Lent lang vervlogen tijd

Twee eeuwen discriminatie

De katholieken waren tot tweederangs burgers gedegradeerd. Zij mochten geen ambten bekleden, mochten geen ambachtelijk bedrijf beginnen, hun kinderen waren van onderwijs uitgesloten en de openbare eucharistieviering was streng verboden. Aanvankelijk zochten zij hun heil in het Huis te Oosterhout waar een schuilkerkje was ingericht. Later moesten zij of naar Huissen lopen om ter kerke te gaan of naar schuilkerkjes zoals de Bremerton bij Elst, het gedoogde schuilkerkje bij Eimeren of de schuilkerkjes in de stad. Jonge stelletjes moesten voor de dominee trouwen en zonder een uitvaartdienst en zonder absoute werden katholieken begraven. Wij weten weinig, heel weinig over de vervolging van de katholieken. Voor de protestanten was het vanzelfsprekend dat daarover niet werd gesproken en voor de katholieken zelf was het even vanzelfsprekend dat zij hun mond hielden over heimelijke eucharistievieringen, stiekeme godsdienstlessen, toediening van het doopsel en andere sacramenten en de roulerende verblijfplaatsen van de priesters uit het Kleefse land die clandestien in de Betuwe werkten. Werden de katholieken betrapt dan volgden hoge boetes en had een protestant het lef om katholiek te worden dan werd hij uitgesloten. Dat overkwam de ambtsschrijver die in Lent woonde en in Huissen ter kerke ging en zo zijn lucratieve functie verloor. Prof. L.J. Rogier geeft tal van bijzonderheden in zijn 'Geschiedenis van het katholicisme in Noord Nederland in de 16e en 17e eeuw' en F. van Hoeck in 'De JezuÔeten in Nijmegen.' De Lentse protestanten gingen of in Lent ter kerke of in de stad. Zo miniem was het kerkbezoek in Lent dat de 'buick' van de kerk werd gebruikt voor de opslag van dijkmaterialen.

LL 2: Een lappendeken van invloedssferen.

LL 18: De grillige grenzen tussen Gelder en Kleef vergemakkelijkten het 'missiewerk' in de Over-Betuwe.
LL 19: Voor en na de reformatie.

Afb. 13a: Een tekening van kasteel Notenstein in Oosterhout in de 16e eeuw. Na de naasting van de katholieke kerken in de Over-Betuwe door Jan van Nassau in 1580 gingen de Lentse katholieken aanvankelijk naar kasteel Notenstein waar clandestiene eucharistievieringen werden gehouden. Later naar de 'gedoogde' schuilkerk in Eimeren. Hierna een tekening van dat schuilkerkje met de kerkwinkel.

Afb. 13b: Schuilkerkje van Eimeren met kerkwinkel.

Afb. 13c: Grote kapittelkerk in Elst

Enkele kanunniken van de kapittelkerk in Elst waren niet de enige geestelijken die zich konden vinden in de leerstellingen van de hervormers. Zoals zij ook niet de enigen waren die tenslotte toch trouw aan de moederkerk bleven en het tomeloos geweld van het grauw en het brute optreden van georganiseerde bendes verafschuwden. Ook in Elst zijn er relletjes en ongeregeldheden geweest die de Spaansgezinde ambtman Karel van Lynden en zijn ambtsjonkers niet de baas konden. Over ongeregeldheden in Lent, Ressen en Doornik wordt in de bronnen geen gewag gemaakt. De Grote Kerk in Elst werd in 1484 voltooid. Het was een (halve) kapittelkerk ook wel domkerk genoemd. De voorzitter van het college van kanunniken, ook wel domheren genoemd, was tevens raadsheer van het bisschoppelijk kapittel in Utrecht. De voorzitter, praepositus, werd proost van het kapittel genoemd en hij was qualitate qua een van de aartsdiakenen van het bisdom. Het aartsdiakenaat was in een aantal dekenaten verdeeld die door een aartspriester, deken genoemd, werden bestuurd. De Over-Betuwe ressorteerde onder het aartsdiakenaat Arnhem De laatste aartspriester in Arnhem voor de verwoestende tocht van de bendes van Jan van Nassau langs de kerken en kloosters in 1580 was Jan van Wely uit het gelijknamige Betuwse geslacht. Ook de Grote Kerk in Elst werd toen genaast. Hoeveel geestelijken onder die gewelddadigheden 'de mantel over de andere, schouder hebben gehangen' is onbekend. Evenmin weten wij waar de verschillende pastoors na 1580 zijn gebleven. De periode van twee eeuwen van in vermomming pendelende priesters was begonnen.

Afb. 13d: Kerkelijke indeling in de gouden eeuw

In de roerige tijd in het Europa van de reformatie en de contra-reformatie vonden eerst keizer Karel V en na hem zijn zoon Philips II het noodzakelijk om binnen hun landsgrenzen een straffe kerkelijke organisatie door te voeren als steun in hun strijd voor het behoud van die ene universele kerk die politieke stabiliteit kon bewaren en tegen het veldwinnend protestantisme. Met de bulle 'Super universas' van 12 mei 1559 kwam paus Paulus II tegemoet aan de wensen van de koning van Spanje met een ingrijpende kerkelijke indeling in de Nederlanden. Ten noorden van de Waal kwamen onder het aartsbisdom Utrecht nieuwe bisdommen in Groningen, Leeuwarden, Deventer, Haarlem en Middelburg. Lent bleef als vanouds in het bisdom, nu aartsbisdom, Utrecht. Nijmegen en het dekenaat Nijmegen werden uit het aartsbisdom Keulen gelicht en kwamen onder het nieuwe bisdom Roermond dat onder het aartsbisdom Mechelen hoorde. Het dekenaat Nijmegen werd in drie delen gesplitst: Het dekenaat Batenburg in Maas en Waal, het dekenaat Nijmegen en buiten de landsgrenzen het dekenaat Xanten dat onder het aartsbisdom Keulen bleef. Evenals het schependom Huissen met Malburgen en het kleine Hulhuizen in de Betuwe. In deze politiek en religieus instabiele periode was er veel verzet tegen de nieuwe kerkindeling. Nijmegen was als altijd de kampioen van de stedelijke voorrechten en de heren regenten voelden zich bij de nieuwe indeling gepasseerd door de veel kleinere steden Roermond en Deventer die wel een bisschopszetel kregen. De vrijheidszin van de Nijmegenaren manifesteerde zich in hun gedoogbeleid ten opzichte van de nieuwe religie. Ook buiten de stad was er veel verzet zoals in Elst waar enkele priesters sympathie koesterden voor de nieuwe ideeŽn. Zo erg was de tegenstand dat pas in 1563 Willem Damiaansz. Van der Lindt, die de Latijnse naam Lindanus aannam , kon worden benoemd. Zes jaar lang moest hij wachten voor hij op 11 mei 1569 zijn bisschopszetel kon bezetten. Toen was de razernij van de beeldenstorm al voorbij en overal werden de beeldenstormers streng gestraft. Jan van Lent commissaris des konings in Utrecht was een van die rechters die straften met verbanning, verbeurdverklaring van goederen en de doodstraf. Zonder aanzien des persoons. Zo vluchtten van Lent's naar Oss om aan zijn wraak te ontkomen vinden wij in de Diplomaticus Neerlandicus. Maar met al dat geweld nam de ontevredenheid verder toe en wisten aanhangers van de nieuwe religie politieke invloed te verwerven zoals in Nijmegen waar zij in de raad kwamen en al snel domineerden. Wat dat voor onrust veroorzaakte vertelt o.m. pater Paul Begheyn in een biografie van "Thomas van Lenth, kanunnik van de Sint Steven.' Thomas van Lenth was geen krachtfiguur. In 1579 vluchtte hij voor het calvinistisch geweld in de Waalstad om pas na 1585 weer terug te keren toen Nijmegen weer in Spaanse handen was. In 1587 is hij overleden. In 1580 raasden de bendes van Jan van Nassau door de Betuwe om alle kerken te naasten en priesters, nonnen en broeders die niet bereid waren de nieuwe religie aan te nemen te verjagen. Ook de Sint Maartenskerk in Lent werd genaast. Wat er met de pastoor is gebeurd onttrekt zich aan onze waarneming. Strenge plakkaten verboden elke vorm van 'paepse stoutigheden' en wie toch de eucharistie wilde vieren was veroordeeld tot geheime schuilkerkjes. Tegen al dat calvinistisch geweld in de Noordelijke Nederlanden was de clerus niet bestand. In 1583 werd Sasbout Vosmeer benoemd tot de eerste vicaris-generaal in het aartsbisdom Utrecht. Het begin van de Hollandse Missie. De opstandige gewesten werden verdeeld in aartspriesterschappen in Groningen, Friesland, Salland, Arnhem, Utrecht en Zeeland, Holland en West Fiesland. Lent hoorde onder het aartspriesterschap Arnhem. De Waal bleef grens want Nijmegen en het oude dekenaat Nijmegen kwamen onder het apostolisch vicariaat 's-Hertogenbosch. Marcellus van Lent prior van MariŽnhof in Amersfoort in 1568 werd in 1573 prior superior van de Windesheimer Congregatie en verzette zich tegen de terreur van de calvinisten die elke vorm van katholieke geloofsbeleving onmogelijk wilden maken. In 1578 werd hij definitief uit alle opstandige gewesten verbannen en vestigde hij zich in Keulen om van daaruit zijn (vergeefse) strijd voort te zetten. Tot de komst van de Fransen in 1795 zouden de katholieken worden gediscrimineerd. De Over-Betuwe zou in meerderheid katholiek blijven. De nabijheid van de enclaves dicht bij huis waar de gelovigen naar toe konden lopen, de schuilkerkjes en later corrupte ambtenaren die voor geld eucharistievieringen door de vingers zagen of officieel recognitie-gelden daarvoor eisten maakten het mogelijk dat priesters b.v. uit Emmerik in de Betuwe konden werken. Gerhard van Lent (1609-1665) was prior van het kruisherenklooster in Emmerik en na 1644 pater definitor praesens capituli generalis van de orde. Hij organiseerde de priesteropleiding van de toekomstige 'missionarissen' in de republiek. Later, in 1703, werd Stephanus Gerardus van Lent (1665-1717) zoon van de Huissense stadssecretaris Thomas van Lent, aartspriester in Arnhem, (protonotarius apostolicus) Hij heeft het, ook financieel, heel moeilijk gehad vertellen de documenten in het archief van het aartsbisdom Utrecht. Vooral in zijn strijd met de jansenisten. Een halve eeuw later, in 1769, zou Theodorus van Lent uit Utrecht uit de oud katholieke kerk terugkeren naar de moederkerk. Ook onder de van Lent's waren tal van telgen de nieuwe religie toegedaan. Bekend werd Johannes van Lent (1654-1696) die in 1633 professor in de oosterse talen en in 1686 professor in de evangelische theologie werd. Hij had o.m. in Leiden gestudeerd. In de republiek was het land verdeeld in synodes. Lent, Nijmegen en Arnhem vielen onder de Gelderse synode.

Afb. 13e: Enclaves van katholieken in Gelder