Schoenindustrie

Henk Janssen

Schoenindustrie

1930-1940, Crisis in de Nijmeegse schoenindustrie !?

Bron: Privécollectie H. Janssen

Uit de jaarverslagen van de Kamer van Koophandel en Fabrieken (1928-1934) en (1935-1940) komt naar voren dat ondanks de heersende wereldcrisis in de jaren ’30 sommige bedrijven in Nijmegen het heel bevredigend doen, terwijl andere tengevolge hiervan het bijzonder moeilijk hebben. 
Dit geldt ook voor de schoenfabrieken. Zo maakt de KvK in 1937 en 1938 bekend dat enkele schoenfabrieken hun deuren hebben moeten sluiten, maar dat andere zich handhaven en zelfs regelmatig personeel te kort komen.
De vraag doemt op waarom de gevolgen van de depressie in de jaren ’30 zo verschillend waren ? Waarom bleef de ene schoenfabriek overeind terwijl de andere failliet verklaard werd ? Verder dringt de vraag zich op in hoeverre de schoenindustrie in Nijmegen en directe omgeving te lijden heeft gehad van deze crisis ?

Om hierop antwoorden te krijgen heb ik enerzijds onderzoek gedaan naar de ontwikkelingen van enkele succesvolle schoenfabrieken en anderzijds naar enige fabrieken die failliet zijn gegaan.
Voor de succesvolle bedrijven heb ik geput uit de fabrieksarchieven in het Regionaal archief te Nijmegen en De Gelderlander. Voor faillissementen uit die periode is het Gelders archief de juiste instantie. In het archief van de Arrondissementsbank Arnhem en het Parket van de officier van Justitie te Arnhem zijn de dossiers te vinden in het archiefblok 1113 met de inventarisnummers 5432 (1939) tot 5260 (1930). Voor de beantwoording van de tweede vraag zijn naast de fabrieksarchieven van de schoenfabrieken en De Gelderlander de jaarverslagen van de KvK van belang.

De gevolgen van de depressie op de Nijmeegse schoenindustrie

Alvorens in te gaan op de resultaten van het onderzoek naar de specifieke succesvolle schoenfabrieken en de failliete bedrijven, eerst een overzicht van de Nederlandse schoenindustrie in het algemeen en van Nijmegen en nabije omgeving in het bijzonder.
In de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw liet de schoenindustrie een gestage groei zien, zowel in productie als in werkgelegenheid. Het overgrote deel van de schoenen werd in Nederland afgezet. De Nederlandse schoenindustrie had in 1928 een aandeel van 85 % op de Nederlandse markt.(01)
In de aanvang van de crisisjaren nam de mechanisering in de schoenindustrie een grote vlucht. In het jaar 1930 neemt het primair vermogen van de krachtwerktuigen meer toe dan in de gehele periode van 1921-1929. Vooral de invoering van de zwik- en overhaalmachines verhoogden de elektrificatiegraad enorm, terwijl de lopende band garant stond voor een hogere productie. 

Ook het plakken van de zolen in plaats van het innaaien en de geautomatiseerde drooginrichtingen zorgden voor productieverhoging en kostenverlaging.(02)
Door de koopkrachtvermindering en de toenemende concurrentie van nieuwe buitenlandse grootbedrijven (Bata) verloren vooral de verouderde Brabantse schoenfabrieken marktaandeel. Daarom voerde de regering in 1932 een contingentering in die de thuismarkt moest beschermen. De ouderwetse schoenfabrieken in de Langstraat (Waalwijk, Kaatsheuvel) en Tilburg kregen daardoor de mogelijkheid om hun machinepark en productiemethoden te moderniseren.(03)
Dat de crisis en de daaropvolgende depressie van de jaren ’30 ook Gelderland en Nijmegen niet ongemerkt voorbij zijn gegaan blijkt uit een overzicht van de faillissementen die uitgesproken werden door de Arrondissementsbank en het Parket van de officier van Justitie te Arnhem in de periode van 1900 tot 1940.

Tabel 1.1:Faillissementen uitgesproken door de Arrondissementsbank te Arnhem tussen 1900-1940.

Duidelijk is te zien dat vanaf 1932 tot aan 1937 het aantal faillissementen is toegenomen ten opzichte van de vorige perioden. De door de Arrondissementsbank te Arnhem uitgesproken faillissementen liggen in de periode 1933-1937 circa 69 % hoger dan in de periode 1927-1931. In een vergelijking van de eerste periode met de jaren 1916-1920 is er zelfs sprake van een vermeerdering van 308 %.

In de crisisperiode van de jaren ’30 zijn het vooral de kleinere bedrijven en zaken die failliet gaan. Voorop staan de bedrijfjes uit de bouwnijverheid, zoals aannemers en architecten. Ook rijwielzaken, groenteboeren, slagers, manufacturen en de caféhouders zijn goed vertegenwoordigd in de dossiers van de faillissementen.

Voor wat de schoenindustrie in de jaren 1930-1940 in Nijmegen en naaste omgeving betreft wordt in de dossiers melding gemaakt van vijf schoenfabrieken die failliet zijn verklaard en één schoenfabrikant. Daarnaast worden er in die periode nog veertien schoenmakers/ schoenwinkeliers/schoenhandelaren uit Nijmegen failliet verklaard. Veelal betreft het kleine ondernemers c.q. middenstanders die door ziekte, verkeerd inkopen, slechte (financiële) administratie in de problemen zijn gekomen en niet meer in staat waren hun leveranciers te betalen.

In 1929 meldt de Kamer van Koophandel en Fabrieken (04) in het jaarverslag dat de Nijmeegse schoenindustrie ongeveer 8 % van de schoenproductie in Nederland voor haar rekening neemt. Ook is er vraag naar geschoolde werkkrachten in de schoenfabrieken. Het jaar erop constateert de KvK dat de invoer van schoenen toeneemt en dat daardoor de concurrentie heviger wordt. In het jaarverslag van 1932 geeft de KvK aan dat sommige schoenfabrieken bevredigend draaien maar andere het moeilijk hebben. Vooral door de devaluatie van de munt in Scandinavië en Engeland is de buitenlandse concurrentie toegenomen. De contingentering geeft wel enige verlichting maar de invoer van goedkope schoenen neemt toe. Voor 1933 is er volgens de KvK geen reden tot klagen, door de invoering van de omzetbelasting op 1 januari 1934 zijn er nog volop schoenen verkocht.

In 1934 betreurt de KvK het niet doorgaan van de Centrale Vereniging tot Behartiging van Belangen van de Huiden-, Leder-, Schoenen- en Aanverwante Branches. De Centrale komt niet tot stand omdat een aantal fabrikanten niet meedoet. Door een massale dumping van schoenen door Japan valt de export naar Nederlands Indië stil.

Voor 1936 constateert de KvK dat door de oplopende werkloosheid en de verminderde koopkracht de eerste negen maanden slecht zijn te noemen. Pas het laatste kwartaal is er onder invloed van de devaluatie in september van de gulden een korte hevige opleving. In de jaren 1937/38 doet de KvK verslag van moeilijke tijden voor de schoenindustrie. Enkele schoenfabrieken kunnen zich niet handhaven en gaan failliet. Er zijn echter ook fabrieken die het nog bevredigend doen.

In 1939 is het dieptepunt voorbij, de prijzen van schoenen stabiliseren, maar helaas door de dreigende oorlog komt de aanvoer van grondstoffen in gevaar.

Ondanks de malaise in de schoenindustrie blijken de fabrieken in Nijmegen het over het algemeen niet slecht te doen. In De Gelderlander worden er door schoenfabrieken regelmatig advertenties geplaatst voor vaklieden, zelfs worden vakpersoneel uit het Brabantse verzocht te solliciteren. Zo worden er in een advertentie van 16 september 1930 onder andere zoolleerstansers, overhalers en stiksters gevraagd. In een advertentie van 11 augustus 1933 worden nog eens stiksters en huisstiksters verzocht zich te melden bij een schoenfabriek.

In de krant van 21 februari 1934 wordt er ter gelegenheid van de ‘Fema-Week’ vermeld dat er in Nijmegen zo’n 1500 mensen werkzaam zijn in de schoenindustrie.(05)

Later in januari 1939 wordt er in een industrieel verslag in De Gelderlander melding gemaakt van de bloei van de schoenindustrie in Nijmegen. Er wordt gesproken over een succesvolle industrie waar volop werk te vinden is. De krant stelt dat Nijmegen trots mag zijn op haar schoennijverheid die werk biedt aan meer dan 1000 werknemers. Dit is bereikt dankzij een moderne bedrijfsvoering en modieuze, kwalitatief hoogstaande schoenen. Ten opzichte van het Brabantse schoencentrum is men de tijd vooruit.(06)

In de krant van december 1939 wordt er verslag gedaan van het 25 jarig jubileum van de schoenfabriek Nimco. Hierbij komt naar voren dat de Nijmeegse schoenindustrie haar marktaandeel heeft weten uit te breiden naar 10 % van de Nederlandse schoenfabrieken. Het aandeel van de Langstraat in de schoenindustrie is gedaald. In de jaarverslagen van de KvK van Tilburg wordt regelmatig gesproken over het verminderen van de productie terwijl in de Nijmeegse fabrieken regelmatig moet worden overgewerkt.

De ontwikkeling van enkele succesvolle schoenfabrieken.

Een schoenfabriek die goed door de crisis komt is de Robinson Schoenfabriek v/h Frans Verschuur N.V.(07) Reeds in de jaren twintig is deze fabriek succesvol. In het eerste jaarverslag in 1922 wordt melding gemaakt van een omzet van fl. 18.000,-- met een verlies van fl. 2.600,- terwijl in 1931 de omzet fl. 1.200.000 is met een brutowinst van fl. 111.000,--. De cijfers spreken voor zich stelt Verschuur in de toelichting op het jaarverslag. Hiermee fabriceert de firma 40 % van de Nijmeegse schoenenproductie.
De jaren 1930 en 1931 zijn zeer bevredigend voor Robinson. Dit resultaat is volgens de directie een rechtstreeks gevolg van de omvangrijke, doelmatige reclame die het bedrijf maakt. Minimaal elke week staan er advertenties in De Gelderlander met pakkende teksten als “Met Robinson op pad” en “Geen regen deert ’n Rob”. In de jaren ’30 besteedt Robinson circa 6 á 9 % (!) van de omzet aan de reclame. 
Dat dit geen windeieren legt blijkt uit het resultaat van 1933 waarin de grootste brutowinst sinds de oprichting wordt behaald, meer dan 15 % van de omzet. Het aandeel in de Nijmeegse schoenindustrie is gestegen naar 46 %. Zelfs de Minister maakt in de Kamer de opmerking dat Robinson de enige uitzondering is op de algehele malaise in de schoenindustrie. 
In dit jaar wordt ook de boekhouding geautomatiseerd hetgeen naast een kostenvoordeel een dagelijks overzicht van de actuele situatie weergeeft. Dat Robinson professioneel wordt bestuurd is eveneens te zien aan de uitgebreide verslaggeving in de jaarverslagen. Zo worden er overzichten gegeven van het schoenverbruik per gemeente en uitgebreide analyses van zowel de artikelen als van de klanten. Ook de resultaten van de reclame en van de reizigers (vertegenwoordigers) worden uiterst nauwkeurig geanalyseerd. Voorwaar een voor die tijd zeer professioneel geleidde schoenfabriek met moderne machines en gebouwen en gemotiveerd goed verdienend personeel.
In het verslag van 1933 wordt reeds ingespeeld op de verscherpte concurrentie uit het buitenland. Hoewel de contingentering van 1932 wel in het voordeel werkt ondervindt het bedrijf toch toenemende druk van vooral het Tsjechische bedrijf Bata. Om de export belemmeringen te omzeilen bouwt deze firma een fabriek in Nederland.
Mede door de brand in 1934 van het bedrijf, waardoor het bedrijf meer dan 4 maanden stil ligt, de toenemende concurrentie en de afnemende koopkracht van het publiek zijn de resultaten in de periode 1935 tot 1938 bescheiden.(08) Mede door de devaluatie van de gulden in september 1936 en de daarop door Robinson gelijk doorgevoerde prijsverhoging van 8% worden er in die jaren toch geen verliezen geleden.
Het jaar 1939 is weer een goed jaar in de schoenindustrie. De koopkracht is gestegen en ondanks de toenemende concurrentie, mede door de opheffing van de contingentering, maakt Robinson 20 % meer schoenen, waaronder militaire kistjes. 
Problemen ontstaan er met de levering van grondstoffen, naarstig is Robinson op zoek naar alternatieven. Hoewel de kostenpost onderhoud door het ouder worden van de machines gestegen is maakt de fabriek ook dit jaar een winst.

Een andere schoenfabriek die de depressie weet te overleven is het bedrijf Wellen en Co (Nijma). Deze fabriek was in 1929 overgenomen van de Gebr. Dinnissen.(09) De doelstelling is om hoofdzakelijk kinderschoenen te vervaardigen. 
Zowel in 1930 als in 1931 wordt er verlies geleden. In de toelichting op de jaarverslagen zegt de directie dat de algehele malaise slechts een deel van de oorzaak is. Het tot twee maal vervangen van de bedrijfsleider en de kinderziekten in de fabriek zijn de hoofdoorzaken van het verlies. Met de introductie van de “Dinco” kinderschoen en de start van damesschoenen wordt er in 1932 een bescheiden winst gemaakt. Mede door de contingentering worden er veel pantoffels verkocht. Ook het jaar daarop boekt het bedrijf een winst. 
Inmiddels worden er via advertenties in De Gelderlander regelmatig vakmensen gevraagd. Geregeld werk verzekerd staat er vermeld. Tegen de verdrukking in wordt de fabriek uitgebreid.(10)
Mede door de invoering van de omzetbelasting vindt er een prijsdaling plaats van schoenen en wordt er over 1934 een klein verlies geleden. Daar staat tegenover dat in 1935 en 1936 weer winst wordt behaald, waarbij vooral het laatste jaar succesvol is. Door de devaluatie van de gulden behaalt de schoenfabriek een brutowinstmarge van 8,1 %. De jaren 1937 en 1938 geven respectievelijk een winst en een verlies te zien. 
In 1939 is er een enorme vraag naar schoenen en de nettowinst bedraagt dan ook ongeveer 6% van de omzet.

Ongeveer het zelfde beeld geeft de op 11 juni 1931 opgerichte schoenfabriek Wotana.(11)
In de beginjaren wordt er verlies geleden, tot en met 1937 wordt er alleen in 1934 en 1936 een zeer kleine winst behaald. In 1938 en vooral 1939 zijn de resultaten zeer positief met uitstekende winsten.
Aanvankelijk adverteert het bedrijf in De Gelderlander met de speciaal voor moeilijke voeten geschikte “Preventor” schoenen. Ook wordt er voortdurend geadverteerd voor vaklieden, waarbij ook personeel uit Brabant nadrukkelijk wordt verzocht om te solliciteren.(12) Zo vraagt het bedrijf onder andere ‘kantenklammers’ en ‘randenlikkers’. Weldra zijn er circa 130 mannen en vrouwen werkzaam bij Wotana.
Ten behoeve van een goedkope distributie geeft het Rotterdams Crisis Comité opdracht aan Wotana om 38.000 paar heren, dames en kinderschoenen te vervaardigen.(13)
De echte doorbaak komt met de introductie van de nieuwe mode ‘Swift’. Nieuwe mode voor dames en heren. In de plaatselijke courant verschenen grote advertenties met als symbool de zogenaamde ‘Swifthond’.(14) Het blijkt zo’n succes dat Wotana een recordwinst behaald in 1938 en 1939. Ook wordt er op de Muntweg onder de nieuwe naam Swift een nieuwe fabriek gebouwd, die op 19 november 1940 wordt geopend en weldra werk biedt aan meer dan 500 mensen.

Enige schoenfabrieken die failliet zijn gegaan.

In september 1936 werd de N.V. Femina Schoenfabriek door rechter Mr. F. Pleite failliet verklaard.(15) De fabriek die gevestigd was in de voormalige N.V. Nijmeegse Parapluiefabriek was opgericht op 11 oktober 1933. Ze heeft dus maar enkele jaren bestaan. 

In 1934 verschenen er regelmatig advertenties in De Gelderlander waarin gevraagd werd om meisjes voor de expeditieafdeling en bekwame stiksters tegen vast loon.(16)
In augustus 1935 deed de plaatselijke courant verslag van een optocht door de stad, georganiseerd door de Middenstand, waarin wordt vermeld dat de schoenfabriek N.V. Femina met een gondel met gondelier en bloemen present was om haar verfijnde damesschoenen en pantoffels te promoten.(17)
Vanaf de start van de onderneming werden er forse verliezen geleden. Volgens het verslag van de curator in het faillissement bedroeg het verlies in het eerste jaar fl. 24.494,27, het tweede jaar fl. 20.937,76 en in het laatste jaar fl. 22.058,67. Kennelijk zagen de aandeelhouders ook geen oplossing voor de problemen en op de vergadering van 27 augustus 1936 werd de firma ontbonden.
Bij publieke verkopen door de deurwaarder brachten de kantoormeubelen fl. 1827,-- op en de machines fl. 6284,--. Twee machines werden onderhands verkocht.

Nadat eerst op 7 september 1939 surseance van betaling werd aangevraagd volgde voor de N.V. Schoenfabriek De Sperwer te Groesbeek het faillissement op 16 oktober 1939.(18) 

Volgens het verslag van de curator waren er verschillende redenen aan te voeren voor dit faillissement. Zo kon de firma niet uit de schulden komen en pogingen om een geldschieter te vinden liepen spaak. De machines waren tweedehands en hadden nauwelijks een economische waarde. Dit bleek ook uit de verkoop van de inventaris die slechts fl. 828,50 opbracht. Hieronder was een zwikmachine (Henkel) met poelies en drijfwerk die fl. 140,-- opbracht en een momentstansmachine (Wilhelm Perdersen) met dynamo, poelies en drijfwerk die voor fl. 240,-- van de hand ging. De incourante voorraad bracht een schamele 10 % op van de oorspronkelijke waarde.
Als de belangrijkste reden van het faillissement zag de curator de eenzijdige productie. Er werden relatief dure kinderschoenen gemaakt waar eind jaren ’30 weinig vraag naar was.

Het schoenfabriekje van de Gebr. Van Rossum uit Nijmegen dat in 1934 gestart was ging op 25 mei 1939 failliet.(19) De vader van de gebroeders had in 1936 nog een aantal machines van een gevluchte Duitse Jood, die zonder succes een schoenfabriek was begonnen, voor fl. 800,-- kunnen kopen.(20) Maar dit mocht niet baten, leveranciers van grondstoffen wilden alleen nog tegen betaling onder rembours leveren maar hiervoor ontbrak het benodigde geld. 
De inboedel bracht maar circa 210,-- op. De tweedehands machines waren niet in het bezit van de Gebr. Van Rossum, ze waren eigendom van de vader.

Conclusie

In de jaren ’20 en ’30 van de vorige eeuw zijn er een aantal schoenfabrieken opgericht in Nijmegen en omgeving. 
Met de moderne machines en de vooruitstrevende productiemethoden veroverden vooral de grotere Nijmeegse schoenfabrieken, ten koste van de verouderde Brabantse bedrijven, een groter aandeel in de productie van schoenen in Nederland. Van 8 % in 1929 naar 10 % in 1939.
Vooral in de eerste vijf jaar van de jaren ’30 staan er regelmatig advertenties in de plaatselijke courant waarin vaklieden voor de schoenindustrie worden gevraagd. Zelfs wordt er getracht personeel uit het Brabantse centrum van de schoenindustrie aan te trekken. 
Daarnaast bouwden enkele schoenfabrieken nieuwe fabrieken (soms noodzakelijk door brand Robinson 1934) en breidden ze regelmatig uit.
Ondanks dat het totale aantal mannen en vrouwen werkzaam in de Nijmeegse schoenindustrie iets daalde maakte De Gelderlander regelmatig melding van een bloeiende industrie.
Als de resultaten van de succesvolle schoenfabrieken in beschouwing worden genomen dan kan globaal gesteld worden dat, met uitzondering van een paar jaren in het midden van de jaren ’30, de Nijmeegse schoenindustrie inderdaad succesvol is geweest.
In haar jaarverslagen is de KvK, voor wat betreft de schoenindustrie, steeds terughoudend geweest. Er werd meer geklaagd dan dat de zegeningen werden geteld. Wellicht had dit te maken met een zekere politiek van de KvK.
Al met al kan gesteld worden dat de Nijmeegse schoenindustrie niet veel last heeft gehad van de depressie. Integendeel, het noopte een aantal schoenfabrieken tot het doen van extra activiteiten.
Dat is ook het verschil tussen de succesvolle bedrijven en de schoenfabrieken die failliet gingen. De meestal grote schoenfabrieken konden door kapitaal, expertise en moderne machines efficiënter produceren, betere besturingsmethoden toepassen en niet in de laatste plaats hun reclamebudget enorm verhogen. 

Hét voorbeeld hierbij was Robinson met hun slimme commerciële reclame die elke week onder de aandacht van het publiek werd gebracht. De tactiek van dit bedrijf was om niet de verkoopprijzen van hun schoenen te verlagen maar het budget van hun reclame enorm te verhogen. In iets minder mate deden dit Wotana met hun nieuwe mode met de “Swifthond” en Wellen met hun merk “Dinco”. 
Hier konden de meestal kleine schoenfabrieken niet tegen op. De schoenfabriek Femina zat met haar verfijnde damesschoenen in een zeer moeilijk parket. Door de afnemende koopkracht konden veel dames deze verfijnde en dure schoenen niet meer kopen. Daar komt bij dat Femina met haar duurdere schoenen pas was gestart en moest concurreren met reeds veel langer bestaande en ervaren bedrijven. Eveneens is het bijna altijd nadelig om in een bestaand gebouw een fabriek te beginnen omdat er altijd concessies gedaan moeten worden aan een ideale opbouw van de productiehal, de aan- en afvoer van grondstoffen en schoenen en dergelijke.
Voor de twee andere failliete bedrijven, De Sperwer en de Gebr. Van Rossum, geldt dat ze te klein waren maar vooral dat ze niet over voldoende kapitaal beschikten. Door tweedehandse (verouderde) machines te kopen en een pandje te huren dachten ze een graantje te kunnen meepikken in de opkomende schoenindustrie in Nijmegen. Bij de minst geringe tegenwind kwamen ze in de problemen en konden zich niet meer handhaven.
Door de innovatieve reclame, de moderne productiemethoden en gebouwen, tezamen met uiterst innovatieve beleidsstructuren konden de genoemde succesvolle schoenfabrieken tegen het eind van de jaren ’30 grote winsten behalen en Nijmegen een bloeiende schoenindustrie geven. De niet efficiënt opgezette schoenfabrieken hadden hierbij reeds het onderspit moeten delven.

Verwijzingen
1. H. de Jong, De Nederlandse industrie 1913-1965. Een vergelijkende analyse op basis van de productiestatistieken (1999)

2. H. de Jong, De Nederlandse industrie 1913-1965

3. H. de Jong, De Nederlandse industrie 1913-1965

4. Regionaal archief Nijmegen , Jaarverslagen Kamer van Koophandel en Fabrieken (1928-1934) en (1935-1940) Archief nr. 197

5. De Gelderlander, 21 februari 1934

6. De Gelderlander, 4 januari 1939

7. Regionaal archief Nijmegen , archief nr. 356

8. P. klep, ‘De economische en sociale geschiedenis van de twintigste eeuw’ in J. Braber, Nijmegen . Geschiedenis van de oudste stad van Nederland (2005) p.275. In grafiek, tussen 1930-1940 een koopkracht vermindering van 10 %

9. Regionaal archief Nijmegen , archief nr. 354

10. De Gelderlander, 4 februari 1933

11. Regionaal archief Nijmegen , archief nr. 356

12. De Gelderlander, 15 november 1932

13. De Gelderlander, 17 november 1932

14. De Gelderlander, 10 april 1935

15. Gelders archief, toegangsnummer 1113, inventarisnummer 5376, dossiernummer 181/1936

16. De Gelderlander, 18 september 1935

17. De Gelderlander, 6 augustus 1935

18. Gelders archief, toegangsnummer 1113, inventarisnummer 5429, dossiernummer 146/1939

19. Gelders archief, toegangsnummer 1113, inventarisnummer 5423, dossiernummer 67/1939

20. Gelders archief, toegangsnummer 1113, inventarisnummer 5371, dossiernummer 121/1936. Kurt David met zijn schoenfabriekje Ekda werd op 11 juni 1936 failliet verklaard. Als redenen werden opgegeven ziekte en zeer zware concurrentie.

terug


REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: