Zuuk t mar uut - Wim Janssen

Uit het Nimweegs verleden 68

23-03-1983

Straatspelen (2)

Het gebeurt vaak dat - wanneer ik met mensen over de tijd van vroeger praat - de straatspelen uit onze jeugd ter sprake komen. Men vraagt zich dan verwonderd af waarom de hedendaagse jeugd deze spelen niet overgenomen heeft? Voelt onze jeugd niets voor deze spelen, of hebben wij ouderen deze spelen niet goed doorgegeven?

Bokspringen

Dit spel stond ook bekend als; bok, bok, hoeveel horens? en als; bril, schaar of mes? Wanneer er voldoende jongens aanwezig waren werden er door de gekozen leiders twee ploegen samengesteld. Dat deden zij door om de beurt een jongen uit het aantal anderen te kiezen. Als de ploegen samengesteld waren ging men „passen" om het recht om de eerste springbeurt te krijgen. Het „passen" ging zo in zijn werk; de ploegen gingen ongeveer twee meter uit elkaar staan, dan mochten de leiders voetje voor voetje naar elkaar toelopen tot dat de afstand afgepast was. Degene die de laatste stap zette en daarmee de opening sloot mocht met zijn ploeg het eerste springen. Men mocht bij het „passen" ook wel een voet dwars voor de andere zetten om daardoor de laatste stap te kunnen doen. Uit de bokkeploeg werd een jongen gekozen die aangesteld werd als „bokkehouder". Deze ging met zijn rug tegen de muur staan en maakte met ineengestrengelde vingers van zijn handen een rustpunt waar de „eerste bok zijn hoofd in deed. De andere gingen nu ook krom staan met het hoofd tussen de benen van hun voorgangers zodat er een lange bok ontstond.
Het was nu zaak om je goed aan de broek van je voorganger vast te houden, want de schokken die de bok te verdragen kregen van de springers waren niet mis. De zwaarste en de beste springers sprongen het eerste, dan de lichtste en als laatste de allerbeste springer. Dat deden zij omdat de laatste vaak hoger moest springen om op de eerste terecht te komen. Nu was het de kunst van de springers om het evenwicht goed te bewaren. De leider van de ploeg vroeg dan bok, bok, hoeveel horens? De bokkeleider moest nu het goede aantal zien te raden want dan mocht zijn ploeg springen, anders moesten zij wéér bok gaan staan. Er kon ook bril, schaar of mes gevraagd worden. Voor bril maakte men met duim en wijsvinger een rondje, voor schaar stak men wijs- en middelvinger in de vorm van het V-teken omhoog en voor mes maar een vinger in de lucht. Omdat de bokkenleider vooraan bij de "bokkehouder" stond was bedrog bij het raden niet uitgesloten. Met zijn voeten maakte de houder aan de leider dan duidelijk wat hij zeggen moest. Met de linkervoet gaf hij één hoorn aan met de rechtervoet duidde hij twee horens aan en bij drie horens deed hij niets. Zo gaf hij ook aan of er bril, schaar of mes opgestoken werd. Alleen bij bril deed hij weer niets. Daarom werd er vaak afgesproken dat de laatste bok moest raden.
Raakte een van de springers met een hand of voet de grond of viel hij van de bok dan was hun beurt voorbij. Er werden bij dat spel heel wat builen en schrammen opgelopen, want
vooral de oudere jongens konden het vaak zeer ruig maken.

Knuppeltje uit de zak

Hier kwam weer het aftelrijmpje van pas om een jongen aan te wijzen als zoeker. De andere jongens gingen met de ruggen tegen de muur en met gestrekte benen op de grond zitten. Een van de jongens was dan in het bezit van een stevig knuppeltje dat achter de ruggen aan de anderen doorgegeven werd. De bedoeling was dat de zoeker het knuppeltje op moest sporen, maar omdat het doorgeven heel snel gebeurde en er door de zittende jongens veel schijnbewegingen gebruikt werden was het voor de zoeker een hele toer het knuppeltje op te sporen. Maar terwijl hij aan het zoeken was mocht de bezitter van het knuppeltje de zoeker een flinke mep er mee verkopen om het dan weer vliegensvlug achter zijn rug aan een ander door te geven. Trof de zoeker het voorwerp bij een jongen aan dan moest deze voor zoeker spelen en mocht de zoeker mee gaan meppen. Dat je aan dat spelletje vaak een pijnlijke rug overhield van de fikse slagen hoef ik u niet nader te verklaren.

Houterewagen

Dit spel werd gespeeld rond een blok woningen door een onbepaald aantal jongens. De aangewezen jongen moest op een van de hoeken gaan staan, terwijl zijn medespelers de andere hoeken in beslag namen. De hardste lopers stonden bij de twee dichts bij zijnde hoeken. Op de roep „houterewagen" mocht hij naar de linker- of rechterhoek lopen, maar halverwege ook weer terugkeren. Het was namelijk de bedoeling dat hij een van de andere duidelijk moest herkennen en dan zijn naam noemen zodat die op de uitkijk moest gaan staan. Als je pech had kon je lang aan het lopen blijven voordat je afgelost werd.

Haasje over

Dit spel, dat ook weer door een onbepaald aantal jongens gespeeld kon worden, ziet men tegenwoordig ook niet meer. De eerste jongen ging voorover gebukt staan met zijn handen steunend op zijn knieën. De tweede jongen sprong over hem heen en ging twee meter van hem vandaan in dezelfde houding staan. De derde jongen sprong over de eerste en de tweede heen en deed precies als de twee eerste jongens. De jongen waar de laatste jongen over gesprongen was mocht dan weer opnieuw meespringen, en zo bleven zij dan doorgaan tot zij er genoeg van kregen. Dit spel werd niet alleen in hun eigen straat gespeeld, maar ook op weg naar school en in het speelkwartier op de speelplaats van de school.

Klik hier en reageer daarmee per email als u uw reactie hieronder wilt laten plaatsen

Bron (©) 1983 Wim Janssen - Nieuwsblad De Brug Nijmegen

terug

Reactiepagina

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: