dodenbier - licht in donkere dagen
blz. 50 begint onbedaarlijk te gapen.„Je kunt toch niet de hele nacht blijven waken," zegt hij moedeloos. „Neen," zeg ik," en ga naar binnen.
    Vader gaat naar bed. Ik voor mij kan er niet toe komen. Ik blijf waken zolang die granaten fluiten. „Gaat u toch slapen," zeg ik tegen Moeder, „Vader gaat immers ook?" Doch deze avond volgt ze haar echtgenoot niet. Ze speurt gevaar en dat is voldoende om haar ogen open te houden. Ineengedoken in haar dikke mantel zit ze onbewegelijk op haar stoel.
    Ik wandel op en neer, rozenhoedje biddend, iedere vijf of tien minuten naar de voordeur lopend, ter observatie. Eindelijk wordt het rustig; 't is diep in de nacht, drie uur, en er valt te denken aan enige uren slaap. Een tragische, onvergetelijke nacht, die laatste nacht in ons buitenverblijf te Hees - „De Beuken". Morgen gaan we terug naar het front.

5 OCTOBER - MOEDERS VERJAARDAG.
    Nog nooit gevierd op deze wijze. 't Was een drukte van belang voor het huis 's morgens. Twee gemeentewagens kwamen voor. Hoe dat zo gebeuren kon, kan ik hier niet vertellen. Maar ze kwamen voor en werden volgepropt en hoog op beladen met dekens en beddegoed enz. 't Was een vrolijke verhuizing: gebabbel en geschreeuw en luid geschater.
[tekening: kerkdienst in een keldergewelf, gesigneerd Kees Knoops]
blz. 51     Er valt een stilte als de wagens weggereden zijn. De families bij ons te gast, gaan naar de stad. 't Is rustig in de kamer, waar het kacheltje snort. Ik werk wat aan mijn dagboek. Buiten schijnt vriendelijk het Octoberzonnetje. In echte feeststemming drinken we om half elf ons kopje koffie. 't Is gezellig en intiem.
    De kamer staat vol bloemstukken, reeds in de vroege morgen gebracht. Deze verjaardag heeft iets zeer karakteristieks; Moeder zal hem wel nooit vergeten.
    In de helder blauwe lucht zoemen de vliegtuigen; het klinkt bijna vriendelijk op deze schone Octobermorgen.
    We wandelen in de tuin, achter 't huis; koesteren ons in de milde zonneschijn. Om twaalf uur stap ik de grote kamer binnen; er bevinden zich drie dames: Moeder, Juffr. Boermans, Mevr. Benes. Opeens een stoot: we kijken elkaar aan, onthutst. De stoot gaat over in, een langgerekt geloei, precies een fabriekssirene. Ontzetting op 't gelaat der twee dames, ze vliegen de kamer uit, naar de kelder. Ik val op de grond, Juffr. Boermans ligt er reeds. Een dreunende slag, die ons bevrijd uit onze onzekerheid.
    't Is een neerstortend vliegtuig geweest, dat vreemde, geheel nieuwe en angstaanjagende geluid! Heel dichtbij moet het neergekomen zijn. Ik spring op de fiets, rijd achter de tuin door en zie reeds een dichte, zwarte walm opstijgen. Onze kinderen rennen ook in de richting van 't open veld, waar 't gevaarte brandt.
    Geen slachtoffers dus. Goddank! Kijk, daar in de lucht, misschien vijf honderd meter hoog, zweeft een helderwitte parachute. Een grote pop hangt er aan te bengelen. De parachutist natuurlijk. Ik stap af en verneem van de militairen, dat het een Engels gevechtsvliegtuig is, dat aangeschoten was, en slechts door één piloot bemand. Deze is er uitgesprongen, na 't toestel zeer behendig op deze open plek te hebben afgestuurd. -
    Intussen kringelen geweldige zwarte rookwolken laag over de grond. Zwaar geknetter van vlammen. Engelsen rennen er heen. Onze kinderen worden teruggeroepen:- 't is gevaarlijk in. de nabijheid te komen, vanwege de munitie, die ontploft in de vlammen.
    Bovendien is het etenstijd. We klinken op de gezondheid van de jarige. Nog vele jaren, Moeder, in een even bloeiende gezondheid als nu - maar ik wens u toch nooit meer een verjaardag als deze!
    Nu hebben we geen reden om langer op ons buitenverblijf te vertoeven. 't Ligt daar aantrekkelijker dan ooit onder de gouden zonnestralen. 't Wil ons vangen in zijn betoverende ban - dit sprookjesslot. „Partir, c'est mourir un peu". We moesten afscheid nemen van een sympathieke groep Engelsen, die sinds twee dagen onze tuingasten waren en met wie 't contact veel beloofde.
    Fred en Albert zeggen me in de stad te zullen opzoeken. Hun sympathieke jonge officier heb ik niet meer gezien, evenmin als de Anglicaanse aalmoezenier, „the most popular man of the regiment", die me voorgesteld zou worden.
    Onze kapel, met zoveel zorg ingericht, zo kort geleden, en die zoveel warmte gaf aan ons huiselijk leven, moet worden afgebroken. Gedaan met de Octobermaand, met 't Allerheiligste in huis hebben, want in de stad, aan 't front, zullen we wel de schuilkelder in moeten. Waarlijk „partir, c'est mourir un peu."
blz. 52     Om drie uur rijd ik weg. Als ik op 't Weeshuis kom, is de ijverige Meester reeds aan het werk met zijn jongens.
    Ik ga de stad in; bij Hartman verneem ik, dat de moffen gisterenavond weer doorgedrongen zijn tot Berg en Dal en vandaar hun granaten in de richting Hees schoten. ,„Dat komt uit," zeg ik met vuur, en vertel van onze laatste nacht op De Beuken.
    Als ik op 't Weeshuis aankom, zijn alle gasten van De Beuken reeds thuis; twee jongens gaan al terug om nog enige kapelbenodigdheden: kelk en ciborie enz., die vergeten zijn, te halen. Als ze terugkomen weten ze opgetogen te vertellen van het prachtige licht van de Engelse schijnwerpers, dat de Waalbruggen in een betoverende glans legt. Nieuwsgierig stormen we de trap op naar het luik, rukken het open, en daar voor ons glinstert een lucht als van de dageraad. Een onwezenlijk blauw, zachtglanzend schijnsel, die helderwitte plekken slaat op de pijlers van de brug en het water van de rivier omtovert in drijvend zilver. Geboeid staan we te kijken; de lucht is stil, geen geluid wordt vernomen boven de zwarte silhouetten van huizen en fabrieken. Wat een prachtig schouwspel! 't Doet me enigszins denken aan de Oosterse nachten. Zelfs de techniek van de moderne oorlog is niet in staat de poëzie uit het leven te bannen. Deze serene avond, vol wijding en vrede, temidden van de verschrikkingen van de oorlog, wat is het leven in dit tranendal toch grillig!
    We gaan vroeg naar bed en slapen nu allemaal in de kelder. Zie die bedden daar eens keurig staan: beneden aan het trapje slaapt de rector, rechts staat de brede, moedige bark van Vader en Moeder; in dezelfde lijn slapen Mej. Boermans en Juffr. v. Thiel. Dit is één slaapvertrek, ruim en fris, afgesloten door een deur.
    Dan volgt een andere ruimte, waar de meisjes slapen op hun matrassen, keurig uitgespreid op de keldervloer, allemaal werk van onzen bekwamen en onvermoeibaren Meester.
    Aan 't einde staat een hout traliewerk; daarachter is nog een ruimte, het leeuwenhok genaamd, daar slapen de jongens.
    Links gaat een corridor naar de uitgang. Aan weerszijden is ook nog plaats voor slaapgelegenheid. Onze buren van de Doddendaal hebben er zich geinstalleerd. „Komt u maar eens mee kijken," zegt Moeder. Vlak voor de uitgang slaan we link. af. Een grote, holle ruimte, bijna vierkant. Het electrische licht brandt. Op de vloer een drietal matrassen, keurig gerangschikt en met wollen dekens bedekt. Feilloze symmetrie in dit slaapvertrek. Onberispelijk ligt de sprei getrokken tot hoog over de schouders en in sierlijke boog glijdt ie onder de matras. Zes gezichten zien naar ons op; elke leeftijd is hier vertegenwoordigd. De twee oudjes kijken lichtelijk geamuseerd, 'n tikje meewarig; de middelbare leeftijd neemt 't zakelijk, nuchter; het jonge paar ligt stralend en blozend onder de grote deken. Ze liggen allemaal op hun rug, keurig ingebakerd. 't Is af, zonder meer, 't is een plaatje. Nooit hebben we in Hees zo goed en rustig geslapen als deze nacht in onze kelder van 't Weeshuis.

VRIJDAG 6 OCTOBER.
    Eerste Vrijdag van de maand. De H. Mis wordt gelezen in de Regentenzaal. Een klein woordje tot de aandachtige gelovigen over de onuitsprekelijke liefde
blz. 53 van God voor zijn nietige, ondankbare schepselen. Er zijn veel heilige communies.
    Het zal een drukke dag worden. Na de H. Mis ga ik dadelijk op stap naar de familie Hartman. Men heeft mij daar gevraagd gisteren om eens naar de schuilkelder van de Robinson-fabriek te gaan.
    Antoon Hartman vergezelt mij. Het is heerlijk zonnig weer. Opgewekt wandelen we de Groenewoudseweg af. Zwaar bulderen de kanonnen en herinneren ons aan de ,oorlog.
    Bij de fabriek ligt een groen-begroeide pyramideheuvel; de schuilkelder. Een meisje staat te praten met een mijnheer.
    „Dag, pater Dodenbier, dag Antoon! Een ogenblikje."
    „Kent ze mij? Wie is dat meisje?" vraag ik. - „Dat is Anky van V. Ze was er ook, toen u bij haar thuis bent geweest." - „Oh, dat weet ik niet meer."
    We wandelen op en neer tussen fabriek en schuilkelder. Er heerst bedrijvigheid van soldaten.
    „Wat is de bedoeling?" vraag ik. „Moesten we niet naar de schuilkelder?" - „Ik weet het niet," zegt Antoon. „Anky wou u spreken." Ze komt al op me af, een jong, blond meisje, met kinderlijk gezicht en ietwat nufjesachtige manieren.
    „Pater, er is een hele verandering gekomen in mijn leven." Ze spreekt een beetje precieus. Zeker H.B.S. of Gymnasium stel ik vast. Na deze abrupte inleiding vertrouwt ze me haar zielsgeheimen met een kinderlijke eenvoud en oprechtheid. Wat een levensernst voor een meisje van negentien jaar! Wat een idealisme, vermengd met een zweem van naïveteit, die mij 40-jarige lichtelijk amuseert! Maar ik wacht mij wel, daar iets van te laten blijken en de poëzie van haar leven door mijn nuchterheid te prozaïseren.
    Ze had kennis gekregen aan een jongen Engelsen soldaat, sinds veertien dagen. Onmiddellijk hadden hun zielen contact gekregen. Hij is ook Katholiek, ontwikkeld en is bezield met dezelfde levensidealen. Ze vertelt me opgetogen van hun langzame geleidelijke eenwording, spreekt van de moeilijkheden, die zij te overwinnen hebben en zullen overwinnen, van het grote offer, dat mogelijk van hen gevraagd zal worden en waarop zij beiden edelmoedig zich voorbereiden.
    We wandelen op en neer voor de fabriek en koesteren ons in de weldadige zonnestralen, zoals mijn hart zich koestert in de milde warmte van dit reine meisjesgemoed.
    Ik stel haar enige vragen: ze antwoordt onbevangen, schuchter voor zich uitziend, met opeengeklemde lippen. Ik geef haar enige practische raadgevingen, wijs op enkele gevaren. Ze stemt toe met strakke ernst op haar kinderlijk gezicht.
    Daar duikt een soldaat op uit de kelder: een frisse; jonge man, die me aankijkt met een vreemde blik, waarin iets smekende en onzekers ligt, iets van angst en wantrouwen.
    „Dat is Fred," zegt ze, „mag hij u ook eens spreken?"
    Ik roep hem en we maken kennis. Nu lopen we samen op en neer in, een onderhoud van man tot man. Hij is zes en twintig, ontwikkeld en bereisd. Toch heeft hij iets kinderlijke in zijn helderblauwe kijkers, en iets weemoedigs tevens. Hij spreekt moeilijk, herhaalt zich vaak, struikelt over sommige woorden. Hij
blz. 54 is wat we noemen zwaar op de hand, geoefend in zelfanalyse. Hij maakt het zichzelf niet gemakkelijk, heeft ook deze zaak van alle kanten bekeken, hunkert nu naar de goedkeuring van hun verhouding door een priester. Deze jongeman heeft niets van de ruwheid en onverschilligheid van den soldaat; hij is niettemin reeds vijf jaar in de oorlog, heeft de strijd in Afrika meegemaakt. Hoe kan het!
    Met Anky en Fred samen loop ik op naar het huis van de familie Van V. Het heeft enige granaten gehad. Anky toont ons de verwoestingen. Voor ik ga, knielen beiden op de vloer, temidden van het puin en vragen de priesterlijke zegen. Benedictio Dei omnipotentie . . . De Almachtige God zegene jullie, sympathiek paar!
    Bij de familie Hartman eten we. Ria is jarig. Gezellige intimiteit, zoals altijd. Ik moet echter weer vroeg weg, want Albert en Fred, mijn Engelse vrienden, komen op bezoek vanmiddag.
    Sensationeel nieuws bij aankomst thuis plusminus 3 uur. Granaatscherven door de ruiten gekomen, boven aan de Oostelijke kant. De granaat is op de ruïne van het voormalige zusterklooster terecht gekomen, vlak voor ons huis. De plaats is duidelijk vast te stellen, en we kunnen de weg van de scherven nauwkeurig volgen. Een andere granaat is op de Hessenberg terecht gekomen en is niet ontploft. Het heeft gespannen! „Hoe laat is dat geweest?" vraag ik. „Eén uur", antwoorden ze, „we zouden juist gaan eten boven, toen we dat lugubere geluid hooren; we hebben toen onze borden meegenomen en zijn in de kelder gaan eten."

ZATERDAG 7 OCTOBER.
    Een rustige morgen, een echte Zaterdagmorgen; er wordt geboend en geschrobd en gewerkt aan alle kanten.
    Om één uur eten we; het gaat ordelijker dan in Hees. Het is ook veel gezelliger, huiselijker. We zijn nu allemaal weer blij thuis te zijn, al wordt het ook nog niet hardop gezegd. We kouten gezellig en opgewekt.
    Als het een ogenblik stil is, kijken we elkaar vragend aan. Wat is dat toch voor een zwaar gebrom? Dat moeten bommenwerpers zijn en geen klein beetje. Het houdt zo aan. Een raam wordt opengegooid. Och, kijk eens, de lucht ziet zwart. We staan allemaal op. Sommigen van ons rennen achter de plaats op. De kinderen staan reeds te kijken en te-wijzen: uitroepen van verbazing van alle kanten. Het is inderdaad een indrukwekkend schouwspel. Er is geen sprake van formaties; het is één grote, zwarte, wanordelijke massa vliegtuigen. Ze zijn niet te tellen; trouwens we zien noch het begin, noch het einde; steeds doemen nieuwe gevaarten op. En de eerste vliegtuigen zien we niet meer. We zijn te laat gaan kijken. In het Oosten wordt er op geschoten. We zien de zwarte rookwolkjes opstijgen en langzaam uiteenwaaien, hoog in een lucht. Er klinken zwakke ontploffingen heel ver weg. Geen vliegtuig wordt geraakt natuurlijk. Statig, majestatisch, ongenaakbaar zweven ze voort, langzaam, bijna treiterend en uitdagend.
    Plotseling een vreeselijk onheilspellend geluid. Beschrijven kan ik het niet, ik weet niet waar het op lijkt, maar zozeer heeft het instinct van zelfbehoud zich in
blz. 55     ons gescherpt deze dagen, dat we onmiddellijk gevaar duchten. We stuiven naar de poort en slaan tegen de grond. De Meester valt in glas en verwondt zich de hand.
    Een dreunende, bevrijdende slag. Het is dus een bom geweest: We krabbelen op, verlicht. Een donkere, zwarte wolk stijgt op voor onze ogen. „Maar dat is vlak bij," merkt iemand Op, „laten we eens gaan kijken boven bij het luik." We stormen de trap op, drie treden tegelijk. Toch bereiken we niet ons doel. Als we half weg zijn, barst het weer los buiten, bulderend en dreigend. Sneller dan we kwamen, rennen we nu de trappen af met grote sprongen. We eten verder af in de kelder Vreemd, ik heb me wijs gemaakt, dat die rookkolom verder af is dan op het eerste gezicht leek. We schrikken daarom op en verbleken, als plotseling het tragische bericht binnenkomt: bominslag op de Ganzenheuvel. Dat is nauwlijks vijftig meter van ons vandaan.
    De Meester grijpt naar zijn verbandkoffertje. Ik neem de H. Olie. Samen trekken we er weer op uit, zoals die Woensdagmiddag. We klauteren over de ruines achter het huis, draven door de Hessenberg. Op de Hezelstraat heerst grote bedrijvigheid. Een oude vrouw is juist een winkel binnengedragen, vertelt men ons. Ze is niet gewond, alleen vreeselijk overstuur. We gaan verder. Op de Ganzenheuvel geweldige ravage. We klauteren over de steenhopen en, komen op de plaats, waar de bom is ingeslagen. Een geweldige krater, juist waar de kelder zich bevindt. Er wordt hard gewerkt. Helaas! De waterleiding is geraakt en nu loopt de kelder vol met water. Brandweermannen bevinden zich ter plaatse. Veel Engelse soldaten bieden hulp. Een grote donkergrijze massa rood-bevlekt, ligt op de puinhoop; er is nauwelijks een mens uit te herkennen.
    „Ik heb het H. Oliesel maar toegediend," zegt een priester naast me. Er zijn verschillende priesters aanwezig.
    Ik ga heen; er is verder niets te doen op het ogenblik. Ik neem me voor tegen de avond nog eens terug te komen. Misschien zijn ze er dan in geslaagd enige slachtoffers op te graven. In een zijstraat ligt een grove zak. Een man licht ze op en een afschuwelijk verminkt lijk wordt zichtbaar. Lang blond haar toont aan dat het een jong meisje is.
    Ik wandel naar de Berg en Dalseweg en bel aan bij deken Van der Heijden. Ik kom om een nieuwe faculteit n.l. te bineren. De deken is welwillend, zoals altijd. Hij staat me toe om tweemaal de H. Mis te lezen op het Weeshuis, daar onze kelder slechts een kleine groep kan herbergen.
    Het is schemer als ik weer ga kijken op de Ganzenheuvel. Helaas! Er is niets bereikt. Het water is weggepompt, doch het ruimingswerk, vordert slechts uiterst langzaam. Het wordt nu gestaakt, om morgenochtend om acht uur hervat te worden. Arme slachtoffers: als ze nog leven! Men spreekt van vijftien of zestien mensen, die nog onder het puin moeten zitten.
    Thuis zitten ze aan de avondboterham. Vader en Moeder zijn naar bed gegaan, niet lekker. Er wordt gebeld aan de voordeur. Gestommel gedurende enige ogenblikken. In de gang wordt druk gelopen. Een deur wordt dichtgesmeten, de Meester komt de kelder binnenstuiven, druk gebarend, en struikelend over zijn eigen woorden brengt hij er met moeite uit: „Nu begrijp ik er helemaal niets meer van. Daar is Frans R. met een pakje van Vrij Nederland aan en een
blz. 56 geweer op schouder. Hij komt afscheid nemen van zijn zusje. Vuile schoft!" Er volgen meer verwensingen aan zijn adres. De verontwaardiging is algemeen. We beheersen ons even en beraadslagen.
    Even later stapt de Meester de deur uit met resolute pas. We wachten af, in grote spanning. Na vijf minuten gaat de deur van de spreekkamer open. De zware stem van Frans weerklinkt. Hij gaat vertrekken. „Oh, God . . . nou ontsnapt hij nog," sist Moeder. „Welnee, ik zal hem wel aan de praat houden." Het hoeft niet. De voordeur piept open en binnen komen: de Meester, een ongewapend politieagent en een soldaat van de Prinses Irene-brigade. De laatste, een klein, kordaat kereltje, heeft een geweer op schouder.
    Frans komt juist om de hoek. Hij vermoedt niets, kijkt onbevangen in het gelaat van zijn wapenbroeder en groet opgewekt. Nu treedt ik naar voren: „Dag Frans!"- „Dag Pater." - „Hoe maak je het kerel; ga binnen! Geef mij dat geweer maar." Argeloos overhandigt hij het gevaarlijke wapen.
    Koud en hard klinkt het dan opeens: „Vooruit, naar binnen!" De soldaat richt zijn geweer op Frans. Deze verbleekt, valt neer op een stoel in de kamer, zeer gedwee.
    De soldaat, die zich aan ons bekend maakt als Jood, heeft het opgemerkt. „Ben je bang voor de kogel, vriend," zegt hij met bijtende spot. - „Neen", zegt Frans, nog meer verblekend, „want dan sterf ik als Nederlander." Honend gelach volgt hierop en geroep van verrader. Frans protesteert heftig, zweert bij hoog en bij laag dat hij onschuldig is en verweert zich tegen de aantijgingen, die naar zijn hoofd worden geslingerd:
    Op verzoek van het joodje gaan we nu ordelijk en rustig te werk. Vader zet mij de zaak uiteen in het Frans en doet dit fluisterend. Waarom eigenlijk? (omdat de beklaagde Frans heet?) en ik teken op in het Engels. Zo wordt het rapport opgesteld en door Vader ondertekend. Het luidt als volgt:
    Frans te R. verliet het Weeshuis drie jaar geleden en kwam bij de broeders van Heel. Daar trad hij in correspondentie met een lid van de Gestapo en verried de Broeders van het klooster St. Joseph. Dientengevolge werd de rector gegrepen en zes maanden vastgehouden. Voor de waarheid van dit feit staat de Overste van de broeders te Heel in.
    De zitting wordt opgeheven. Frans moet mee naar het hoofdpolitiebureau - Groenestraat. „Pater," zegt hij opstaand, „nou wou ik nog even bij u biechten, onderweg, zo lopend maar." We kijken elkaar allemaal een tikje onthutst aan.
    „Goed, Frans," zeg ik, „laten we gaan, ik loop 'n stukje mee.
    „Komt u gauw terug, pater," dringt de Meester aan. Hij drukt me beschermend zijn helm op het hoofd, en de vreemde stoet zet zich in beweging: rector met penitent voorop - een pas of vijf achter ons de gewapende macht.
    Nu is Frans niet meer de misdadiger, doch de boeteling, de zondaar, aan wien wij allen gelijk zijn in boosheid, en ongetwijfeld erger in verantwoordelijkheid en schuld - een ziel, die een beroep doet op de barmhartigheid van God - een beroep dat nooit te vergeefs is, want God is oneindig goed en teder en wij zijn boos en hardvochtig. Frans spreekt nu niet meer luid en heftig, zoals juist - hij verontschuldigt zich immers niet - op dit ogenblik loopt hij zich te beschuldi-
blz. 57 gen, d.w.z. te vernederen en zijn stem is nu ingehouden en bedeesd. Ik heb mijn arm om zijn schouder geslagen en hoor hem aan, zonder de minste afkeer. Integendeel, deze ziel is mij lief, trekt mij aan.
    Ik voel iets van de voorkeur welke mijn goddelijke Meester, dien ik hier moet vervangen, getoond heeft voor de zondaars, ja voor het uitvaagsel onder de mensen. We praten nog lang, eenvoudig, van hart tot hart. Kijk, Frans, je penitentie is je reeds opgelegd door O. L. Heer; als je onschuldig bent - en ik moet je geloven - dan kom je vrij binnenkort. Maar nu krijg je enkele
[tekening: zes kinderen in een bed, gesigneerd Kees Knoops]
harde dagen; neem dit aan uit Gods hand als uitboeting voor je zonden. Hij smeekt me mee te gaan tot aan het politiebureau. Ik stem er in toe, als men mij verzekert, dat ik wel per motor of per auto teruggebracht wordt.
    Geen sprake van terugbrengen. Heel doodgewoon te voet moest ik terug die avond - al kreeg ik een mannetje mee, die me tot aan de deur van het Weeshuis begeleidde. En van opschieten wisten ze op dat gemoedelijke bureau allerminst, zodat het bijna tien uur was toen ik terugkwam, tot grote ongerustheid van de huisgenoten, die zich angstige voorstellingen maakten van straatgevechten, verwondingen en andere fantastische gebeurtenissen.

DINSDAG 10 OCTOBER.
    's Middags ontmoet ik bij Hartman, waar ze inkwartiering hebben, een jongen Engelsman, die in Londen gestudeerd heeft in de politieke en sociale wetenschappen.
blz. 58     We bomen over de Engelse literatuur, over Engelse en Nederlandse kunst, over zeden en gewoonten der beide volkeren en meer interessante onderwerpen. Het is een ware verfrissing in deze realistische, nuchtere tijd. We nemen ons voor, bij het afscheid, het onderhoud de volgende dag voort te zetten:

WOENSDAG 11 OCTOBER.
    Het mooie weer lokt ons naar buiten. Vader en Moeder willen naar Beek gaan, de grens over, zo mogelijk. Ik stap mee tot Hengstdal en vandaar uit naar de familie Hartman, om naar mijn sympathieken Engelsman te gaan. Het is een heerlijke wandeling over de buitenwegen, vooral als we eenmaal buiten de stad zijn, de ruïnes uit, en de oorlog even kunnen vergeten. Nooit lang achtereen, want buiten de stad vooral duiken overal de grote kanonslopen op, en bulderen onverwachts los, ieder ogenblik, soms zwaar en dof, dan weer kletterend fel.
    Mijn Engelse vriend heeft geen tijd vandaag, heeft onverwachts een opdracht gekregen. Haastig komt hij een ogenblik, hij heeft ook enige gedichten geschreven. „Zoudt u ze eens willen nazien, morgen?" Ik ben benieuwd.

DONDERDAG 12 OCTOBER.
    We maken 's middags weer een tippel over de buitenwegen: Groesbeekseweg, Bosweg, Hengstdal, Ubbergen. We zullen even aanwippen bij de familie R. Het is stil op straat, verdacht stil: We begrijpen niet, waarom - tot het ogenblik, waarop men ons vertelt, dat men om zes uur binnen moet zijn in Ubbergen. Het is kwart over zes.
    De schrik slaat ons om het hart. Laten we maar gauw de Holleweg op gaan, dan zijn we binnen vijf minuten in de gemeente Nijmegen, waar je tot tien uur op straat mag. Ongemoeid bereiken we de Berg en Dalseweg en puffen er zowaar van. Mijn gezelschap vermindert de pas. „Laten we er de pas goed inhouden," stel ik voor, „als de granaten soms weer komen tegen het donker." „Wel aanmoedigend," zegt Moeder, met een boze zijdelingse blik naar mijn kant.
    We stappen stevig door - militaire pas. Mijn voorgevoel had me niet bedrogen. Bij de Daalseweg gekomen, meende ik een inslag te horen. Ik vraag een Tommy:' „Are they shelling the town?" „Zijn ze aan het granaten vuren?" - „Yes".
    „Laten we hier langs het politiebureau gaan," stel ik voor. - „Waarom?" - „Er vallen enkele granaten," zeg ik zo onverschillig mogelijk: „O, jee," kreunt Moeder. -
    Het gaat goed. We gaan zoveel mogelijk links van de binnenstad, want daar klinken de inslagen, aan de Waalkant.
    Vlak bij de Wedren klinkt opeens zo'n snerpend gefluit. Ik val meteen op de grond. Naast me ligt Moeder, plat en onbeweeglijk. Geen kik geeft ze. Weer gaan we verder, links en rechts kijkend, of we eventueel een kelder in kunnen. Nergens iets te bekennen; de straat ligt donker en verlaten. Het lijkt of er geen levend wezen woont in al die huizen. Weer giert het boven onze hoofden. Snel duiken we en liggen achter een muurtje bij het Universiteitsgebouw. We spreken
blz. 59 onszelf moed in, we hebben uitstekende dekking. Maar tja, we kunnen hier toch niet blijven liggen. Daar trilt een lichtje in de verte; 't nadert. Een man op de fiets. We zullen hem eens aanspreken. Het is natuurlijk een mannetje met een band om de arm. Hij kijkt enigszins verwonderd naar die vreemde groep van drie mensen, die daar blijven zitten op straat. Hij antwoordt op onze vragen. „Neen, er is geen kelder," voor zover hij weet. „Ja, die granaten vallen in de binnenstad."
    We besluiten maar verder te gaan. Een bange kreet van Moeder: „Ik wil niet weg, ik blijf hier," jammert ze, en zit daar tegen het muurtje, de armen slap langs het lichaam. Ze steunt en zucht en voelt zich hulpeloos. Ferme mannenstemmen spreken haar moed in. Alla! Moeder, even flink zijn, we zijn zo thuis.
    De stoet zet zich in beweging, met vlugge zenuwachtige passen. Hoe vaak Moeder zei: „Ik zal blij zijn, als we thuis zijn," weet ik niet, maar dat het uit het diepst van haar hart opwelde, daar ben ik van overtuigd.
    We kwamen thuis en Moeder slaakte een diepe zucht van verlichting, echter niet dan na nijdig en heftig aan de bel getrokken te hebben, want die nare deur was natuurlijk op slot.
    Het leed was nu geleden, al had Moeder een half uurtje nodig om bij te komen. We konden er nu weer lachen en spotten.
    Bovendien werd de nacht, zeer buiten onze verwachting, rustig en granaatloos. En is de gezonde slaap niet het paradijs der vergetelheid, het ware Nirwana?

VRIJDAG 13 OCTOBER.
    Die morgen kregen we bezoek van een jongen Engelsen soldaat, die foto's kwam halen, welke ik voor hem had laten ontwikkelen. Een eenvoudige boerenjongen, farmer uit Noord-Engeland, aan de grens van Schotland. Hij sprak gemoedelijk en openhartig, liet foto's zien van zijn fiance uit Folkestone, vroeg me een pamflet uit het Duits voor hem te vertalen en stapte na een uurtje op. „Houdt u van thee, echte thee?" - „Nou en of!" - „Dan zal ik u vanmiddag een pakje brengen." - „Very kind of you." Heel aardig van u. Hij is die middag niet gekomen. We hebben hem in het geheel niet meer gezien. Ik hoop, dat hem niets overkomen is.
    's Middags bij Hartman ontmoet ik den Engelsen dichter; hij brengt me zijn bundeltje gedichten, netjes getypt. Te midden van het gesnater der gezusters Hartman lees ik ze door. Ze lijken-me zeer verdienstelijk. - „Mag ik ze eens meenemen? Ik wil ze thuis eens rustig doorzien en hardop lezen. Ik vind het werkelijk de moeite waard." - „Zeker! Neemt u ze gerust mee en dan zal ik met belangstelling uw gewaardeerd oordeel vernemen." Hij vertelt me hoe hij er toe gekomen is te gaan dichten, het zijn n.l. zijn eerste gedichten; deze oorlogsverzen. „In tijdschriften," zegt hij, „las ik moderne gedichten en toen voelde ik heel sterk, dat ik het beter zou kunnen."
    's Avonds zit ik Engelse gedichten voor te lezen aan Vader. We zijn 't er over eens, dat dit geen rijmelarij is, doch ware poëzie, de neerslag van een fijn besnaard gemoed. De meeste zijn geschreven op Sicilië. Het Zuidelijk Italiaanse
blz. 60 landschap heeft hem sterk geïnspireerd, en hem juweeltjes van impressionistische poëzie ingegeven. De taal is keurig verzorgd.
    Een dichter in 't strijdgewoel! Is het niet God geklaagd? Hij is dichter gebleven, geen soldaat geworden en hieraan danken wij enige uurtjes van puur kunstgenot aan 't oorlogsfront.

ZATERDAG 14 OCTOBER.
    Mej. Boermans is gisteravond ziek geworden. Vuurrode term, 39.5 koorts. Ongerustheid in de omgeving. Dr. Goemans komt en stelt ons gerust; 't is wondroos, zoals ze vaker heeft gehad tijdens haar ziekte; ze moet een weekje te bed blijven, in de kelder, want 't is besmettelijk.
    Moeder wordt weer verpleegster, vriendelijke, bedrijvige zuster in lange, witte jas, tien jaar jeugdiger. Juffrouw Boermans gaat verwend worden, vertroeteld op alle mogelijke manieren. Ieder uur van de dag wordt haar hoofdkussen opgeschud, worden haar tere ledematen onder de dekens gestopt door zachte vrouwenhanden. Zachtgekookte eitjes en allerlei fijne hapjes gaan naar de kelder, bed drie. Zou je niet heimelijk verlangen ook eens ziek te worden, zo'n weekje maar?
    Als ik die middag om kwart over twee met ferme pas de poort uitstap, ben ik nog geen 10 meter de Doddendaal af, als een jankend gefluit me neerbuigt en tegen de muur drukt. Een knal volgt onmiddellijk, hoog in de lucht. Ik ren terug' en storm het grint over. Boven 't Weeshuis zie ik een zwarte rookwolk kringelen. We vernemen later dat de moffen nu granaten afschieten die in de lucht ontploffen. O! Wat helpt het nu nog tegen de grond te gaan liggen? De scherven spatten van groote hoogte neer in een wijde kring. Gelukkig werd het na een uurtje weer rustig, en kon ik den dichter weer opzoeken.
    We bespraken zijn verzen en welwillend aanhoorde hij mijn kritiek. „Als ik ze uitgeef," zei hij lachend, „stuur ik u ook een exemplaar." - „U moet ze zeker uitgeven," zei ik lachend, „en beslist doorgaan met schrijven. U heeft uitgesproken talent." Hij tekende mijn adres zorgvuldig op.
    „Ik ga ook een gedicht schrijven op onze ontmoeting," vertrouwt hij me toe. „Ziet u, wat ik zo fijn vind in Rooms-Katholieken, is, dat ze niet proberen je te bekeren. Als u Anglicaans geestelijke was, had u mij reeds lang voorgeschreven hoe ik moest denken en handelen. In mijn gedicht zal ik het er over hebben, hoe wij tweeën, zozeer uiteenlopend wat levensbeschouwing betreft, toch onmiddellijk contact kregen en elkaar vonden in allerlei levensvragen.-
    „Mooi, ik ben zeer benieuwd naar uw gedicht."
    Ik sta op, moet nu gaan, want van vijf tot zes is het biechthoren in de spreekkamer van het Weeshuis. Dat is waarschijnlijk nog nooit gebeurd tijdens het bijna 400-jarig bestaan van het Weeshuis.

DINSDAG 17 OCTOBER.
    Het dagelijkse, regelmatige leven herneemt meer en meer zijn rechten. 's Morgens om zeven uur of een kwartiertje eerder, komt er leven in onze omgeving. Als ik naar boven ga om te wassen en te kleden, hoor ik de meisjes
blz. 61 bezig in keuken en kantoor; een enkele maal sloft de Meester door de gang. Er klinken al stappen over het grint buiten, het geronk begint in de l ucht.
    Om 7.15 handengeklap in het keldervertrek. De rector wekt de langslapers. Meestal kan hij het met de handen niet af, doch moet er met stentorstem bijvoegen: „Alla, tijd om op te staan."
    Om acht uur begint het morgengebed dat de Meester keurig geïmproviseerd „ex abundantia cordis" meestal met enige toepassing, uit het feest van de dag bidt.
    Dan wordt de H. Mis gelezen, zoals weleer in de catacomben. Trouw wonen ook de kelderbewoners iedere morgen de H. Mis bij. Er wordt veelvuldig gecommuniceerd.
    's Avonds bidden we de rozenkrans met litanie en volgt een kort avondgebed, nu door Vader geïmproviseerd, en we wensen elkaar een rustige nacht.
    De nachten worden rustiger, soms zwaar gedreun van artillerie, dat ons niet in het minst stoort. Slechts dichtbij fluitende granaten jagen ons nog angst aan en zijn in staat ons wakker te houden. We kunnen al spreken van dagelijkse sleur: de maaltijden zowaar op tijd meestal en het koffie- en theeuurtje verlopen als zaten we niet aan het front.
    's Morgens werk ik aan mijn dagboek, 's middags na het eten duik ik even achter een krant weg en ga wat wandelen.
    Om zes uur wordt het donker, gieren er vaak enige granaten en zijn we allemaal thuis. We hebben al lange avonden en er is gevaar, dat de verveling ons besluipt. We moeten ons niet laten terneerdrukken, doch tot elke prijs opgewekt blijven. Het is waar, we zijn ingesloten, mogen de gemeente niet verlaten, we kunnen practisch haast niet meer uit, er is nauwelijks enige ontspanning in deze tijd van verhoogde spanning, maar . . . we zijn vrij . . . hebben een tafel . . . als wellicht weinigen . . . en slapen iedere nacht op echte bedden . . . We moeten dit waarderen.
    Vandaag wordt de sleur van het dagelijkse leven op geheel onverwachte wijze gebroken. Dr. Weebers is dan eindelijk gekomen en gaat met Vader naar de kelder naar den patiënt Jan Willemsen. Ze zijn geen twee minuten weg, als de deur van het kantoor openvliegt en Vader binnenstormt en hijgt: „De dokter is bang dat Jan gaat en vraagt geestelijke hulp. Heeft u de H. Olie?" - „Ja."
    We rennen de kelder door en bij 't bed van den zieke gekomen, zien we hem juist bijkomen. De dokter had zijn keel vrij gemaakt, zodat hij lucht kon krijgen. Hij ligt er nu bij, bleekjes en uitgeput.
    „Ik dacht werkelijk dat hij ging," zegt de dokter herademend. „Hij werd helemaal blauw."
    Het gevaar is kennelijk geweken. De patiënt zal waarschijnlijk in het ziekenhuis opgenomen worden, verneem ik. Als de dokter weg is, komt Vader vertellen, dat de geneesheer het wenselijk acht, den patiënt te bedienen, daar er gevaar is dat dergelijke aanvallen van benauwdheid terugkomen en hij er in zou kunnen. blijven. En zo geschiedde iets, wat niemand maar had kunnen vermoeden of aan had durven denken. In onze kelder, de catacomben van de twintigste eeuw, werden de laatste H. Sacramenten toegediend aan een jongen van negentien jaar, die blij en edelmoedig het offer wilde brengen, van zijn jeugdig
blz. 62 leven, zo God het in Zijn onnaspeurlijke Raadsbesluiten van hem vroeg.
    Hij had kort tevoren gebiecht en diezelfde morgen gecommuniceerd. Het was een treffend ogenblik. Terwijl de priester de H. Zalvingen verrichtte op ogen, oren, neus en mond en handen en in naam der H. Kerk Gods Barmhartigheid afsmeekte over alles wat de zieke door de zintuigen had misdreven, knielden daar op die koude keldergrond Vader, Moeder, de twee Dames en Riekie en Antoon, zusje en broertje, meebiddend met den zieke, meeofferend op dit primitieve onderaardse altaar. Juffrouw Boermans bad mee op haar ziekbed. De Meester was die morgen naar Hatert, hetgeen ons allen erg speet.
    Helaas mochten we niet lang blijven in die vrome stemming! Nieuwe beslommeringen eisten ons op, meedogenloos; en de conversatie onder het eten was er helemaal door gekleurd. Om twee uur zouden elf N.S.B.-kinderen komen. Dat werd toch al lang verwacht? Welneen! Vader was juist 's morgens met meneer Stoopman overeengekomen, dat het Protestants Weeshuis bij ons zijn intrek zou nemen. En nu dit onverwachte nieuws.
    Ruim twee uur kwam de stoet, met zang. De jongste is één jaar, de oudste veertien jaar. Arme stumpers, slachtoffers van deze tijd van duisternissen.
    's Middags ontmoet ik weer den jongen dichter bij de familie Hartman. Hij laat me een nieuw gedicht zien, met een opdracht: „Aan mijn vriend, Pater Dodenbier". Het is getiteld: „Een pleidooi voor verdraaglijkheid." „A plea for tolerance."
    Ik lees het aandachtig: hij beschrijft Nijmegen, de zwaar gehavende stad, waarvan toch nog een brok schoonheid staat: de Waalbrug, statig en ongeschonden, de St. Stephanus met afgebrokkelde toren, toch nog heersend en beschermend in oude pracht, temidden van de ruïnes. Dit is een oude Katholieke stad; de dichter bespeurt de invloed van het Katholicisme tot in de uiterste hoeken van het huisgezin, het „home". Hij ontmoet een katholiek priester in zulk een huisgezin en voelt in zijn hart opstijgen afkeer voor wat die man belichaamt: het starre Roomse dogma, bekrompenheid van geest, dode tradities. Maar als het gesprek zich ontspint, verdwijnt die afkeer en maakt plaats voor warme sympathie! Geen spoor van bekrompenheid, onverdraagzaamheid, kwezelarij. Onze verschillen bleven en toch vonden we elkaar en hadden een onderhoud als van broeder tot broeder. Als wij tweeën, besluit de dichter, dit thans vermogen, wat kan de wereld dan morgen niet bereiken!
    Ik wens mijn vriend geluk met dit laatste, zijn mooiste gedicht, zo rijk aan inhoud, zo fijn genuanceerd van gedachten en zo goed geslaagd van vorm. Ik houd van dit vers dat vloeit en zingt. Het doet me sterk denken aan de slag bij Lepanto van Chesterton. Het heeft een rustig, mediterend rhythme, zeer in overeenkomst met zijn ernstige inhoud.
    Hij vraagt me, of hij het mag publiceren? . . . Natuurlijk, niet het minste bezwaar! Hij is zo vriendelijk om het voor me over te schrijven uit zijn schrift. Thuis lees ik het voor aan een uitgelezen, doch uiterst klein gehoor.
blz. 63 ZATERDAG 21 OCTOBER.
    Gistermorgen begonnen onverwachts de granaten te fluiten; iets voor zeven. Grote consternatie natuurlijk. Het was dagen lang rustig geweest. Het duurde gelukkig niet lang, een half uurtje.
    Deze morgen hetzelfde: weer dat akelige gefluit en duidelijk hoorbare inslagen. Ook vernamen we nu voor 't eerst het afschieten: korte, doffe dreunen, dan het aanzwellende, hoge gefluit, en de krakende slag. Het begon vroeger, doch was om zeven uur gedaan. Die hele morgen was het rumoerig en bedrijvig in de lucht. We hoorden vreemde geluiden, waarvan we de herkomst niet konden achterhalen: artillerie, zeiden sommigen, neen, afweergeschut, meenden aderen. Een derde mening was: granaten, die in de lucht ontploften. Ze hadden duidelijk de zwarte wolken in de lucht waargenomen. We konden het niet eens worden.
    Als ik die namiddag van Berg en Dal terugwandel, fluiten de granaten weer over mijn hoofd. Vervloekte moffen!, willen ons niet met rust laten. Een zware inslag rechts voor me uit. Hals over kop een kelder in, om te schuilen. O, jee! en de deken van Nijmegen heeft te kennen gegeven, dat de. schuilkelderkapellen opgeheven moeten worden, in aanmerking genomen, dat het nu geleidelijk aan rustiger wordt in onze stad! 
    Gelukkig heeft deze verklaring niets uit te staan met de kerkelijke onfeilbaarheid, in de verste verte niet.
    Bedrijvige Zaterdagavond thuis; de Regentenzaal wordt als kapel ingericht. We gaan weer met goedkeuring en aanmoediging van den deken. Octobermaand houden en Ons Heer bewaren. De meester-koster tovert een altaar, zo schoon, dat we er geen woorden voor vinden.

ZONDAG 22 OCTOBER - AANBIDDINGSDAG.
    Alle kerken van Nijmegen hielden aanbidding met als bijzondere intentie: de bevrijding van het bezette gebied en de voorkoming van verdere oorlogsrampen. De meest aangewezen tijd was van drie tot vijf uur. Een enkele kerk had ook 's morgens aanbidding.
    Wij, in onze kapel, waar nu O. L. Heer verbleef, hielden 's morgens anderhalf en 's middags anderhalf uur aanbidding.
    De H. Mis van 8.15 werd gezongen. Na het evangelie werden de gelovigen een kwartiertje toegesproken, een eenvoudige verklaring van de parabel van die Zondag: het rijk der hemelen is gelijk aan een koning; die rekening met zijn dienaren wilde hoeden. De heerlijke les over Gods onuitputtelijke Barmhartigheid, die ons al onze schulden kwijtscheldt, op voorwaarde echter, dat ieder van ons „zijn broeder van harte vergeeft."
    Na de H. Mis werd het Allerheiligste uitgesteld en tot elf uur losten onze jongens elkaar af in aanbidding. Gezamenlijk gingen we toen weer naar de kapel, om het Tantum Ergo te zingen en de zegen met het Allerheiligste te ontvangen. 's Namiddags om vijf uur opnieuw uitstelling, nu gevolgd door aan-
blz. 64 bidding van de meisjes. De volwassenen kwamen de gehele dag vrij, op een tijd naar eigen keuze. Het is een zeer goed geslaagde biddag geworden in ons Weeshuis en de Rector kon niet nalaten er zijn voldoening over uit te spreken na het Lof, alvorens zijn zegen te geven aan de aanwezigen, zoals te doen op het einde van de dag, nu gebruik geworden is.
    Zeer merkwaardige samenloop van omstandigheden, er vielen geen granaten die dag, er was weinig activiteit in de lucht, de kanonnen deden er het zwijgen toe. Alles werkte mee om het een dag van rust en ingetogenheid, een ware dag des Heren, een dag van gebed te maken.
    Op straat zag men op die namiddaguren groepjes mensen naar de kerk trekken, volwassenen zowel als kinderen, en de ernst was leesbaar op hun gezichten. Hebben we ook ooit in zulk een nood tot God moeten gaan en is het gebed ons ooit zo spontaan en onweerstaanbaar naar de lippen gestegen? In heel Holland is die dag de dringende kreet uit de harten opgestegen, die God nooit heeft kunnen weerstaan van aloude tijden af: „Parce Domine, parce populo tuo."

MAANDAG 23 OCTOBER.
    De grote gebeurtenis van deze dag is de brief, die ik ontving uit Zuid-Limburg.
    Een brief? Welneen! een los papiertje, een vodje met een grote inktvlek er op. Er stonden enige krabbels op met potlood. Het was niet eens ondertekend of gedateerd. Meneer Korting bracht het voor me mee. Een Oranjeman had het bij
[tekening: briefje, tekst:
blz. 65 pastoor Schots gedeponeerd en deze gaf het door aan Mr. Meylink, regent van ons Weeshuis en zo kwam het bij Mr. Korting.
    Het is altijd mijn gewoonte geweest de brieven kort na ontvangst te vernietigen. Dit vodje bewaar ik, als kostbare herinnering. Weinig brieven met inkt geschreven, gedateerd, ondertekend en in gesloten enveloppe volgens alle regels der wellevendheid verzonden, zijn zo veelzeggend, zo rijk aan inhoud als dit onooglijk krabbeltje. Het luidt als volgt: Aalbeek, Keer en Bemelen zonder schade, alles o. k. stud. enz. Trots liet ik het zien aan alle huisgenoten. Ik ben n.l. de eerste, die bericht ontving uit het bevrijde gebied.
    Die zelfde avond, toen ik terugkwam van een urenlange wandeling over de mooie buitenwegen van Nijmegen, vond ik bij thuiskomst weer bericht, nu een gewoon net briefje (dat ik natuurlijk niet bewaar) over het Rode Kruis verzonden. Het behelst hetzelfde nieuws, door een leerling uit Helmond doorgezonden. Het wordt zeer gewaardeerd, doch maakt natuurlijk niet dezelfde indruk als het heerlijke vodje.
    Donderdagmorgen gewerd me het bericht voor de derde keer (nu hoop ik toch, dat het afgelopen is) door bemiddeling van een Franciscaan, die van Helmond komt. Het is het schrift van den Overste zelf. Alle studenten in Zuid-Limburg maken het goed, staat er nog als interessante bijzonderheid bij vermeld. Heerlijk heb ik geslapen over deze blijde tijding en heel onze kelder genoot van een ongestoorde rust.
    Pijnlijk was het daarom de volgende dag te horen, dat er weer zoveel granaten waren neergekomen in de stad: vijf op het Canisius Ziekenhuis, een op de Hatertseweg, naast de fam. v. d. Broek en nog op verschillende andere plaatsen.
    We zijn nog steeds aan het front. Bijna iedere avond tegen zes uur worden grote witte rookwolken geblazen uit bussen of wagens, en vormen een dikke nevel boven de binnenstad, ons beschermend tegen vliegers, doch de keel onaangenaam prikkelend.

WOENSDAG 25 OCTOBER.
    Uitvaart van Anny Vernooy. Oom Theo komt het harmonium bespelen, onze meisjes zingen de Requiemmis onder leiding van Vader. Dr. Hoefnagels vertegenwoordigt het college van regenten, Louis Oorsprong de oud-wezen.
    De vindingrijke koster heeft weer danig gewerkt gisteren, tot laat in de avond. Ja, zelfs op de naaikamer heerste ongekende bedrijvigheid onder de meisjes. Nu staat daar het altaar, in stemmig rouw: een zwart antipendium met een groot wit Christus-monogram in het midden, een paars conopeum voor het tabernakel, en daarachter, tegen de witte muur een grote zwarte doek, waarop over de gehele lengte en breedte een wit kruis, eenvoudig, doch keurig.
    Deze samenwerking van zovele nijvere handen en kelen gaf aan deze plechtigheid een bijzondere wijding en maakte het tot een echte familie-aangelegenheid.

DONDERDAG 26 OCTOBER.
    Er werden vijf moffen uit de Maria Geboorte Kerk gehaald (die namiddag), uit de toren, naar men zegt. Op de Daalseweg zag ik gisteren zelf de Ameri-
blz. 66 kanen de ruïne nakijken, naar moffen zoekend. Men krijgt de stad blijkbaar niet gereinigd. „Net luizen," zeggen de mensen, „je kunt er maar niet afkomen."
    En van de granaten komen we ondertussen ook maar niet af.
    Maar de drukte in de stad neemt gestadig toe; vooral in de buitenwijken. Lange rijen werklieden kom je tegen 's morgens voor acht uur en 's avonds tegen vijf uur. In de namiddag als het zonnetje vriendelijk schijnt, krioelt het van spelende kinderen in de straten. Het gejoel van deze oorlogsjeugd overstemt zowaar 't gefluit van de enkele granaten, die nog vallen. Ook op onze speelplaats is het rumoerig. De spes patriae speelt zowaar oorlogje; op handwagens staat het zwaar geschut, een dikke balk schuin naar boven gericht; er hebben aanvallen en tegenaanvallen plaats, er klinken commando's, in het Engels wel te verstaan. Je ziet er patrouilles sluipen met een ernst waarvan wij groten kunnen leren. Deze laátsten staan dan ook met de neus tegen de ruiten. Zou de mensheid nu nooit afkeer krijgen van dit duivels gedoe?

ZONDAG 29 OCTOBER - CHRISTUS-KONING-FEEST.
    Zelden zal een kerkelijk feest zo luisterrijk gevierd zijn in het Katholieke Weeshuis. We kregen prachtig, innig gezongen Gregoriaans te horen van onze drie zangers, en een daverend triomfantelijk „Christus vincit, Christus regnat, Christus imperat" klonk na afloop uit aller kelen.
    Zwaar ronkten de vliegtuigen, bommenwerpers, te oordelen naar hun zwaar gebrom, boven ons -intussen. Het viel op, al zijn we zoetjes aan gewend geraakt aan vliegtuigen en kanongebulder.
    Het bleef rumoerig de hele morgen. Vreemde, onbekende geluiden suizen door de lucht, zoals we nog nooit gehoord hadden, daarnaast bekende geluiden: roffelend afweer en zware schoten daartussen. Het eten verliep vrij rustig, maar nauwelijks was het afgelopen of een hels lawaai joeg ons naar, de kelder: De dappersten gingen aan de deur staan kijken en konden grote witte strepen in de blauwe lucht waarnemen. Wim Graat, de oudste van de jongens, stond op de plaats; „naar binnen," bulderde hij opeens tegen de kleine jongens en zwaaide vervaarlijk met zijn lange armen; „het zijn duikbommenwerpers!" Het kleine grut stoof verschrikt naar binnen.
    Vader en ik aan de deur staande, zagen opeens heel duidelijk boven het dak van de oude toneelzaal witte wolken heel -snel voorbij drijven. Een brand vlak in de buurt, meenden we. Dat is iets wat we boven op zolder kunnen zien. We renden dus de trappen op. Niets, absoluut niets te zien. De binnenstad lag vredig en verlaten, de lucht was onbewogen, er hingen enige witte strepen. Het zijn dus voorbijtrekkende lage wolken geweest.
    Ik ga naar de kelder om wat te rusten; slecht geslapen de vorige nacht. Helaas, geen kans een oog dicht te doen. Een trommelvuur slaat los en in een ogenblik trappelen tientallen voeten de stenen treden van de keldertrap af. Het duurt maar even, dan is het weer rustig. Weer tracht ik de slaap te pakken te krijgen, het mocht niet zijn, die middag.
    Er wordt gebeld aan de voordeur. Beweging in de gang. Ik hoor mijn naam
blz. 67 roepen. Iemand komt de trap af met gejaagde schreden. De deur vliegt open: „O, Pater," hijgt Juffr. Boermans, „het Javaplein, het is verschrikkelijk,, een bom, Jos en Hans zijn dood; Mevrouw is gewond, Mieke en Bennie zijn hier."
    Ik ga naar boven. Op het kantoor zitten de kinderen met bloed en onder het stof. Zo zijn ze thuis weggelopen. Moeder gaat ze aan het wassen en verzorgen.
    Vader en ik stappen op naar het Javaplein, 't is twintig minuten gaans. Onze ogen aanschouwen een onbeschrijfelijk toneel van verwoesting en narigheid. Een groot gat in het dak en in de gevel van de bovenverdieping. Het balkon totaal weggeslagen, de ruiten aan gruzelementen, deuren weggerukt.
    We gaan naar binnen, en zien een grote bloedplas in de voorkamer, waar de familie v. Lier gezeten heeft. Muren en plafond zijn bespat met bloed en vlees, meubels liggen in grote wanorde dooreen en alles is met puin bedekt. Temidden van die ravage trachten we enige dingen van waarde te redden, die groot gevaar lopen te verdwijnen: geld, paperassen, sigaretten, tabak.
    Als we naar huis lopen zien we een man staan; bleek, verschrikt, overdekt met stof. Ik ken hem nauwelijks terug! ik zie hem, zoals de profeet Isaias den lijdenden Messias zag „humiliatum et percussum a Deo", vermorzeld en geslagen door God. Vader gaat op zijn broer af; de twee mannen spreken samen en ik houd me op enige passen afstand. Er zijn geen woorden te vinden om zulk een vers geslagen wonde te helen. Hij snikt, de bedroefde vader, en wanhopig handenwringend, perst hij er woorden uit als: „Och, dat O. L .Heer me dit nou vraagt, och. och, die schatten van kinderen te moeten missen. Hoe kan het toch!" Ik moet denken aan het woord van een Frans schrijver: „als een vrouw huilt, is het met haar ogen; als een man huilt is het met zijn hart."
    Als ik hem 's avonds terugzie na het lof, staat hij in een nieuw pak, en is hij een nieuw mens, een man, die zich heeft opgericht na de slag, een christen, sterk in 't geloof, in wien de genade een prachtige overwinning behaald heeft. Later in de avond stopt een ziekenauto voor de poort van het Weeshuis; een brancard wordt binnengedragen.
    Intussen heeft een ander droevig nieuws zich verspreid in 't huis: Wim Graat is gewond. Met Vader en Stef was hij gaan helpen op het Javaplein. Een stuk steen raakte los en trof hem. Hij werd bewusteloos naar het ziekenhuis vervoerd. Nu dachten we, bij het zien van de brancard, dat Wim binnengedragen werd. Neen, het was Mevr. v. Lier. Het viel erg mee met de verwondingen, hoorden we van de verpleegster. Ze werd naar de kelder gedragen en daar met tedere zorg verpleegd door haar familieleden.
    Er heerst stilte in ons grote huis; de stemmen fluisteren, de passen klinken gedempt. Er is eerbied om het schrijnend leed en vrees om 't ongeluk dat ons bedreigt. Wim Graat moet er erg aan toe zijn.
    „Pater," hoor ik opeens in de bijkeuken, „zou Klaartje u even kunnen spreken?" - „Goed; in de spreekkamer." Klaartje zit tegenover me, roodbehuild. „Pater, ik heb altijd zoveel van Wim gehouden, vindt u het gek, als ik ga vragen om naar Wim toe te gaan?"
    „Neen, gek vind ik dat niet, Klaartje, maar je weet toch zeker, dat hij buiten-kennis is?" - „Ja, dat weet ik, Pater." - ,Je zou hem dus willen zien? Goed, ik zal het Moeder wel voor je vragen."
blz. 68     Klaartje mocht gaan en Vader liep zelf met haar mee. Het was half tien toen beiden thuiskwamen en het treurige nieuws brachten, dat Wim om acht uur overleden was. Het bracht grote opschudding teweeg onder de jongens en maakte veel ogen rood bij de meisjes.
    Wat een zwarte dag, wat een rouw in zo'n korte tijd! Ook ons Weeshuis, ons groot gezin heeft zijn aandeel nu in het grote zoenoffer voor de zonden der wereld, heeft meebetaald aan de dure prijs van een betere, christelijker maatschappij.

MAANDAG 30 OCTOBER.
    Gezongen Requiemmis voor de slachtoffers, Wim Graat, Jos en Hans v. Lier. Meneer v. Lier bespeelt het harmonium, want de organist kan onmogelijk komen. We kennen hem wel zo goed, dat we dit durven vragen. „Ik heb zo vaak gespeeld voor anderen, ik zal het ook voor mijn eigen kinderen doen," zegt hij eenvoudig.
    Na de mis tingelt het belletje door de gang, het Ons Heer wordt naar de kelder gedragen. Ik breng den God van alle troost, „Die ons troost in iedere nood" naar de diep-bedroefde moeder van Jos en Hans.
    „Moeder," zeg ik na het ontbijt, „ik heb afgesproken om in Beek bij mijn kennissen te gaan eten, zoals u weet. Kan dat nou wel doorgaan? Ben ik hier niet nodig vandaag?"
    „Nou," zegt Moeder goedig, „als we u nodig hebben, kunnen wij u altijd wel roepen. Gaat u maar gerust; het zal u goed doen er eens uit te zijn."
    Daar ging ik opgewekt heen: een dagje vrij af.
    Ik wandelde heen en terug door de bossen naar Beek, bracht echt gezellige uren door met Mientje en Thee en gevoelde me helemaal buiten, op vacantie. Verkwikt keerde ik 's avonds huiswaarts.

DINSDAG 31 OCTOBER
    Plechtige Uitvaart van Wim Graat om acht uur. De organist was present, onze twee seminaristen versterkten het kleine mannenkoor, de meisjes zongen voortreffelijk. Vier jongens dienden de plechtige Mis. Het was in één woord eerste klas, in de gunstige zin van het woord dan.
    Na de H. Mis gezamenlijk ontbijt op de naaikamer. Het is een intiem samenzijn in grote familiekring, de band wordt sterker aangehaald door 't gemeenschappelijk leed, dat ons getroffen heeft, het offer, dat wij allen samen aan God gebracht hebben. Er ligt iets groots in dat offer, waar de aureool van naastenliefde om heen straalt, immers „niemand heeft grotere liefde, dan wie zijn leven geeft voor zijn vrienden." Het Weeshuis richt zich op uit zijn alledaagsheid, kan bogen op heldhaftigheid.
    Om elf uur zijn we bijeen in het ziekenhuis voor de absoute, Wim ligt opgebaard in het midden van de zaal, als dodenkamer ingericht. Jongens en meisjes kijken neer op deze lange, witte gedaante, niemand griezelt er van. Waarom ook? Zijn gelaat is zo rustig en vredig zijn de trekken. Een ongekende ernst ligt er over, nog verhoogd door het opgezwollen rechteroog, de plaats der
blz. 69 wonde. Lang en vurig wordt er gebeden voor zijn zielerust, terwijl haast geen oog droog blijft.
    We kijken in alle stilte wat rond. Rechts liggen nog enige doden op een breed wit bed, slachtoffers van het bombardement van verleden Zondag: een achtjarig meisje temidden van vijf hele kleine babies. Een zeldzaam beeld van lieftalligheid en onschuld. Kijk, dat deze tijd van wreedheid en ellende ons zulk een tere schoonheid biedt. Zie dat achtjarig kind, met haar ene oog wijd open, glimlachend in haar onschuld. En die kleine tere wichtjes, in een keurig rijtje naast haar. Ze zijn niet dood. Ze slapen en genieten een rust zo vredig, zo vrij van zorgen en narigheid, als slechts eigen is aan die prille leeftijd. Zie maar de ontspanning in de trekken van hun kleine kopjes, en die kleine knuistjes, hoe levensecht! Een der kleintjes houdt het kopje scheef en daaruit spreekt een innigheid, die iedere moeder wel moet ontroeren, tot in het diepst van haar ziel. Een ander houdt het mondje open als ging het zo dadelijk zuigen.
    We zingen gezamenlijk de absoute, dat machtige smeekgebed, vol van huiver voor het strenge oordeel van den Almachtigen, Oneindig-rechtvaardigen God, en tevens zo onuitsprekelijk innig van toon, waarin het vertrouwen op de Oneindig Barmhartigen God overheerst. „Deus cui proprium est miseri semper et parcere." O, God, wien het eigen is altijd te vergeven en te ontfermen," bidt de Heilige Kerk. De priester besprenkelt het stoffelijk overschot met wijwater en bewierookt het daarna, een blijk van eerbied aan de lichamen der kinderen Gods, geheiligd door het contact met de zielen, welke door Christus' Bloed zijn gewassen en gezuiverd, en welke eenmaal verheerlijkt voor God's aanschijn zullen stralen in onvergelijkelijke luister.

VRIJDAG 3 NOVEMBER.
    Om negen uur wandelen we naar Brakkestein, waar om tien uur de uitvaart van Jos en Hans v. Lier plaats heeft.
    Een knapenkoor in rode toogjes met witte superplies zingt de Requiemmis, afwisselend met een klein mannenkoor van geestelijken op het zangkoor. De knapen staan op 't priesterkoor. Ze zingen eenvoudig hemels. Wat een innigheid in die heldere stemmetjes! Wat een smeking in die Kyrie! Maar het hoogtepunt werd bereikt in het sublieme: „In paradisum deducant te angeli", dat alle droefheid en rouw wegzong uit de kerk; engeltjes zelf schenen zwevend te zingen met een nauwelijks ingehouden dartelheid, boven de twee kinderkistjes, die eerbiedig uitgedragen werden.
    Er was veel belangstelling, of juister, er was hartelijk medeleven van familieleden en vrienden. Het Engelse leger was vertegenwoordigd door Frank, een huisvriend van de fam. v. Lier, en Georg, een katholiek soldaat, ons reeds bekend. Beiden moesten uit Groesbeek komen voor die gelegenheid.

ZATERDAG 4 NOVEMBER
    's Middags tegen half vijf kom ik van de Hatertseweg af. Een Engels soldaat bij het hek houdt me aan: „Father, zou ik in uw kerk kunnen biechten?" -
blz. 70     „Mijn kerk? Zover heb ik het nog niet gebracht, beste man. Ik heb wel een bescheiden kapelletje in de stad. Kunt u daar heen komen?" vraag ik, met een blik op de Engelse auto's, die op enige meters afstand geparkeerd staan. - „Neen", zegt hij spijtig, „dat kan onmogelijk." - „Goed, kunt u nu met me mee? Dan gaan we even naar het huis van mijn kennissen," stel ik voor, naar nr. zeventien wijzend. Hij aarzelt, staat met een grote boterham in de hand. „Het is theetijd, ik moet me toch eerst omkleden, enz.". - „Welneen, dat hoeft niet, eet rustig je boterham even op en kom dan naar dat huis. Ik ga er vast heen en wacht je af."
    Vijf minuten later gaan we samen naar boven op een kamer, die de familie welwillend voor ons afstaat. - „ Father, verontschuldigt u mij, als ik soms iets vergeet. Het is al een hele tijd geleden, dat ik gebiecht heb. Vaak heb ik reeds geprobeerd om contact te krijgen met een priester, er zijn er zo weinig, die goed Engels spreken." - „Het is goed, beste vriend, kniel maar even neer." Hij spreekt zijn biecht, na zeven maanden. Is dit een soldatenbiecht, vraag ik mezelf met verwondering af? Deze jongeman van drie en dertig jaar geeft zich niet over aan de uitspattingen zo veelvuldig voorkomend bij soldaten. Nooit laat hij na naar de Kerk te gaan 's Zondags als er gelegenheid is. Hij houdt zijn geweten rein in het ruwe soldatenleven.
    We praten nog wat na. Hij antwoordt in alle eenvoud op mijn vragen. Neen, hij wordt niet lastig gevallen door zijn kameraden, ze laten hem zijn gang gaan. Zijn avonden brengt hij door bij een Katholieke familie in de buurt. Hij is nog maar eens in de stad geweest in deze vier weken. Ik haast me nu naar huis.
    Heeft Tom, zo heet hij, mij onbewust het leven, gered? Als ik de Parkweg afkom, zie ik een verse granaatinslag vlak bij de hoek van de Doddendaal. Wanneer is dat gebeurd, een kwartier, twintig minuten geleden??? Eén ding is zeker, was ik hier gepasseerd op het moment, dat die granaat viel, dan behoorde ik, dood of gewond, tot het getal der oorlogsslachtoffers. We zijn in God's hand.

MAANDAG 6 NOVEMBER
    Die middag neem ik een koen besluit - n.l. om boven te gaan slapen. Ik geef mijn orders, aan de meisjes.
    Alvorens uit te gaan, breng ik even een bezoek aan het H. Sacrament. Duidelijk hoor ik in de stille kapel de granaten fluiten door de lucht. Mijn God - moeten deze arme mensen dan iedere dag opnieuw deze doodsangst doorstaan? Kan er geen dag verlopen zonder dat er slachtoffers vallen? „Parce Domine, parce populo tuo".
    In de gang komt moeder me gejaagd tegemoet. „Pater, wacht u nou nog wat alvorens naar boven te gaan slapen. U hoort ze nu weer fluiten." Ze buit de omstandigheden uit. Ik word hevig vertoornd om dit gebrek aan logica. „Iedere dag vallen er nog granaten," schreeuw ik, -„wil dat nou zeggen dat er 's nachts vallen? Hoeveel nachten zijn nu al rustig geweest?" Nog enige bitse woorden ever en weer - de zaak blijft zoals ze is - het bed gaat naar boven.
    Als ik 's avonds ruim 7 uur huiswaarts ga, fluiten de granaten weer snerpend
blz. 71 [tekening: kerstviering met mensen rond een tafel met kerstgrot, gesigneerd Kees Knoops]
door de lucht, die vol flonkerende sterren staat. 't Is niet aanmoedigend voor deze nacht. Zou Moeder niet vreselijk ongerust zijn, als ik boven ga slapen? Ik verwijt me nu totaal geen rekening te hebben gehouden met deze moederlijke bezorgdheid. Als het bed nog niet verplaatst is aanstonds, zal ik het maar zo laten, en in de kelder blijven. Aldus neem ik mij voor. Is dit nu oprecht meevoelen met de angst van anderen, of is het slechts een voorwendsel, aangewend door mijn eigen angst, die schijnt op te duiken nu het moment van doorzetten nadert? O! wie zal de geheime roerselen van het menselijk gemoed naspeuren - wie vooral de kronkelingen van zijn eigen geest kunnen volgen?
    Met de familie van 't Javaplein zit ik 's avonds nog wat na te praten. Ik mag niet ontkennen, dat ik met een zekere spanning het uur van bedtijd zie naderen. Ik heb zoveel gehoord over de gevaren, over het roekeloze van mijn onderneming, dat mijn verbeelding niet rustig blijft. „'t Is rustig," zeg ik. - „Ja, tot nu toe wel." - „O, 't is al een hele tijd rustig 's nachts, misschien wel tien of veertien dagen," merk ik met grote overtuiging op. „Die is zich aan het moed inspreken," merkt Mevr. van Lier zeer fijntjes op.
    Een uur lang moet ik me die avond boven in bed moed inspreken. De angstbeelden spoken door mijn brein. Ieder ogenblik kon immers het fluiten beginnen. En ik lig juist aan de gevaarlijke kant. De eerste kan me reeds treffen. Bovendien zal ik het fluiten misschien niet horen. Zou het koude zweet je niet uitbreken? Ik beredeneer me zelf met mannelijke logica: heel nuchter stel ik vast hoe gering de kans is van een inslag op zulk een oppervlakte als onze stad beslaat. Daarna geef ik me vol vertrouwen over aan Gods Vaderlijke Voorzienigheid. Ik word volkomen rustig en zou heerlijk geslapen hebben, ware het niet, dat een najaars-storm kwam opzetten, die nijdig gierde tegen de ruiten en alles deed rammelen en klapperen en me telkens uit een zoete sluimer rukte.
blz. 72 WOENSDAG 8 NOVEMBER.
    Als ik 's 'avonds laat boven lig, dreunt de zware artillerie in de verte. Opeens een schot, een venijnig gefluit, een inslag. Goede hemel, een granaat! Nu hebben we er de hele dag niet gehad, en daar beginnen deemoffen 's nachts.
    Ik moet tijdelijk terugtrekken - niets aan te doen. Beneden in de kelder sta ik in mijn overjas te wachten tot het rustig wordt. Vader gaat naar de voordeur om de hond uit te laten. Plotseling giert 't weer door de lucht en beiden rennen terug.
    Besluiteloos wachten we af. Moeder, heimelijk triomferend, neemt nu het initiatief. - „U blijft in de kelder slapen, Pater: u kunt niet naar boven, geen sprake van." - „Goed, geeft u maar een deken, dan ga ik wel op de grond liggen." „Zo behoort geen mens zijn eigen fouten - eigenwijsheid," zegt moeder met veel nadruk -, „uit te boeten." Vader hecht zijn goedkeuring aan die oude beproefde wijze van boete doen: op de harde grond slapen. Moeder wil er niet van horen. Er volgen andere voorstellen: in de stoel slapen, of op de kussens van de stoel. Ze worden verworpen, nog te veel penitentie. Tijdens deze onderhandelingen sta ik berustend af te wachten. Moeder stapt rond, met fier opgeheven hoofd, en stevige militaire pas. Ze is immers overwinnaar in de strijd. Ze dicteert de vredesvoorwaarden: onvoorwaardelijke overgave: voortaan regel ik deze kwestie van ~ slapen - uit. Wat moet je daar als overwonnene op zeggen? Je hebt slechts het hoofd te buigen en te aanvaarden.
    Maar een vrouwelijke generaal overwint niet, wil niet overwinnen met bruut geweld, plaatst niet haar voet op de nek van den overwonnene, met heidense trots en gevoelloosheid. Ze bindt je met de zachte handen der goedheid en vriendelijkheid, waaruit geen loskomen mogelijk is. Ik krijg een echt bed en een echt hoofdkussen. Ik zal een ongestoorde, veilige nachtrust genieten op een warm en zacht bed, als ik slechts mijn eigen wil afsta, en volgzaam wil zijn als een lam.
    Ieder bed in onze kelder staat me welwillend een deken af - een zeer originele collecte. De matras komt uit een andere afdeling en wordt aangedragen door een peloton witte gedaanten - door Moeder gecommandeerd. Ze glundert, en als ze mej. Boermans passeert, kan ze niet nalaten haar toe te voegen: „Hij moet iets interessants hebben voor zijn dagboek."
    Voor zover we zelf hoorden en van anderen vernamen, viel er die nacht geen enkele granaat meer. Helaas! Ik had me overgegeven!

ZATERDAG 11 NOVEMBER.
    Er vielen die morgen reeds granaten en de gehele dag bleven de inslagen kraken. Steeds opnieuw vallen er slachtoffers, want het leven gaat zijn gang. De mensen moeten de straat op voor hun boodschappen, hun werk. Ik bewonder de moed van leidekkers, die onverstoord op het dak blijven zitten, van schilders, die te werken staan en op hun post blijven met ware doodsverachting.
    Maar wat een dappere vrouwen zijn er toch: verpleegsters niet alleen, die overal doorheen fietsen, maar ook jonge meisjes, vrouwen, die boodschappen
blz. 73 doen ondanks alles, ja, bejaarde dames, oude vrouwtjes, die alleen reeds door haar aanwezigheid kalmerend moeten werken op de angstigen. Gisteravond zijn grote troepenverplaatsingen uitgevoerd. Al onze kennissen onder de Engelsen zijn vertrokken. Nu hadden de Duitsers hier blijkbaar lucht van gekregen, echter bijna vier en twintig uur te laat, en prompt gingen zij de stad aan het beschieten met ongekende hevigheid. De burgerbevolking betaalde dus weer het militair-strategische succes der Engelsen. Er zouden honderd veertig granaten op de stad gekomen zijn.
    We krijgen nu een bezetting van Canadezen in Nijmegen. Ze staan bekend als de beste soldaten. We kunnen dus gerust zijn. Er heerst n.l. weer spanning en angst onder de bevolking, sinds enige dagen. Beek en Berg en Dal zijn geëvacueerd. Het blijkt nu dat spionnage niet het enige motief is van deze maatregel. Volgens sommigen zelfs niet het hoofdmotief. Er is oorlogsgevaar aan die rand van de stad en daarom moesten de bewoners weg. Veiligheidsmaatregelen dus. Berg en Dal is ontruimd tot aan Koningsgaard, Beek tot aan de voet van het Franse pensionaat. Arme bewoners van de idyllische grensplaatsen! Ze zijn reeds zo zwaar getroffen in die gruwelijke Septemberdagen, en nu moeten ze haven en goed in de steek laten en de vreemde in. Met grote wagens van het Engelse leger worden ze naar België vervoerd; ieder mag meenemen wat ie dragen kan, een paar koffers. Een zeker aantal wordt opgenomen door familieleden in de stad. 't Lag niet in de bedoeling van de autoriteiten naar het schijnt; het werd oogluikend toegestaan.
    Enige dagen geleden kwam ik wandelend door de mooie bossen van Kwakkenberg, per abuis in Berg en Dal terecht. Per abuis, want niemand mag er komen. We mogen de gemeente niet verlaten, in geen enkele richting. Ik liep dus aanvankelijk niet erg gerust, had een bang voorgevoel weer als spion te worden opgepikt. Ik viel zo op in dat uitgestorven dorp. Geen menselijk wezen te bekennen, behalve dan enkele Amerikanen die passeerden, te voet, per motorfiets, of in vrachtwagens. Ze namen nog geen notitie van me. Mijn angst verdween dus heel spoedig en ik kon me ongestoord overgeven aan mijn overpeinzingen. Ik ken dit lustige dorp, deze drukke weg, door en door. Het contrast is pijnlijk scherp. Meerendeels eenvoudige huizen en boerderijtjes en winkels aan weerszijden van de weg. Veel beschadiging reeds van de voorbije weken. Er is wat gespijkerd; met karton, met planken, met riet zijn gaten dichtgemaakt. Het doet allemaal zo armzalig aan. En nu, na de overhaaste vlucht, staan er plakkaten op de huizen, een waarschuwing in het Engels, om niet te plunderen, met bedreiging van zware straffen. Twee Amerikanen komen aangeslenterd; nieuwsgierig lopen ze op een plakkaat toe, lezen even en barsten in schateren los. De Amerikanen hebben een slechte naam in de stad. Ze moeten op verschillende plaatsen geplunderd hebben, brandkasten vakkundig geforceerd, enz. In de hele stad hebben toen plakkaten gehangen, van een kernachtige, lugubere beknoptheid: looting forbidden, penalty death, plunderen verboden op straffe des doods, nadat eerst geprobeerd is de geweldenaars te weerhouden door een beroep op medelijden met de zwaar getroffen bevolking van Nijmegen.
    These people have suffered enough, respect their property, don't loot. Plun-
blz. 74 dert niet, deze mensen hebben genoeg doorstaan; respecteert hun eigendom.
    Het heeft klaarblijkelijk niet gebaat. Zullen nu deze plakkaten op de deuren van de woningen van Berg en Dal iets vermogen tegen de wrede plunderzucht van de gangsters van de Nieuwe Wereld? Ik wandel verder door deze steppe van verlatenheid. Neen, dit is geen weldoende stilte, geen vredige rust. Dit is een oorlogsbeeld, zwaar van tragiek en dreigend leed. Dood en verderf loeren uit de eertijds zo lieflijke plekjes van Gods schone, ongerepte natuur, en de door menselijke handen sierlijk-aangelegde tuintjes en smaakvol gebouwde huisjes of villatjes. Men noeme dit oord niet meer Berg en Dal en Mooi-Nederland. De vloek van de moderne oorlog is er over uitgesproken en heeft alle leven in dood, alle vreugde in droefheid, alle kleur in somberheid veranderd. Dit is een niemandsland, erger een tranendal. Het is somber weer, het regent. Zou hier de zon nog ooit schijnen en leven brengen?
    Ik ben naar de St. Anna-Stichting geweest in de namiddag, om mijn reis naar Zuid-Limburg te regelen. Het is eenvoudiger dan ik dacht. Ik behoeft alleen maar een bewijsje te hebben om over de Graafse brug te komen. Het bewijs kreeg ik onmiddellijk op vertoon van mijn persoonsbewijs. Men raadt onmiddellijk het motief: „terug naar huis."
    „Juist, ik moet terug naar Aalbeek." - „Eénmaal?" - „Ja, eenmaal".
    Ik praat niet over mijn plan om zo spoedig mogelijk terug naar Nijmegen te komen. Dat kan ik ze immers niet uitleggen.
    „Wanneer gaat u vertrekken?" Pijnlijke vraag. „Moet ik de datum opgeven?" „Ja, natuurlijk." - „Ja, ziet u, dat kan ik zo maar niet ineens zeggen. Ik heb nog enige zaken te regelen, daarna pas kan ik gaan. Ik zal trachten Maandag te vertrekken, anders Dinsdag." - „Goed, Eerwaarde, dan zet ik: geldig tot 14 November."
    Ik ga heen met lichte tred, het gewichtige papier in mijn binnenzak. Nu kan ik een fietstocht naar Aalbeek ondernemen, over Uden, Budel, Hasselt? En dan na een weekje terug. Terug? „Neen, u kunt niet terug de brug over," verzekerden ze me thuis. „U laat ons toch niet in de steek, pater rector?" Mijn papier verliest op slag al zijn gewichtigheid. Ik kan er immers alleen maar Nijmegen mee verlaten. En de bedoeling is terug te komen. De reis wordt uitgesteld.

DINSDAG 14 NOVEMBER.
    Tegen half twaalf een vreemd geluid. Het geleek iets op het gebrom van een vliegtuig, en toch was het anders. Het trok dan ook ons aller aandacht. We keken elkaar onthutst aan. Vele ogen spraken van vrees. In deze vreselijke tijd is ieder onbekend geluid angstaanjagend. Je weet niet wat er nu gebeuren gaat. Het duurde slechts een ogenblik en we waren spoedig over deze sensatie heen." In de loop van de namiddag hoorden we van alle kanten, dat het een vliegende bom was geweest, de V1. Sommigen wisten te vertellen, dat ie in de Betuwe was neergekomen.
    Als ik in de namiddag terugwandel van Ubbergen over de Ubbergseweg kan ik het prachtige schouwspel gadeslaan van de schijnwerpers, die hun blauw-
blz. 75 achtig, fel licht uitgieten over de rivier. Iedere twee minuten minstens, flitst een grote fakkel aan, hoog in de lucht, die walmend een geel licht verspreidt, en door zijn geflikker grillig-dansende schaduwen werpt op huizen en bomen in de omgeving. Het kostbare militaire bezit, onze brug, wordt scherp bewaakt.

WOENSDAG 15 NOVEMBER.
    Weer een nieuw geluid, dat ons hele huis in opschudding bracht. Het was juist tegen etenstijd en de maaltijd werd er later door. In de kapel, waar ik op dat ogenblik vertoefde, hoorde ik plotseling een dreunende slag boven me. Het verstoorde me even mijn aandacht, doch ik zou aan niets, betrekking hebbende op de oorlog, gedacht hebben, als ik niet het hollen der meisjes gemerkt had.
    Boven onze kapel is n.l. het verblijf van de jongens en het gestommel en gestamp op de planken nemen soms vervaarlijke afmetingen aan. Ik dacht dus eenvoudig, dat ze weer bezig waren. Tijdens het eten hetzelfde verschijnsel. Nu kan ik het beter waarnemen; een korte, hevige schok, waarvan de ruiten heel even rinkelden. Het is goed te onderscheiden van het kanongebulder, dat meer de lucht ingaat, een open, holle klank geeft en van de bominslag, die geleidelijker is en langer nadreunt. Een van de huisgenoten, die wat later aan tafel komt, brengt uit de stad het nieuws mee dat deze geluiden van ontploffingen komen van de mijnen die de Waal afdrijven en opgevangen worden in netten, bij de pijlers bevestigd. Anderen trekken dit sterk in twijfel. Er zijn grote rookzuilen waargenomen in de stad, wel tien meter hoog. Dus dat kan niet. Waarom kan dat niet? We zitten hier niet ver van de brug. Die rookzuil kan zeer goed boven het water opstijgen. De richting van waaruit ze waargenomen is, wijst daar wel op.
    Als ik 's middags bij de fam. Keller op ziekenbezoek ben in het eenvoudige boerenhuisje, dat juist op de evacuatiegrens ligt van Berg en Dal, vlak bij Koningsgaard, hoor ik hoe het daar granaten regent. De Duitsers beschieten de bossen die vol Engelsen zitten, en waar kanonnen staan opgesteld, en ontelbare legerwagens, tanks, motorfietsen ondergebracht zijn. Nu wordt het me plotseling duidelijk waarom de vredige dorpen Beek en Berg en Dal absoluut ontruimd moesten worden.
    Moeder Keller vertelt me, dat er 's nachts vliegende bommen over Berg en Dal gekomen zijn. - „Wat voor een geluid was het dan? Zoals van een vliegtuig?" - „Neen, heel anders, zoiets als van jalouzieën, die neergelaten worden," merkte ze op.
    „De paters van Berg en Dal zijn ook geëvacueerd. Nu heb ik niemand meer," had de zieke geklaagd. „Ge hebt pater Dodenbier toch nog," zei haar man hierop. „Goed geantwoord, Keller. En ik zal laten zien, dat ge me nog hebt. Ik kom u de H. Communie brengen, laten we zeggen, op de Eerste Vrijdag van de maand, dat is over veertien dagen. Voor die tijd loop ik eerst nog even bij u aan. Ik ga nu Donderdag 23 November naar Zuid-Limburg, onmiddellijk na het St. Ceciliafeest, horen hoe ze 't in Aalbeek maken en hoe lang ik nog in Nijmegen kan blijven."
blz. 76     De bevrijding van Limburg is in volle gang, de weg over Baarlo zal waarschijnlijk binnenkort vrij zijn en het laat zich aanzien, dat ik terug over Roermond en Venlo zal kunnen gaan, zodat ik niets meer met de bruggen te maken heb.

DINSDAG 21 NOVEMBER.
    Vreselijke consternatie vannacht in onze schuilkelder. Een dreunende inslag maakte ons wakker in het holst van de nacht. We luisterden en hoorden duidelijk scherven vallen in huis.
    Een granaat, het is al een half uur bezig, wisten sommigen te vertellen. Hij is op het huis ingeslagen, zei een stem. Welneen, klonk het vurig protest uit verschillende monden, dan hadden we een ander gekraak gehoord. Natuurlijk, het -is vlak in de buurt. De brandende vraag was nu: waar is het puin gevallen, dat we duidelijk hoorden, en hoe en van waar is het binnengevlogen?
    De mannen wilden op onderzoek uit. De vrouwen protesteerden: het was te gevaarlijk, de projectielen gierden nog door de lucht. Ze konden toch wel wachten tot het rustig werd.
    Vader, de verantwoordelijke persoon, laat zich niet weerhouden. Kalm en vastbesloten stapt hij in zijn pantoffels, schiet zijn jas aan, gaat de treden van de keldertrap op naar boven. Ik schoorvoetend er achter aan.
    Niets te zien in de gangen of in de keuken. Er is geen kapotte ruit, waar de scherven en het puin doorheen gekomen zijn. Misschien boven op de eerste verdieping? Ronduit gezegd, ik ben er niets nieuwsgierig naar, en ga maar weer het liefst naar de kelder. Schijnbaar onverschillig slof ik de trap af naar het veilige oord.
    Even later komt Vader met een stuk baksteen in zijn hand aandragen. „Dat lag boven op de gang," zegt hij, „dat is door de ruit gekomen, aan de achterkant van het huis." Dus de granaat is achter het huis neergekomen? We hadden 't allang onder elkaar uitgemaakt dat ie aan de voorkant was ingeslagen op de ruïnen van de Doddendaalkerk, waarschijnlijk.
    Nu wil Vader nog weten waar hij ingeslagen is. Ik ben van mening, dat we dat morgen zeer goed zullen kunnen zien, beter zelfs dan nu in de donkere nacht en kruip weer onder de dekens.
    Vader trekt er stilletjes op uit en komt na enige minuten met het sensationele bericht, dat er een geweldige krater ligt op drie meter afstand van het huis. Kreten van verbazing, zuchten van verlichting, opwellingen van dankbaarheid. Wat heeft God ons toch weer wonderlijk beschermd! Het is een ontzaggelijk zwaar projectiel geweest natuurlijk. We zullen het morgen met eigen ogen constateren. We trachten wat te slapen, het zal ruim twee uur geweest zijn en sluimeren inderdaad, 'n beetje onrustig en gehinderd door slagen in de verte, door gepraat om ons heen, enz.
    Tegen vier uur nieuwe consternatie bij de ondergrondsen. Er wordt heftig geklopt op onze deur. Spannende stilte. De grendel wordt weggeschoven. Daar staat de Meester, helemaal aangekleed, grote lantaarn op zij, helm op.
    „Onze uitgang is geblokkeerd," zegt hij halfluid. „Dat is zojuist gebeurd met
blz. 77 die zware slag. Het is op het huis ingeslagen, vast en zeker." Nu ben ik opeens klaar wakker en protesteer: „Het is niet ingeslagen op het huis, vast en zeker niet. Zo'n inslag laat niet de minste twijfel; dat hoor je, daar kunt u van op aan." Het was niet ingeslagen, gelukkig.
    De volgende morgen was het een ware pelgrimstocht, van de kelderbewoners naar de plaats waar de projectielen neergekomen waren. Vlak achter het huis een gapende krater; een stoere werkman zou de hele morgen nodig hebben , om zo'n geweldig mansdiep gat te graven. De plaats ligt bestrooid met fijn zand en bezaaid met bakstenen, die blijkbaar naar alle richtingen zijn geslingerd. Ja, er zijn er over het tien tot twaalf meter hoge huis gevlogen en in de voortuin terecht gekomen. Daardoor kunnen we ook met zekerheid vaststellen, dat de granaat uit Noordelijke richting, van de kant Arnhem kwam. Nog duidelijker blijkt dit op 4e meisjesspeelplaats, waar de andere granaat is terecht gekomen, vlak voor de ingang van de schuilkelder. De plaats is n.l. van drie zijden ingesloten door de muren van het hoge huis. De Noordelijke kant is slechts open. Voor de ingang van de schuilkelder stonden zware eikenhouten balken, ongeveer een voet dik, opgestapeld tot op een hoogte van circa 2 meter en stevig gestut. De granaat is terecht gekomen juist aan de voet van deze beschutting en heeft de balken als luficershoutjes verstrooid. Verschillenden zijn terecht gekomen voor de deur van de schuilkelder en blokkeren deze nu. De bewoners die aan deze buitenkant sliepen, zijn danig geschrokken. Ze vertelden, dat ze een schok voelden die hen deed opspringen in hun bedden, terwijl het kalk sneeuwde van de keldermuren. Verder niets; niemand heeft ook maar het minste letsel bekomen. Wat is onze kelder toch solied en veilig! Want het zijn granaten geweest van zeer zwaar kaliber. Een der jongens komt aandragen met een grote scherf, zo juist op de plaats gevonden. De mathematici onder ons trekken met potlood een lijn langs de rand, en weten dan met behulp van de passer de cirkel te voltooien. Zo komen ze dan tot de slotsom, dat het een projectiel van twee en twintig centimeter middellijn geweest is. Voorwaar geen kleinigheid.
    Dankbaarheid welt op in aller harten. God „de Vader der weezen", zoals Hij genoemd wordt in de H. Schrift, heeft ons aleer zichtbaar beschermd. Vader heft na de H. Mis het Magnificat aan, onze kleine kapel weergalmt van deze lofzang tot God.

WOENSDAG 20 DECEMBER.
    Het lof zal juist beginnen, het is bijna zes uur. De Meester komt op me af, gewichtig, een tikje geheimzinnig. Hij neemt me apart in de gang. Zijn gelaat staat zeer ernstig. - „Zoudt u het rozenhoedje willen bidden onder het lof?" vraagt hij, zonder de minste aanleiding. Ik kijk hem verwonderd aan. „'t Is een verzoek van onze kelderbewoners," verklaart hij. „Een van hen heeft een Engels officier gesproken, en die zou gezegd hebben, dat de toestand van Nijmegen zeer critiek is. En nu wilden ze voor die intentie graag het rozenhoedje bidden."
    't Is me op slag duidelijk, wat de Meester bedoelt met „de toestand van Nijmegen". Het offensief van de Duitsers in het Zuiden, dat hen in België en
blz. 78 Luxemburg terugbracht, heeft hier grote indruk gemaakt. Overal is de angst, dat ze ook Nijmegen weer aanvallen en heroveren, opgedoken. Tot overmaat van ramp heeft het vannacht ontzaggelijk gerommeld. Het was een waar artillerie-duel. Doffe ontploffingen, langgerekt gehuil, zware, holle inslagen, kennelijk in onze omgeving. Daarop het antwoord der Engelsen, doffe, rommelende slagen, heel ver weg. Hun kanonnen staan aan de rand van de stad, in Hees, en in de bossen verscholen. Er zouden twaalf honderd van deze vuurmonden staan. Het staat bij mij dan ook vast dat de Duitsers Nijmegen nooit zullen heroveren. Veel mensen denken daar echter anders over, vooral sinds de inval van Luxemburg en België. Er is gevaar voor onrust en paniek. Ik ga dan ook niet in op het voorstel van den Meester en geef hem mijn redenen. Hij is het dadelijk met me eens. We moeten vooral geen paniek veroorzaken, doch integendeel, trachten de gemoederen te bedaren, en geen geloof hechten aan geruchten. Het lof heeft plaats op de gewone, gebruikelijke wijze, zonder rozenhoedje, en de avond verloopt verder rustig en ongestoord. Men spreekt niet over het gebeurde of over gevaren, die ons in de toekomst zouden kunnen bedreigen.
    Intussen zit ik voor me zelf te mijmeren over het voorgevallene en vergelijk deze nacht en de dag van heden met die Zondag 3 December en de daarop volgende dagen, toen het granaten regende op onze reeds zo zwaar geteisterde stad. Ik was toen juist terug van mijn 8-daagse tocht naar Zuid Limburg, over Eindhoven en België. Ik had tijdens die tocht. weer op een gewone kamer geslapen - dagen lang gepeddeld zonder gevaren van bommen en granaten te duchten, in België over wegen gereden waar landelijke rust heerste - en niets aan de oorlog herinnerde. Hoe onwezenlijk leek dit alles nu hier aan het front. Het begon heel onverwachts op Zaterdagavond 2 December en hield aan, dag en nacht, tot Dinsdag. Er zijn toen zeker meer dan duizend granaten gevallen: Oost-Nijmegen lag deze keer onder het vuur: de St. Stephanus-parochie: het z.g. rode dorp en omgeving, de Berg en Dalseweg, de Rembrandtstraat. De Stephanus-kerk kreeg een granaat op het dak van de grote koepel. Een gapende opening rechts boven, doch geen verwoesting in de kerk zelf gelukkig. Het Canisius-College met bijbehorende gronden kreeg er meer dan honderd, doch het is zo ontzaggelijk groot, dat men, er voor langs lopend, nauwelijks iets merkt van ravage. Het rode dorp is wel erg gehavend. De stemming was er gedrukt in die dagen en velen trokken weer de stad uit. Toch was er geen sprake van een angstpsychose, zoals nu. Er werd niet gesproken van mogelijke aanvallen, en het dreigende spookbeeld van een terugkeer der Duitsers, dat nu opdoemt voor de verbeelding van talloos velen, was toen haast nergens te ontwaren. Met bange voorgevoelens gaan de mensen de Kerstdagen tegemoet. Bij de Engelsen is het groot alarm: verdubbeling van wachtposten overal, mitrailleurs op de daken, op sommige plaatsen. Er is vrees voor Duitse parachutisten. Men is op zijn hoede.

KERSTMIS.
    Helder vriesweer. De halve maan schijnt vriendelijk over de huizen en ruïnes op de vooravond van het grote feest. 't Is stil in de straten. Is het de kou, die de
blz. 79 mensen binnen houdt? Of is het de angst voor, de verraderlijke granaten? De Engelse kanonnen bulderen vervaarlijk, met korte tussenpozen. De nagalm is nu zo langgerekt in deze ijle lucht, door dit hoge, vrije uitspansel.
    De artillerie van de Engelsen neemt toe in hevigheid. Is er gevaar voor een aanval? Of willen ze de moffen voor zijn? Of dagen ze hen eenvoudig uit?
    Venijnig fluit het opeens schuin boven me in de lucht, heel even maar. Een zware, krakende inslag, richting Groesbeekseweg.
    Ik spoed me voort, gestoord in mijn avondmijmering. Even later hoor ik een slag achter me. Hebben de mensen nu toch gelijk gehad met hun voorstelling van een wreed door de vijand gestoorde Kerstmis? Neen, zij hebben ongelijk gehad: Er vielen geen verdere granaten. Maar heel de heilige Kerstnacht door hebben de Engelse kanonnen vuur gespuwd, zodat het onophoudelijk lichtte in die donkere Decembernacht, met felle flitsen. 't Was onheilspellend. En luguber klonk almaar door de doffe roffel van het zware geschut dat rondom de stad staat opgesteld.
    In onze kapel is het vrede, al dreunen de muren en rinkelen de ruiten. De verlichting, de versiering, het eenvoudige stalletje, de keurig verzorgde zang tijdens de middernachtmis, en de oude en nieuwe kerstliedjes tijdens de~ twee stille missen, het doet alles even feestelijk aan, en maakt diepen indruk. Dit is een onvergetelijk, schoon Kerstfeest geworden, vol wijding en intimiteit, kerkelijk zeer plechtig gevierd en huiselijk voortgezet in stille vreugde, welke straalde op alle gezichten, en warme gezelligheid.
    Als een grote familie zaten we met onze kelderbewoners 's avonds in de stemmig versierde zaal om de kribbe geschaard, kerstliederen zingend en luisterend naar de Kerstgedichten, die met gevoel werden voorgedragen, en naar de oude en nieuwe Kerstverhalen, die ons werden voorgelezen bij het schijnsel van een lamp of het flikkeren van een kaars, die grillige schaduwen op de muur projecteerde.

OUDE JAAR - HET EINDE.
    Het rampjaar 1944, dat deze bladzijden geïnspireerd heeft, dat duister was en toch zo licht, spoedt ten einde.
    Meer dan ooit bezinnen we ons bij deze jaarwisseling op de gebeurtenissen van het afgelopen jaar en hun diepe zin voor ons leven. Voor velen is het een jaar van zware rouw geworden, voor talloos anderen een jaar van totaal verlies van tijdelijke goedéren, voor allen een jaar van zware beproeving en laten we hopen, van innerlijke loutering. Het is voorbij; het leed is geleden, de storm heeft vreselijk gewoed, het was duister om ons heen. Doch het begint te dagen, heel flauwtjes.
    Mijn pas voor Zuid-Limburg is nu in orde. Ik ga overmorgen vertrekken uit Nijmegen en mijn lessen hervatten in Aalbeek. De studenten uit N. Brabant en Limburg zijn terug. Uit de drukte van de frontstad naar de stilte van een studeerkamer.
    Oudejaar 1944 betekent voor mij meer dan het eindigen van een kalender-
blz. 80 jaar. Het betekent het einde van een korte, doch fel bewogen periode van mijn leven, rijk aan herinneringen en ervaring, het betekent het einde van enige maanden zielzorg, waarvan de herinnering me immer met warmte zal vervullen, het betekent het einde van deze indrukken, geschreven onder de drang der prangende gebeurtenissen.
[tekening: gebouw met torentje op een helling, gesigneerd Kees Knoops]
index vorige
Reactiepagina

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: