Zuuk t mar uut - Wim Janssen

Uit het Nimweegs verleden 114

14-09-1983

De Nijmeegse politie (18)

Nadat de agenten de godsdienstwaanzinnige afgeleverd hebben, gaan zij zich eerst flink opknappen voor zij de terugtocht naar Nijmegen aanvaarden. In de trein bespreken zij het voorgevallene nog eens en moéten er -ondanks de tragiek van de man - smakelijk om lachen. Natuurlijk vertellen zij het verhaal met de nodige gebaren door aan hun collega's. Deze beleven er de nodige lol aan en vertellen het weer door aan iedereen die het maar horen wil. Ook het volgende voorval werkt nu nog op de lachspieren van hen die het smakelijk horen vertellen.

Wie van de drie?

Twee agenten moeten weer eens een gestoorde wegbrengen. In tegenstelling tot de godsdienstwaanzinnige uit het vorige verhaaltje, is deze man zeer rustig en bedaard. De agenten hebben als het ware geen kind aan de patiënt. Hij is wel geen drukke prater maar hij geeft netjes antwoord op vragen die hem gesteld worden. Zoals te doen gebruikelijk is, worden zij nadat zij de envelop met de gegevens van de patiënt afgegeven hebben, naar een wachtkamertje verwezen. Na een korte tijd komt er een broeder het kamertje binnen. Hij neemt het drietal scherp op, loopt naar een van de agenten en zegt: „Gaat u met mij maar mee, meneer." „Wel verdorie" (om geen ander woord te gebruiken) zegt de agent, „Ik ben niet gek!" „Ja," zegt de broeder, „dat zeggen ze hier allemaal". „Maar u moet mij niet hebben maar hém". De agent wijst hierbij met een priemende wijsvinger naar de patiënt en kijkt daarbij de broeder zeer verontwaardigd aan. Deze biedt verlegen zijn welgemeende verontschuldigingen aan en vraagt nu aan de echte patiënt om hem te volgen. Deze heeft het hele toneel stilzwijgend aangezien, staat op, en volgt - eveneens stilzwijgend - de broeder de gang in. De aangesproken agent geeft mopperend blijk van zijn ongenoegen omdat de broeder hem voor de geestelijk gestoorde heeft aangezien. Daarbij maakt hij zich ook nog geweldig kwaad op zijn collega die als het ware zit te scheuren van het lachen om de hele situatie. Ook de collega's die het verhaal later hoorden konden hun lol niet op. U kunt zich wel indenken dat de betreffende agent daar later veel mee geplaagd is, doordat men dan aan hem vroeg: „Gaat u met mij maar mee, meneer". 

Agenten deden elkaar vroeger graag „voeren" en plagen. Zo hadden de meeste agenten een bijnaam. Wat te zeggen van de volgende bijnamen: „Jan-pak-alles", de „Speknek", de „Kin", „Jan-met-de-grote-ogen" en de „Kattekop" om er maar eens een paar te noemen. Het waren allemaal bijnamen die zij van het volk gekregen hadden om een of ander kenmerk. Vooral de laatste (de „Kattekop") moest het onder zijn collega's nog wel eens ontgelden In het bijzonder wanneer hij met nog wat andere agenten het café van Meurs in de Burchtstraat bezocht. Midden in een gesprek klonk dan ineens klagelijk: miauw, miauw. Wanneer hij dat hoorde dan was de „Kattekop" in staat om de hele „tent" af te breken en de dader van het leven te beroven. 

Naast bijnamen droegen zij ook kraagnummers. Op de hoog opstaande jaskragen waren links en rechts cijfertjes bevestigd. 

Wanneer een burger een klacht over een agent wilde indienen dan hoefde hij alleen maar het kraagnummer op te geven. Maar ja, ook het politiekorps diende zich aan de veranderende tijdsomstandigheden aan te passen. Het ene werd afgeschaft - zoals de kraagnummers omstreeks 1940 - en weer iets anders ingevoerd. 

Zo ging het ook met de mobiliteit van het korps. Bejaarde agenten weten zich nog te herinneren dat men in het begin van hun diensttijd (rond 1920) het korps over twee rijwielen beschikte, waarvan er nog een privé eigendom was van de inspecteur. Het fietsen moest nog populair worden, terwijl de fietsen op zich nog niet zo volmaakt waren als tegenwoordig. Hoe sommige mensen tegen het fietsen aankeken blijkt uit het volgende voorval. 

Een agent krijgt van de inspecteur opdracht om de korpsfiets naar de fietsenmaker te brengen, omdat er iets aan gerepareerd moet worden. De agent - die toevallig kan fietsen - springt op het rijwiel om de order uit te voeren. Dat wordt echter door commissaris De Fouw door het raam van zijn bureau gezien. Deze geeft de wachtcommandant opdracht om de agent - wanneer hij terugkomt - meteen naar hem te sturen. Als de agent, die zich van geen kwaad bewust is, bij de commissaris verschijnt krijgt hij met een bulderstem te horen: „hoe hij het verdorie in zijn kop haalt om in uniform op een fiets te gaan zitten?" Nu had commissaris De Fouw toch typische opvattingen over bepaalde zaken. Toen er van boven af besloten, werd om het politiekorps met rijwielen uit te rusten, kwamen de chefs in de problemen te zitten. Het bleek namelijk dat het overgrote gedeelte van de manschappen niet kon fietsen! Toen men dat de commissaris vertelde, kregen zij ten antwoord dat deze manschappen dan maar fietsen moesten leren. Maar wel 's nachts, want overdag kon hij dat gedonder niet hebben! En zo gebeurde het dan ook. Toen het korps later uitgerust werd met één automobiel was hij daar zéér zuinig op. Op een dag wilden twee agenten met de auto uitrukken voor een bepaalde klus. Maar toen de commissaris door het raam van zijn bureau zag dat het zachtjes begon te regenen, klopte hij op de ruit en maakte de mannen duidelijk dat zij de auto moesten laten staan en dat zij de fiets maar moesten nemen. Hij wilde niet hebben dat de auto aan de regen bloot gesteld werd. Dat zijn mannen aan de regen bloot gesteld werden was niet zo erg! Hij vond het wel de gewoonste zaak van de wereld dat hij met andere diensthoofden van de gemeente 's morgens rond de bittertafel zat, of een potje te biljarten.

Klik hier en reageer daarmee per email als u uw reactie hieronder wilt laten plaatsen

Bron (©) 1983 Wim Janssen - Nieuwsblad De Brug Nijmegen

terug

Reactiepagina

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: