Vlijt

© Dick Jacobs; Digitale bewerking 05-10-2018 Mark van Loon/Stichting Noviomagus.nl

Een makelaarskantoor in de dertiger jaren

door Dick Jacobs


Vooraf:
Heel lang heb ik geaarzeld om deze gebeurtenis, die zich binnen onze familie voordeed, voor jullie op papier te zetten. Ik heb het gebeuren niet bewust meegemaakt, maar het zal, zelfs na meer dan tachtig jaar, nog wel een vorm van valse schaamte zijn...
De reden om uiteindelijk toch met mijn verhaal naar buiten te komen is een indringende School-tv uitzending die ik, surfend op internet, toevallig zag. Deze uitzending van 25 mei 2012 schetst een ook voor volwassenen zeer interessant, maar pijnlijk beeld van de dertiger jaren. Die jaren haalden de geschiedenisboekjes als 'de crisisjaren'.

Het beroep van makelaar:
Door de eeuwen heen was een makelaar een tussenpersoon in de handel. Je had bijvoorbeeld makelaars in effecten, makelaars voor het bevrachten van schepen, koffiemakelaars, graanmakelaars, en ook makelaars in onroerend goed.
Als we het tegenwoordig over een makelaar hebben, denken we meteen aan een tussenpersoon bij de koop of verkoop van huizen. Voor de oorlog sprak men ter verduidelijking vaak over een makelaar in huizen of een woningbureau.

Nu het verhaal:
Mijn vader, L.J.W. Jacobs (1912-1997), nam als 21-jarige jongeman in 1933 een z.g. woningbureau van iemand over; tegenwoordig zouden we dat dus een makelaarskantoor noemen.
Dit woningbureau, dat sinds 1928 onder de naam 'Woningbureau de Vlijt' functioneerde, hield zich bezig met de koop, verkoop, huur en verhuur van huizen.
Tot de taken van dit bureau behoorde ook het -toen nog vaak wekelijks- incasseren van huren. Hoewel huurbetaling een zogenaamde 'brengplicht' is, gebeurde de inning destijds vaak gewoon aan de deur.
Dit werk heeft mijn vader dus ook moeten doen.

In Nederland waren toen, op een bevolking van plm. 8.500.000 zielen, ongeveer 600.000 mensen zonder werk. Zij kregen een zeer kleine uitkering, de z.g. steun.
Die werklozen hadden heel weinig geld. In die gezinnen was het dan ook vaak armoe troef; vaak kon bijvoorbeeld de wekelijkse huishuur niet of nauwelijks worden opgebracht.
Hierdoor werd mijn vader dan ook nogal eens door de huurder, zonder geld te hebben ontvangen, weggestuurd.
De eigenaar van de betreffende woning daarentegen, wilde wel z'n geld zien.
Hierdoor werd mijn vader in het nauw gedreven. Hij voelde zich uiteindelijk gedwongen om huren voor te schieten, waarmee hij kon voorkomen dat hele gezinnen van de een op de andere dag op straat kwamen te staan.
Het kon echter niet lang uitblijven: door zijn bereidwilligheid kwam hij zelf behoorlijk in financiële problemen. Deze problemen werden -gerekend naar de toenmalige maatstaven- zó groot, dat een faillissement niet kon uitblijven.
In november 1935, nog geen drie maanden voor mijn geboorte, werd het faillissement dan ook uitgesproken. Dit betekende dat, naast de inboedel van het kantoor, nagenoeg alle privé-bezittingen van mijn ouders bij opbod werden verkocht. Zelfs van het eetservies en het bestek viel een groot gedeelte onder het faillissement.
Ook betekende dit dat naar een eenvoudigere -en vooral goedkopere- woning moest worden verhuisd. Voor een jong gezin een vreselijk gebeuren!

In maart 1936 werd het faillissement, zoals dat officieel heet, beëindigd en op 8 januari 1941 werd de zaak 'ambtshalve opgeheven'.
Er werd door de inschrijving bij de Kamer van Koophandel letterlijk een grote rode streep getrokken.


Het definitieve einde van
Woningbureau 'de Vlijt'

Mijn vader werd dus in die crisistijd werkeloos en moest het doen met een minimale bijdrage van 'de steun'.
Hij werd ook verplicht om mee te werken aan de 'werkverschaffing'.
Binnen dit kader werd door steuntrekkers o.a. de bouw van het, in 1939 in gebruik genomen, Goffertstadion gerealiseerd.
Samen met duizenden andere Nijmeegse werklozen kreeg ook mijn vader een schop in de handen gedrukt en moest hij helpen met het verzetten van grond voor de bouw van het stadion.
Er is toen (helemaal met de hand!) ongeveer 80.000 kubieke meter grond verplaatst. Dit was heel zwaar werk, daarom kreeg De Goffert in Nijmegen als bijnaam 'de Bloedkuul'.
Het Goffertstadion was bij de oplevering, na het Olympisch Stadion en het Feyenoordstation, het grootste stadion van Nederland.

Op de Goffertwei is wat jaren later nog een ijsbaan aangelegd. Ook daaraan moest mijn vader meewerken.

Tientallen jaren heeft hij, eigenlijk een 'kantoorpik' zijnde, heel veel handenarbeid moeten verrichten. Hij had daar beslist geen hekel aan, maar het was zwaar, heel zwaar.
Zo werkte hij bijvoorbeeld bij de schoenfabriek van Robinson.
Dit had als gevolg dat hij in de 2e wereldoorlog gedwongen werd voor de Duitsers in Kleef, bij Schuhfabrik Hoffmann, te werken.
Dit betekende dagelijks in weer en wind heen en weer naar Kleef met geen of weinig openbaar vervoer, dus veel lopend. Elke morgen vroeg de deur uit en 's avonds rond tienen pas weer thuis. Hij kreeg dus 's avonds laat pas z'n opgewarmde middagmaaltijd.

Hoe gek het ook klinkt: In Kleef heeft hij, uiteraard rekening houdend met de omstandigheden, met plezier gewerkt. De Duitse bazen toonden veel compassie met de uit Nijmegen afkomstige werknemers.
Het was zelfs zo, dat mijn vader in de tachtiger jaren (dus ongeveer veertig jaar na afloop van de oorlog) in Kleef nog een oud-chef heeft opgezocht en daar 'mooie' herinneringen mee heeft opgehaald.

Het faillissement, en de gevolgen daarvan, heeft jarenlang een groot stempel op ons gezin gedrukt. Mijn vader sprak zelf nooit over die tijd; zelfs niet als ik het overgebleven briefpapier gebruikte om op te tekenen of bootjes van te vouwen.
Als ik wel eens alleen was met mijn moeder, maakte zij soms heel spaarzame opmerkingen over die gebeurtenis en de gevolgen daarvan. Wat ik over die tijd weet heb ik dan ook hoofdzakelijk van haar gehoord.
Ik denk dat ik als oudste kind en enige zoon, wat dat betreft voor haar soms een uitlaatklep kon zijn.

Door deze gebeurtenis werd met name mijn vader noodgedwongen de zuinigheid zelf: Op een verjaardag werd bijvoorbeeld een oom, die oude jenever dronk, verwacht. Er werden dan in een meegebrachte fles precies twee maatjes jenever bij een drankzaak gekocht: inderdaad dus precies voldoende voor twee borreltjes.
Buiten limonade voor de kinderen (gazeuse of mierzoete aanleng-ranja) was er voor de andere gasten de beroemde vruchtenwijn van de Gruyter.

Ondanks alles verloor mijn vader zijn goede humeur slechts zelden.
Kleine genoegens liet hij zich niet ontgaan. Hij hield bijvoorbeeld van schaatsen; niet gewoon baantjes rijden, nee écht kunstschaatsen.
Als er ijs lag, wilde hij dan ook beslist naar de Ooypolder om zijn achtjes te rijden.
Speciale kleding en schaatsschoenen droeg je toen nog nauwelijks of nooit; bovendien was er voor die luxe beslist geen geld. Dus keurig in het nette pak, met hoed en glacé handschoenen, werden de zorgen even vergeten en werd er lekker gereden.
Soms mocht ik met hem mee en deed hij vergeefse pogingen mij die kunst bij te brengen. Ik denk met schrik terug aan het maken van een bocht op één been; het bovenlichaam naar voor gebogen, liefst in één lijn met het naar achter gestrekte andere been.


Goedkoop uitje:
schaatsen in de Ooypolder
(17 februari 1940)

Het bovenstaande nalezend krijg ik steeds meer bewondering voor mijn ouders. Ze zagen immers kans om er, ondanks jarenlange problemen met werk en geld, toch het beste van te maken en ons kinderen een fijne, zorgeloze jeugd te bezorgen.
Het was in die jaren voor velen (dus niet alleen voor ons gezin) een moeilijke tijd. Ondanks dat heb ik een heerlijke jeugd gehad. Ik wou dat ik daar mijn ouders nog voor kon bedanken!


Heeft u ook verhalen over deze crisisjaren? Deel ze met ons!

terug naar Gastredactie-overzicht

Reactiepagina
Reactie 0:

Dick Jacobs, 05-10-2018: Een makelaarskantoor in de dertiger jaren

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: