© copyright Fa. Thieme, Internetbewerking; Henk Kersten/Stichting Noviomagus.nl

De firma Thieme, drukkerij te Nijmegen, gaf in 1913 een herinneringsboekje uit ter gelegenheid van de Grafische Tentoonstelling van 10 juli tot 15 september 1913 te Amsterdam. Daarin staat de geschiedenis van drukkerij G.J. Thieme beschreven.

 

scan001.jpg scan002.jpg scan003.jpg scan004.jpg scan005.jpg scan006.jpg

De boekdrukkunst, waardoor al wat wetenschappelijk is leeft en werkt, wordt in haar nut het meest 
gewaardeerd, wanneer men op hare geschiedenis acht geeft." Dr. A. M. Ledeboer schreef dit in zijn 
inleiding tot de „Alphabetische lijst van boekdrukkers, boekverkoopers en uitgevers in Noord-Nederland tot het begin der negentiende eeuw'' (te Utrecht bij J. L. Beijers 1876); wij nemen hier gaarne deze woorden over, omdat zij ons aanleiding geven den wenk voor ons doel toe te passen. Aan zijn naamlijst het een en ander ontleenende, kunnen wij die dan tevens aanvullen.

De grondvester van de Nederlandsche drukkersfirma's Thieme was Herman Carel Anton Thieme. „Deze bekwame en ondernemende Duitscher — aldus dr. Ledeboer — vestigde zich in 1792 te Zutphen als boekdrukker, deed den tienden October 1792 den burgereed en werd uitgever van een aantal belangrijke werken, waarvan hij met „Nieuwenhuis, algemeen woordenboek in acht deelen 1820-29" het meeste voordeel en eer behaalde. Hij werd te Zutphen opgevolgd door zijn jongsten zoon W. J. Thieme. Zijn oudste zoon Carl Albert *) Thieme, te Arnhem gevestigd, trad als drukker en uitgever in zijn spoor en kreeg, als verantwoordelijk uitgever der liberale „Arnhemsche courant", ook in processen met het gouvernement, grooten naam. Zijn zoon Gerrit Jan Thieme heeft zijn beroemde drukkerij zeer uitgebreid." Nog een enkele aanhaling, in verband met een later te vermelden belangrijke gebeurtenis: „Een tweede zoon van den Zutphenschen stamvader was J. F. Thieme te Nijmegen**), die behalve vele belangrijke uitgaven een „Aanhangsel" gaf op Nieuwenhuis' „Woordenboek" in negen deelen 1833-44. Zijn oudste zoon H. C. A. Thieme volgde hem op en deed zijn drukkerij bloeien." Tot zoover Ledeboer. Men vergunne ons, het een en ander hieraan toe te voegen. Dr. Ledeboer heeft blijkbaar geen gebruik gemaakt van het „Jaarboekje van den boekhandel voor 1842-1843", dat te 's-Gravenhage in 1843 verscheen bij J. L. C. Jacob; hierin toch komt voor een zeer uitvoerige, belangwekkende levensschets van H. C. A. Thieme van de hand van J. v. W. Rz. (van Wijk, schrijver van de bij Thieme uitgegeven „Nieuwe handleiding tot de aardrijkskunde"). De biografie is veel te lang om ze hier in haar geheel over te nemen. Enkele feiten slechts, ter kenschetsing van den persoon, kunnen in ons kort bestek een plaats vinden. Herman Carl Anton werd den tweeden Maart 1770 te Wezel geboren. Zijn ouders waren Johan Carel Martin Thieme, med. doctor en chirurgijn-majoor in Pruisischen dienst, en Anna Charlotta Wansleben. Carl, zooals de zoon genoemd werd, zou ook in de medicijnen gaan studeeren; maar toen hij, vijftien jaar oud, bij een steen-operatie tegenwoordig was, bleek hij te weekhartig. Zijn vader zond hem weg met de woorden: „Van het chirurgijnschap komt niets". Carl, goed onderlegd én door schoolonderwijs én door eigen studie, koos nu den boekhandel tot kostwinning. Hij kwam weldra bij den heer Becker in zijn vaderstad in de leer. Hier maakte hij een moeilijken tijd door. Ofschoon hij een aanzienlijk leergeld moest betalen, was zijn aanvankelijke taak die van den gewonen „krullenjongen", die des zomers vóór vier, des winters vóór vijf uur den winkel moest aanvegen en een en ander voor de drukkerij gereedmaken. Toch deden de geringschattende werkzaamheden hem niet afzien van zijn keuze; neen, reeds toen, zegt v. W., toonde hij die vastheid van inborst, die hem naderhand in zoovele gevallen kenmerkte. Dikwerf offerde hij nog een deel van zijn nachtrust op, om zich in het Fransch, Engelsch, Latijn en Grieksch verder te bekwamen. Toen zijn leerjaren ten einde spoedden en hij ook naar een andere betrekking verlangde, kreeg hij, achttien jaar oud, bij toeval een „Haarlemsche courant" in handen, waarin geadverteerd werd, dat te Zutphen een jongmensch werd gevraagd, om het opzicht te hebben over een kleine drukkerij. Dit was iets voor zijn gading. Er deed zich intusschen een moeilijkheid voor. Een medeleerling bij den heer Becker, F. A. Brockhaus, een bijzondere vriend van onzen Carl, had ook het oog op Zutphen laten vallen, waar toch slechts voor één plaats was. Na een edelen wedstrijd, zegt v. W., besloot men het lot te doen beslissen en dit viel ten nadeele van Brockhaus uit; maar desondanks bleven Thieme en Brockhaus tot hun dood toe vrienden. Carl dan begaf zich op reis naar Zutphen. De betrekking, die hij begeerde, was open bij den vier en vijftig-jarigen boekdrukker A. van Eldik. Als er door latere geslachten over dien eersten boekdrukker Thieme in Nederland werd gesproken, werd er vaak bijgevoegd, „een Duitscher, die met de viool onder den arm naar Holland is komen loopen", alsof hij geen andere kunst verstond dan vioolspelen en geheel op goed geluk de wijde wereld was ingegaan. Aan legenden ligt meestal iets waars ten grondslag. Zoo ook hier. Toen Carl's vader de vrees uitte, dat hij, al had hij de beste inlichtingen omtrent den steller der advertentie bekomen; te Zutphen wel niet zou slagen en met de kous op den kop zou terugkeeren, zeide, de jongeling, met de hem zoo eigen vastheid: „Dat nimmer; wil het niet gelukken, dan heb ik te goed vioolspelen geleerd, en in plaats van terug te komen, speel ik liever voor de boeren op de kermis." Dit is niet noodig geweest. Carl's voetreis van veertien uren — hij zal toen zijn viool wel bij zich hebben gehad — leidde tot haar doel. Nadat eenige bezwaren glansrijk door den jongen Thieme, in zijn proeftijd van een week, waren overwonnen, kwam hij in betrekking bij den heer Van Eldik, wiens vertrouwen hij gaandeweg in alle opzichten won. Op zijn twee en twintigste jaar huwde hij de dochter van zijn patroon, mejuffrouw Gesina Geertruida van Eldik. H. C. A. Thieme is algemeen geëerd en een der voornaamste drukkers en uitgevers in ons land geworden. Behalve het bovengenoemde werk van Nieuwenhuis gaf hij o.m. uit: Heeren, „Handboek der oude Staten"; Heeren, „Handboek der geschiedenis van de staatsgesteldheid in Europa"; Vosmaer, „Apothecars woordenboek"; Bergman, „Woordenboek der Grieksche taal"; ook Engelsche, Duitsche en Fransche woordenboeken. Bij de verkooping van zijn fondsartikelen brachten deze de voor dien tijd (1832) zeer belangrijke som van twee en tachtig duizend gulden op zonder dat daarbij nog gerekend is de opbrengst der ongedrukte kopijen, koperen platen enz. 

Keeren we thans terug tot den stichter van de tegenwoordige zaak. Uit onderzoekingen, te Arnhem ingesteld, bleek ons, dat Carl Albert Thieme in 1815 in de Ketelstraat op den hoek van de tegenwoordige Mariënburgstraat woonde, nommer één, daar waar later de boekhandel van den heer H. A. Tjeenk Willink was gevestigd. Hare groote beteekenis kreeg de drukkerij van C. A. Thieme eerst, toen zij den eersten Februari 1816 de „Arnhemsche courant'' ging drukken. Deze courant was onmiddellijk voortgesproten uit het tweetalige „Staatkundig dagblad van het departement van 
den Boven-Issel", dat in den tijd der Fransche overheersching tegelijk heette: „Feuille politique du départment de l'Issel-Supérieur." Het eerste nummer der „Arnhemsche courant" verscheen op Zaterdag den eersten Januari 1814 ter drukkerij van J. H. Moeleman — die, zoo blijkt ten stadhuize te Arnhem, zijn drukkerij had in een pand aan den Kleinen Oord, vermoedelijk waar nu de zaak der Gebr. Van Haaren zich bevindt. „Dit feit — de verandering van uitgever — is, zegt mr. W. P. Sautijn Kluit in zijn werk „Arnhemsche couranten" (bij P. N. van Kampen & 'Zoon, te Amsterdam, 1892) voor de „Arnhemsche courant" van het grootste gewicht geweest; aan deze verandering toch heeft ze te danken wat ze eenmaal geworden is: het eerste en belangrijkste staatkundig dagblad in Nederland. Immers Carl Albert Thieme „kan zich beroemen — aldus de hulde, die de „Arnhemsche courant" van een en dertig October 1847 bij zijn overlijden hem bracht — de eerste in het land te zijn geweest, die, door zijn courant, den constitutioneelen zin onzer natie heeft wakker gemaakt en ontwikkeld. Thieme was geen gewoon courantier; hij beschouwde zijne courant niet enkel als eene kostwinning, maar in de eerste plaats als een middel om verlichting te verspreiden en vooruitgang te bevorderen." Het was niet vreemd, dat op den man, die deze grondbeginselen huldigde en er voor op de bres bleef, de aandacht viel van de medestanders in staatkundige overtuiging, waar zij zich gedrongen gevoelden, het woord tot het lezend publiek te richten. 

Bij C. A. Thieme kwamen o. m. de volgende werken van de pers: „Destaatsgeschiedenis van Indië van 1784-1823, naar het Engelsch van Sir John Malcolm, door Johannes Olivier Joh.z. twee deelen"; „Handboek voor de officieren van het korps ingenieurs, mineurs en sappeurs, door J. D. Pasteur, majoor-ingenieur, vier deelen"; „Het beleg van Maastricht in 1579 met geschied- en krijgskundige aanteekeningen, door J. G. W. Merkes, eerste luitenant-ingenieur"; verschillende Bijbeluitgaven met psalmen; „Algemeen woordenboek voor den militairen stand"; Fransche woordenboeken van S. J. M. van Moock en andere schooluitgaven, zooals van mevrouw A. B. van Meerten-Schilperoort, P. Meesters, B. Cramer, J. van Bemmelen, P. K. Görlitz, W. C. Turn; een „Kaart van Nederland", door W. van den Hoonaard, enz. Trouwens uit het feit, dat de drukkerij weldra verplaatst werd naar een veel grooter pand, ook in de Ketelstraat, naar nommer zes en twintig, op den hoek van de Heidendaalsteeg, blijkt wel het best, dat de zaak bloeide en zich gaandeweg uitbreidde. Het bedoelde pand — huis en erve met open plaats, pakhuis, koetshuis en annexe stalling, toebehoorende aan vrouwe Theodora de Bruijn, weduwe van den heer Jan Thomas Zorreth — ging een en dertig October 1826 in koop over aan C. A. Thieme, die den zevenden Juni 1845 daaraan door aankoop nog toevoegde een perceel gronds van het Burgerweeshuis achter zijn huis, ten einde daarop een woonhuis te bouwen aan de Weezenstraat. 

C. A. Thieme overleed dertig October 1847 in den ouderdom van vier en vijftig jaren. Zijne weduwe, Grada Anna Thieme-Van den Bergh, trad nu op als hoofd der drukkerszaak. Zij is dit gebleven tot den eersten Augustus 1849. Wij vestigen hier de aandacht op, omdat de „Arnhemsche courant" slechts van een en dertig October 1847 tot den aanvang van 1848 als drukkersadres vermeldde: „te Arnhem bij de weduwe C. A. Thieme". Daarna werd dit adres: „te Arnhem, bij G. J. Thieme, boekdrukker." Het zou verkeerd zijn, hieruit de gevolgtrekking te maken, dat de drukkerij van wijlen C. A. Thieme met 1848 reeds door G. J. Thieme werd beheerd. Veeleer is aannemelijk, dat de onaangenaamheden, waaraan het verantwoordelijk zijn als drukker voor wat er in de „Arnhemsche courant" geschreven werd, de wenschelijkheid hebben doen uitschijnen, dat de zoon de kans op eventueele drukpersprocessen liep. De ervaringen dier wel is waar met voldoening op te halen processen mogen bij de weduwe een eervolle herinnering hebben achtergelaten aan de fiere, krachtige figuur van haren echtgenoot, de kinderen zullen voor hun moeder geen herhaling gewenscht hebben. Dat zij nog ruim anderhalf jaar na Januari 1848 de drukkerij bestuurd heeft, blijkt o. a. uit een dichterlijken „Afscheidsgroet aan onze geachte patrones'', waarin op den eersten Augustus 1849 „de gezamenlijke gezellen uwer drukkerij" zich o. m. als volgt uiten:

„Ontvang van onze hand, vereerenswaarde Vrouw
Des onvergeetbren Mans, wien we onverpoosd gedenken,
Dit ongekunsteld blijk van achting, dank en trouw,
Voor al de goedheên, die ge ons jaren lang woudt schenken.
Uw jongste Zoon treedt op in 's Vaders eedlen stand;
Gij gaat, in stille rust, met uwe Dochter leven, 
En met haar lief, aanminnig, jeugdig huwelijkspand,
Van zorg en moeite thans, uw deel, God lof! ontheven."

De jongste zoon was Gerrit Jan Thieme. De oudste, mr. H.C. A. Thieme C.Azn., gepromoveerd den 
tweeden November 1848 te Leiden, was advocaat te Batavia. De dochter, Gezina Willemina, gehuwd met Derk Scheltema, was weinige dagen na den dood van haren vader weduwe geworden. In de rechten van wijlen D. Scheltema, uitgever te Utrecht, trad, tegenover de nalatenschap van C. A. Thieme, de weduwe Scheltema, mede als voogdes van haar jeugdigen zoon Carl Albert. Bij onderhandsche akte, dd. drie en twintig Maart 1852, werden de panden, waarin de drukkerij met annexen gevestigd waren — aan Ketelstraat en Weezenstraat — het eigendom van Gerrit Jan Thieme.

Met den eersten Augustus 1849 alzoo zag Gerrit Jan Thieme, geboren den eersten April 1827, zich belast met de leiding der drukkerij, door zijn vader zoo vermaard gemaakt. Dat de nieuwe patroon het voetspoor van zijn vader en grootvader volgde en een open oog had voor de vorderingen in de boek- en plaatdrukkunst moge den lezer duidelijk worden uit enkele bijzonderheden, welke helder in 't licht stellen van hoeveel belang hij 't achtte, grondig onderlegd en modern geschoold personeel met de leiding der onderdeelen van zijn vak te belasten, zoodra ook in ons land de nieuwe kunstdrukuitingen zich baan braken. Een trouw medewerker met een voorbeeldeloos plichtsbesef had hij daarbij aan het algemeene hoofd van het personeel en meer in 't bijzonder van de boekdrukkerij, den heer J. C. Paap, die, na bijna veertig-jarigen diensttijd, in Mei 1886 werd gepensionneerd. We zeggen van de boekdrukkerij, de zetterij daaronder begrepen, omdat allengs de steendrukkerij, de galvanoplastiek en stereotypie, de photolitho- en zincographie enz. zooveel beteekenis verlangden, dat ook voor deze afdeelingen eigen hoofden moesten worden aangewezen. 

Dat ook de machines onder toezicht stonden van een hoogst bekwame hand moge gestaafd worden door de volgende aanhaling, ontleend aan het meergenoemde werk van mr. Sautijn Kluit: „In 1863, bij gelegenheid van den zes en dertigsten verjaardag van den uitgever, heeft op Woensdag den eersten April eene „Arnhemsche courant" in 64° het licht gezien, die hier en daar bij liefhebbers van aardigheden wordt aangetroffen. Ze was, zooals het „Nieuwsblad voor den boekhandel" van Donderdag den tweeden Juli 1863, nommer zeven en twintig, mededeelt, het werk van een der zetters, J. M. A. Jansen, en ter grootte van vier a zes Nederlandsche duimen gedrukt op een ijzeren snelpersje dat op de voetmaat van een achtste der gewone grootte gemaakt en vier en zestig maal kleiner dan de grootste snelpers was. Er ontbrak aan dat snelpersje, dat weldra op de tentoonstelling van metalen voorwerpen te 's-Gravenhage te zien en vervaardigd was door G. L. Burgers, den bestuurder van de stoomsnel-persen ter drukkerij van den heer Thieme, geen enkel pennetje of schroefje, en was een waar kunststuk van handenarbeid. Het courantje kon wegens de netheid van uitvoering en zuiverheid van druk niet genoeg geprezen worden." 

Het bovenstaande zal zeker reeds hebben doen bevroeden, dat de zaak van G. J. Thieme het keurslijf van des vaders drukkerij allengs moest ontgroeid zijn. Zoo is 't ook! Toen aan het pand langs de Heidendaalsteeg, tusschen Ketelstraat en Weezenstraat, geen uitbreiding kon gegeven worden, werd een deel van het bedrijf overgebracht naar een daartoe aangekocht ander pand, gelegen in de ombuiging van de Weezenstraat. Daarheen werden den eersten Juli 1869 verplaatst de bureaux en de zetterij van de „Arnhemsche courant" — tot dezen datum gevestigd in de Weezenstraat hoek Heidendaalsteeg —, de steendrukkerij, de pletterij en het papiermagazijn. In 1878 kwam er alweder verandering. De omvang van het werk ter steendrukkerij maakte het wenschelijk, de ateliers der teekenaars te vergrooten. Toen zijn de bureaux van de „ Arnhemsche courant" verhuisd naar de Ketelstraat. Den eersten Mei 1883 werd de zaak van Thieme eigenares van een woonhuis aan de Jansplaats, om te dienen tot ateliers voor de photografische afdeeling en wat daaraan annex was, benevens tot woning van het hoofd dezer afdeeling, H. C. van Woerden. 

G. J. Thieme, die met eenige uitgaven zeer voorspoedig was, o. m. met de alom bekend geworden „Thieme's schoolschriften", heeft, ondernemend als hij was, ook een proef genomen met de oprichting van een fabriek van speelkaarten, maar die proef had geen blijvend gevolg. 

In 1874 was de al meer en meer zich uitdijende zaak omgezet in een commanditaire vennootschap firma G. J. Thieme met Gerrit Jan Thieme als beheerend vennoot. Als commissarissen traden in 1874 op de heeren N. Tetterode, H. Opwyrda en G. C. T. van Dorp. De heer Opwyrda bedankte in 1877 en werd vervangen door den heer H. J. Ploeg. In 1880 werd de heer mr. H. H. van Cappelle tot commissaris gekozen in de plaats van den heer Van Dorp, die uit de vennootschap trad. In 1885 bedankte de heer Ploeg. Eerst in 1886 werd in de vacature voorzien door de benoeming van den heer mr. F. T. Pahud de Mortanges. In 1887 zag de heer Tetterode, die geen herbenoeming wenschte, zijn plaats ingenomen worden door den heer T. E, Slot. In 1888 werd de heer Pahud, die bedankte, vervangen door den heer G. Freem, terwijl in 1891, na den dood van mr. Van Cappelle, in diens plaats de heer mr. I. Everts B.Hzn. werd gekozen. Bij het bedanken van den heer Slot in 1895 trad de heer A. R. Freem als commissaris op. Op vijftien Februari 1889 stierf de beheerende vennoot G. J. Thieme, bijna twee en zestig jaar oud. Aan de geopende groeve hebben mr. H. H. van Cappelle, zijn rechtsgeleerde raadsman, en de heer Van Woerden, chef der afdeeling voor phototypie enz., woorden van groote waardeering gesproken, waaraan we slechts het volgende ontleenen: Mr. van Cappelle zei o. m., na er op gewezen te hebben, hoe de overledene drie en veertig jaren lang onverpoosd had gearbeid aan de levenstaak, hem, nog geen twintig jaren oud, opgelegd: „Rechtmatige eerzucht om zijne nijverheidsondernemingen te doen bloeien, uit te breiden, op de hoogte van zijn tijd te houden, prikkelde zijn werkkracht, staalde zijn vlijt. Hij was een ondernemend man, met een open oog voor de behoeften van zijne industrie, die hij tot eene groote hoogte heeft gebracht." De heer Van Woerden gaf van zijn chef o. a. de volgende schets: „Gestreng als hij was in den eisch, dat ieder zonder onderscheid nauwgezet en stipt zijne bevelen ten uitvoer bracht, nooit zou die gestrengheid hem tot onrechtvaardigheid hebben geleid; integendeel, recht boven alles, dat was zijn leus, en deze leus 
bracht hij in toepassing niet alleen, waar het de verhouding gold tot zijne ondergeschikten onderling, 
onverschillig welke overigens de betrekking was in welke zij tot zijne zaak stonden, maar ook wanneer het hemzelven aanging; nooit zou hij dan macht boven recht gesteld hebben."
Zie de „Arnhemsche courant" van twintig Februari 1889. 

Als beheerend vennoot werd G. J.Thieme vervangen door zijne weduwe, G. J. H.Thieme-Van den Bergh, terwijl J. Oosterink, zes en twintig Mei 1883 boekhouder der zaak geworden, tot algemeen procuratiehouder werd benoemd. Deze stand van zaken bleef zoo, totdat de gewichtige gebeurtenis in het bestaan der firma Thieme plaats greep, waarop wij vroeger zinspeelden. De gelegenheid namelijk, om door koop in 't bezit te komen van de belangrijke en uitnemende drukkerij van de firma H. C. A. Thieme te Nijmegen, stichting van J. F. Thieme, greep de firma G. J. Thieme gaarne aan. Op een en dertig Mei 1898 had ten name van de commanditaire vennootschap G. J. Thieme het transport plaats van een fabriek, erf en drukkerij aan de Van Goorstraat te Hatert, gemeente Nijmegen, groot drie en dertig aren zeven en dertig centiaren. Op gemelden datum werd aan G. J. Thieme, den zoon, benoemd tot procuratiehouder, de leiding van de zaken te Nijmegen opgedragen. Met den dood van de beheerende vennoote, twee en twintig Augustus van hetzelfde jaar, eindigde feitelijk de commanditaire 
vennootschap, en terstond werden maatregelen getroffen om haar in een naamlooze vennootschap om te zetten. Zóó kwam op een en dertig December 1898 tot stand de nieuwe „naamlooze vennootschap boek-, courant- en steendrukkerij voorheen G. J. Thieme met de zaken der te Nijmegen gevestigde 
commanditaire vennootschap H. C. A. Thieme, thans door aankoop eigendom van de commanditaire 
vennootschap G. J. Thieme." Tot commissarissen van de naamlooze vennootschap werden met ingang van gemelden datum voor de eerste maal benoemd de heeren Gerrit Freem, Arie Reinier Freem, en mr. Izaak Everts B.Hzn., wethouder der gemeente Arnhem, en tot directeuren de heeren Gerrit Jan Thieme (geboren acht en twintig Juni 1872), eenige zoon van G. J. Thieme, en Jan Oosterink (geboren twee April 1858) voornoemd. De heer G. Freem, die in 1899 als commissaris bedankte, werd vervangen door den heer P. Gouda Quint. Tot 1912 bleef de samenstelling dezelfde. Toen nam de heer Quint afscheid en werd de heer J. W. Berends tot commissaris gekozen. Sinds had geen verandering plaats. 

Wij mogen hier geen afscheid nemen van de oude commanditaire vennootschap G. J. Thieme, zonder met een enkel woord nog de overleden beheerende vennoot, mevrouw de weduwe Thieme, te herdenken. De „Arnhemsche courant" schreef bij het bericht harer ter aardebestelling o. a.: „Is de oprecht brave, hartelijke vrouw haar man een degelijke steun geweest, toen zij bij diens overlijden optrad als beheerend vennoot eener groote zaak als de drukkerij der firma Thieme, kwam aan 't licht, dat zij, behalve als echtgenoote en moeder ook als vrouw van zaken zeldzame gaven bezat. Haar goed hart leidde het verstand: zij volgde met de grootste belangstelling het lot harer ondergeschikten, die haar steeds zullen vereeren in hunne herinnering als een model-patrones." 

Weinige jaren na de oprichting van de vennootschap, Arnhem en Nijmegen omvattend, zag men op het tooneel van den arbeid te Arnhem een groote verandering van decors: De zaak werd van de Ketelstraat en de Weezenstraat overgebracht naar een uitgestrekter pand aan de Koningstraat, nommer zes en dertig nabij het stadhuis, met achteruitgang aan de Beekstraat. Dit pand, vroeger de bekende jongedamesschool van mejuffrouw Koster, later (in 1895) de sociëteit Sint Jan, werd in 1903 aangekocht en, na te zijn verbouwd, op een en dertig Augustus 1904 in gebruik genomen door de drukkerij met haren geheelen aanhang van bureaux, ateliers, magazijnen, dienstwoning en de bureaux met het archief der „Arnhemsche courant." Het geheele bedrijf kon nu beter worden overzien. Tegelijkertijd met deze verplaatsing werd de stoom als beweegkracht vervangen door electriciteit, opgewekt door een zuiggasmotor, totdat in 1910 de aansluiting met de gemeente-centrale tot stand gebracht kon worden. Nu werd ook het gas als lichtbron zoo goed als verbannen. Het technisch gedeelte ging evenzeer in andere opzichten met den tijd mede: Vele persen werden vervangen of omgebouwd; in 1911 zag men de eerste zetmachine in werking gesteld; in 1913 de eerste rotatiepers, deze meer in 't bijzonder ten dienste van de „Arnhemsche courant." 

Ook te Nijmegen deden al spoedig eenige zeer belangrijke verbeteringen en uitbreidingen haar intrede. De nieuwe banen in het vak vonden hier een gereeden uitweg. Zoo had in Mei 1901 de eerste verbetering plaats: er werd eene geheel nieuwe overkapping op de werkplaatsen gebracht— „meer licht en meer lucht" was de opdracht geweest ten bate van het personeel, en aan die opdracht werd op doeltreffende wijze gevolg gegeven — en een nieuw ketelhuis met een zeventien meter hoogen schoorsteen gezet. De staande stoomketel werd tegelijkertijd vervangen door een liggenden met een verwarmend oppervlak van zeventien vierkante meter en 6 1/2 atmosfeer druk. Edoch de stoom was lang genoeg oppermachtig geweest in de nijverheidsondernemingen: in 1906 zag men hem plaats maken voor de electriciteit als beweegkracht, opgewekt, evenals te Arnhem aanvankelijk, door een eigen centrale, waarvoor noodig was het bijbouwen van een veel omvangrijker machinekamer voor het opstellen der zuiggasinstallatie met dynamo. De stoommachine werd mede geplaatst in de nieuwe machinekamer om te dienen tot het drijven van een dynamo voor het opwekken van electriciteit voor de verlichting der werkzalen en tot reserve. In 1908 kwam ook hierin alweder verandering: toen werd een contract aangegaan met de gemeente betreffende de levering door de gemeentelijke centrale van den benoodigden electrischen stroom als drijfkracht en lichtbron. 

Inmiddels waren in 1906, ten behoeve van de binderij, de nieuwe stereotypeer- en galvaniseer-
inrichtingen en het vernikkelen der stereo's, nieuwe gedeelten bijgebouwd. Was in 1903 de houten 
papierloods, één met de overige gebouwen, vervangen door een steenen gebouw van meer dan de 
dubbele grootte, het duurde niet veel jaren of de behoefte aan nog grootere ruimte werd dagelijks gevoeld. Toen is, in 1909, een vrijstaand, buiten het fabrieksterrein gelegen, maar daaraan toch onmiddellijk grenzend houtpakhuis van ongeveer vijfhonderd vierkante meter oppervlak aangekocht en tot papier magazijn ingericht. Op die, met het oog op brandgevaar, 't meest gewenschte vrijstaande ligging kan, dit mag hier nog even worden opgemerkt, ook de geheele fabriek bogen: haar terrein toch wordt door vier straten begrensd, namelijk door de Jan de Wittstraat (front), Van Goor-, De Leempt- en De Ruyterstraat. Voor een fabrieksinrichting wel een ideale toestand. Ter duidelijker kenschetsing van de beteekenis der achtereenvolgens tot stand gekomen uitbreidingen moge een enkele vergelijkende opgaaf strekken: In 1892 besloeg de drukkerij van de firma H. C. A. Thieme — we ontleenen dit cijfer aan het in genoemd jaar, ter gelegenheid van de grafische tentoonstelling te Amsterdam uitgegeven reclameboekje — duizend vierkante meter; nu, in 1913, beslaat het oppervlak der verschillende werkplaatsen ongeveer drie duizend vierkante meter. 

Begrijpelijkerwijs houdt de capaciteit van de drukkersflrma G. J. Thieme verband met den omvang, dien het bedrijf, zooals hierboven in 't kort is uiteengezet, in de laatste jaren heeft genomen. En om die capaciteit haar naam te doen handhaven zijn er heel wat arbeidskrachten en heel wat kostbaar materiaal, in den vollen zin van zijn vakbeteekenis, noodig. Op dit oogenblik beschikt de firma te Arnhem en te Nijmegen over negen en dertig snel- en hand-persen, één rotatiepers, vier zetmachines, zeven vouwmachines, vijf snijmachines en de noodige hulpmachines, die in werking worden gebracht door drie en vijftig electrische motoren. Het personeel telt ongeveer tweehonderd vijftig man. 

En het personeel... Als wij er in ons slotwoord nog eens op terugkomen, dan is 't om er de geijkte plaats van de apotheose aan toe te kennen. Na een langzaam ontwaken is op het einde der vorige eeuw het gemeenschapsgevoel bij den werkman tot een krachtig bewustzijn geworden. Dit heeft in vele zaken gemaakt, dat „het personeel" een moeilijke factor is geworden. Waar het personeel intusschen ervaart, dat de werkgever met het zeer ernstige streven is bezield, den stelregel „goed werk moet goed betaald worden" algemeen toe te passen, en dat de werkgever in de praktijk onderschrijft het protest van prof. Quack tegen een eenzijdige en egoïstische economie, „die geworden was een leer der plutocratie", daar zijn de moeilijkheden van het arbeidsvraagstuk niet onoverkomelijk. De lezer zal er, vleien we ons, prijs op stellen over deze materie ook de stem te hooren van een werknemer. In het „Grafisch weekblad", het orgaan van den Algemeenen Nederlandschen Typografenbond, van acht December 1910, schrijft de correspondent te Arnhem het volgende: „Zooals reeds door mijn Nijmeegschen collega werd gemeld, heeft de firma G. J.Thieme te Arnhem en te Nijmegen hare gezellen goed bedacht bij de herdenking van het feit, dat door haar twaalf en half jaar geleden de toenmalige drukkerij van de firma H. C. A. Thieme te Nijmegen, die in liquidatie was, werd aangekocht. De firma wenschte dat feit niet ongemerkt te laten voorbijgaan, ook niet voor de gezellen, en gaf een weekloon extra. Dat dit door de gezellen op hoogen prijs werd gesteld, behoeft niet breedvoerig betoogd te worden; dat is nogal begrijpelijk. Vooral nu, nu alles zoo duur is, komt dit den gezellen ten goede. En wat er verder in de proclamatie gezegd werd, is ook niet van belang ontbloot. Het heette daar, dat de zaak steeds in bloei toeneemt, mede door de trouwe plichtsbetrachting van de zijde der gezellen. Voorwaar een mooie bekentenis, welke ook den gezellen goed gedaan zal hebben! Ja, ja, het was vóór twaalf en half jaar voor onze Nijmeegsche collega's een bange tijd: het zwaard van Damocles hing hen boven het hoofd. Menigeen had reeds zijn betrekking verloren en zij, die nog geen ontslag hadden gekregen, konden het elk oogenblik verwachten. Totdat eindelijk de firma G. J. Thieme te Arnhem de zaak aankocht en de vrees voor velen wegnam. Werd de zaak met een zestigtal werklieden overgenomen, thans werken er ongeveer honderd vijftig. Zeer zeker een mooie vooruitgang". Er is hier dus geen reden om te vermoeden, dat, onder den invloed der plutocratie, de „zwakte in onze samenleving", zooals Quack het noemt, „in stede van ontzien of helpend behandelen, aanleiding, bijna verleiding, is geweest tot machtsoefening en overheersching". 

Van het personeel der firma G. J. Thieme zijn er een en dertig meer dan vijf en twintig jaren in haar dienst. Van de personen, die in 1898 bij de firma H. C. A. Thieme te Nijmegen werkzaam waren, zijn er nu nog drie en veertig bij de firma G. J. Thieme daar in betrekking. Twee der ouderen zijn door haar gepensionneerd. Van het personeel te Arnhem genieten er ook eenigen hun pensioen. Onder de oudsten zijn er, die daar reeds sinds 1857,1865,1867 en 1869 werkzaam zijn. Dat er goede verstandhouding bestaat en het wederzijds behartigen van elkaars belangen regel is, moge gerust de gevolgtrekking wezen. 

Dit korte overzicht, dat geenszins op volledigheid aanspraak maakt, is geschreven en geïllustreerd naar aanleiding van de grafische tentoonstelling van vijftien Juli tot vijftien September 1913 te Amsterdam te houden. Zonder dus een bepaald GEDENKBOEK te hebben willen samenstellen — wij lieten trouwens de techniek van het bedrijf te Arnhem en te Nijmegen grootendeels onbesproken en laschten slechts enkele statistische gegevens daaromtrent in, omdat ons zulks in de lijst van het geschiedkundige beeld onvermijdelijk toescheen — is het toch de bedoeling geweest, van dit geschriftje te maken een HERINNERINGS-UITGAVE ten dienste van den uitgebreiden kring van handelsvrienden der firma G. J. Thieme en van hen, die door het geheel mogen worden aangespoord, zich bij die vrienden aan te sluiten.

Nijmegen, Mei 1913 M. A. SIPMAN

*) Bij Ledeboer staat abusivelijk Carl Anton.
**) Deze Thieme kocht in 1821 den in 1695 door Ahasuerus van Goor in de Smidstraat op-gerichten
boekhandel met daaraan verbonden drukkerij.

Reactie 1:

Richard Keijzer, 14-10-10: Drukkerij Thieme is de laatste tijd behoorlijk in het nieuws en daarom moest ik weer denken aan mijn vader, die twee keer bij de drukkerij heeft gewerkt. Beide keren noodgedwongen, eigenlijk.
De eerste keer was in 1923, toen hij voor de tweede keer was blijven zitten in de eerste klas van de HBS-A in Nijmegen. Toen werd het opa toch echt te dol en werd de schoolopleiding ingeruild voor een baantje bij drukkerij Thieme. Vader kwam daar terecht bij de afdeling werkvoorbereiding, met over het algemeen vervelende werkzaamheden. Wel een beetje te verklaren, want een jongen van 14 zonder schoolopleiding kreeg natuurlijk geen interessante klussen te doen. Formulieren op alfabet of op datum leggen, dat was zo’n beetje het toppunt.
En af en toe dingen wegbrengen door de hele drukkerij heen. Veel heeft mijn vader er nooit over verteld, alleen was hij erg enthousiast over “de styp”, waarmee de afdeling stereotypografie werd bedoeld. Zetsel werd bedekt met een flexibel materiaal, dat er met hoge druk opgeperst werd. Het resultaat was een negatief. De flexibele plaat werd in een mal gemonteerd, waarna er een halfronde metalen drukrol van werd gemaakt. Die had dan weer het positieve letterbeeld waarmee het drukwerk kon worden gemaakt.
In de laatste week van 1924 kwam de fotograaf langs en hij zette het personeel van de afdeling op de foto. Aan de muur hangt de kalender voor 1925 al klaar. Het was een kalender die werd gemaakt voor de Raden van Arbeid. Onzeker is, of deze kalender in eigen huis is gedrukt, of dat hij een relatiegeschenk was van een andere drukkerij. Een soortgelijke kalender van 1927 werd gedrukt bij drukkerij De IJssel in Deventer, zo blijkt uit de website: 

http://www.vansabbenauctions.nl 

Achterop de foto heeft iemand (geen idee wie, het is niet het handschrift van mijn vader) de namen en geboortedata van de afgebeelde personen opgeschreven. 

R. Keijzer 20-05-1909
Hr Nobel 29-12-1899
O. van Bemmel 15-11-1905 (Beuningen)
A. Geutjes 4-12-1908
Hr de Koning 9-9-1894

Misschien dat iemand nog een familielid herkent? Ik heb geprobeerd om te achterhalen waar deze mensen geboren zijn, maar dat is niet gelukt. Mijn vader zit helemaal links en op die plaats op de achterkant staat ook zijn naam. De andere namen hebben een veel minder duidelijke plek op de achterkant gekregen.
De loopbaan bij Thieme werd gestaakt, toen het gezin verhuisde van Nijmegen naar Maastricht, in 1928. Opa was boekhouder bij een aannemer en dat bedrijf kreeg een grote klus in Maastricht. Mijn vader kwam uiteindelijk terecht bij Philips Gloeilampenfabrieken in Eindhoven, maar dat duurde niet lang. In de jaren dertig (middenin in de toenmalige crisis) moest Philips bezuinigen, en dat werd gerealiseerd door de laatste 2000 mensen die in dienst waren gekomen op straat te zetten. Begeleid met een kort briefje dat “gezien de moeilijke omstandigheden in het huidige tijdsgewricht…”.
Goede raad was duur, want waar vond je in een tijd met zoveel werkloosheid nog een baan? En weer bracht Thieme uitkomst. Het vereiste wel een verhuizing terug naar Nijmegen, maar voor een vaste baan had mijn vader heel wat over. Hij woonde bij een hospita in de Hugo de Grootstraat, waar hij bleef tot 1935. Hij kreeg toen een baan in Amsterdam en ontliep daarmee het bombardement dat in 1944 het overgrote deel van de Hugo de Grootstraat met de grond gelijk maakte.
Drukkerij Thieme vond het jammer dat mijn vader wegging, maar had begrip voor het feit dat hij een betere betrekking kon krijgen. Hetgeen werd vastgelegd in bijgaand getuigschrift.

Reactiepagina
Reactie 2:

Jos Legrand, 09-03-2016: Een goed verzorgd verhaal, zeer interessant, en met foto's waar ik met enige nostalgie naar heb gekeken. Het toeval wil dat ik enkele dagen geleden een soortgelijke brief als de hierboven getoonde (dezelfde opmaak) onder ogen kreeg. Het betrof de condoleances met betrekking tot de dood van mijn grootvader Piet Legrand, ook in 1935.
Meerdere Legrands hebben bij Thieme gewerkt, waaronder mijn vader Jo Legrand. Graag zou ik meer foto's uit de periode 1920-1950 willen zien. Wie brengt uitkomst?
Jos Legrand, Maastricht
Reactie 3:

H. Volgers, 09-03-2016: Geachte lezer,
In het jaar 1903 kwam een familielid van mij, genaamd Jan Volgers, op 17 jarige leeftijd van Enkhuizen naar Arnhem om hier te werken bij een drukkerij. Hij is daarna een paar jaar weg geweest om vervolgens rond 1908-1910 wederom hier in Arnhem een paar jaar in de grafische industrie (drukkerij?) te gaan werken. Toen hij weer naar Arnhem kwam rond 1910 woonde hij in de Spoorwegstraat. Ik probeer er achter te komen waar hij gewerkt zou kunnen hebben. Welke drukkerij zou dat geweest kunnen zijn? Heeft iemand een idee en waar zou ik meer informatie kunnen verkrijgen? Personeelslijsten zullen er wel niet zijn neem ik aan. Ook de bovenstaande foto's van de drukkerij zijn er nog foto's van die tijd 1900-1910. Is die steenzetterij uit die tijd?

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: