Zuuk t mar uut - Wim Janssen

Uit het Nimweegs verleden 13

1979

Zij die mijn vorige stukjes gelezen hebben zullen wel begrijpen dat het lossen van boten geen jongenswerk was. Naast de kracht die men nodig had moest men ook over diverse ongemakken heen kunnen stappen. Om het lossen van een boot tot een goed einde te brengen werd er volgens bepaalde regels gewerkt.

Zij die mijn vorige stukjes gelezen hebben zullen wel begrijpen dat het lossen van boten geen jongenswerk was. Naast de kracht die men nodig had moest men ook over diverse ongemakken heen kunnen stappen. Om het lossen van een boot tot een goed einde te brengen werd er volgens bepaalde regels gewerkt.
Al waren de kaaisjouwers geweldig sterke kerels, zij konden toch niet een boot achter elkaar lossen. Ook zij hadden op gezette tijden rust nodig. Het lossen gebeurde in etappes die men een toer noemde. Een toer stond gelijk aan het lossen van twee ton (tweeduizend kilo) bijvoorbeeld kolen. Het aantal sjouwers werd aangepast aan de afstand die men met een zak kolen moest lopen. Wanneer een ploeg uit acht man bestond dan schepten twee man de zakken vol die door de andere zes man weggedragen werden. Omdat de zakken kolen ongeveer 80 kg wogen had men na vier beurten de tweeduizend kg gelost en werd er een korte rustpauze gehouden. Deze pauze werd ook benut om een slok drinken te nemen, een verse pruim tabak achter de kiezen te stoppen of aan andere noden van het lichaam te voldoen.
Hierna begon men weer aan een nieuwe toer en zo ging men door tot aan de schafttijd waarin men het meegebrachte brood op at.
Om het stuklopen zoveel mogelijk te voorkomen bracht men variatie in het lospatroon aan. Dat ging zo; als men begon dan schepten twee man een zak vol en beurden die op de schouder van de eerste sjouwer. Dat ging door tot er een toer voorbij was. Hierna gingen twee andere sjouwers scheppen en gingen de twee scheppers sjouwen. Mocht zich, niettegenstaande deze regeling, toch een sjouwer zich stuklopen dan mocht hij aan het scheppen blijven. Nu moet men niet denken dat het scheppen een licht baantje was, verre van dat zelfs. Stelt u zich maar eens voor dat een boot van honderden tonnen met twee schoppen leeg geschept werd, dat is te vergelijken met monnikenarbeid. Naast de zorg voor hun eigen welzijn hadden de sjouwers ook nog de zorg voor de boot. Schepen zijn verdeeld in vakken die men „ruimen" noemt.
Nu kan men een schip niet zo maar van voor naar achter leeg maken, als men dat zou doen, dan zou, door de opwaartse druk van de lege ruimen, het schip in twee stukken breken of gewoon zinken. Om die reden waren er kapiteins die er op stonden dat ieder ruim maar voor de helft leeg gemaakt mocht worden in plaats van om het ene na het andere ruim helemaal te lossen. Dat hield in dat het schip iedere keer verlegd moest worden om het betreffende ruim tegenover de stellage te krijgen.

Er kwamen ook schepen met turf aan voor de diverse brandstoffenhandelaren. Deze turf werd gelost met behulp van grote hoge manden waarvan aan de buitenkant over de lengte een brede strook bekleed was evenals de onderkant van de bodem. Dit was nodig om hoofd, nek en schouders te beschermen zodat men minder kans had op het smetten en stukdragen van die plaatsen.
De heer Borgers heeft wel eens horen vertellen dat er turfschepen afmeerden die voor het Oud Burgergasthuis bestemd waren en dat de sjouwers de turf in hun manden helemaal vanaf de Waalkade naar de Molenstraat moesten sjouwen. Borgers heeft het niet pertinent bevestigd kunnen krijgen, ik trouwens ook niet. Wat dat betreft kan ik niet voor de waarheid instaan. Het kan ook komen doordat het sjouwergilde altijd op de verbeelding van de bevolking gewerkt heeft, vooral door hun reeds eerder genoemde kracht, hun manier van leven en hun vaak ruwe om niet te zeggen zwarte humor. Hieronder wil ik wel een staaltje van zwarte humor aan u vertellen.

Op een dag is de Rooie Jan dodelijk verongelukt en een van de andere sjouwers zal dat „tacties" aan de vrouw van Jan gaan vertellen. De sjouwer komt aan bij het huisje van Jan, stoot de voordeur open en roept naar boven: „Zeg Bets, Jan vraagt of je drie kwartjes mee wilt geven voor een halve liter jenever." Bets tot de sjouwer: „Zeg maar tegen Jan dat hij dood kan vallen." De sjouwer tot Bets: „Dat heeft hij net gedaan."
Een andere lezing van hetzelfde geval, dezelfde sjouwer en dezelfde vrouw. Als de boodschapper bij het huisje van Bets aankomt zit zij juist voor de deur aardappelen te schillen. De boodschapper durft er niet zo plotseling mee voor de dag te komen en knoopt een alledaags praatje met Bets aan. Wanneer Bets de aardappelen geschild heeft maakt zij aanstalten om naar boven te gaan. Nu moet de sjouwer wel met zijn boodschap voor de dag komen. Zeg Bets", zegt hij, „Jan is net dood gevallen." Hierop antwoord Bets: „Verdorie had je dat niet eerder kunnen vertellen ? Dan had ik niet zoveel aardappelen hoeven te schillen." De derde lezing. De boodschapper komt aan het huisje van Bets, klopt aan en roept naar boven: „Ben ik hier bij de weduwe van de Rooie Jan ?" Bets zegt „Nee want ik ben geen weduwe." Waarop de boodschapper zegt: „Zullen we wedden ?" Deze grapjes werden natuurlijk niet alleen onder sjouwers verteld, maar deden in het algemeen de ronde.

Klik hier en reageer daarmee per email als u uw reactie hieronder wilt laten plaatsen

Bron (©) 1979 Wim Janssen - Nieuwsblad De Brug Nijmegen

terug

Reactiepagina

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: