Compaq en het centraal magazijn van V&D.

Op de hoek van de St. Teunismolenweg/Oostkanaaldijk stond een gashouder en was het woonwagenkamp gevestigd. Dat is later verplaatst naar de huidige plek aan de Teersdijk.

De bebouwingsgrens van Nijmegen-west hield in die jaren op bij de Weg door Jonkerbos/Dennenstraat. Neerbosch-Oost moest nog gebouwd worden.

Het huis aan de Dr. Poelsstraat werd met 5 studerende kinderen te klein en in juni 1967 zijn wij verhuisd naar onze 2e nieuwe woning van de woningstichting Kolping op de Malvert in de wijk Dukenburg.

Reactiepagina
Reactie 4:

Michael Koen, 02-04-2016: Ik ben geboren op de Ariensstraat 64 in 1974. Wij woonden hier met mijn zus Roos van Beurden en moeder Riet Koen. Wij hadden een Turks gezin naast ons en een ander Nederlands gezin waar ik heel nieuwsgierig naar ben omdat ik daar goed contact mee had. Dus als iemand mij aan die info kan helpen ben ik zeer dankbaar. Dit gezin woonde er vanaf ongeveer 1970 tot 1980. Wij hebben daar een uitstekende tijd gehad.
ps deze man werkte bij de kermis.
Reactie 5:

Antoni Brink, 14-04-2018: Ik ben in 1963 geboren aan de Engelsstraat 1. Op de hoek met de Muntweg. Ik heb in deze wijk een leuke jeugd gehad. In de straat woonden o.a. de gezinnen Koning, van Zuilen, van Koolwijk, Kersten en ook een mevrouw Mosterd. Naast ons de familie Albers in de boerderij. Naast hen mijn oom Henk Brink.
Kleine wijk met dezelfde mensen die nooit ver weg waren. Inderdaad de spoorlijn was altijd spannend en op de Goffert kon je je goed uitkuren. Voetbal in stadion en autospeedway kon toen ook nog.
Lang geleden maar ik zal het nooit vergeten.

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: