Zuuk t mar uut - Wim Janssen

Uit het Nimweegs verleden 115

21-09-1983

De Nijmeegse politie (19)

Het korps van de rijkspolitie is op het ogenblik in heftige beroering omdat de overheid overgaat tot de aanschaf van twee-duizend-zes-honderd dienstfietsen. Dat wil zeggen dat de manschappen de auto zoveel mogelijk moeten laten staan, en de fiets méér moeten gebruiken. Problemen zijn er hierdoor genoeg gerezen. Zoals: de inhouding van de fietsvergoeding voor de privé-fiets, komt er wel of geen versnelling op de dienstfiets, hoe en moeten de fietsen onderhouden worden enz.

De Nijmeegse gemeentepolitie kampte, rond de twintiger jaren, ook al met problemen op dat gebied, ook al lagen deze problemen wel iets anders. In die tijd kwam de overheid - zoals ik hiervoor reeds geschreven heb - met de verordening dat de politiekorpsen met rijwielen uitgerust zouden worden. De problemen betroffen niet de fietsvergoedingen (dat woord bestond toen nog niet) ook niet de fietsversnellingen (die moesten nog uitgevonden worden) nee, men kampte met het levensgrote probleem dat maar enkele agenten fietsen konden. Die paar agenten moesten nu op gaan treden als „fietsleraren!" Nog een ander probleem was dat het „onderricht" - op order van de commissaris" - alleen 's nachts mocht gebeuren. 

Het viel voor die „fietsleraren" echt niet mee om hun fietstechniek op de leerlingen over te brengen. Vooral niet omdat - zo ze mij verteld hebben - het overgrote deel van de „leerlingen" uit een stelletje ouwe, stijve harken bestond. Nu was het met de toenmalige fietsen voor een beginneling dan ook erg moeilijk om het fietsen te leren. U moet namelijk weten dat de eerste fietsen die uitkwamen uitgerust waren als „doorlopers", wat wil zeggen dat er geen terugtraprem op zat. Het kleine kettingraadje was vast op het achterwiel gemonteerd. Dat hield in dat wanneer het achterwiel ronddraaide de trappers dat ook deden, hetzij vooruit of achteruit. Hierdoor was het niet mogelijk om, zoals tegenwoordig, met de trapper in de benedenwaartse stand op de fiets te stappen. Om op te stappen moest men gebruik maken van een stepje dat op het achterwiel van de fiets gemonteerd was. Dat stepje was een hol stukje pijp met aan de ene kant wat binnenwerkse schroefdraad waarmee het op de achterras geschroefd kon worden. Om op te stappen ging men - terwijl men het stuur met beide handen vasthield - achter de fiets staan met het achterwiel tussen de benen. Een voet moest men dan op het stepje zetten en met de andere voet moest men dan de fiets vooruit duwen, zoals de kinderen dat bij het steppen doen. Had de fiets voldoende vaart dan stapte men van uit die stand op het zadel. Als men zat was het zaak om zo vlug mogelijk met de voeten de ronddraaiende trappers te pakken te krijgen. Dat viel om de weerlicht niet mee voor hen die voor het eerst een fiets te hanteren kregen. Volgens hen die het weten kunnen zouden de „fietsleraren" een stoel in de Hemel verdiend hebben voor hun overredingskracht, die zij gebruikten om bij leerlingen de angst weg te praten, voor het op die manier bestijgen van de fiets. 

Maar, ze vertelden mij verder, dat werd weer teniet gedaan door de gespierde taal die de leraren daarbij gebruikten! Om de fiets te remmen moest men de achterwaartse trapper naar beneden duwen. Dat vereiste natuurlijk wel enige behendigheid, want zo gauw stopte de fiets niet, vooral wanneer men een behoorlijke vaart had. Wanneer de betreffende trapper boven kwam te staan moest men onmiddellijk op de andere trapper - want die kwam dan naar boven - overschakelen en dan die naar beneden duwen. Dat moest gebeuren tot dat de fiets eindelijk stil stond. In het begin - wanneer men de behendigheid nog niet meester was - gebeurde het vaak genoeg dat men te laat was met het overschakelen en werd de fiets weer tot hogere snelheid aangedreven met alle gevolgen van dien. 

U zult wel willen aannemen dat er zich bij dat fietsonderricht veel lachwekkende taferelen afgespeeld hebben. Stelt u zich maar eens voor een agent die bij het opstappen over zijn zadel heen schoot en met zijn kruis op de tussenstang van de fiets terechtkwam, wat een zéér pijnlijke ervaring voor een man kan zijn. Terwijl het slachtoffer stond te kreunen en steunen van de pijn stonden zijn collega's zich op hun dijen te slaan van de lol. En wat te denken van de reactie van de agent die te laat was met het overschakelen van de ene trapper naar de andere trapper, om de fiets af te remmen! Doordat hij door het vooruit trappen de fiets een hogere snelheid gaf in plaats van dat hij afremde, botste hij met een smak tegen een stenen muur op met alle gevolgen van dien. Terwijl hij moeizaam opgekrabbeld is, zijn pijnlijke lichaamsplekken betastte en onderwijl met een bezorgd gezicht naar het verkreukelde voorwiel keek, moesten zijn collega's elkaar vasthouden om niet om te vallen van het lachen. 

Zo zijn er meer ongelukjes voorgevallen die de een voor leed, en de ander voor vermaak dienden. Door dat leedvermaak werden sommige agenten zo driftig dat zij een stroom van verwensingen over hun collega's uitbraakten waar de honden geen brood van lustten. Bij hen vergeleken was een litanie opzeggende pater een naar woorden zoekende stamelaar. Ook de agenten, die tenslotte met hun fiets op de stad „los gelaten" werden om over de „veiligheid" van de burgers te waken, hadden vaak nog de grootste moeite om hun vervoermiddel in toom te houden.

Klik hier en reageer daarmee per email als u uw reactie hieronder wilt laten plaatsen

Bron (©) 1983 Wim Janssen - Nieuwsblad De Brug Nijmegen

terug

Reactiepagina

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: