Herinneringen Verzet

Jantje van Lee

Ingezonden op 13-07-2010 door Anje van Buuren-Meinardi

 

Jantje

Jantje van Lee was mijn vriendje. We woonden allebei op de Weezenlaan. Ik op nummer 191 en hij op nummer 195. We speelden vaak samen en konden heel goed met elkaar opschieten. Jantje was een heel lief jongetje en ik af en toe een kattekop.

De achteruitgang van onze tuin kwam uit op de Hazenkampscheweg en Jantjes huis was schuin tegenover ons op de hoek van de Hazenkampscheweg en de Weezenlaan. Jantjes vader was bakker. Hij had nog een ouder zusje Thea en nog twee jongere broertjes, voor zover ik me dat kan herinneren. 

Jantje was een paar maanden jonger dan ik. In september 1944 zou ik naar de eerste klas van de lagere school gaan. Mijn ouders hadden de Nutschool aan het Hertogplein midden in de stad voor mij uitgekozen. Ik was er verschrikkelijk trots op dat ik naar school zou gaan. Ik plaagde Jantje er vaak mee, want hij was immers een paar maanden jonger dan ik en hij moest nog een jaartje wachten. Wat ik me heel goed herinner is dat ik met mijn moeder naar de school aan het Hertogplein ging. We kwamen in een hal en van een brede trap met uitgesleten treden kwam een dikke, oude man in een zwart pak, glimmend van ouderdom, op ons af. Een horloge hing aan een ketting op zijn dikke buik. Ik was erg onder de indruk van deze deftige mijnheer, het hoofd van de school. Na een kort gesprekje werd ik aangenomen. 

Alles zou echter anders verlopen. Tegen de tijd dat de scholen weer zouden beginnen eisten de Duitsers dat alle kinderen gewoon naar school moesten gaan, of de school nu ver weg of dichtbij lag. Op een dag stond de heer Sjollema, subhoofd van de Nutschool voor onze deur. Hij was op van de zenuwen. De Duitsers hadden hem gezegd dat alle kinderen gewoon naar school moesten of er nu gevaar dreigde of niet. Gebeurde dat niet, dan zou zijn huis in brand gestoken worden. Hij had echter een oplossing gevonden. Een familie, die halverwege de Hazenkampscheweg woonde, had zich bereid verklaard enige leerlingen van de Nutschool op te vangen. De dochter des huizes was ook leerling op die school. En zo gebeurde het. Drie leerlingen. Ik was de enige die in de eerste klas zat, de anderen zaten in de vierde. Ik vond het helemaal niet leuk zo alleen in die klas. Schrijven en lezen vond ik vreselijk. Wat viel dat vies tegen en ik had me er toch zo op verheugd. Voortaan, als de andere kinderen, waaronder Jantje, buiten speelden, moest ik onder toezicht van mijn moeder huiswerk maken, dat wil zeggen woordjes leren schrijven en sommetjes maken. 

In september 1944 werden de gevechten steeds heviger. Het geschut van de Duitsers op De Goffert tegenover ons huis brulde dag en nacht. Op een stralende dag in september zagen we gele, groene, blauwe parachutes naar beneden komen. Iedereen was opgetogen en er werd geroepen: “De Amerikanen zijn geland in het Konijnenpad” (op de Goffert). Mijn vader klom op het dak om vandaar eens goed te zien wat er allemaal aan de hand was. Iemand van de Binnenlandse Beveiligingsdienst zag mijn vader en riep met het geweer in aanslag: “Kom onmiddellijk van dat dak af, anders schieten we je er af”.

Later bleek dat de paratroepen veel verder weg waren geland. Het duurde echter niet lang of de Amerikaanse paratroepen, jongens van 18 en 19 jaar, bereikten de Weezenlaan, waar mijn moeder ze met het geweer in aanslag tuin na tuin zag doorkruipen. Wij zaten inmiddels met kloppend hart in de kelder. Zouden ze in de kelder komen? Wat zou er met ons gebeuren? Gelukkig gebeurde er niets. 

Heel snel wisselden de Amerikanen hun geschut in voor dat van de Duitsers. We dachten, het zal nog wel een dagje duren voordat ze gaan schieten. Maar nee, binnen een paar uur begonnen de kanonnen te blaffen en dit geschut was zo krachtig dat meteen een smeedijzeren lamp met aan weerskanten vier pieken op tafel viel, precies op de plek waar mijn moeder net mijn babybroertje verschoond had. Schilderijen volgden en scheur na scheur vertoonde zich in de muren. De voorruit viel in splinters naar binnen. Repareren kon niet, want er was nergens aan materiaal te komen. Bij gebrek aan beter plaatste mijn vader het onderstel van de babybox in het open gat. Mijn broertje moest het dan maar zonder doen.

De vrouw van de bakker en moeder van Jantje kon het met haar kinderen niet meer uithouden in de warme bakkerskelder. Haar man zat zeker al een jaar als kloosterling ondergedoken in een klooster in Noord-Brabant, waar hij kok was. Op een avond was het huis van de bakker in de zoeklichten geplaatst, de Duitsers drongen het huis binnen, maar intussen had de bakker net de tijd gehad zijn schuilplaats te bereiken. Zodra de Duitsers weg waren wist hij te ontsnappen.

Mijn moeder besloot de moeder en haar kinderen in onze kelder op te nemen. Dat betekende drie volwassenen en zeven kinderen samengepakt in een betrekkelijk kleine ruimte. 

Het schieten ging maar door en door. Juffrouw van Lee – zo werd ze genoemd – kon de situatie niet langer aan. Zij werd er verschrikkelijk zenuwachtig van. Ze wilde weg en zo gauw mogelijk. Haar schoonvader was tuinman op kasteel Jurgens aan de Sint-Annastraat. Daar zou het vast beter zijn.

Op een avond, het was pikdonker, liepen juffrouw van Lee, mijn vader met de knijpkat voorop, mijn moeder met kinderwagen met daarin mijn broer, en wij, zes kinderen, over de Hazenkampscheweg. De granaten, die op de Goffert afgeschoten werden, vlogen over onze hoofden en halverwege de Hazenkampscheweg was de luchtdruk zo groot dat wij, kinderen, het niet meer op de been konden houden, en kruipend op handen en voeten onze weg moesten vervolgen. Toen we de Sint-Annastraat bereikten nam het schieten iets af, waardoor we weer overeind konden komen.

Op de Sint-Annastraat was het een drukte van je welste. De ene Amerikaanse tank na de andere rolde voorbij. Met grote moeite wisten wij de straat over te steken. Mijn moeder waarschuwde mij: “Kijk goed uit, loop zoveel mogelijk links en pas op voor de mansgaten”. Het was aardedonker en om de zoveel meter was er een diep mansgat gegraven. Mijn moeder riep naar mij: “Ik kan niet op je letten, want ik kan al bijna niet vooruitkomen met de kinderwagen. Je moet zelf je weg zien te vinden”. Ondertussen raasden de tanks langs ons heen. Hoe ik in het donker de weg heb gevonden, weet ik niet meer, maar gelukkig vond ik mijn vader en zusje bij de ingang van het landgoed. Maar waar bleef mijn moeder? Eindelijk kwam ze eraan. Ze was met de kinderwagen in een mansgat terecht gekomen. Een soldaat had het gezien en had de wagen eruit getrokken. 

We kwamen bij het kasteeltje van Jurgens aan en werden naar de kelder gebracht, die propvol vluchtelingen zat. Ik zie nog steeds hoe die mensen in die kelder ons aankeken. Hun ogen spraken boekdelen: “Wat komen jullie hier doen? Zie je niet dat wij geen plek voor jullie hebben?” Er hing een vijandige stemming. Toch werd er plek gemaakt voor juffrouw van Lee en haar kinderen. Maar waar moesten wij naartoe? We werden naar het huis van de chauffeur gebracht. Daar zou nog plek zijn. Toen we daar aankwamen bleek de kelder ook al stampvol vluchtelingen te zitten, maar boven in het huis was de slaapkamer van de tuinman en zijn vrouw nog onbezet, omdat niemand het aandurfde bovengronds te slapen. Ik kwam met mijn ouders in een bed dat al dagen door meerdere mensen beslapen was geweest, maar zelfs mijn vader, die heel erg vies was uitgevallen, kon dat niets schelen. We waren doodop en waren blij dat we een bed hadden. Ik sliep tussen mijn vader en moeder in. Voor mijn zusje was er een kinderledikantje en mijn broertje bleef in zijn kinderwagen. Die nacht hebben we geen oog dichtgedaan. Het schieten was nog erger dan op de Weezenlaan. De hele nacht lagen we te schudden in ons bed.

De volgende dagen. 

Na een karig ontbijt zegt mijn moeder resoluut: “Ik ga terug naar huis. Het is hier nog erger dan thuis en hoe zullen we ons huis terugvinden”. Even later lopen we weer over de Hazenkampscheweg terug naar huis, dat we ongeschonden aantreffen.

Juffrouw van Lee komt na een paar dagen met haar kinderen terug en Jantje en ik gaan weer samen spelen. Op een ochtend loop ik naar buiten onze tuin aan de Hazenkampscheweg in en zie Jantje schuin aan de overkant van de straat staan. Hij roept: “Kom je spelen?” Ik ren naar binnen om aan mijn moeder te vragen of ik dat wel mag. “Ik heb dat liever niet”, zegt mijn moeder, “want het is de hele ochtend al zo roerig”. “Ach, mag ik toch?” fleem ik en na haar “vooruit dan maar” ren ik de achtertuin in. Jantje staat voor zijn huis op mij te wachten. Net als ik over wil steken, giert er iets door de lucht. Ik schrik geweldig en druk me plat in de goot en ren daarna zo snel mogelijk het huis weer in. Een granaat is halverwege de Hazenkampscheweg ingeslagen. Een half huis is weggeslagen. 

Als ik na een paar dagen het weer aandurf naar de overkant te gaan om te spelen, blijkt Jantje ziek te zijn. Hij zit aan tafel in de huiskamer achter de winkel. Een slordige lap zit om zijn vinger gedraaid waarmee hij in een kopje soda zit. Hij heeft bloedvergiftiging in zijn vinger. Jantjes moeder wil hulp halen voor haar zieke zoontje, maar hoewel het Canisiusziekenhuis aan het eind van de Hazenkampscheweg ligt, is dat niet mogelijk. De luchtgevechten van laagvliegende vliegtuigen zijn hevig en het afweergeschut brult constant. Ze durft het niet aan de kinderen alleen te laten. Van nu af aan kom ik iedere dag over om te kijken hoe het met Jantje gaat.

Dan ineens, het is nog erg vroeg, staat juffrouw van Lee voor onze deur. Ze komt vertellen dat zij Jantje die avond bij zich in bed heeft genomen, omdat het kind zo ziek was. Die ochtend vindt ze een dood kind naast zich. Wat een tragedie, eigenlijk is Jantje een oorlogsslachtoffer, want door het oorlogsgeweld kon zijn moeder geen hulp voor hem halen. Jantje sterft op 5-jarige leeftijd 23 december 1944 en wordt op het kerkhof achter de Groenestraatkerk begraven. 

Een maand later vraagt ons vriendinnetje Ans mijn zusje en mij om naar het kerkhof te gaan om het graf van Jantje te bezoeken. Na lang zoeken vinden wij het grafje, een berg zand en anders niets. We vinden dat heel erg zielig voor Jantje en besluiten mooie steentjes van andere graven te pakken om er zijn grafje mee op te fleuren. Ans besluit dat we de steentjes in de vorm van een kruis moet leggen. En zo wordt het grafje aangetroffen. Wie heeft dat gedaan? De pastoor spreekt Ans hierop aan en geeft haar een fikse reprimande. Ans en haar twee vriendinnetjes mogen ooit meer op het kerkhof te komen.

Jaren later.

Begin 1986 ligt mijn dochter in de Sint-Maartenskliniek. Ik heb de auto bij me en logeer in een klein hotelletje in de buurt. Als ik niet bij mijn dochter ben, dan rijd ik alle bekende plekjes af. 

Zo besluit ik naar het kerkhof te gaan om het graf van Jantje te bezoeken.
Op het kerkhof zoek en zoek ik en probeer mijn geheugen zo goed mogelijk te raadplegen. Het grafje zou toch ergens bij een hek moeten zijn. Maar hoe ik ook zoek, ik vind het niet. Aan een doodgraver, die een graf aan het delven is, vraag ik waar het grafje zou kunnen zijn. Hij verwijst mij naar de kinderafdeling, maar daar ligt hij niet. Dan geeft de man mij het advies de beheerder van het kerkhof op te zoeken.

De beheerder blijkt in het huis op de Hazenkampscheweg te wonen waar op die bepaalde dag de granaat insloeg. Hij zegt: “U moet maar niet kijken naar de rommel. Wij zijn aan het puinruimen....... Mijn huis wordt op dit moment verbouwd”. Hij laat mij het boek van de begraafplaats zien. Hieruit blijkt dat de ouders van Jantje inmiddels zijn overleden. Dan vinden wij de aantekening: kind van Lee overleden 23 december 1944. De graven van juffrouw van Lee en haar man en dat van Jantje blijken geruimd te zijn.
Jantje was mijn vriendje, een heel aardige jongen, hij werd vijf jaar....... en na al die jaren ik zie hem nog steeds heel duidelijk voor me staan. Hij blijft altijd in mijn herinnering.

terug

Reactiepagina

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: