Herinneringen Verzet

Daden van verzet

Ingezonden op 01-12-2009 door Wenzel Wielemann

Voorwoord

Op Noviomagus.nl werden enige tijd geleden in een bijdrage van één van de gastredacteuren enkele woorden gewijd aan een schietpartij die in de zomer van 1944 in een park in Nijmegen zou hebben plaatsgevonden. 

Uit deze - overigens ontroerende en aangrijpende – inzending maakte ik op, dat de auteur van het stuk doelde op de aanslag op 6 juli 1944 in het Kronenburgerpark waarbij een Duitse Obergefreiter het leven heeft gelaten. 

 

Ooit ben ik eens begonnen om over deze gebeurtenis een geromantiseerd verhaal te schrijven. Een verhaal dat gebaseerd is op gegevens die ik uit de mond van, inmiddels niet meer onder ons zijnde, insiders heb opgetekend. De bijdrage van de bewuste gastredacteur heeft mij aangespoord om mijn verhaal weer van stal te halen en te voltooien.

Om redenen van privacy zijn in het hierna volgende ‘DADEN van VERZET’ de namen van personen en locaties gefingeerd.

W.W. 01-12-2009

DADEN van VERZET

door
Wenzel Wielemann

 

Nijmegen, donderdag 6 juli 1944.

Trees Spruyt zette zich aan tafel om even bij te komen van de beslommeringen van de dag. Het viel haar zwaar om haar gezinnetje door deze moeilijke en gevaarlijke tijd heen te loodsen. De gehele stad en zijn inwoners gingen nog zwaar gebukt onder de gevolgen van het afschuwelijke bombardement van een klein half jaar geleden. Sinds haar man, Hendrik, ondergedoken was stond ze overal alleen voor. Ergens in Brabant in de buurt van Oploo zou hij moeten zitten maar het precieze onderduikadres wist ze nog steeds niet. Af en toe sijpelde via de illegaliteit een berichtje van hem door. Die schaarse tijdingen behelsden dikwijls niet veel meer dan een: ‘De groeten van Hent; het gaat goed met hem.’ Hent, dat was de naam waaronder Hendrik bij de ondergrondse bekend stond. Zijn volledige schuilnaam was Hent Bekker. Deze naam had de verzetsleiding voor hem gekozen omdat hij de laatste jaren als bakkersknecht de kost had verdiend. 

De organisatie zorgde overigens wel goed voor Trees en de kinderen. Zo profiteerde ze mee van de bij overvallen op distributiekantoren en op de bezetter buitgemaakte goederen. Ze vond ’s morgens op de deurmat weleens geld of distributiebonnen die ‘s nachts door een onbekende in de brievenbus waren gestopt. Maar er werden ook wel stukken spek of pakken echte Bohnenkaffee onder de grootst mogelijke anonimiteit bij haar afgeleverd. 

 

Er werd op het raam gebonsd. Trees schrok op uit haar gemijmer. Ze verstijfde even; keek op de klok; al negen uur geweest. Wie zou dat nu nog kunnen zijn? Een koerier van de ondergrondse misschien? Er zal toch niets met Hendrik gebeurd zijn…? Ze hernam zich en liep op haar tenen naar de voordeur, ze keek voorzichtig door de vitrage van het gesloten deurraampje. Guus…! Het is Guus Melchers…, wat
doet die nog zo laat op straat?! 

Guus woonde ook in de Windbloemstraat schuin tegenover Trees. Hij was niet alleen een buurjongen maar hij was ook meer en meer een huisvriend van de familie geworden. 

Snel opende ze het deurraampje. 

‘Trees…, doe open!’ was alles wat Guus kon uitbrengen.

Ze had amper de grendels van de deur teruggeschoven of Guus kwam meer vallend dan lopend de gang in. Amechtig drukte hij zich met zijn rug tegen de muur alsof hij zich zo slank en onzichtbaar mogelijk probeerde te maken. ‘Doe de… deur… op slot, Trees,’ stamelde hij hijgend. 

Terwijl Trees de deur weer afgrendelde, observeerde ze Guus. Lijkbleek en bevuild zag hij er uit. 

‘Wat is er met jou aan de hand?’ vroeg ze, terwijl allerlei vermoedens door haar hoofd speelden. ‘Kom mee naar de achterkamer. Of nee…! Blijf nog even hier!’ Nadat ze de gordijnen en de suitedeuren had dichtgeschoven en zo de kamer voor vreemde ogen van de buitenwereld had afgesloten, kwam Guus de kamer in en plofte op de eerste de beste stoel neer. ‘Nou vertel…, wat is er gebeurd?! Ben je gewond of zo?’ Trees wilde alles weten. 

‘Heb je een kop koffie voor me?’ vroeg Guus met matte stem.

Ze had het kunnen weten: zijn lippen kwamen altijd pas goed in beweging na wat koffie. Zo was dat altijd al met Guus geweest. Hij kwam vaak op de meest vreemde momenten binnenvallen, want hij wist dat bij Trees de koffiepot voortdurend percoleerde. Pas als hij een ‘bakkie leut’ binnen handbereik had kwamen zijn kaken los en volgden de nieuwtjes en de verhalen, of hij begon te vertellen over zijn
romances met zijn vriendinnetjes. 

Terwijl Trees naar de keuken liep zei ze: ‘Ja, ik heb nog wat Bohnenkaffee, daar zul je wel wat spraakzamer van worden.’ Met twee gevulde bekers in haar handen en een handdoek over haar arm kwam ze weer de kamer in. Ze zette de bekers op tafel en ging met de handdoek, waarvan ze een punt onder de kraan had natgemaakt, naast Guus staan. Hij leunde met zijn ellebogen op de tafel en vouwde zijn beide handen om de beker alsof hij zich wilde warmen. Moederlijk veegde Trees met het natte deel van de handdoek het ergste vuil van zijn gezicht en depte het droog. Daarna ging ze tegenover hem aan de tafel zitten. 

 

Hoewel hij meer dan een kop groter was dan zij leek hij zoals hij daar zat zo klein, zo schraal en nietig. Trees was bijna twee keer zo oud als hij. Hij had, met zijn 17 jaar, haar zoon kunnen zijn. En dat wás hij ook wel een beetje, zo voelde zij het althans. In haar gezin was hij altijd als een kind aan huis geweest. Hij besprak alles met haar en als hij in de penarie zat zocht en vond hij bij haar altijd steun en troost. Bij het nog jonge gezin van Trees, Hendrik en hun dochtertjes voelde Guus zich erg op zijn gemak. Het was allemaal zo anders dan thuis bij zijn eigen ouders. Die waren al op leeftijd en veel minder vitaal. Die konden niet zo goed overweg met het jongehondengedrag van hun jongste zoon. Zijn vader was een toegewijde en trouwe spoorwegbeambte; zijn broer, die ouder was dan Guus, had een baantje als kantoorklerk en zijn twee zussen hadden allebei religieuze ambities. Het gezin Melchers was een zeer degelijk rooms gezin, maar tegelijk ook saai en alles was er zo voorspelbaar. Dat benauwde Guus nog wel eens, want hij hield van sensatie en van verrassingen. Het was dan ook niet zo vreemd dat de magneet van de vrijere levensopvattingen bij de Spruytjes hem nog wel eens uit de schaduwzijde van de Windbloemstraat wegtrok om hem aan de zonnige straatkant in zijn greep te houden. Die magneet had hem ook nu weer naar Trees toe getrokken. Dit was de tweede keer in korte tijd dat hij met een akkefietje bij haar kwam. 

 

Het was nog maar een paar weken geleden dat vlak bij hun woonwijk Duitse militairen in een tunnel onder het spoor met pneumatische drilboren bezig waren met het boren van gaten in de wanden. Die gaten waren onmiskenbaar bedoeld om onder deze strategisch belangrijke spoorlijn springladingen aan te brengen. In een onbewaakt ogenblik hadden Guus en zijn kameraden kans gezien enkele cruciale onderdelen van de boormachines af te koppelen en mee te pikken. Guus bracht deze ‘corpora delicti’ niet naar zijn eigen huis, nee, hij kwam er linea recta mee bij Trees met de vraag of hij die spullen bij haar in de tuin mocht verstoppen. Hendrik was toen al ondergedoken, dus Trees moest zelf een beslissing nemen in deze aangelegenheid die haar overigens niet veel keus liet. 

De volgende dag was Trees, die nieuwsgierig was geworden, door de tunnel naar de stad gelopen om poolshoogte te nemen. Inwendig genoot ze, toen ze zag hoe de Duitsers met handgereedschap in de muren aan het hakken waren. Het was wel geen werelddaad van die kornuiten geweest en de oorlog zou er geen dag eerder om afgelopen zijn, maar toch…; wat ze nu hadden uitgevreten was meer dan een kwajongensstreek; het was een sabotagedaad waaraan zijzelf ook medeplichtig was geworden. Door dit soort voorvallen is in de loop der jaren tussen die twee een band gegroeid. En niet alleen vanwege hun gemeenschappelijke houding ten opzichte van de bezetter. 

 

 

Wat zou hij nu weer uitgespookt hebben, vroeg Trees zich af. Ze keek hem aan. De anders altijd zo spontane, vrolijke en joviale jongen, zat er nu verslagen en hulpeloos bij. Dat hij behoorlijk in de nesten zat was wel duidelijk. Zij moest hem helpen, maar hoe en waarmee. Hij had nog niets losgelaten. Haar ogen
priemden in de zijnen. Het was haar blik die hem weer aan de praat kreeg. 

‘Trees…,’ zo begon hij met nog een trilling in zijn stem, ‘…ik heb iets stoms gedaan.’ 

‘Wat dan? Je hebt toch niet wéér een wagon in brand gestoken of zo?’ 

 

Trees doelde daarbij op een andere onbezonnenheid die Guus dit voorjaar had begaan. Dat was toen hij vond dat zijn vader wel wat stro kon gebruiken voor zijn konijntjes. In het holst van de nacht is hij toen naar het spoorwegemplacement aan het eind van de straat geslopen, waar hij een wagon met strobalen wist te staan. Hij zag kans er een baal uit te gooien en in een vlaag van impulsieve baldadigheid heeft hij de rest van de balen maar in brand gestoken. Als een haas heeft hij zich uit de voeten gemaakt; de op de moffen buitgemaakte strobaal achter zich aan slepend. De volgende morgen stapte vader Melchers om zes uur de deur uit om naar zijn werk te gaan. Tot zijn grote schrik ontdekte hij dat er een spoor van strootjes liep vanaf zijn voordeur tot aan het emplacement van zijn werkgever. Halsoverkop heeft hij de strohalmen van de straat bijeengeraapt om, zo ver mogelijk bij zijn huis vandaan, het spoor te laten doodlopen. Pas toen kon hij enigszins gerustgesteld de weg naar zijn werk vervolgen. 

 

‘Nee Trees…., geen brand…, erger…, véél erger.’ 

Trees begon zich angstig af te vragen of die gevaarlijke daadjes van verzet van de laatste tijd misschien beschouwd zouden moeten worden als vingeroefeningen voor het grotere werk. Zou Guus nu aan een ‘magnum opus’ begonnen zijn?! 

‘Wat dan.., Guus?! Vertel!!’ Trees werd ongeduldig. 

Guus nam nog een slok koffie en terwijl hij in zijn beker staarde hakkelde hij: ‘Ik heb… uh…’ Langzaam ging nu zijn blik van de beker naar Trees. En terwijl hij haar recht in de ogen keek kwam het hoge woord eruit: ‘Ik heb iemand neergeschoten.’

Trees richtte zich op als door een slang gebeten. ‘Wat zeg je me nou?!’ Haar van ongeloof en ontzetting opengesperde ogen schoten heen en weer en tastten doordringend Guus’ gezicht af. Tevergeefs hoopte ze nog een trekje te kunnen ontdekken waaruit opgemaakt zou kunnen worden dat de woorden minder ernstig waren dan ze in haar hoofd echoden.

‘Ja Trees…, het is stom van me, ik weet het, maar ik kon op een gegeven moment niet anders.’

‘Maar wat is er dan in ‘s hemelsnaam gebeurd? Hoe is het zo gekomen…? Was het een ongeluk of zo…?’ Vragen, Trees had alleen maar vragen. ‘Had je dan een wapen? Ik weet dat die vrienden van je, Ad en Ben, er wel een hebben. Maar jij…, jij had er toch geen?’ 

‘Nee, dat is het ‘m juist, ik hád geen wapen, maar nu wel,’ en Guus maakte met zijn hand een kloppende beweging op de rechter zak van zijn colbert dat aan die kant zwaar naar beneden hing. ‘Je weet, Trees, dat ik altijd al een blaffer heb willen hebben.’ 

‘Ja, dat weet ik…, en ik was altijd maar wat blij dat je niet zo’n rotding had. Je weet maar nooit wat er mee kan gebeuren. En nou is het dan toch…’ Ze slikte haar woorden in en schudde haar hoofd. Guus dronk zijn beker leeg. ‘Nog wat koffie, Guus? 

Hij knikte en terwijl Trees bijschonk begon hij alles aan zijn maatje op te biechten. 

 

 

Zoals wel vaker gebeurde was Guus die avond samen met zijn vrienden, Ad Middelhof en Ben Bosman, de stad in geweest. Na enige omzwervingen door de, door het bombardement van een klein halfjaar geleden, zwaar gehavende binnenstad, waren ze via de Lange Hezelstraat bij de noordkant van het Kronenburgerpark aangekomen. Het fraaie, geaccidenteerde stadspark lag als een groene long ingeklemd tussen de Parkweg en de restanten van de stadswallen aan de oostkant, de Kronenburgersingel aan de westkant en een hertenkampje dat de zuidpunt van de long vormde. 

De schemering was gevallen en onder het lover van de grote, hoge bomen was het al aardig donker aan het worden. De knapen begonnen wat rond te slenterden over de kronkelige grindpaden. Plotseling ging Ad met gespreide armen voor de andere twee staan om ze het verder doorlopen te beletten. Zonder een woord te zeggen maakte hij ze attent op een Duitse militair die een eind verderop op een bankje aan het wandelpad in innige omstrengeling was met een jonge vrouw. Het drietal, dat wel eens wilde weten wie van de Nijmeegse dames zich met dat tuig inliet, overlegde hoe ze zonder opgemerkt te worden dichterbij konden komen. Via het gazon slopen
ze geruisloos verder. Toen ze het vrijende stel op een meter of tien van achteren genaderd waren bleven ze staan. De adrenaline spoot bijna uit hun oren toen ze zagen dat die vrouw geen onbekende was. Het was de dochter van de fietsenmaker! Bij die meid hadden ze alle drie al eens een blauwtje gelopen en nu zat ze hier om zich te laten inpakken door die Duitser. Waren zij soms minder dan die rotmof…?!

Ben bedacht zich geen moment en maakte een beweging met zijn hoofd om aan te geven: kom op jongens, we gaan er op af! Zonder wat te zeggen renden ze als een stel jonge honden op de Duitser af. 

Aan de achterkant van de bank aangekomen, sloeg Ben zonder dralen zijn arm om de nek van de Duitser en hield hem stevig in een houdgreep. Guus liep naar de voorkant van de bank en probeerde een paar flinke klappen uit te delen, maar de Duitser verzette zich hevig en wist Guus van zich af te trappen. Guus viel achterover en rolde aan de andere kant van het pad in het gras. De jonge vrouw maakte dat ze wegkwam en rende huilend en schreeuwend het park uit. 

Ondertussen had de Duitser kans gezien de holster te openen en zijn pistool te trekken. Ad zag dat nog net op tijd en greep hem bij zijn gewapende hand en trok zijn arm met volle kracht naar achteren over de leuning van de bank, waardoor de man de macht in zijn hand verloor en het pistool op de grond liet vallen. Ad schopte het wapen onder de bank door in de richting van Guus die inmiddels weer was opgekrabbeld. Guus legde zijn handen om het koude metaal van het pistool en koesterde het. Hij zag meteen dat het een Walther P38 was. Hij laadde het wapen door en pal voor de SSer ging hij ermee in de aanslag staan. Die zag de hopeloosheid van de situatie in en leek zijn verzet tegen de overmacht op te geven. Ben loste zijn greep om de nek van de mof en deed een stap opzij. Daarvan maakte de Duitser gebruik en probeerde het pistool uit Guus’ handen te schoppen. Deze keer wist Guus de trap te ontwijken. 

Een lichtflits gaf kortstondig de bomen een spookachtige aanblik; een knal weergalmde tegen de oude vestingmuur; direct daarop volgde de gesmoorde schreeuw van een van de knapen: 

‘Weg wezen…!!’ 

Als atleten die op het startschot hadden staan wachten stoven ze uit elkaar en vluchtten via de bosschages het park uit. Alle drie gingen vervolgens hun eigen weg, de reutelende en snotterende Duitser in het donkere park achterlatend. 

 

 

Trees had met stijgende verwondering en afschuw Guus’ relaas aangehoord. Er viel een dodelijke stilte. Trees zat even verdoofd voor zich uit te kijken en schudde vol ongeloof en onbegrip haar hoofd. Was dit een droom? Maar spoedig kwam haar realiteitszin en zelfverzekerdheid weer terug. Ze keek Guus recht in de ogen en sprak op vermanende toon: 

‘Heb je er wel eens over nagedacht wat dit voor gevolgen kan hebben; niet alleen voor jou, maar voor ons allemaal?!’ 

‘Nee Trees…, het ging ook allemaal zo vlug. Ik…, ik…’ Guus sloeg zijn handen voor zijn gezicht, liet zich voorover op tafel zakken en barstte in snikken uit. Trees ging naast hem staan en legde kalmerend haar hand op zijn rug. Na enige tijd hield het schokschouderen op. Guus richtte zich op en keek Trees met betraande ogen aan en vroeg vertwijfeld: 

‘Trees, wat moet ik doen…?’ 

‘Heeft iemand jullie gezien? vroeg Trees rechercherend. 

‘Niet dat ik weet.’ 

‘Je moet hier weg. Je kunt er vergif op innemen dat er een razzia komt. Je moet onderduiken. Ik zal je een adres geven in Hatert. Dat is ver genoeg van de stad vandaan. Daar heb je voor vannacht een veilig onderkomen.’ 

Guus begon weer bij zinnen te komen. De steun en het kordate optreden van Trees hadden hem goed gedaan. Hij begon weer normaal te denken. Maar…, nu nog naar Hatert…? Daar had hij eigenlijk niet zo veel zin in; liever bracht hij de nacht hier door. Dus hij probeerde het maar eens: ‘Ik denk dat alle moffen in de stad nu al in staat van paraatheid zijn gebracht. Iedere man die ze op straat zien, is verdacht en zal worden aangehouden.’ 

‘Ja, daar heb je gelijk in,’ zei Trees, ‘maar vrouwen zijn minder verdacht. Behalve als ze erg laat op de avond nog over straat gaan. Je zult je dus snel moeten verkleden. Ik haal boven wel wat kleren van mijzelf.’ Trees had vaker met zo’n bijltje gehakt. Al diverse keren had ze getravesteerde onderduikers begeleid naar schuiladressen ergens in het Westland.

Tijdens het passen van de kledingstukken begon bij Guus zijn goedlachsheid terug te komen. Op zijn eigen, jongensachtige manier had hij zowaar plezier in de verkleedpartij. Vooral de noodzakelijke lichaamsvormelijke aanpassingen brachten enige hilariteit teweeg. De herhaalde, gesmoorde vermaningen van Trees om vooral niet teveel geluid te maken vanwege de buren en de slapende kinderen, werkte averechts en had bij Guus alleen maar een versterkend effect op zijn lachspieren. Met moeite wist hij het ontspannende gegiechel binnen de muren van de huiskamer te houden. 

Met een beetje schmink op het gezicht, een hoofddoek om en de hulp van de avonddonkerte was de metamorfose voldoende geslaagd te noemen. Onder de dameskleren werd nog een plaatsje gevonden voor de doorgeladen Walther. 

‘Ik neem morgen contact met je op en dan bespreken we wat er verder gedaan moet worden,’ met die woorden nam Trees afscheid van Guus. 

Hij bedankte haar voor de hulp en de morele steun en ging omzichtig de deur uit op weg naar het opgegeven adres. Het haastige geklak van de pumps op de trottoirtegels stierf langzaam weg… 

 

Meteen na de aanslag werden door de Duitse autoriteiten maatregelen getroffen. Er werd in Nijmegen een avondklok ingesteld hetgeen inhield dat vanaf 7 uur ’s avonds zich niemand meer op straat mocht bevinden. Bovendien werd alles in het werk gesteld de daders op te sporen. In de ochtend na het gebeuren in het park werd ook de bloemenbuurt uitgekamd. 

Ad, die in de Anjerlaan woonde en vanuit de voorkamer recht de Windbloemstraat in kon kijken, zag halverwege die straat Duitse soldaten lopen die een speurhond bij zich voerden. Een van de Duitsers had iets in zijn hand waaraan hij de hond af en toe liet ruiken. Toen Ad goed kon onderscheiden dat het ding, dat de Duitse herder steeds weer voor zijn neus werd gehouden, hém toebehoorde, kreeg hij bijna een hartstilstand van schrik. Het was de ceintuur van zijn jas die hij de avond ervoor tijdens de schermutselingen in het park was kwijtgeraakt. 

Ad wist niet hoe snel hij zich moest verstoppen. Hij ging plat op de vloer liggen pal tegen de muur onder het voorkamerraam zodat hij van buiten af niet te zien was. Daar bleef hij roerloos liggen in angstige afwachting van wat er verder zou gaan gebeuren. Zouden die moffen door de speurhond naar zijn huis worden geleid…? 

 

Nawoord

 

- Gelukkig voor Ben en Ad is de razzia op niets uitgelopen. Wel zijn beiden direct na het voorval ondergronds gegaan.

- Guus Melchers is de dag na de aanslag vanaf zijn schuiladres in Hatert spoorslags naar het Westland gevlucht. Hij heeft zich aldaar aangesloten bij een verzetsgroep en kon zich zodoende gaan bezighouden met het grotere, subversieve werk. Voor hem kan het parkincident worden beschouwd als een initiatie voor toetreding tot de Westlandse ondergrondse. Hij is daar betrokken geweest bij
diverse riskante verzetsactiviteiten. Bij een gewapend treffen heeft hij een longschot opgelopen. Nog tot jaren na de oorlog is zijn leven beheerst geweest door de gevolgen van die verwonding.

- Trees Spruyt heeft met gevaar voor eigen leven haar koerierswerk voor de illegaliteit tot het einde van de oorlog voortgezet.

- Hendrik Spruyt is korte tijd na Guus ook naar het Westland vertrokken en heeft daar tot aan de bevrijding eveneens zijn bijdrage geleverd aan het ondergrondse verzet.

 

Met ‘DADEN van VERZET’ heb ik geprobeerd duidelijk te maken dat, volgens de mij ter beschikking staande gegevens, de aanslag van 6 juli 1944 in het Kronenburgerpark te Nijmegen niet het werk was van een of andere verzetsorganisatie, maar dat het ‘slechts’ een ondoordachte kwajongensstreek van een stel puberende, jonge honden is geweest. 

Ja, jong waren ze nog deze door de oorlogsomstandigheden gevormde knapen, met een fascinatie voor schiettuig, dat wel, maar met hun hart op de juiste plaats. 

 

Rond de tijd dat dit verhaal zich afspeelde vonden er elders in Nijmegen meer aanslagen op Duitsers en hun collaborateurs plaats. Het was bij de bezettende macht usance dit soort acties met harde tegenacties te beantwoorden. In hoeverre het parkincident de uitvoering van die onvermijdelijke, maar niet minder ernstige en betreurenswaardige, represaillemaatregelen heeft versneld is een gerechtvaardigde vraag. 

 

W.W.

terug

Reactie 1:

Ton Leenders, 01-03-10: Onlangs het boek "Recht op wraak, liquidaties in Nederland 1940-1945" gekocht. (Auteurs Jack Kooistra en Albert Oosthoek, isbn 9789077948255, PENN uitgeverij)
Daarin wordt de liquidaties genoemd van een Obergefreiter. Het voorval is het onderwerp van de geromantiseerde vertelling van Wenzel Wieleman; nieuwspagina 12 januari 2010.
Het betreft: GESCHOFKY, Otto, geboren BERLIJN 20 januari 1906 overleden NIJMEGEN 6 juli 1944.
Op de Kronenburgersingel werd de Obergefreiter GESCHOFKY omstreeks 21.50 uur door twee mannen in burger neergeschoten met een pistool dat ze hem kort tevoren tijdens een worsteling afhandig hadden gemaakt. Daarna is het vuurwapen verdwenen. Bij de vechtpartij verloor een van de daders het dwarsbandje uit de achterzijde van zijn sportjasje. Ondanks deze vondst is de liquidatie nimmer opgelost.
Begraven te Ysselstein, Duitse militaire begraafplaats, vak X, rij 3, nr 63.

Reactiepagina
Reactie 2:

J. Stitselaar, 03-04-2015: Al met al een toch een vreemd verhaal. Wie de naam Geschofky via Google opzoekt krijgt slechts 1 resultaat, namelijk deze website. Er zal toch niet 1 persoon hebben bestaan met die naam? Het antwoord daarop is simpel, de naam is onjuist gespeld. Wat zich werkelijk heeft afgespeeld is vooralsnog een groot raadsel evenals de bron van het verhaal. Kooistra vermeld in RoW uberhaupt geen bronnen en Wielemann vermeld slechts pseudoniemen, helaas zou ik zeggen.

Redactie: Op www.oorlogsdodennijmegen.nl staat hij vermeld als Otto Geschefsky (Geschetz).

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: