Publieke werken

Paul Backus

Publieke werken

‘New Deal’ aan de Waal, de uitvoer van publieke werken tijdens de jaren dertig in Nijmegen.

Bron: Fotocollectie Regionaal Archief Nijmegen (F46200)

Toen de beurskrach eind 1929 de economische wereldorde binnen een aantal dagen verpulverde, reageerde de Amerikaanse president Hoover nog enigszins laconiek: “the economy is on a sound and prosperous basis and would soon recover”.(01) Het is mij te gemakkelijk om hier driekwart eeuw later met alle gevolgen bekend hard over te oordelen. Desondanks ben ik van mening dat de terughoudende houding die de regering Hoover kenmerkte tijdens het begin van de crisis overeenkomsten toont met de aanpassingspolitiek van de kabinetten Colijn. In ieder geval is duidelijk dat beide regeringen zeer terughoudend stonden ten opzichte van rigoreuze overheidsbemoeienis op het (sociaal-)economische vlak. In de Verenigde Staten nemen we eerder een verandering weer dan in Nederland. Met het aantreden van Franklin Delano Roosevelt als opvolger van Hoover, slaat Amerika een nieuwe weg in. In de maanden voor zijn aantreden raakte Amerika de absolute bodem van de depressie. 

Economische output was tot een dieptepunt gezakt, waar de werkloosheid juist ongekende hoogten bereikte. De oplossing van Roosevelt was de New Deal, een massaal werkgelegenheidsproject, wat zicht uitstrekte van het bouwen van snelwegen tot het volgen van omscholingscursussen, creeerde duizenden nieuwe banen voor werkloze Amerikanen. 

De Nederlandse regering begint een actievere houding aan te nemen naarmate de jaren dertig voortschrijden. De uitvoer van publieke werken gedurende de jaren dertig is ook in Nederland een voorbeeld hiervan. In dit paper zal dit middel tegen werkloosheid centraal staan. Het onderzoek spitst zich toe op Nijmegen, dit vanwege het regionale karakter van het onderzoekscollege. In dit paper zal ik met behulp van secundaire literatuur en archiefmateriaal dieper ingaan op de omvang en aard van de werkverschaffingsprojecten in Nijmegen. Hierbij wil ik mij voornamelijk concentreren op de organisatie van de publieke werken, dus bijvoorbeeld welke instanties hierbij betrokken waren. 

Crisis in Nederland en Nijmegen

Zoals inmiddels als bekend mag worden veronderstelt, vielen de gevolgen van de beurskrach en de daaropvolgende omvallende dominostenen van de Nederlandse economie in eerste instantie mee, hiermee bedoel ik dat in tegenstelling tot andere landen Nederland pas later in de jaren dertig de hardste klappen te verwerken kreeg. Vele historici zijn het erover eens dat de sociale politiek die de destijds zittende kabinetten lange tijd hanteerden hier onder andere debet aan is (Keesing, J. de Vries, Beishuizen). Nadat Groot-Brittannië in september 1931 haar pond loskoppelt van de Gouden Standaard, volgen andere (Europese) landen al gauw dit voorbeeld. Hoewel de concurrentiepositie van de Nederlandse handel mede hierdoor zienderogen achteruit liep, hield de conservatieve regering Colijn vastberaden vast aan de koppeling van de gulden aan het goud. Onderstaand citaat van de Nederlandse bankdirecteur Trip verwoordt deze houding zeer treffend, mijns inziens: “Wij zijn geen muntvervalsers”.(02) 

Hier komt ook het begrip aanpassingspolitiek vandaar. Zoals De Vries duidelijk schetst, zorgde de verslechterde concurrentiepositie voor voortdurende aanpassingen in het economische beleid van de regering, dit met als doelstelling om: ‘op de buitenlandse markt nog iets te presteren en om de binnenlandse markt niet te verliezen’ (03) Het etisch karakter van deze beslissing woog zwaarder dan de praktische voordelen die een steunpolitiek zou kunnen opleveren. Dit kan wellicht naief genoemd worden, maar mijns inziens zullen de zittende politici naar eer en geweten gehandeld hebben. Helaas is er niet de tijd en ruimte om hier in dit essay verder op in te gaan.

27 september 1936 werd alsnog besloten om de gulden los te koppelen van de Gouden Standaard. In datzelfde jaar bereikt Nederland haar absolute top wat betreft de absolute werkloosheid, deze is weergegeven in grafiek 1.1.

Grafiek 1.1: Aantal werklozen in Nederland gemiddeld per jaar, periode 1930-1939. 1= 1930, 9=1939. 

Hoewel Keesing betoogt dat de werkloosheidspolitiek pas rond 1937/’38 tekenen vertoont van bestrijding van het symptoom werkloosheid in plaats van verzachting van de gevolgen, waren er wel degelijk enkele maatregelen genomen voor bijvoorbeeld grootschaligere uitvoer van publieke werken. In 1934 richtte de overheid het Werkfonds op, doordat het Werkfonds gold als crisismaatregel werden de tewerkgestelden tot de oprichting van de Rijksdienst voor de Werkverruiming in 1939 als werklozen beschouwd. Het Werkfonds heeft nooit grootschalig geopereerd. Vanaf het moment van oprichting tot en mer haar opheffing in 1936 heeft zijzesendertig projecten gefinancierd, waaronder de aanleg van het Amsterdamse Bos.(04)

De verhoogde uitgaven van regering van werkverschaffingsprojecten gedurende de eerste helft van 1936 leidde helaas niet tot een structurele verlichting van de werkloosheid. Beishuizen en Werkman betogen evenals Keesing dat de financiële investeringen van de regering te kleinschalig waren om daadwerkelijk veranderingen teweeg te brengen. Ironisch genoeg leidde enkele twisten omtrent de te voeren werkloosheidspolitiek in juni 1936 uiteindelijk tot de val van het kabinet Colijn IV.(05) In 1939 wilde de regering het Plan-Westhoff ten uitvoer brengen. 

Hierin zouden honderdduizend werklozen voorzien worden van arbeid. Hoewel er in de tweede helft van de jaren dertig door de Nederlandse overheid gebruik werd gemaakt van de bouw van publieke werken als bestrijdingsmiddel voor werkloosheid, gebeurde dit niet op grote schaal. De oceaanstormer Nieuw-Amsterdam, het Goffertpark, het Kralingse Bos, Kamp Westerbork, het Twentekanaal en het Amsterdamse Bos zijn enkele voorbeelden van projecten die in Nederland van de grond kwamen. 

Nijmegen kende een enorme werkloosheid tijdens de crisis. Nijmegen was medio 1937 zelf zelfs de stad in Nederland met het hoogste percentage werklozen, afgemeten ten opzichte van de beroepsbevolking.(06) In eerste instantie waren de gevolgen van de wereldwijde crisis nog niet zichtbaar in de Keizerstad. Tot en met 1931 bleef de werkloosheid dan ook binnen de perken. De komst van kunstzijdefabriek Nyma met haar vraag naar arbeiders was hierin een belangrijke factor.(07) Echter zo betoogt Van Kampe kampte Nijmegen gedurende de beschreven periode met het structurele probleem van een gebrek aan werkgelegenheid. Mede vanwege het langdurige economische element waarmee Nijmegen te kampen had, tot en met de opening van de Waalbrug. Grafiek (08) 1.2 geeft deze stijging van de werkloosheid treffend weer. 

Nijmeegse geschiedenis van publieke werken en de toetreding tot de Rijkssteunregeling

Zoals blijkt uit de paragraaftitel kende Nijmegen voor de crisis van de jaren al een geschiedenis van publieke werken. Nu is het niet zozeer mijn doel om hier een lijst te poneren met de werkzaamheden uitgevoerd tot op dat moment. Echter wanneer we deze geschiedenis nader bestuderen komt de gedachte/ideologie achter de werkverschaffing naar boven. Het is mijns inziens zeer handig om hier kennis van te nemen. Men was (en is) het eens over de demoraliserende en zelfs ontwrichtende effecten die werkloosheid kon hebben op de maatschappij, vandaar dat de (regionale) overheden er belang aan hechten dat werklozen zo snel mogelijk gereintegreerd werden in de beroepsbevolking. Daarnaast was het een goede test om te onderzoeken of de tewerkgestelde personen bereid waren tot het leveren van arbeid. Werkverschaffing bleek hierbij een oplossing. Een bijkomend positief gevolg van de uitvoer van verschillende publieke werken was de lastenverlichting voor liefdadigheidsinstanties. Ten slotte werd er als eis gesteld dat de uitvoer van publieke werken een algemeen nut dienden te dienen. Hierbij kan gedacht worden aan de aanleg van wegen, waterwegen en parken.(09) 

Eind negentiende eeuw zien we de eerste, hetzij incidentele, vormen van werkverschaffing. Echter komt de werkverschaffing pas ná de Eerste Wereldoorlog structureel van de grond. In 1914 richt het Rooms-katholiek Parochiaal Armbestuur het een plaatselijk Steuncomité op in navolging van het dan zojuist opgerichte landelijke Steuncomité Dit is de eerste stap naar institutionalisering van de uitvoer van publieke werken in Nijmegen, hoewel de omvang hiervan zeer beperkt bleef. 

De volgende stap zien we in 1919 als de gemeentelijke Armenraad fuseert met het steuncomité fuseert tot de Commissie voor Werkverschaffing. Vanaf 1921 neemt de gemeente Nijmegen de organisatie van de publieke werken in eigen hand met de oprichting van de Gemeentelijke Dienst Werkloosheidsverzekering en Arbeidsbemiddeling (GDWA) die in nauw contact stond met het Burgerlijk Armbestuur.(10)

Uit de bestudeerde literatuur komt duidelijk naar voren dat de organisatie van werkverschaffing vóór de crisis nog in de kinderschoenen staat. Diversie instanties zijn betrokken bij de organisatie en uitvoer hiervan. De GDWA was verantwoordelijk voor de uitzending van de werklozen, het fungeerde dus min of meer als een soort van uitzendbureau. De uitvoer van de gemeentelijk georganiseerde publieke werken was in handen van de Gemeentelijke Plantsoenendienst. De Nederlandsche Heidemaatschappij (NHM) was verantwoordelijk voor de uitvoer van de projecten van de Rijksoverheid.(11) 

Om een en ander in het juiste perspectief te plaatsen is tabel 1.1 bijgevoegd, hierin staan de aantallen Nijmeegse arbeiders in de uitvoer van publieke werken tot en met de invoering van de Rijkssteunregeling. Hierbij dient te worden aangemerkt dat deze gegevens enigszins de werkelijkheid verbloemen, vanwege het feit dat de publieke werken destijds zoals destijds werden uitgevoerd vaak kortstondige perioden waren. In de onderstaande tabel zijn de totalen opgenomen terwijl het slechts tijdelijke arbeid was. 

Tabel 1.1 Totaal aantal Nijmeegse tewerkgestelden 1921-1931.

Publieke werken en de instanties ná de Rijkssteunregeling

Naarmate de werkloosheid steeg begin jaren dertig, nam eveneens de financiële druk op de gemeentelijke overheid toe. Tevens boden de exclusiefs Nijmeegse projecten, daarmee bedoel ik louter werkzaamheden in Nijmegen zelf, te weinig arbeidplaatsen voor het stijgende aantal werklozen. Eind oktober 1931 besloot de gemeente vanwege deze druk op de gemeentebegroting toe te treden tot de Rijkssteunregeling. Het jaarverslag van de GDWA geeft de sombere tendens goed weer:”Het aantal werklozen steeg in ontstellende mate, terwijl nog steeds het hoogste cijfer niet breikt schijnt te zijn”.(12) Met de toetreding tot de Rijkssteunregeling veranderde het karakter van de werkverschaffing en ook de aard van de publieke werken. Waar voorheen vaak kleinere projecten werden opgestart, dit valt te verklaren vanwege het regionale karakter, zien we gedurende de jaren dertig een aantal grootscheepse projecten ontstaan. Daarnaast was de gemeente verplicht om toestemming te vragen aan de landelijke overheid voor de uitvoer van (lokaal georiënteerde) publieke werken. De belangrijkste verandering was een daling van de kosten. Door gebruik te maken van de Rijkssteunregeling wist de gemeente Nijmegen zich verzekerd van de een vergoeding van 75 procent van alle kosten.(13) Ten slotte, niet onbelangrijk, werd het voor werklozen verplicht om deel te nemen aan de werkverschaffing. Dit gaf de werkverschaffing nog veel meer dan voorheen het imago van dwangarbeid. De lage lonen en de extreem zware aard van de werkzaamheden maakte een en ander niet aantrekkelijker. 

Nadat de gemeenteraad in eerste instantie de toetreding tot de Rijkssteunregeling nog had afgekeurd nam zij op13 januari 1932 alsnog de beslissing om toe te treden. Het eerste project waar Nijmeegse werklozen te werk werden gesteld was in Enter, waar een dijkversteviging werd gemaakt. Door toe te treden tot de Rijkssteunregeling kwam de uitvoer van publieke werken op een professioneler niveau te staan. De aanleg van het Goffertpark was het grootste project tijdens de crisis, andere belangrijke projecten waren de grintdelving aan de Scheidingsweg en de verbreding van de banddijk in de Ooijpolder. Andere (Rijks)werkzaamheden door Nijmeegse tewerkgestelden vonden plaats in Balgoij, Neerloon en Overasselt. 
Uit gemeenteverslagen komt naar voren dat er het grootste gedeelte van de jaren dertig drie instanties betrokken waren bij de organisatie en uitvoer van publieke werken. Ten eerste is er de Dienst Maatschappelijk Hulpbeton (DMH), tot en met 1935 het Burgerlijk Armbestuur. Hier melden werklozen zich, vervolgens worden deze doorwezen naar de eerder genoemde GDWA, deze is verantwoordelijk voor de uitzending van de arbeiders. 

Ten slotte zijn ge Gemeentediensten verantwoordelijk voor de uitbetaling van de salarissen, vaak met veel bekostigd met subsidie van de rijksoverheid. Vanaf januari 1936 neemt de DMH de uitzendingstaken over van de GDWA.(14) Vanwege de prominente rol die het GDWA en later de DMH speelden in de werkverschaffing heb ik ervoor gekozen om deze instantie nader te onderzoeken. Ik heb hierbij gekeken naar de aantallen geplaatsten in de werkverschaffing. Hier valt een driedeling te maken. Ten eerste de Rijkswerkverschaffing binnen Nijmegen, ten tweede de Rijkswerkverschaffing buiten Nijmegen en ten slotte de gemeentelijke werkverschaffing, die al bestond voor de Rijkssteunregeling. Vervolgens heb ik ook nog gekeken naar de verschillen in loon tussen de verschillende vormen van de werkverschaffing. Ik heb hiervoor gekozen vanwege het feit dat de GDWA verantwoordelijk was voor de organisatie, hierdoor liggen er concrete cijfers, waardoor vergelijkingen makkelijker te maken zijn. Wanneer ik de uitvoerende tak zou bestuderen komt men te werken met subjectieve begrippen als zware arbeid, wat natuurlijk voor iedereen verschillend is. 

Zoals gezegd fungeerde de GDWA als soort arbeidsbureau voor werklozen. Zij zonden werklozen uit naar werkverschaffingsprojecten en bepaalde het loon van de tewerkgestelden. Deze bovengenoemde functie was slechts een fractie van de werkzaamheden van de GDWA. Naast het uitzenden van werklozen naar de publieke projecten waren zij in de eerste plaats een arbeidsmarktbemiddelaar, immers lang niet alle werklozen kwamen terecht in de uitvoer van publieke werken. Een groot gedeelte bleef teren op de steun en een ander gedeelte re-integreerde volledig in de maatschappij door middel van een volwaardige baan. Daarnaast bood de GDWA ook omscholingscursussen aan werklozen.(15) Dit zagen we ook in de Verenigde Staten als onderdeel van de New Deal.

De eerste periode is 1932 tot en met 1935, waarin de GDWA verantwoordelijk was voor de uitzending van de werklozen. In die perioden zijn er drie typen werkverschaffing te onderscheiden, rijkswerkverschaffing buiten Nijmegen, Rijkswerkverschaffing binnen Nijmegen en gemeentelijke werkverschaffing. De laatstgenoemde werd volledig gefinancierd door de gemeente, bij de eerste twee vormen subsidieerde de Rijksoverheid 75 procent van de kosten.(16) In tabel 1.2 zijn de aantallen Nijmeegse werklozen in de diverse categorieën weergeven. Tabel 1.3 geeft de gemiddelde lonen per soort werkverschaffing weer.

Tabel 1.2: gemiddelde Nijmeegse tewerkgestelden per week voor de jaren 1932-1935.

Tabel 1.3 Gemiddeld weekloon naar type werkverschaffing 1932-1935.

We concluderen hieruit dat de gemeente Nijmegen in vanaf 1935 besloot geen gebruik meer te maken van gemeentelijke werkverschaffing, financiële redenen zullen hieraan ten grondslag hebben gelegen. Daarnaast valt op dat er veel projecten binnen Nijmegen worden opgestart. Begin 1934 krijgt Nijmegen namelijk goedkeuring van de minister voor een aantal lokale projecten Dit waren onder andere de verbreding van de Scheidingsweg, de uitbreiding van de Nieuwe Haven en werkzaamheden aan de natuurgebieden Duckenburg en Heumensoord.(17)

Vanaf 1936 neemt de Dienst Maatschappelijk Hulpbetoon de taak van uitzending van werklozen over van de GDWA.(18) 

Met het wegvallen van de gemeentelijke werkverschaffing zijn er nog maar twee typen over, die vanaf dan in de bronnen vermeld staan als gemeentelijke werkverschaffing en centrale werkverschaffing. Tabel 3.2 geeft de aantallen Nijmeegse tewerkgestelden weer per jaar, het gaat hier wederom om het gemiddelde aantal Nijmeegse arbeiders per week over het gehele jaar. De daling die 1936 vertoont ten opzichte van de jaren daarvoor (zie tabel 1.2) valt te verklaren door de overname van de DMH wat betreft de verantwoordelijkheid voor het uitzenden van verklozen. Deze lag namelijk stil gedurende de eerste maanden van 1936. Helaas waren gegevens wat betreft lonen niet voorhanden.

Tabel 1.4. Nijmeegse tewerkgestelden 1936-1939 geselecteerd per type werkverschaffing. 

Conclusie

Gedurende de eerste twee decennia was de uitvoer van publieke werken in de gemeente Nijmegen in handen van particuliere instanties. In 1921 wordt de Gemeentelijke Dienst Werklozenzorg en Arbeidsmiddeling verantwoordelijk voor de personele organisatie van werkverschaffingsprojecten, waarbij de NHM en de Nijmeegse Plantsoenen en Bosbeheerdienst als uitvoerders dienen. Eind 1931 als de financiële positie van de gemeente Nijmegen zwaar te lijden heeft onder de crisis kan het college niet van Burgermeester en wethouders niet anders dan toe te treden tot de Rijkssteunregeling. Een tweede factor om van deze financieel aantrekkelijke regeling gebruik te maken was het onvermogen van de Nijmeegse economie tot het creëren van structurele werkgelegenheid. 

Voor de Rijkssteunregeling bestonden de werkverschaffingsprojecten vooral uit lokale werkzaamheden. Dijkverbredingen, aanleg van riolering en dergelijke werkzaamheden. De gemeente Nijmegen kiest er meer en meer voor om gebruik te maken van de 75 procent subsidie die de rijkssteunregeling biedt. Een gevolg hiervan was dat het voor lokale projecten aanvragen moest indienen bij de minister van Binnenlandse Zaken. 

Doordat de gemeente Nijmegen, enigszins gedwongen door de kosten, vanaf 1935 uitsluitend gebruik maakte van de Rijkssteunregeling was het volledig afhankelijk van de Rijksoverheid wat betreft werkverruiming van Nijmeegse werklozen. Tevens fluctueerden de lonen van de tewerkgestelde arbeiders veel meer dan voorheen gebruikelijk was in de gemeentelijke werkverschaffing. Achttien gulden per week was de vaste vergoeding van de gemeentelijke werkverschaffing. Helaas ontbreken voldoende cijfermateriaal voor de periode 1936-1939 om daadwerkelijk vast stellen of de tewerkgestelde werklozen profiteerden of juist niet van de Rijkssteunregeling. 

Wel kunnen we aan de hand van de case Nijmegen, vast stellen dat de Nederlandse overheid tijdens de jaren dertig in toenemende mate gebruik maakte van publieke werken. Hoewel de Rijksoverheid voor het grootste gedeelte opdraaide voor de gemaakte kosten liet zij de organisatie en uitvoer van de projecten grotendeels in handen van lokale overheden en instanties. Evenals in de Verenigde Staten werd gebruik gemaakt van omscholingscursussen, zowel voor jongeren als oudere werklozen. Tevens mogen we concluderen, dat het nooit op grote schaal kans vond, waardoor veel werklozen uitsluitend op de steun aangewezen waren. 

Verwijzingen

1. Stephen Brier (red.), Who built America ?  Form the Guilded Age tot the Present, vol.2 ( New York 1992) p. 335.

2. Jan Beishuizen en Evert Werkman, De Magere Jaren, Nederland in crisistijd 1929-1939 (Leiden 1976)  p. 55.

3. Johan de Vries, De Nederlandse economie tijdens de 20e eeuw (Utrecht 1973) p. 142.

4. Beishuizen en Werkman, De Magere Jare  p. 150.

5. F.A.G. Keesing, De conjuncturele ontwikkeling van Nederland en de evolutie van de economische overheidpolitiek 1918-1939 (Nijmegen, 1952), p 244-245 en .294-295.

6. Guus Pikkemaat,, Geschiedenis van Noviomagus/Nijmegen (’s-Gravenhage 1988), p. 387.

7. Jan Brabers (red.), Nijmegen, Geschiedenis van de oudste stad van Nederland, 19e en 20e eeuw,deel 3 (Wormer 2005), p. 283.

8. Pikkemaat, Geschiedenis van Nijmegen, p. 389.

9. I. ten Kampe, Werkloosheid en werkverschaffing in de gemeente Nijmegen 1914-1939 (Nijmegen 1985) p. 36

10. Marijn Alofs, Werkverschaffing en vakbeweging in Nijmegen tussen 1914 en 1940. in:Numaga, 1993 p. 56. en ten Kampe. Werkloosheid en werkverschaffing in de gemeente Nijmegen 1914-1939 (p. 56

11. Ten Kampe, p. 38.

12. Jaarverslag van den gemeentelijken dienst der werkloosheidsverzekering en arbeidsbemiddeling te Nijmegen 1931 p.13.

13. Ten Kampe, p. 61.

14. Jaarverslag van de werkzaamheden van den gemeentelijken dienst voor maatschappelijk Hulpbetoon te           Nijmegen 1937. in: Verslag van den toestand der gemeente Nijmegen 1937, p. 12.

15. Jaarverslag van den gemeentelijken dienst der werkloosheidsverzekering en arbeidsbemiddeling te Nijmegen , 1933 p.22, 1934 p.13  en 1935, p.

16. Gemeentejaarverslag 1932, p. 14 en 16.

17. Jaarverslag van de werkzaamheden van den gemeentelijken dienst voor maatschappelijk Hulpbetoon te Nijmegen 1934. p. 11 en12.

18. Jaarverslag van de werkzaamheden van den gemeentelijken dienst voor maatschappelijk Hulpbetoon te Nijmegen 1937, p.12.

Grafiek 1.1

Bron: Beishuizen, Werkman, De magere jaren p. 263.

Grafiek 1.2

Bron: Marijn Alofs, Werkverschaffing en vakbeweging in Nijmegen tussen 1914 en 1940. p.61 en Brabers, Nijmegen, Geschiedenis van de oudste stad van Nederland, 19e en 20e eeuw, p.282.

Tabel 1.1

Bron: I. ten Kampe, Werkloosheid en werkverschaffing in de gemeente Nijmegen 1914-1939, p. 38

Tabel 1.2

Bron: Jaarverslag van den gemeentelijken dienst der werkloosheidsverzekering en arbeidsbemiddeling te Nijmegen 1932 (p. 10, 14 en 16.), 1933 (p. 21 en 22.), 1934 (p. 10-12) en 1935 (p. 15 en 16).

Tabel 1.3

Bron: Jaarverslag van den gemeentelijken dienst der werkloosheidsverzekering en arbeidsbemiddeling te Nijmegen 1932 (p. 10, 14 en 16.), 1933 (p. 21 en 22.), 1934 (p. 10-12) en 1935 (p. 15 en 16).

Tabel 1.4

Bron: Jaarverslag van de werkzaamheden van den gemeentelijken dienst voor maatschappelijk Hulpbetoon te Nijmegen 1936, 1937, 1938 en 1939.

terug

Reactiepagina

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: