Zuuk t mar uut - Wim Janssen

Uit het Nimweegs verleden 53

05-05-1982

Gezondheidszorg en hygiëne in de oude stad

Met de gezondheidszorg was het vroeger in de oude stad maar droevig gesteld. Door de gemeente werd er maar weinig of haast niets op dat gebied gedaan voor de onbemiddelde bewoners van dat stadsdeel, terwijl het daar juist zo broodnodig was. De mensen woonden met té grote gezinnen in té kleine krotten die de naam woning niet waard waren en waar het vocht van de muren afdreef.

De bewoners van de oude stad zijn vaak beschuldigd dat zij onhygiënisch waren, iets wat men tegenwoordig ook nog wel eens doet. Dat er onhygiënische toestanden heersten valt echt niet te ontkennen, maar grotendeels was de gemeente daar de schuld van. Hygiëne was 'n woord wat de toenmalige wethouders en raadsleden wel uit konden spreken maar ik twijfel eraan of ze er ook de betekenis van wisten. Zij hebben op dat gebied dan ook zeer weinig gepresteerd, de enkele goede niet te na gesproken natuurlijk. Binnen de stadswallen die van af de Waalkade via de Nieuwe Markt, Parkweg en de drie Walstraten naar de Belvédère liep hadden zich van oudsher tientallen boeren en slepersbedrijven gevestigd. De paarden van deze bedrijven „vergasten" de oude stadsbewoners regelmatig op hopen paardevijgen en emmers vol urine in de nauwe straatjes. De stank hiervan bleef niet alleen tussen de gevels van de huizen hangen maar drong ook bij de bewoners naar binnen. De stallen van de paarden en het rundvee met het zeer noodzakelijke voer en vooral niet te vergeten het hooi en het stro, plus de aanwezige mesthopen van deze dieren, waren uitgesproken broed- en teeltplaatsen voor allerlei ongedierte. Ratten, muizen, vlooien en luizenplagen waren dan ook een veel voorkomend verschijnsel zowel op de straten als in de diverse panden, iets wat, gevoegd bij het bovenstaande, niet zo verwonderlijk was. Bovendien had de gemeente langs de Waalkade bepaalde plaatsen gereserveerd waar de straatvegers hun volle wagentjes met straatvuil leeg konden kiepen. Het waren open plaatsen, zo maar ergens langs 'n straat of op 'n plein, zodat niet alleen de oude stadsbewoners maar ook zij die daar niet woonden hun ander vuil en afgedankte spullen neergooiden. Dat deze plaatsen ook uitgesproken plekken waren waar het ongedierte goed kon gedijen hoef ik u waarschijnlijk niet te vertellen. U moet ook weten dat bijvoorbeeld in de Vleeschhouwerstraat (waar ik in 1919 geboren ben) geen waterafvoerputten in de goten waren zodat de paardenurine, het regen- en huishoudelijkafval-water zelf de weg via de Grotestraat naar de Waalkade moest zien te vinden. Het was in de oude stad ook niet ongewoon dat er vier (soms zelfs meer) gezinnen met veel kinderen van één w.c. gebruik moesten maken. 

Die w.c. was gewoon 'n hokje waar men 'n plank met 'n rond gat in gemonteerd had. Onder dat gat stond 'n kiepelton waar de menselijke afvalstoffen in opgevangen werden. Deze tonnen werden op regelmatige tijden door gemeentearbeiders voor een andere verwisseld. De aanduiding w.c. was niet op zijn plaats want het is een afkorting van het Engelse woord water-closet, maar er was in die hokjes helemaal geen water aanwezig! Het was zelfs zo dat verschillende bewoners niet over 'n eigen waterleiding in huis beschikten en zij zich moesten behelpen met een gemeenschappelijke kraan of pomp. Wanneer wij deze toestanden voegen bij de ongezonde slaapgelegenheden, het gebrek aan goede voeding en de ontoereikende boven- en onderkleding, is het zeer begrijpelijk dat ziektes van verschillende aard dan ook niet uitbleven. Regelmatig kwamen er golven van besmettelijke ziektes over de bewoners van de oude stad heen, die hun tol van de mensen opeisten. Een van de meest gevreesde besmettelijke kinderziektes was wel de kinkhoest - in het dialect van ons „de kwoaje hoest" genoemd - die zéér veel verdriet veroorzaakt heeft. Wanneer deze ziekte heerste dan ging de dood haast dagelijks rond om de rijke oogst van zeer jeugdige slachtoffertjes binnen te halen. Onze ouders hebben aan deze ziekte ook drie kinderen op zéér jeugdige leeftijd verloren. Het eerste kindje moesten zij in 1909 afstaan toen het nog pas zes weken oud was. Het tweede was 'n dochtertje van elf maanden oud in 1923 en het derde weer "n zoontje in 1931, veertien maanden oud. Het stervenstafereel van ons broertje in 1931 zal ik mijn leven lang niet vergeten. Moeder liep met het ernstig zieke en verzwakte kind in haar armen door de kamer God en alle heiligen aanroepend om haar haar kind te laten behouden. Helaas heeft haar smeken niet geholpen. Even later zat zij stil en geluidloos te schreien én drupten haar tranen op het overleden kindje neer. Mijn vader - 'n kerel als 'n boom en sterk als een os - stond naast haar stoel met gebalde vuisten en knarsetandend van machteloosheid. Mijn kwaliteit schiet te kort om dit toonbeeld van smart en verdriet beter te beschrijven. Onze twee oudste kinderen hebben in 1949 ook deze ziekte gehad maar mijn vrouw en ik hebben hen gelukkig niet hoeven missen.
Wordt vervolgd.

Klik hier en reageer daarmee per email als u uw reactie hieronder wilt laten plaatsen

Bron (©) 1982 Wim Janssen - Nieuwsblad De Brug Nijmegen

terug

Reactiepagina

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: