Lentse Historische Kring

ga naar aflevering 1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23

~ Lent lang vervlogen tijd ~

9. Bestuur en rechtspraak

In de archieven vinden wij weinig of niets over slachtoffers, verloren vee en schade aan huizen en gebouwen. Wel de inspanningen en de kosten van de dijkgraaf en zijn heemraden. In de ambten in het kwartier van Nijmegen vertegenwoordigde de ambtman/richter/dijkgraaf de landsheer. Wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht waren in zijn persoon verenigd. Hij werd terzijde gestaan door 5 ambtsjonkers/heemraden. De functies van ambtman en ambtsjonker werden meestal verpacht en werden door enkele adellijke families beheerst zoals b.v. de Hackfort's, de Bronckhorsten, de van Lynden's, de van Randwijck's en de van Bemmel's. Het bestuurssysteem was gebaseerd op het delegeren van alle werkzaamheden. Zo moesten de bandijken voor eigen rekening onderhouden worden door de dijkplichtigen en ook de waterlossingsystemen moesten voor rekening van de buurschappen door de dorpelingen voor eigen rekening worden onderhouden. Alle bezitters van grond betaalden naar rato van hun grondbezit én de dijklasten én de zogenaamde generale lasten. Daarnaast werden de ingezetenen belast met de dorpsbelasting, 'onraet' genoemd, waaruit het onderhoud van wegen en bruggen in de buurschap werd gefinancierd. Bij de agrarische bevolking van Lent zette het kwaad bloed dat de goedverdienende ondernemers aan de Veerdam geen dijklasten betaalden omdat hun perceeltjes te klein waren terwijl de kleine ploeterende pachtertjes via hun grondheer daarvoor wel moesten betalen. Het ambt betaalde zijn weinige ambtenaren nauwelijks. Zij moesten zelf hun geld verdienen. Zoals de tellers, de ijkers en de meters. De paardenteelt floreerde in de Betuwe. Ook daar pikte het ambt een graantje van mee met de zogenaamde ambtshengsten en met de 'tekens' op de veemarkt waarvoor ook betaald moest worden. Bovendien waren alle mannelijke ingezetenen arbeidsplichtig en weerplichtig. Zo werd de schans Knodsenburg in 1591 door Betuwse arbeidsplichtigen gereconstrueerd en in 1672 door 300 Betuwse huismannen verdedigd. De deur naar corruptie en willekeur stond wagenwijd open. Nijmegen dat het rivierrecht van de graaf had verworven werd in 1388 bestuurder over de uiterwaarden ten oosten van Lent en Doornik, het zogenaamde Lentse Schependom. In 1594 werd de grens in de uiterwaarden tussen Lent en Doornik door het Hof van Gelder definitief vastgesteld. In de Franse tijd zag Nijmegen af van het Lentse Schependom. In 'Over-Betuwe, geschiedenis van een polderland' van G. Mentink vinden wij vele gegevens over het functioneren van de dijkstoel en de belasting van de ingezetenen. In 'De ambtman in het kwartier van Nijmegen' van J. Kuys wordt de functie van de ambtman belicht.

LL 3: De dijkschouw controlemiddel van de dijkstoel

LL 3: Die gerichtsbanck tho Lendt

LL 5: Het Lentse Schependom

LL 16: De ambtman reglementeerde. Overzicht van diensten en lasten.
LL 16: De ontwikkeling van Lent in de late middeleeuwen.
LL 21: Nijmeegse stadspoorten gastvrij voor de plattelanders.

LL 26: Oligarchie, nepotisme en corruptie remden de vooruitgang

LL 26: Omschrijving van begrippen die de dijkstoel hanteerde
SL 10: De relatie van de stad met haar achterland.
SL 15: De Over-Betuwe, speelterrein voor stadse heren.

Afb. 9a: Plattegrond van de ambten

Afb. 9b: De tekening geeft een indruk van de 'oculaire inspectie' van de bandijk bij Lent door de dijkgraaf met zijn heemraden, de dijkschrijver en de dijkschout. Driemaal per jaar werden de bandijken die door de eigenaren van percelen die binnendijks grensden aan de bandijk voor eigen rekening moesten worden onderhouden 'geschouwd.' De loofschouw werd medio maart gehouden. De dijkplichtigen, dijkgeslaagden of gehoefslaagden genoemd, kregen dan opdracht om de schade van de winter te herstellen. De tweede schouw, de aardschouw, werd in juni gehouden. Gecontroleerd werd dan of de gegeven opdrachten bij de loofschouw ook volgens de instructies waren uitgevoerd. De derde schouw, de spijkschouw, werd na 10 oktober gehouden. Dan werd gecontroleerd of de bandijken winterklaar waren d.w.z. of de buitenzijde van de dijk was voorzien van gevlochte horden om de dijk te beschermen. In 'Over-Betuwe, Geschiedenis van een polderland’ vertelt G. Mentink ons tal van bijzonderheden over het waterbeheer in de Betuwe.

De dijkplicht woog zwaar, heel zwaar voor de dijkplichtigen. Bij een dijkbreuk of een dijkverzakking was de dijkplichtige in zijn dijkvak verantwoordelijk voor het herstel overeenkomstig de aanwijzingen van de dijksteel. Had men zijn dijkvak aan de glijoever met brede uiterwaarden dan was de kans op een dijkbreuk niet zo groot maar had men de pech dat het dijkvak aan een schaaroever lag dan kon men als het ware het hele jaar door met de schop paraat staan. Zo'n schaardijk was voor elke dijkplichtige een enorm risico en in de loop van de eeuwen zijn er heel wat dijkplichtigen die de schop in de dijk moesten steken, m.a.w. die aan dat onderhoud bankroet gingen. Was dat het geval dan sprak men van een verloren dijk en moest dat dijkvak door het ambt worden onderhouden tot een nieuwe eigenaar kwam opdagen. Wanneer de door de dijkstoel opgedragen werkzaamheden aan de bandijk niet naar de eisen van de dijkstoel waren uitgevoerd en ook bij een tweede inspectie niet aan de eisen voldeden dan werd het werk door het ambt uitgevoerd tegen de z.g. weerpenning. Dat betekende dat de dijkplichtige de kosten van die aanpassingen + 100% aan de dijkstoel moest betalen. De rivier was en bleef voor de dijkstoel en de ingezetenen van het ambt onberekenbaar. Maar al te vaak moest de dijkstoel aanvullende maatregelen treffen om de Waal in toom te houden zoals het aanbrengen van extra kribben en ritsen op de meest bedreigde plaatsen. Zoals na de doorsnijding van de Ooi in 1649 voor Doornik waar de rivier op de schaardijk botste om dan in een haast haakse bocht naar het zuiden te stromen waar de aanvankelijk brede uiterwaarden voor Lent afkalfden. De dijkstoel nam dan de kosten van de aanleg voor zijn rekening en belastte de dijkplichtige daarna met het onderhoud. Om de dijkplichtige van constant bedreigde dijkvakken enigszins tegemoet te komen werden incidenteel karige subsidies verstrekt. Het touwtrekken over de verdeling van de kosten werd in de meeste gevallen een lange lijdensweg voor de dijkplichtigen zoals het dossier van de familie de Ranitz die op Huis Doornik woonde overduidelijk aantoont. In Lent lang vervlogen tijd nr. 25 hebben wij die optocht van verzoekschriften en rekesten en de resultaten daarvan opgesomd. Het slot van de historie was dat de familie de Ranitz haast failliet dreigde te gaan aan de loodzware verplichtingen en pas na de Watersnood van 1799 toen de Doornikse bandijk diep landinwaarts moest worden verlegd met minder zware lasten werd geconfronteerd. De controle over de dijkbewaking was aanvankelijk een zaak van de ingezetenen van de buurschappen. Dat betekende dat bij het luiden van de noodklok en het ontsteken van de vuren op de kerktorens alle ingezetenen tot gemeenschappelijke dijkbewaking verplicht waren. In 1711 werd de dijkbewaking op militaire leest geschoeid met wachtposten langs de hele rivier. De dijkgraaf zelf, Dirck van Lynden, bezette de wachtpost op Huis Doornik, het gevaarlijkste punt in de bandijk. De Nijmeegse heemraad van Lynden kreeg twee posten in Lent: In het Huis te Lent, en in herberg 'In den Hollandschen Tuyn' bij de Veerdam. Per wachtpost kwam er 6 rotmeesters die door de dijkstoel werden aangewezen (katholieken kwamen niet in aanmerking tenzij er geen andere kandidaten waren) en elke rotmeester had 8 of 9 wachtplichtigen onder zijn commando die door de buurmeesters van de kerspels werden geselecteerd. Voor de post Doornik waren dat in 1711: Christiaen van Bronckhorst, Jasper Jansen van Ressen, Steven Graes van Bemmel, Joris van Eek van Bemmel, Jan van de Pavert van Lent en Jan Verkuijl van Lent. De beide posten onder Lent hadden zes rotmeesters: Henrick van Westerveld, Rein Henrixs, Leendert Meeusen, Willem Crijnen, Jan van Bronckhorst en Jan Broesterhuijsen. Bij elke post hoorde een rijpaard om de riviercorrespondentie zo snel mogelijk van de ene post naar de andere te brengen zodat men op elke post op de hoogte was van de was of de val van het water, van meedrijvende gevaarlijke obstakels en van calamiteiten op andere plaatsen langs de rivier.

Afb. 9b1: Weteringruimers aan het werk. 

Naast het onderhoud waarvoor de dijkpiichtigen verantwoordelijk waren hadden alle ingezetenen de z.g. weteringplicht; het graven van nieuwe zegen en eventueel het dempen of gedeeltelijk dempen daarvan, het op peil houden van de waterhoeveelheden en het reguleren van een efficiënt ontwateringsysteem. Aanvankelijk was dat een taak van de buurschappen waar de dorpsvergadering besloot welke maatregelen moesten worden getroffen, hoeveel duiten dat mocht kosten en welke personen overeenkomstig de geldende arbeidsplicht, door de buurmeesters werden aangewezen om dat werk uit te voeren. Later ging de dijkstoel zich actief met het onderhoud van de waterlossing bemoeien en er werden voor elke buurschap vakken aangewezen waar de arbeidsplichtigen moesten vegen en ruimen. In de praktijk betekende dat al gauw dat in de dorpsvergadering de offertes van aannemers werden beoordeeld, het werk aan een of meerdere aannemers werd gegund en de kosten daarvan in de dorpsbelasting, onraet genoemd, werden omgeslagen. Die methode was ook wel nodig omdat de dijkstoel de weteringen in vakken had verdeeld en buurschappen die vakken toewees. Vaak ver van huis. Zo zat Lent met zijn weteringvak tussen Valburg en Homoet. Lent was met andere buurschappen ook verantwoordelijk voor het onderhoud van de Verloren Zeeg die tussen Lent en Ressen begon. Met Lent waren dat Ressen, Oosterhout, Merm, Reeth, Elst en Eimeren. Evenals de bandijken werd het werk aan de landweteringen en de Verloren Zeeg door de dijkstoel geschouwd: Eind april schouwde de dijkgraaf met zijn heemraden de landweteringen en de Verloren Zeeg, de z.g. loofweteringschouw. Daarbij waren de buurmeesters van de betrokken kerspels aanwezig die daar geïnstrueerd werden over het uit te voeren werk . De tweede schouw werd eind juni gehouden. Dan moest alles keurig geveegd en geruimd zijn en moesten vervallen taluds weer in de oude toestand zijn teruggebracht. De laatste schouw voor de winter was eind augustus/begin september. In de praktijk schouwden dijkgraaf en heemraden de waterlossing niet al te vaak. Zij lieten het werk maar al te graag over aan de dijkschout. Ze vonden het een beetje beneden hun waardigheid. Het toezicht op de afwateringsystemen van de kerspels berustte bij de buurschapsbesturen. De dijkstoel bemoeide zich daar niet mee, behalve in die gevallen waarin ruzie tussen de buurschappen om ingrijpen vroeg. Zoals dat enkele keren het geval is geweest tussen Ressen en Lent. De arbeidsplicht van de buurschapsingezetenen beperkte zich niet alleen tot het onderhoud van het afwateringsysteem in de eigen buurschap. Ook moesten zij de wegen en bestaande bruggen onderhouden en aanwezige sluizen controleren. De buurmeesters wezen zo eerlijk mogelijk de plichtigen voor de diverse werkzaamheden aan. Heel wat pachters moesten overeenkomstig de pachtovereenkomst ook diensten aan de pachtheer verlenen in de vorm van werk op zijn landerijen of anderszins. Onder de jonge dochters van zijn pachters wierf de pachtheer zijn huispersoneel. De arbeidsplicht van de ingezetenen reikte incidenteel nog verder. Wanneer namelijk de landsheer voor de aanleg van verdedigingswerken arbeidskrachten nodig had. Zoals Lentse arbeidsplichtigen moesten 'bolwerken' aan de eerste (1585) en tweede schans Knodsenburg (1591) Daarnaast bestond voor de mannelijke ingezetenen de weerplicht. Wanneer gedroste soldaten of bedelaars- en dievenbendes in of bij de buurschap en alleenstaande boerderijen werden gesignaleerd dan werden uit de weerplichtigen patrouilles gevormd om dat gespuis te verjagen. Een enkele keer werden die weerplichtigen voor de landsverdediging opgeroepen. Wij weten dat in 1672 schans Knodsenburg mede door opgeroepen 'Betuwse huismannen' werd verdedigd.

Afb. 9c: In 1342 werd Diederik van Lent beleend met de uiterwaarden tussen Doornik en Haalderen. Jan van Lent bezat toen de Lentse uiterwaarden. Nijmegen had het rivierrecht verworven en wilde op basis daarvan bestuursmacht in de uiterwaarden tot de bandijken o.m. om verzanding van de rivier tegen te gaan door agressief kribben te verbieden. Rond 1380 werd een akkoord bereikt waarbij Otto en Steven van Lent de tienden uit de uiterwaarden tot aan de grens met Bemmel kregen en de stad tot aan de voet van de bandijk bestuursmacht. De stad incasseerde de cijnzen. De rivier liet zich niet dwingen en in 1648 pal voor de doorsnijding van de Ooi hadden deze uiterwaarden hun grootste omvang bereikt en werden de uiterwaarden in het Lentse schependom door zomerkaden beschermd. Na de 'heylsame reductie' van Nijmegen in 1591 werd de begrenzing van het Lentse schependom voor het Hof van Gelder gebracht. Nijmegen verloor 65% van zijn grondgebied in het Lentse schependom aan de ambtman. Na de doorsnijding van de Ooi in 1649 begon het proces van de afkalving van de Lentse en Doornikse uiterwaarden en werd de dijk voor Doornik een schaardijk. In 1774 was de bestuursmacht in het Lentse schependom opnieuw onderwerp voor het hof in Arnhem. Na 1795 zag de stad definitief af van het Lentse schependom. De Veerdam behoorde nooit tot het schependom. Wel had Nijmegen daar grondbezit.

Afb. 9d: Het ambtshuis in Elst in de 19e eeuw.

In 1694 kocht ambtman Gaspar Antonis van Lynden (1671-1696) voor de lieve som van 2.500 gulden het riante nieuwe herenhuis van Peter van Weert onder de toren van de Grote Kerk in Elst. Negen jaar later werd dit pand als ambtshuis in gebruik genomen. Met een vergaderruimte, een gerechtszaal, logeeraccommodaties, woonvertrekken voor de schout van Elst en cellen voor arrestanten. Die werden voortaan in Elst in bewaring gehouden in plaats van naar Nijmegen overgebracht te worden. De schout moest als gevangenenbewaker functioneren. Alle lagere gerichtsbanken verhuisden in de volgende jaren naar Elst behalve de gerichtsbank van Lent die met Nijmeegse oordeelvinders bezet was en die tot de hervormingen in de Franse tijd bleef functioneren. De landschrijver kon in Elst zijn werk doen maar tot in de Franse tijd functioneerden die heren meestal thuis zoals landschrijver van Oven die in zijn huis te Lent de administratie bijhield. Veel stelde dat niet voor want de ambtsbestuurders namen ter plaatse ad hoc beslissingen. Het ambtsbestuur bestond uit de door de landsheer benoemde ambtman die door vijf ambtsjonkers werd geassisteerd. De ambtman was tegelijkertijd én de richter én de dijkgraaf in de Over-Betuwe. Het belangrijkste moment in het bestuur van de Over-Betuwe was de volle ambtsvergadering waar de gecommitteerden van de steden Nijmegen en Arnhem en de leden van de Over-Betuwse ridderschap van het dagelijkse bestuur rekening en verantwoording kregen over het afgelopen jaar en waar de ambtslasten voor het volgende boekjaar werden vastgesteld. Van democratie was geen sprake. Het gewone volk had geen enkele vorm van inspraak. De ambtman was tegelijkertijd ook dijkgraaf en als zodanig werd hij geassisteerd door vijf heemraden. Meestal dezelfde personen als de ambtsjonkers. Na de land- en dijkbrief van 1445 waren er twee heemraden uit Arnhem en Nijmegen en drie uit de Over-Betuwse ridderschap. De Heren uit de steden met grondbezit in de Over-Betuwe wilden maar al te graag weten wat er met hun lieve centen gebeurde en zij wilden een vinger in de Over-Betuwse pap houden. De ambtslasten bestaande uit de generale lasten en de dijklasten werden geheven over het grondbezit 'morgen morgentalsgewijs.' Bijzonder oneerlijk want wie vruchtbare zandige kleigronden bezat betaalde per morgen hetzelfde bedrag als de eigenaar van de laaggelegen komgronden. In Lent wekte het wrevel dat de ondernemers aan de Veerdam en langs de Oosterhoutse Dijk geen dijklasten betaalden omdat hun perceeltjes te klein waren. Daarnaast moesten de dorpelingen nog de lokale belasting betalen, 'onraet' genoemd voor het onderhoud van wegen en bruggen. De ambtsbestuurders ontmoetten elkaar thuis om dringende zaken te bespreken en verder waren er de negen dagen dat de dijkschouw werd gehouden en de dagen dat de waterlossingssyste-men werden geschouwd. Ook op de acht gerichtsdagen, aanvankelijk in Valburg en in Bemmel, later in het ambtshuis in Elst konden de heren van gedachten wisselen. Wanneer er een dijkbreuk was geweest dan hadden zij alle tijd van de wereld om met elkaar te overleggen. Zij moesten immers 'op dat gat' blijven liggen tot de dijk weer provisorisch was hersteld. Op gerichtsdagen waren het de oordeelvinders die tot een vonnis adviseerden. De ambtman/richter/dijkgraaf sprak dan dat vonnis uit. Het ging om criminele rechtspraak, behalve voor halsmisdaden, civiele en vrijwillige rechtspraak. Uitgesloten van de bevoegdheden van de Over-Betuwse rechtspraak waren de kerkelijke rechtspraak en de rechtspraak over leden van de ridderschap. In Lent waren het de Nijmeegse oordeelvinders, met grondbezit in de Over-Betuwe, die het voor het zeggen hadden. Een piepklein bestuursapparaatje dat de heren angstvallig onder ons wisten te houden 'omdat met geld en goede woorden, maar vooral met geld' alles te koop was. Binnen het bestuursapparaat functioneerden de schouten in de schoutambten, op hun beurt geassisteerd door onderschouten. Zo kende Lent zijn onderschout. Vele jaren aaneen uit de familie van Brakel. Iedereen die 'in dienst' was van het ambt moest zijn eigen geld verdienen. Zoals de turfmeters, de meters van koren en fruit, de ijkmeesters en de tellers van het ambtsrijshout. Ook de armenjagers die korte tijd dienst deden aan de Veerdam in Lent om landlopers en ander gespuis buiten de Betuwe te houden moesten hun eigen geld verdienen. Geen wonder dat de deur naar corruptie wagenwijd open stond. De schout was de politiefunctionaris in het schoutambt. Wanneer rondstruinende soldaten, vagebonden en dievenbendes huishielden dan werden de weerplichtigen uit de kerspels door de buurmeesters bij toerbeurt aangewezen om in de donkere uren patrouille te lopen. Dat het daarbij niet altijd zachtzinnig aan toe ging laat zich raden. Pas in en na de Franse tijd begon het traag verlopende proces naar democratisering.

Afb. 9e: Het Huis te Bemmel in zijn glorietijd.

De van Bemmel's waren invloedrijke ambtmannen en heemraden in de Over-Betuwe. Naast het Huis te Bemmel bezaten zij ook het slot Doornenburg. Bemmel werd het Haagje van de Betuwe genoemd. De volle ambtsvergadering werd herhaaldelijk in de kerk van Bemmel gehouden. Niet alleen de van Bemmel's woonden in Bemmel, ook Johan van Bronckhorst, ambtman van 1616-1622 en Cornelis van Bronckhorst ambtman van 1654-1671, Een aantal van Lynden's woonden in Bemmel. Een waar geslacht van ambtmannen: Naast Gaspar Antonis (1672-1696) Dirk (1696-1718) Adriaan (1723-1726) Otto Frederik (1769-1787) en Jacob Karel (1787-1795) Bekend waren ook Steven van Randwijck (1726-1769) en George van Randwijck (1802-1810).

Afb. 9f: De Pol en Bering in Bemmel

De Bronckhorsten woonden in Bemmel in de 17e eeuw in de Pol en Bering. Een samenvoeging van de naam van het adellijke huis de Pol met het omliggende park en de moestuinen, de Bering. Later woonde hier een van Lynden en daarna kwam het huis in bezit van de Randwijck's. In Bemmel stonden ook nog de adellijke huizen De Plak en de Hoge Eest. Voor de Franse revolutie woonde een van Randwijck in het Huis te Lent aan de Lentse kolk.

Afb. 9g: Het adellijke huis Kinkelenburg in Bemmel, dat nu dienst doet als gemeentehuis was in het midden van de achttiende eeuw heel wat kleiner dan nu. Zoals uit een tekening van Cornelis Pronck uit 1744 blijkt.

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
onthoud dit (1 uur)