© copyright Paul Nas, Digitale bewerking; Henk Kersten/Stichting Noviomagus.nl

The Flying Stars

Hoofdstuk I: Inleiding

Toen Ruud van der Loo in oktober 1946 een amusementsorkest wilde oprichten op het St. Canisiuscollege, was dit op de eerste plaats om een oud orkest dat reeds vroeger op het College bestaan had, opnieuw op te richten en op de tweede plaats om aan de wens van de meerderheid der externen te voldoen namelijk een amusementsorkest om op geregelde tijden lichte muziek ten gehore te brengen, aangezien zij steeds werden overladen met klassieke muziek. Niet, dat ik de klassieke muziek afkeur, integendeel, maar om tijdens feestelijke gelegenheden steeds klassieke muziek te moeten horen, dat valt niet mee. Toen wij later buiten het College speelden, was de opkomst der Canisius jongens geen vreemd gezicht.
Toen onze leider tot oprichting was overgegaan, kreeg hij aanvankelijk alle medewerking van de prefect pater Herr s.j., die onze geestelijke leider werd en onze eerste onkosten betaalde. Wij kregen één der kamers in de crypte voor repetities en zelfs konden instrumenten worden gehuurd bij pater Vollaerts s.j., waaruit bleek dat een ieder inzag dat er een amusementsorkest moést komen op het College.

Dat het kamertje in de crypte de eerste oorzaak zou worden van de onenigheid met het College, dat had niemand van ons verwacht. De reden waarom het tot een conflict kwam, was, dat één der weinige tegenstanders onder de paters namelijk Ir. pater Hamer s.j. eens één onzer repetities hoorde, toen hij langs kwam. Hij begaf zich naar pater Herr s.j. en vertelde deze dat wij “Jazz” speelden en dat het een ontzettende herrie was. Nu speelden wij slechts lichte swing, maar een repetitie door negen man in een ruimte van twee bij drie meter kan onmogelijk beoordeeld worden. Wij hoorden echter nog niets.

De Flying Stars tijdens één van hun openlucht uitvoeringen

Een paar dagen later werd onze leider verboden nog langer een band te hebben. Deze was het hier niet mee eens en sprak er over met de rector, die toestemming gaf door te spelen. Men kan zich gemakkelijk voorstellen wat het voor pater Herr s.j. betekende niet in het gelijk gesteld te worden en werden in het vervolg genegeerd, wat op ons echter niet de minste indruk maakte. Toen konden wij nog niet vermoeden wat de tegenzet van pater Herr zou zijn. Intussen werd de muziek die wij brachten op de Union-fuif (ons eerste optreden) door allen gewaardeerd, behalve door pater Herr s.j.. Het web dat hij om ons weefde sloot zich nauwer en nauwer. Onze uitvoering op de “Nebo” (met uitstekende recensie in “De Gelderlander”) kreeg van hem geen kritiek. Wij bestonden in zijn gedachten al lang niet meer. Wij moesten verdwijnen. Waarom, dat wisten en weten wij nu nog niet. Het was niet omdat wij zogenaamde “Jazz” speelden. Hiertoe waren wij niet in staat. Bestonden er voor de oorlog geen “Happy Collegians”? Bestond er in de oorlog geen internen band genaamd “Accordeon Babies”, die zelfs uitkwamen op een concours van schoolorkesten, waar onder andere ook een band optrad waarvan de heren behoorlijk gedronken hadden? Waarom werd door de Jezuïeten, die toch tenslotte de verantwoording van de ouders over deze heren op zich hadden genomen, aan de “A.B.” de deelname aan dit concours niet verboden? Wij weten het niet. Vlak na de oorlog bestond er op het college nog een strijkje dat een behoorlijk ritme had en op een uitvoering die ik bijwoonde bleek pater Herr s.j. zeer ingenomen met het plezier dat de jongens hadden en waarmede duidelijk bewezen werd, dat er aan lichtere muziek op het College dringend behoefte bestond. Wij vragen ons dan ook nu nog af waarom wij direct reeds na de oprichting zo een grote tegenwerking van pater Herr s.j. c.s. moesten ondervinden.
De volgende zet van pater Herr s.j. betekende het begin van het einde van ons bestaan op het College. Hij ontbood onze leider bij zich op de kamer en vertelde hem dat pater Perguin s.j. als moderator van ons orkest wilde optreden. De leider vond dit niet gek en begaf zich naar laatstgenoemde om hierover te spreken. De plannen van de pseudo “moderator” waren echter al gesmeed. Hij wilde een soort kamerorkestje waarvoor hij slechts enkele leden van de Happy Collegians nodig had en dat dan aangevuld zou worden met hobo’s en violen. De leider had slechts de keus tussen ja en neen. Hij koos niettemin de middenweg en sprak er over met ons. Wij weigerden echter op dit belachelijke voorstel in te gaan, waarmee onze vriendenclub met een slag ten onder zou zijn gegaan.
Pater Perguin s.j. werd met ons inzicht op de hoogte gesteld en verdere repetities op het College niet meer gehouden.
Op 12 maart bracht pater Herr s.j. een vriendschapsbezoek aan onze leider, die hierover ten zeerste verbaasd was. Tevens werd door ons besloten, dat we een uitvoering zouden geven op het College en wel op 22 maart, ‘s avonds. Pater Herr s.j. wist echter dat op die avond de H.Missieweek zou worden ingezet en er van een uitvoering niets zou kunnen komen. Hij waarschuwde niet eerder dan op 19 maart en had ons voor niets grote onkosten laten maken. Hij bood ons nu aan ’s middags te spelen voor de Vincentius en wij in ons niets weten namen het voorstel aan, wat tevens het einde betekende van ons bestaan op het college. Want na het spelen werden wij betiteld als een belachelijk Amerikaans orkest en nog wel door de rector himself, die niet eens bij ons optreden tegenwoordig was geweest, maar door pater Herr op een slinkse wijze verkeerd over onze muziek was ingelicht. Ons werd verboden nog langer op het College te bestaan. We mochten daarbuiten nog wel spelen, mits wij de naam van het college er buiten zouden laten.
Pater Herr s.j. had succes gehad, echter slechts gedeeltelijk, want geliquideerd waren wij geenszins. De uitvoering die wij gaven voor Vincentius was slechts nodig geweest om ons af te wijzen. De bedoeling om ons af te wijzen was er reeds lang, er moest echter verklaard kunnen worden waarom wij afgewezen werden. Hiertoe diende de uitvoering. Of de muziek nu goed of slecht was, het besluit was al genomen. Pater Herr s.j. had echter gehoopt dat de rector ook ons zou verbieden buiten het College te spelen. Waarom hij dit alles wilde, dat heb ik u al gezegd, wij weten het niet. Misschien had men van ons walsen, ofwel lichtere klassiek verwacht. In ieder geval was het geweest omdat onze muziek verkeerd zou zijn voor het moreel van de Canisius jongens, dan had de rector ons ook moeten verbieden buiten het College te spelen en indien wij in dat geval geweigerd hadden dan zou hij hebben moeten dreigen met verwijdering van het College. Immers de jongens van het Hok woonden onze uitvoeringen buiten het College geregeld bij. Niets hiervan geschiedde. Ons werd enkel verboden om nog langer op het College te spelen.
Pater Herr s.j. echter wilde zijn halve succes tot een geheel, volledig succes omzetten namelijk de volledige liquidatie. Spoedig kwam dan ook zijn volgende zet. Hij ontbood onze leider bij zich en eiste, dat deze de drum zou doen retourneren. Deze drum kregen wij als oud vuil van het College, en was door ons laten opknappen. Kosten: meer dan f 100,=. Onze leider weigerde echter en nam deze gelegenheid te baat om pater Herr s.j. eens duidelijk zijn mening over hem te laten horen. Na dit voorval hoorden wij geruime tijd niets, Tevens hielden wij na dit voorval een uitvoering op Dekkerswald (een sanatorium). De rector hiervan was vol lof over onze muziek. Wel een typische tegenstelling. De ene geestelijke wil ons liquideren, de andere os vol lof over ons. Het deed ons allen wel erg vreemd aan.
Het volgende conflict was er een tussen de leider en pater Herr s.j. alleen. Als dank voor ons optreden op de St. Maartenskliniek, ontvingen wij een brief waarin wij nogmaals hartelijk werden bedankt voor de prachtige wijze, waarop wij de Fancy Fair aldaar hadden opgeluisterd met onze muziek. Deze brief was gezonden aan het College, daar men op de St. Maartenskliniek niet op de hoogte was met het feit dat wij niet meer op het College mochten spelen. Door een handige zet kwam onze leider hierachter en begaf zich naar pater Herr s.j. en vroeg deze brief op. Pater Herr s.j. beweerde echter dat hij geen “Happy Collegians” (onze eerste naam) kende en toen onze leider vol hield beweerde hij dat hij de brief reeds gelezen en toen verscheurd had. Toen de leider echter dreigde dit geval openbaar te maken, kwam de brief plotseling te voorschijn en kon hij hem in ontvangst nemen, Weer een bewijs hoe fel pater Herr s.j. op onze band was.
Waarschijnlijk nog meer hierdoor verbitterd, kwam de volgende zet. Waarmee hij waarschijnlijk meende ons de genadeslag te kunnen toebrengen. Onze leider mocht niet eerder op school verschijnen, alvorens de drum te hebben ingeleverd. Protesteren bij de rector hielp niet. Deze wilde de drum alleen maar even zien, omdat hij dacht dat ze van het orkest was. Zo niet, dan kon hij haar ‘s middags weer meenemen.’s Middags was de drum echter verdwenen, hoewel gebleken was, dat ze niet van het orkest was. Voor de tweede maal was Pater rector op een handige wijze het werktuig van pater Herr s.j. geweest ten nadele van ons.
Wanneer pater Herr s.j. meende ons nu tot wanhoop te hebben gebracht, dan vergiste hij zich, De repetities gingen door zonder drum en reeds vier weken later was er weer een nieuwe. Toen pater Herr s.j. inzag dat hij ons niet liquideren kon, bracht hij om zijn vergeefse pogingen te beëindigen onze vriendenclub een knak toe, door te bewerkstelligen dat één onzer, namelijk Henk v/d Velde verboden werd nog langer in ons midden te vertoeven. Grotendeels lag dit aan de vader van Henk zelf, die leraar van het College zijnde, zich niet tegen het geklets van pater Herr s.j. verzette en in ons een gevaar voor zijn zoon zag voorgesteld door pater Herr s.j., die beweerde dat wij geen van allen deugden. Van der Velden senior had ons toch zelf leren kennen op een bruiloft waar wij speelden als een voortreffelijk stel en daarom kunnen wij zijn slappe houding niet begrijpen. Waarschijnlijk was iedereen een beetje bang voor pater Herr s.j..
Dat pater Herr zich later in eens veel vriendelijker tegenover ons gedroeg, zal waarschijnlijk liggen in het feit dat onze leider het College verlaten had en nog enkelen dat voorbeeld zouden volgen, hetzij door studies elders of door eindexamens. Dat de muziek die wij brachten de oorzaak was, dat pater Herr s.j. zeer felheid op ons was, dat geloof ik niet, Eerder geloof ik dat hij niet goed verdragen kon, dat onze leider, waarmee hij nooit op goede voet stond, in staat was geweest een hechte vriendenclub te vormen die, wanneer de dienst en studie geen roet in het eten hadden gegooid, langer dan 3 jaar zou hebben bestaan.

Onze band, toen nog de “Happy Colligians”, gekiekt tijdens de eerste contactavond

terug

Reactiepagina
Reactie 1:

Willem Degens, 20-05-2015: Dit verhaal wordt alleen belicht geschreven vanuit de onervaren jeugdbeleving van deze jonge muzikanten. Niemand heeft het hier over welke exacte reden pater Herr had om die jongensgroep uit elkaar te drijven door zijn anti campagne tegen dit amusementsorkest. Ik denk dat er onuitgesproken een zeer goede reden voor Herr was om zich zo anti deze vriendenclub op te stellen.
Hij was ook als priester biechtvader mogelijk van enkele spelers en kon niet vrijuit laten weten wat hij in biechtgeheim gehoord had van deze vrienden onder elkaar. Wie eenzijdig oordeelt getuigt daarmee van een gebrek aan levenswijsheid.
Reactie 2:

Henk Termeer, 22-05-2015: Een heel interessant getuigenverslag en, zoals de meeste getuigenverslagen, uiteraard eenzijdig. Maar wel de moeite waard voor de geschiedenis van de toen opkomende moderne jeugdcultuur en de tegelijkertijd aflopende katholieke kostschool-/internaat­cultuur.
Misschien is het een goed idee om eens in het archief van het Canisiuscollege te zoeken naar andere informatiebronnen (zie: Regionaal Archief Nijmegen nr.1050 Canisius College Nijmegen 1900-1968. Een aardig onderwerp voor een profielwerkstuk of scriptie-onderzoek!

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: