TERUGBLIK OP NIJMEGEN

Paul van der Heijden

Een geschiedenis in steen

Roerloos, verborgen in de luwte van de alledaagse drukte, houden ze de wacht. Als je niet goed oplet, loop je ze zomaar voorbij en mis je het verhaal dat ze vertellen over onze stad. In hun versteende lijf liggen dramatische stukjes geschiedenis bevroren. De Nijmeegse dierenbeelden zijn stuk voor stuk monumenten van een levendige historie.

Wie de Indische buurt induikt, moet op het Sumatraplein eens stilstaan ter hoogte van de Atjehstraat. Op het dak van het hoekpand zitten, gehurkt naar elkaar, twee grote katten. Door de grote hoogte waarop ze zich bevinden, lijken ze geen oog te hebben voor aardse beslommeringen. Vooral 's avonds, in het licht van de maan, krijgen de katten een sprookjesachtige gloed.
De katten zijn twee Sumatraanse tijgers, geplaatst door de eerste bewoner in 1905. De woning was destijds het eerste pand aan het plein. Alleen aan de Groesbeekseweg en enkele zijstraten stonden wat huizen, maar het achterveld (Galgenveld en de latere Professorenbuurt) was nog braakliggend terrein. De bouwer van het pand was een oud-Indiëganger - zoals zovele nieuwe inwoners van Nijmegen in die tijd. Heel symbolisch metselde hij op zijn nieuwe thuis aan het Sumatraplein dit Sumatraanse souvenier. 

Een verdwaalde olifant

Op de hoek van de Lage Markt en de Priemstraat, in het hart van middeleeuws Nijmegen, pronkt aan de gevel een kleine stenen olifant. Wat doet zo'n exotisch beest in ons koude Nijmegen? Het antwoord is simpel: ooit was hier een winkel gevestigd in koloniale waren. Deze is, als historisch uithangsbord, een zeldzaam overblijfsel van de Nijmeegse handelsgeest en stamt uit de 19e eeuw. Winkeliers uit die tijd lieten door ornamenten aan hun gevel zien wat hun nering was. Een soort uithangbord dus, maar dan zonder letters: de meerderheid van de bevolking was immers analfabeet. Ook de gaper is zo'n uithangbord - en wordt nu nog steeds gebruikt door sommige drogisten. Nijmegen kent ook nog een moderner voorbeeld: de meer dan levensgrote vulpen op de hoek van de Grote Markt en de Grotestraat. Deze pen is een erfenis van de voormalige kantoorboekhandel aldaar, die in de volksmond toepasselijk de 'Vulpenhoek' werd genoemd. 

Vergane glorie

Stationsarchitectuur weerspiegelt de tijdgeest. Dat geldt ook voor ons huidige stationsgebouw: het is een typische vertegenwoordiger van de naoorlogse bouwkunst: strak, rationeel, efficiënt en voornamelijk opgetrokken uit baksteen en beton. Heel wat anders dan het vorige station uit 1894, dat alom werd geroemd als één van de mooiste van Nederland. In de Tweede Wereldoorlog viel deze parel van Nederlandse neorenaissance ten prooi aan het rampzalige vergissingsbombardement van de Geallieerden.
Wat weinigen weten, is dat het huidige station nog verscheidene fragmenten bevat van zijn befaamde voorganger. Wie op perron 1 goed om zich heen kijkt, zal aangenaam worden verrast. Zo is de achtermuur van het oude stationsgebouw geheel intact. Tal van ornamenten stralen nog de grootsheid uit van vroeger. Leeuwen van anderhalve meter hoog houden fier de herinnering levend aan voorbije dagen, waarin kracht en zelfvertrouwen gepaard werden aan decoratieve speelsheid en ambachtelijke verfijning. Nog steeds torsen deze leeuwen de originele ijzeren spanten van het perrondak. Maar de last op hun schouders is veel zwaarder: behalve hoeders van een monumentaal verleden zijn ze ook symbool voor het wrede lot van onze stad. 

Argusogen

Net als het station viel ook de Stevenskerk tijdens de Tweede Wereldoorlog ten prooi aan het allesverwoestende bommentapijt. De toren werd geheel weggevaagd en ook de rest van het gebouw lag danig in puin. Gelukkig werd besloten om de kerk in oude luister te herstellen. Meer dan tien jaar duurde het om alle muren, pilaren en ornamenten te vervangen of te herstellen. En eigenlijk valt dat nog mee. Want sinds de verovering van Nijmegen door Maurits van Nassau in 1591 behoort de kerk aan de hervormden en is alle katholieke pracht en praal er grondig uitgesloopt. Geen enkele andere gotische kerk is zo wit en steriel van binnen als juist onze Stevenskerk. 
De mannen die de kerk herbouwden waren echte ambachtslieden, ook toen al een uitstervend ras. Ze werden door het kerkbestuur flink op de vingers gekeken, want de voormalige katholieke kerk moest een symbool blijven van calvinistische soberheid. Maar één van de werkers ontsnapte aan het vrome toezicht en beeldhouwde een bontgekleurde kater bovenop een metershoge pijler. Nog altijd zit het beest daar, steels naar beneden glurend, te peinzen over zijn merkwaardige positie. 

Gevleugelde macht

Trots prijkt boven de ingang van de Belvédère ons vertrouwde stadswapen: een leeuw op een schild, vastgehouden door een dubbelkoppige adelaar. Achter deze adelaar schuilt een mysterie: deze uitheemse vogel is immers een zeldzaam verschijnsel in het land van meeuwen, mussen en merels. 
Zoals met veel gewichtige kwesties in het leven, ligt het antwoord in de geschiedenis. Ons wapen is ontstaan in de tijd dat Nijmegen een Rijksstad was en allerlei voorrechten genoot in het (Rooms-) Duitse keizerrijk. Grofweg duurde dat van de 9e eeuw (Karel de Grote) tot de 19e eeuw. Alleen Rijkssteden mochten de adelaar in hun wapen voeren. Maar waarom de adelaar? De Rooms-Duitse keizers voelden zich de erfgenamen van het Romeinse Rijk. En bij de Romeinen was de adelaar bijkans heilig. Zo werd uit de vlucht van de adelaar de toekomst voorspeld en torste elk Romeins legioen een gouden adelaar met zich mee, als symbool van onoverwinnelijkheid. Via een omweg komt deze adelaar dus terecht in ons stadswapen. Onze adelaar verwijst daarmee niet alleen naar de roemrijke middeleeuwen, maar ook naar het Romeinse verleden van Nijmegen. De hele geschiedenis balt zich samen in één dier. Mooier kan bijna niet.

Eerder verschenen in magazine

terug

Reactiepagina

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: