Zuuk t mar uut - Wim Janssen

Uit het Nimweegs verleden 113

12-09-1983

De Nijmeegse politie (17)

Vroeger werden de straten door middel van gaslantaarns „verlicht". Hier en daar, maar voornamelijk op de straathoeken, waren op veilige hoogte, buiten het bereik van de jeugd, deze lantaarns tegen de huisgevels bevestigd. Uitgerust met een stok waar een haak aan zat ging de lantaarnopsteker 's avonds en 's morgens al de lantaarns langs om deze aan en uit te doen. Door met de stok aan de linkerring te trekken ging de lamp op volle kracht branden. Trok hij 's morgens aan de rechterring dan werd de lamp op de spaarbrander gezet.

De lantaarnopsteker

In „Vrouwendaal" nabij de Ubbergseweg stond een van de weinige lantaarnpalen half verscholen tussen de opgroeiende struiken. Daar maakte de lantaarnopsteker „schele Jan", dat was zijn bijnaam, iets zeer eigenaardigs mee. Amper had hij zijn rug gedraaid - na het het aansteken van de lamp - of hij bleef met een ruk staan. De lamp was namelijk plotseling weer uit gegaan. Langzaam draaide hij zich om en liep voorzichtig naar de paal terug om de zaak te bekijken. Al was de schemering reeds ingevallen hij kon duidelijk zien dat de rechterring omhoog stond. Na enig peinzen stak hij de haak weer in de ring en trok deze stevig naar beneden, de lamp brandde weer in alle gloria. Juist wilde hij zich omkeren of, floep uit was de lamp. Dat zal de duivel doen mompelde „schele Jan". Hij trok opnieuw aan de ring maar bleef deze nu even met zijn haak vasthouden. Voorzichtig liet hij de ring los maar deze schoot meteen weer omhoog en was het licht verdwenen. Nu had „schele Jan" wel verhalen gehoord over spookverschijningen en dwalende geesten in „Vrouwendaal" maar daar had hij nooit geloof aan gehecht. Niettemin liep er toch een rilling over zijn rug. Juist wilde hij de haak weer voorzichtig in de ring steken toen hij een onderdrukt gelach in de struiken hoorde en deze ook zag bewegen. Zonder angst stoof „schele Jan" naar de struiken en begon er met zijn stok op los te slaan. Schei uit, schei uit, hoorde hij tweestemmig roepen en zag twee geüniformeerde agenten uit de struiken komen. Maar daar trok „schele Jan" zich niets van aan en bleef er op los timmeren. De agenten kozen vlug het hazenpad. Toen „schele Jan" de zaak inspecteerden, vond hij een klos met zwart draad waarvan het uiteinde aan de linkerring. bevestigd was waardoor de agenten deze omlaag konden trekken. Ook om dat voorval is zowel door de agenten als de burgers nog menigmaal smakelijk gelachen.

De godsdienst-waanzinnige

Op de St. Antoniusplaats verzorgden toentertijd „De ellendige en andere toegevoegde broederschappen" (in de volksmond „Den Elend" genoemd) de opvang van zwakzinnige en andere geesteszieken. De ergste patiënten werden op advies van Dr. Banning naar Venray door verwezen. Twee agenten „De Grijze" en een collega van hem moeten op een dag een man die aan Godsdienstwaanzin lijdt naar Venray overbrengen. 
In een koetsje rijden zij van de St. Antoniusplaats naar het station. 

Zij ontdekken meteen dat het geen gemakkelijke klus zal worden, want de gestoorde is maar met moeite in bezwang te houden. Zeker niet omdat zij in dit geval geen wapenstok mogen gebruiken en het karwei zo zachtzinnig mogelijk moeten klaren. De treinconducteur stelt gelukkig zijn ruimte voor de drie mensen ter beschikking, zodat de agenten geen last van vreemden hebben. Het is een zeer onaangename reis want de man is niet voor rede vatbaar. Zijn agressieve aanvallen worden afgewisseld mét het bidden van veel Onze Vaders en andere gebeden. Daarnaast ziet hij steeds maar engelen, duivels, geesten en spoken door de kleine ruimte ronddwalen. Dan kruipt hij weer weg in een hoekje om even later op zijn knieën te gaan zitten om luid gebeden op te zeggen. Wanneer de trein eindelijk in Venray gearriveerd is komen zij voor het moeilijke probleem te staan van; hoe krijgen zij de patiënten zo goed mogelijk door de nauwe deuropening op het perron? Daarbij blijkt dat waar hun coupé is gestopt geen perron aanwezig is, maar moeten zij vanaf de onderste treeplank op een pad van zwarte sintels stappen. „Weet je wat", zegt de collega van „De Grijze", „Ik zal vast beneden gaan staan, jij houdt hem dan in het gareel en op een sein van mij laat je hem komen. Zo gezegd, zo gedaan. De collega gaat naar beneden en „De Grijze" houdt met moeite de patiënt in bedwang. Wanneer hij een seintje krijgt probeert hij de patiënt langzaam en voorzichtig de treden af te laten gaan. Maar de man rukt zich los en springt pardoes boven op zijn collega! Beiden liggen nu in de sintels te rollen en „De Grijze" moet ijlings zijn maat te hulp snellen om ongelukken te voorkomen. Wanneer zij de man eindelijk in bedwang hebben zien zij er alle drie meer dan smerig uit. Moe en bezweet gaan zij nu op pad naar de inrichting. Daar aangekomen overhandigen zij de meegegeven bescheiden van de patiënten en moeten zij in een wachtkamer plaatsnemen. Ook hier hebben zij nog de grootste moeite om de man geen gekke dingen te laten doen. Na enige tijd wordt er op de deur geklopt en komt er een broeder naar binnen. Deze overziet de situatie even en zegt dan tegen de patiënt: „O, meneer, komt u maar met mij mee, wij verwachten u al". De broeder knipt de agenten goedendag en zonder een hand of vinger naar de man uit te steken draait hij zich om en loopt de gang in gevolgd door de patiënt die zo mak als een lammetje achter de broeder aan loopt. Zij worden nagestaard door de twee verbaasde agenten en wanneer die elkaar aankijken halen zij gelijk met een diepe zucht hun schouders op.

Klik hier en reageer daarmee per email als u uw reactie hieronder wilt laten plaatsen

Bron (©) 1983 Wim Janssen - Nieuwsblad De Brug Nijmegen

terug

Reactiepagina

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: