Zuuk t mar uut - Wim Janssen

Uit het Nimweegs verleden 70

13-04-1983

De vogeltjesvriend

De voorzomer gaf welwillend blijk van goede voornemens. Want al was het nog maar net half tien in de ochtend de zon straalde al lekker, en de warmte was weldadig voor mens, dier en plant. Een goed geklede heer, van middelbare leeftijd, liep met zijn pas gekochte krant het park in om op een van de banken te gaan zitten lezen. De eerste bank die hij zag was reeds door „vogels van diverse pluimage" (met bierflessen onder hun bereik) in beslag genomen. Dus liep hij maar door en sloeg geen acht op hun bedelen om geld.

Halverwege het pad stond een fris geschilderde bank uitnodigend in het warme zomerzonnetje te pronken. De meneer gaf gehoor aan de zonnige uitnodiging, nam plaats op de bank en begon zijn krant open te slaan. Hij zat amper een paar minuten toen er uit het zijpad een bejaarde man naderde die zijn fiets aan de hand meevoerde. Aan zijn broekspijpen had de man ouderwetse broekveren gestoken zodat hij niet met de pijpen tussen ketting en kamwiel kon komen. De man plaatste zijn fiets tegen de papierbak en wenste de krantenlezer goedemorgen. Deze had totaal geen interesse in de man en gaf hem een zuinig knikje terug. De bejaarde deed zijn dikke wollen das af en hing deze over de bankleuning. „Als ik ga fietsen moet ik voor mijn vrouw altijd een dikke das om doen, dat is om mijn borst te beschermen", gaf de man als uitleg waarom hij met zo'n mooi weer nog een das droeg. Terwijl hij ging zitten merkte hij op: „Het is een verdraaid mooie dag vindt u ook niet?" Zonder één woord te zeggen knikte de man bevestigend even met zijn hoofd op en neer. 

Met één oor en één oogopslag had de lezer al vastgesteld dat hij een vriendelijke maar praatgrage Nijmegenaar als gezelschap gekregen had. „Ik kom hier haast alle dagen, als het weer het tenminste toelaat" ging de man verder met zijn alleenspraak. „Dan kom ik mijn vliegende vriendjes voeren. Kijkt u maar, zij kennen mij precies" en hij wees naar de vogeltjes en de duiven die, in afwachting wat komen zou, op het gras en het pad neergestreken waren. „Kijk nu eens hoe ze elkaar verdringen om toch maar het beste plaatsje te veroveren. De groten zijn natuurlijk de baas maar de kleine laten zich toch niet verdringen", zei de man enigszins glunderend. „Ja, ja, kalm maar," ging de man onverstoorbaar verder. „Jullie krijgen zo wat te eten, wees maar even geduldig". Uit zijn fietstas haalde hij een papieren zak met blokjes en korstjes brood en begon die met volle hand tussen zijn gevleugelde vriendjes uit te strooien. „Och het zijn korstjes en zo, die bij het eten overblijven. Van de buren krijg ik ook de restanten van het brood eten." 

De lezer had nog steeds niets gezegd maar dat scheen de man koud te laten hij had alleen maar oog voor het bonte en lawaaierige schouwspel dat zich aan zijn oog voltrok. Even later scheen hij de lezer toch tot een gesprek uit te nodigen want hij zei: „Kijk ze eens pikken het lijkt wel of zij uitgehongerd zijn." Maar onmiddellijk stelde hij een vraag aan een van de duiven: „Hé wat zie ik nou? Zeg witpen, heb jij een ander wijfje" 

Nu wendde hij zich rechtstreeks tot de krantenlezer naast hem met de vraag; „Ziet u daar die blauwe duif meneer, die daar met die witte vleugelpennen? Dat is een doffer- of te wel een mannetjesduif - en die had eerst een blauwvaaltje (blauwvaal is grijsachtig blauw) als wijfje en nu heeft hij ineens een roodvaaltje als wijfje! Ik denk dat het andere wijfje gevangen of door een kat op gegeten is, of zo iets. Maar hij is al gauw over zijn verlies heen hoor. Kijk maar eens hoe hij zijn nieuwe liefde tegenover de andere doffers verdedigt Ach, ja, zo gaat dat in de natuur onder de dieren meneer. Je hebt er dwarrelaars onder hoor. Onder de mensen gaat dat meestal heel anders. Volgend jaar hoop ik zeventig te worden, en dan enkele weken daarna zijn mijn vrouw en ik vijftig jaar getrouwd. Stelt u zich eens voor meneer vijftig jaar. Dat is een halve eeuw! Ik hoop dat wij nog heel lang voor elkaar gespaard mogen blijven. Als mij het noodlot treft dat ik haar missen moet weet ik niet hoe ik met mijzelf aan moet. Ik ben geen dwarrelaar, meneer, zoals die witpen doffer. Maar ik kan toch ook niet de hele dag hier in het park rondhangen. Of wel soms?" 

Maar de krantenlezer reageerde helemaal niet. Onderwijl de man had zitten praten had hij een pijp gestopt en stak er nu de brand in. Toen haalde hij een ouderwets zakhorloge te voorschijn en zei: „Hela, het is al over half elf, nu moet ik maken dat ik thuis kom, want mijn ouwetje heeft nu de koffie klaar en als ik te lang wegblijf maakt zij zich maar ongerust want dan denkt zij dat ik een ongeluk gekregen heb, Ja, zij is erg bezorgd over mij". Hij stond op deed zijn das om pakte zijn fiets en wendde zich naar de meneer met de woorden: „Ik wens u nog een prachtige en prettige dag toe." Toen liep hij met zijn fiets naar het zijpad toe op weg naar zijn vrouw nagekeken door de nog steeds zwijgende lezer. 

Toen de bejaarde man uit het gezicht verdwenen was, bleef de lezer peinzend voor zich uit staren. In zijn gedachten ging hij na wat de man gezegd had: Vijftig jaar getrouwd. Dat is een halve eeuw! En ook nog: Ik ben geen dwarrelaar zo als die doffer! En ik, dacht de heer? Ik ben pas zevenenveertig jaar, dus nog géén halve eeuw oud. Maar wel twee scheidingen achter de rug en nu weer een verhouding met een getrouwde vrouw. Ben ik een dwarrelaar? Ook hij stond nu op, stopte de krant in de papierbak en liep met afhangende schouders het pad af. Op weg, waar naar toe?

Klik hier en reageer daarmee per email als u uw reactie hieronder wilt laten plaatsen

Bron (©) 1983 Wim Janssen - Nieuwsblad De Brug Nijmegen

terug

Reactiepagina

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: