Zuuk t mar uut - Wim Janssen

Uit het Nimweegs verleden 76

11-01-1984

De Verhuizing

De kalk en de verf van de pas gebouwde woningen in de „Waalkazerne" waren nog niet droog of de woningen werden door de daarvoor aangewezen gezinnen in grote blijdschap betrokken. Ook ons gezin behoorde tot de „uitverkorenen" die zo'n nieuwe woning toegewezen hadden gekregen. In 1925 verhuisden wij met vader, moeder en acht kinderen van de toenmalige Vleeschhouwerstraat nr. 40 naar de Kloosterstraat no 25.

Wij verlieten in de oude stad een klein, bedompt en vochtig onderhuisje met een huiskamer en twee slaapkamertjes, in totaal vierentwintig vierkante meter, voor een frisse en ruime bovenwoning met drie slaapkamers een grote huiskamer en aparte keuken en een grote slaapzolder over het hele huis. Ook beschikten wij over een aparte w.c. terwijl wij in de Vleeschhouwerstraat gebruik moesten maken van één gemeenschappelijke w.c. die ook nog voor andere gezinnen bestemd was.

De Kiets van Lanen

Het eerste wat ik ging doen was op verkenning gaan in de nieuwe buurt. Op een van die verkenningstochten maakte ik kennis met een ander jongetje dat ook pas in de buurt was komen wonen schuin tegenover ons op nr. 34. Hij heette Joke van Lanen, maar men noemde hen allemaal de „Kiets". De „Kiets" was een slank en watervlug ventje dat op zijn leeftijd de bokssport al aardig meester was. Oud en jong daagde hij om de haverklap uit met de woorden: „Wil je met mij vechten? Kom maar op dan sla ik je in tweeën!" Zijn moeder verdiende er wat geld bij door voor de buurtbewoners verstelwerk te verrichten (maar daarover later meer). Ik was iets forser als de Kiets, maar miste de lenigheid die hij bezat en had van boksen geen snars verstand. Zoals dat zo vaak ging - en nog gaat - met zesjarige jongetjes, werd onze vriendschap regelmatig door vechtpartijtjes verbroken, waarbij ik altijd het onderspit dolf. Vaak liep ik huilend naar huis om bij mijn moeder de nood te klagen dat die „vuile gemene Kiets" mij weer een pak slaag gegeven had. Daarna vroeg ik altijd een dikke boterham met de gedachte dat als ik die op at ik de Kiets dan de baas zou kunnen. Maar dat was natuurlijk niet waar! Toch keerde het tij op een gegeven moment. Bij een vechtpartijtje had ik met mijn rug dekking gezocht tegen een muur zodat ik alleen maar naar voren hoefde te kijken waar de Kiets bleef. Met handen en voeten stond ik mijn tegen de Kiets te verdedigen. Op een gegeven ogenblik raakte ik hem vol op zijn linkeroor. Ik stond zelf verbaast dat ik hem getroffen had. Maar het was echt waar, al was het dan ook een geweldige toevalstreffer, hij had een flinke dreun gekregen. Nu was het de beurt aan de Kiets om huilend naar huis te rennen en zijn beklag over mij bij zijn moeder te gaan, doen.

De Kïets en de kaas

De Kiets en zijn broer - die een paar jaar ouder was dan hij - kregen vaak een schijf kaas mee als zij 's morgens naar school gingen, waar zij dan stiekem wat van afbeten om het dan weer vlug in hun zak te steken. 

Ook had de Kiets wel eens na schooltijd met zo'n schijf kaas op de vuist voor de deur gestaan. Maar als ik naar hem toe ging om ook een stukje te vragen, schoot hij gauw de gang in en schreeuwde door de brievenbus: „Donder op jij, je krijgt niks van mijn kaas, en als jij niet weggaat sla ik je in mekaar!" Dat vond ik natuurlijk een vuile streek van die gemene Kiets. Wij hadden als vriendjes afgesproken dat wij altijd alles met elkaar zouden delen. Als hij een appel had dan zou ik het kroesje krijgen, en had ik een appel dan zou hij het kroesje krijgen. Op een middag dat ik naar buiten kwam stond hij weer met een schijf kaas in zijn hand voor de deur. Toen hij mij zag ging hij meteen in de gang staan. Ik deed net of ik hem niet zag en stak de straat over naar de hoek van de Oude Havenstraat, liep toen vlug via de Kromme Elleboog naar de Bottelstraat en kwam zo op de hoek van de Kloosterstraat terecht. Toen ik om het hoekje keek stond de Kiets midden op straat te kijken waar ik bleef. Zachtjes liep ik naar hem toe en vlak achter hem riep ik: „En nou mot ik ook een stuk van je kaas hebben!" Hij schrok zich wezenloos, meteen begon hij om zijn moeder te roepen en mij uit te schelden. „Als jij mij geen stuk kaas geeft sla ik je weer een dik oor", zei ik dreigend. Hij brak een stukje van de kaas af en gooide dat naar mij toe. Terwijl ik dat opving schoot hij de gang in en deed de voordeur op slot. Teleurgesteld stond ik met het stukje kaas in mijn hand. Want het was geen kaas maar een stukje knolleraap! Later hoorde ik van hem dat zij dat van hun moeder kregen als zij geen brood voor hen in huis had, maar in de buurt dachten wij dat het kaas was!

Vaders eer

Toen de stratenmakers bij ons in de buurt bezig waren hadden wij weer vaak ruzie met elkaar. Vechten deden wij haast niet meer, maar schelden wel. Voor de eerlijkheid moet ik toegeven dat ik het daarmee ook van de Kiets verloor. Toen ik een keer de kruiwagen en de schop te pakken kreeg begon de Kiets mij weer flink uit te schelden. Ik zei niets terug en liet alle scheldwoorden over mij heen gaan. Toen hij echter heel hard riep: „Je vader die jeneverzuipert!" riep ik wit van drift terug: „O ja? En jouw vader lust die zeker niet?" waarop hij heel even stil werd, maar toen schreeuwde hij in volle glorie door de straat: „O nee? Nog veel meer dan jou vader!" Ik was wéér de verliezer en de Kiets had op een prachtige manier de „eer" van zijn vader gered. In de gedachten van een klein jongetje kan zijn vader alles beter dan een andere vader! 

Klik hier en reageer daarmee per email als u uw reactie hieronder wilt laten plaatsen

Bron (©) 1984 Wim Janssen - Nieuwsblad De Brug Nijmegen

terug

Reactiepagina

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: