Zuuk t mar uut - Wim Janssen

Uit het Nimweegs verleden 112

31-08-1983

De Nijmeegse politie (16)

Dat de politiemannen die vroeger aan een of andere politiepost verbonden waren een zeer gevarieerde werkkring hadden, staat als een paal boven water. Zo moesten zij niet alleen een oogje in het zeil houden van wat er in hun wijk gebeurde, zij moesten evengoed gevonden voorwerpen registreren, als verkeersagent dienst doen, drenkelingen uit het water halen, geestelijk gestoorden vervoeren en nog verschillende andere werkzaamheden verrichten.

Dat er bij al de verschillende werkzaamheden situaties voorkwamen waar smakelijk om gelachen kon worden is wel te begrijpen.

Verkeersmaatregelen

De hr. Heijgele - een Hagenaar - werd benoemd als inspecteur voor het verkeerswezen. Alhoewel het gemotoriseerd verkeer nog in de kinderschoenen stond, was de eerste maatregel die hij trof het instellen van verkeersagenten. Tegenover de politiepost aan de „Korenbeurs" stond onderaan het Kronenburgersingel een grote lantaarnpaal met een klein rond
"vluchtheuveltje" er omheen. De agenten van die post moesten om de beurt op het heuveltje het „verkeer" regelen. Zij kregen de opdracht dat al het verkeer dat van links kwam (Hezelstraat, Parkweg en Nieuwe Markt) en het singel op wilde om de lantaarnpaal moest rijden. Buiten fietsers had het verkeer nog niets te betekenen, de agenten stonden soms een uur te wachten tot er een auto aankwam. Toch waren er agenten die records vestigden die twee en zelfs drie auto's in een uur hadden zien passeren. Op een keer komt dr. Banning op zijn fiets vanuit de Hezelstraat en wil voor de lantaarnpaal de Singel oprijden. „Stop", zegt de betreffende agent, „u moet voortaan om de paal heen rijden!" „Waar is de gek die zo iets heeft vastgesteld?", vraagt de dokter dan op een zeer boze toon. „Die zit op het hoofdbureau", geeft de agent te kennen. Dr. Banning draait zich om en gaat richting hoofdbureau. Korte tijd daarna gaat de telefoon in de post en wordt er door de commissaris geïrriteerd gevraagd wat of zij daar aan het uitspoken zijn, want dokter Banning staat ons hier allemaal voor idioten uit te maken!

De fiets van Pietje

Pietje (het is niet zijn echte naam) stond nogal bekend bij de agenten van de „Korenbeurs" maar dan wel in de goede betekenis van de zin. Iedere dag ging Pietje een potje kaarten in het café van Bart van Hees recht tegenover de politiepost. Op een dag toonde hij vol trots zijn fonkelnieuwe fiets aan de dienstdoende verkeersagent. „Pas maar op", zei de agent, „dat ze hem niet weghalen Pietje, want er zit geen slot op." „Ja, dat weet ik wel", zei Pietje, „maar ik zal hem wel goed in de gaten houden". En inderdaad, Pietje kwam regelmatig naar buiten om te zien of zijn fiets er nog wel stond. Dat wil zeggen in het begin, want later slapte dat wel af. De laatste drie kwartier had hij, door de spanning van het spel niet meer naar zijn fiets omgekeken. Toen het tijd was om naar huis te gaan, rekende hij af en ging naar buiten. 

Daar bleef hij als het ware vastgenageld aan de grond staan... Zijn fiets was verdwenen! Hij holde het café in en schreeuwde luid: „Ze hebbe m'n fiets gejat!" Iedereen holde naar buiten, maar de fiets was inderdaad weg. „Ga het maar gauw aangeven bij de post", raadde een van zijn kaart-vrienden hem aan, „misschien kunnen zij hem nog opsporen". Met lood in zijn schoenen liep hij de post binnen waar de betreffende verkeersagent tegenover een andere agent zat. Toen hij van het grote onheil verteld had wat hem was overkomen, zei de verkeersagent: „Ja, maar Pietje, ik heb je nog zo gewaarschuwd". „Lig nou niet te zaniken, zei de andere agent, „misschien hebben wij achter bij de gevonden voorwerpen nog wel een oude fiets staan, die Pietje zolang kan gebruiken tot wij zijn fiets opgespoord hebben". De twee agenten en Pietje gingen achter kijken. Met een ongelovige blik in zijn ogen keek Pietje naar al de gevonden voorwerpen waar zijn nieuwe fiets pronkend tussen stond... In een niet te stuiten woordenstroom schold hij de agenten uit, sloeg ze op hun schouders, vervloekte en bedankte ze. De agenten - een van hen had de fiets stiekem weggehaald - brulden van het lachen, daar tussendoor probeerden zij Pietje aan het verstand te brengen, dat zij hem een lesje hadden willen geven. Toen Pietje de post uit ging met zijn fiets aan de hand riep hij nog: „Lammelingen, mispunten dat jullie zijn".
De volgende dag stond de fiets van Pietje weer tegen het hek van het café, maar nu vastgelegd met een zware ketting en een dito slot. Wanneer hij de agenten tegenkwam kon hij niet nalaten om hen op kwasi boze wijze uit te maken voor vuile dieven en addergebroed. Maar Pietje had zijn les wel geleerd.

De doodgraver

Zoals u reeds weet, kwamen jonge agenten in hun begintijd onder de hoede van een oudere agent, die hun de wijk moest leren kennen. Een van die oudere agenten had dan de gewoonte om de doodgraver uit de oude stad in het bijzijn van de jonge agent aan te spreken. Het gesprek ging dan als volgt: „En, Bram, heb je het nog druk gehad gisteren", vroeg de oudere agent dan. „Schei uit, schei uit", zei Bram dan, „ik had het gisteren zo druk dat er geen rouwkoetsen te krijgen waren. Ik heb er dan ook nog drie moeten laten lopen". Het is wel eens gebeurd dat de jonge agent dan vroeg: „Maar je kunt een overledene toch niet laten lopen? „Dat klopt jongen", was dan het antwoord van Bram, „maar ik bedoelde dat die andere door een andere onderneming zijn begraven omdat ik het niet af kon".

Klik hier en reageer daarmee per email als u uw reactie hieronder wilt laten plaatsen

Bron (©) 1983 Wim Janssen - Nieuwsblad De Brug Nijmegen

terug

Reactiepagina

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: