Zuuk t mar uut - Wim Janssen

Uit het Nimweegs verleden 75

04-01-1984

Waar gaan we naar toe in 1984

Enige jaren geleden stelde de grootmeester van de Nederlandse kleinkunst; Wim Kan, deze vraag in een oudejaarsconference. Hij wist er toen ook geen antwoord op te geven. Net zo min dat wij het zouden kunnen als ons deze vraag nu weer gesteld zou worden. De voorspellingen zijn somber en de kortingen op inkomens door de overheid komen met een soort regelmaat als donderslagen uit de hemel vallen, terwijl de nieuwsmedia met die zelfde regelmaat bedrijfssluitingen blijven melden.

De welvaart in ons land is verdwenen en aan het potverteren is een einde gekomen! Haalde het personeel van de Gemeentelijke kraakwagens enige jaren terug, uit één straat van een bepaalde wijk som meer dan twee volle vrachten op, nu halen zij uit de héle wijk één vracht op! Wat er soms langs de straat stond grensde aan het ongelooflijke. Ik heb wel eens een van de ophalers gesproken, die vertelde dat hij soms dagen had, dat hij er 's avonds gewoon kapot van was, van al die mooie en nog goed bruikbare voorwerpen die hij door het kraakmechanisme van de wagen had zien vermorzelen. In 1983 las ik eens een stukje in een landelijk dagblad. Hierin liet hij een man - na een sombere uiteenzetting over onze economie door een Tweede Kamerlid voor de t.v. - tegen zijn vrouw het volgende zeggen: „Ja vrouw, wij gaan een zeer slechte tijd tegemoet. Mijn wekelijks saunabad kan ik nu nog maar om
de veertien dagen nemen. Jij kunt ook niet meer om de vier weken naar de kapper hoor, dat mag niet vaker dan om de zes weken. Videofilms kunnen wij ook niet meer kopen, die moeten wij nu gaan huren. En ook al is ons bankstel al haast drie jaar oud, je zult nog een héél jaar moeten wachten voor dat er een nieuwe komt. Willen wij toch onze zomervakantie in Tunesië doorbrengen dan zullen wij, jammer genoeg, de wintersportvakantie over moeten slaan". En zo gaat hij nog even door. U zult wel begrijpen dat hij hiermee spottend doelt op de diverse behoeften die door de industrie en handel kunstmatig aan gekweekt zijn. In de brief die ik op 23 november jl. door een AOW-er aan minister-president Ruud Lubbers heb laten schrijven, wordt het heel anders gesteld. Hierin klaagt de AOW-er over de échte noden die hij te verduren heeft en nog te verduren krijgt. Op deze brief heb ik elf telefonische reacties gehad. Negen personen onderschreven als het ware deze brief. Zij vonden dat het niet zo'n vaart liep met de uitkeringen van de AOW-ers. Nou ik kan u verzekeren dat de vaart er al behoorlijk in zit. En - zoals ik toen ook al gememoreerd heb - niet alleen voor deze groep, maar voor alle uitkeringsgerechtigden, ja, zelfs voor degene die nog werk hebben, zit de vaart er in. Neem de aanpak van de tweeverdieners, de verlaging van de huursubsidie, het schoolgeld voor de kinderen en nog meer van die maatregelen. Daarbij het voorstel om de tandheelkundige verzorging uit het ziekenfondspakket te halen, en de eigen risico voor de eerste twee ziekenhuisdagen, met in begrip van onderzoeken en diagnoses. 

De laatste tijd heeft de regering bij monde van Lubbers, Nijpels en andere woordvoerders laten weten dat zij niet kunnen garanderen dat het bij deze kortingen en beperkingen zal blijven! In dat geval krijgen de zeventiende en de achttiende regel in de brief, waarin ik de AOW-ers laat schrijven: „Ik wit nie hoe ik de huur straks mot betoale, of wuir ik 't geld veur 't gas en licht kan hoale," een extra geladen betekenis. Of niet soms? Gelukkig zijn er ook bejaarden die naast hun AOW een aardig aanvullend pensioen ontvangen. Waarvoor zij natuurlijk jarenlang gewerkt en financiële offers gebracht hebben, waar zij nu de vruchten van plukken. Maar al met al kunnen wij ons toch met Wim Kan af gaan vragen: „Waar gaan wij in het nieuwe jaar naar toe?" 

Daartegenover staat dat, als ik sommige mensen voor de radio of tv. deze tijd hoor vergelijken met de crisis van voor de oorlog, lopen bij mij de kriebels over de rug! Dan vraag ik mij dikwijls af: "Weten zij wel waar zij over praten"? Dan doemen de spookbeelden uit die tijd weer in mijn herinnering op van bittere armoede en honger. Ik maak dan weer mee dat de schoolkinderen 's maandags, 's woensdags en 's zaterdag-s' morgens om zeven uur op weg gingen om een gratis ontbijt te gaan nuttigen omdat hun ouders hen dat niet konden geven. Op maandag-, dinsdag-, donderdag en vrijdagmiddag moesten zij weer op een holletje naar het „soephuis" voor een gratis middagmaal. Dat de nood toen zeer hoog was bewijst het berichtje in „De Gelderlander" van maandag 5 februari 1940, waarin de Nijjmeegsche Vereeniging voor Kindervoeding en Kinderkleeding het volgende verslag geeft: Aan de maaltijd van vrijdag, bestaande uit: rijstepap en havermoutpap met suiker namen in het lokaal Zeigelbaan 160; Kraayenhofflaan 180; Zusters Kraayenhofflaan 126; Waterstraat 37; Oude Heesschelaan 55; Hatert 107; Dennenstraat 98; De Haard 64; Akkerlaan 68; Brakkenstein 98 en Woonwagenkamp 35 kinderen deel! In totaal 1028 kinderen die door nood gedwongen van een gratis maaltijd gebruik moesten maken. Dinsdags kregen zij bruine bonen met gebakken spek, 's maandags erwtensoep met worst en donderdags stamppot. De ouderen en alleenstaanden gingen bedelen langs kloosters, kerken en andere instellingen. 

Deze tijd kan toch nooit meer terug komen? Of zou het toch?

Klik hier en reageer daarmee per email als u uw reactie hieronder wilt laten plaatsen

Bron (©) 1984 Wim Janssen - Nieuwsblad De Brug Nijmegen

terug

Reactiepagina

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: