dodenbier - licht in donkere dagen
blz. 26 politiebureau." Ik rijd weg, de granaten gieren en harde wrede inslagen volgen. Een vreselijke angst bekruipt me. De straten zijn hopeloos verlaten, alles kruipt weg. Diep in me rijst verzet op tegen deze tocht, deze hellevaart. Ik heb waarachtig toch geen verplichting tegenover deze mensen. Ze hebben hun parochiegeestelijkheid.
    „Waar is de Kwartelstraat?" schreeuw ik voor de zoveelste maal tot de mensen van de luchtbescherming.
    „Och, Pater, komt u toch hier heen," roept een jong kereltje, „hier is een inslag!" We rennen samen naar de Violenstraat. „Er is een heel gezin getroffen op no. X," zegt mijn gids.
    Ik huiver bij de gedachte van de misvormde lichamen die ik aanstonds zal moeten zien. Zal ik de aanblik kunnen verdragen? Nog nimmer heb ik zoiets meegemaakt. Mijn God, sta mij bij!
    De laatste stap wordt gezet: we staan in de getroffen kamer. Door het raam is de granaat binnengeslagen; een vreselijke ruïne in het vertrek. Zes lijken liggen in het rond. Een klein manneke aan mijn voeten, met het gezicht naar de grond, beweegt nog even het hoofdje. Ze liggen allemaal onder het stof en het bloed.
    Niets van de walging die ik me voorgesteld had. Hoe vredig is deze aanblik van de dood. Geen van angst verwrongen gezichten, geen spoor van pijn of doodstrijd, doch de onvervalste trekken van het bloeiend leven, waaruit ze zonder de minste overgang zijn overgegaan in de dood. Zijn ze wel dood? Ik moet met de mogelijkheid rekening houden, dat er nog leven is in deze menselijke lichamen en dat de onsterfelijke ziel 't lichaam nog niet verlaten heeft. Ik ga voorwaardelijk het H. Oliesel toedienen, ze zijn allemaal Katholiek, verneem ik.
    Alle angst is nu als bij toverslag van me afgevallen. Ik hoor geen granaten meer suizen, het oorlogsgeweld schijnt onwezenlijk ver. Er ligt een religieuze wijding in deze dodenkamer. „Per istam sanctam unctionem et suam piissimam misericordiam indulgeat tibi Dominus quidquid per sensus deliquisti." Door deze heilige zalving en zijn allerteederste Barmhartigheid geve u de Heer kwijtschelding van alles wat gij door de zintuigen hebt misdaan.
    We verlaten dit rustoord, we moeten verder. Mijn gezel, 'n jongeman van 20 jaar, gaat onverschrokken met me mee.
    Ik word geroepen naar een gewonde in een schuilkelder, ergens in een tuin. Deze overdekte loopgraaf zit volgepropt met mensen. Zo kan ik er niet in. Ze begrijpen het zelf en bevend van angst gaan ze er uit, de open lucht in. Kinderen beginnen te schreien, willen weer terug onder de grond, want buiten raast de woedende orkaan. Een begint er onbedaarlij ktegillenenwilnietnaarbuiten.Laat'rmaar,zeg ik, en werk me naar de uithoek van de loopgraaf, waar een gewonde vrouw zit. Na haar geestelijke bijstand verleend te hebben, haast ik mij naar buiten, om de mensen weer binnen te laten en ook om elders te helpen.
    Mijn jonge gezel blijft me dapper volgen. We rennen door de straten, onder het fluiten van de granaten. Soms is het te erg en vluchten we een kelder in. Onze fietsen zijn een last geworden en een gevaar; je kunt geen dekking zoeken met zo'n ding in de hand; bij het eerste verraderlijk fluiten moet je kunnen
blz. 27 duiken, plat gaan liggen of een deur invluchten. Terwijl we in een publieke schuilkelder een ogenblik wachten tot 't grootste gevaar geweken is, besluiten we onze fietsen daar te laten. Juist als we naar boven willen gaan, suist een stroom lucht ons tegemoet. We deinzen verschrikt terug, de angst plant zich voort, tot achter in de kelder. O! die dreiging van paniek in de kelder!
    We besluiten verder te gaan, maar ten volle bewust van het acuut gevaar, waarin we ons begeven, laten we ons adres achter. Zullen we het er levend afbrengen? Het lijkt haast of er geen ontkomen is aan deze hel. Zelfs in de betrekkelijk veilige schuilkelders heerst die stemming: „het vreselijk oorlogsgeweld zal niemand meer sparen, want het gieren van de granaten houdt niet op, doch komt steeds naderbij."
    Het is een dolle, dwaze tocht, die wij, mijn jonge gezel, Lambert Jacobs heet hij, en ik ondernemen. We rennen belachelijk dicht langs de huizen, drukken ons potsierlijk plat tegen deuren als een granaat voorbijsuist, schreeuwen wild tegen een enkele bewoner: „zijn hier doden of gewonden?- worden van de ééne plaats naar de andere gestuurd, slaan ruiten in om ergens binnen te komen, nemen hindernissen als echte kwajongens, waarschuwen mensen, die toch nog over straat lopen in deze afschuwelijke granatenhagel.
    We komen aan een huis waar een gewonde man ligt, beide voeten afgeschoten.
    „Pater," zegt hij, de handen vouwend, „nu wil ik eerst biechten." - „Goed, beste vriend."
    We worden alleen gelaten en daar in die keuken, op die schamele matras, verzoent zich weer een zwakke, zondige mens met den Barmhartigen God. Zijn omgeving heeft de tranen in de ogen. Het is wonderlijk: er komt iets los in den mens, dat in het alledaagse, gemakkelijke leven wel erg diep in hem schijnt te sluimeren: zijn dorst naar het bovenzinnelijke, het geestelijke, het goddelijke. Zijn ware aard toont zich in deze vreselijke wereldbrand: „Fecisti nos ad te Deus," Gij hebt ons gemaakt voor U, God. - „En nu, vriend, goede moed en Gods H. Wil geschiede!- - „Ja, Pater."
    Enige uren later, als het rustig is geworden, brengen ze hem weg op de brancard. Ik kom de kleine stoet tegen, hij herkent me, reikt me de hand. „Beide benen moeten geamputeerd worden," fluistert me iemand in het oor. Hij is vijf en twintig jaar.
    Steeds rennen wij intussen verder. We moeten naar het Nachtegaalplein. Daar ligt een man, getroffen door een granaatscherf, zegt men. Het valt niet mee naar zo'n open ruimte te geraken. Voorzichtigheid blijft ook voor ons een eerste vereiste. Zich roekeloos wagen is niet verantwoord tegenover God en strekt niemand tot nut. Gelukkig liggen de publieke kelders in de lengte van de straten en kunnen we daar doorheen lopend veiliger komen naar 't huiverig open plein. De snelste manier is het niet, verre van daar, want die kelders zitten volgepropt met mensen; ze houden ons op. Maar het is een vruchtbaar oponthoud. Want die stakkers van ondergedokenen hebben troost en geestelijke steun nodig. Ik geef overal de generale absolutie.
    Wat een contrast tussen die vredige dood in die kamer van straks en dit angstige, pijnlijk kronkelend vechten tegen de dood. Honderden mensen zijn in doodsstrijd, al drie dagen en nachten.
blz. 28     Nooit heb ik zoveel menselijke ellende bijeen gezien, zoveel zielelijden aanschouwd. Kinderen, waanzinnig van angst, zijn niet tot bedaren te krijgen en gillen het uit. Een vrouw in gezegende staat, zit daar doodsbleek, met uitpuilende ogen, over heel haar lichaam te beven, terwijl twee mannen haar de handen vasthouden, pogend haar te kalmeren.
    „Och, Pater," zegt een vrouwtje, „mijn man zit nog in huis; hij is doof en trekt zich nooit ergens wat van aan; kunt u hem niet hier halen!" - „Maar beste vrouw, ik moet naar gewonden."
    „Pater, ik ben hier met mijn vijf kinderen, maar een is er nog achter, ligt in bed. Moet ik het niet gaan halen?"
    „Vijf kinderen in de steek laten voor één? Oordeel zelf,'' zeg ik.
    Voor ik de kelder verlaat, moet ik nog iets regelen. Veel mensen willen bidden en wensen dan dat de anderen stil zijn. Met de kelderleider spreken we af, dat deze om stilte zal verzoeken, wanneer er gebeden wordt, doch er zullen steeds tussenpozen van praten en ontspanning gegeven worden.
    Voort, naar het Nachtegaalplein!
    Angstig zo'n open vlakte. We moeten onder die bogen zijn. Zo'n boog biedt wel goede dekking, als je maar wist van .welke richting die granaten kwamen. Helaas, je wordt van twee, drie zijden belaagd.
    Er ligt een jonge man op straat, door een granaat aan het hoofd getroffen. De hersenen liggen bloot, helemaal geen akelig gezicht; met aandacht kijk ik naar die tere, rosekleurige lobjes. Over zijn haar is het bloed gespat. Zijn gelaat is niet verwrongen, doch gaaf en vredig, het draagt nog trekken van het leven, dat hem als bij verrassing ontvlood. „Nescitis diem, neque horam", „Gij weet dag noch uur!" Hoe treffend waar is dat hier geweest. Hoe sereen is toch de dood! Narigheid, onzekerheid is er slechts in het leven, het onevenwichtige leven, waarin de zonde heeft gewoed en de schone, door God gewilde orde heeft ontwricht. En zijn we niet allemaal zondaars?
    Als ik de heilige zalving heb verricht, waarvan Gods Barmhartigheid zich zo liefdevol bedient om de zielen te reinigen, gaan we weer verder.
    De orkaan raast nog steeds en vaak moeten we overhaast schuilen. Dan dalen we weer af in kelders, valt er te troosten, te absolveren. Een vrouw komt met rode ogen op me af. „Och, Pater," zegt ze, „mijn man was er niet bij toen u de generale absolutie gaf. Ik had toch zo graag.. ." „Natuurlijk," zeg ik, „een kleine moeite," en ga op de man af. „Ik kan geen absolutie ontvangen..." - „Waarom niet?- Omdat ik socialist was en mij als zodanig de Sacramenten geweigerd worden. We gaan aan het praten. Ik heb te doen met een oprechten, eerlijken vent, een kerel uit één stuk. Hij zet me zijn standpunt uiteen. Hij wil vooral niet de indruk wekken, dat hij nu, uit angst voor de dood, bijdraait. En inderdaad, hij toont een onverschrokkenheid, zoals ik nog niet heb meegemaakt. We moesten dus aan het praten. Och wat, ons arm menselijk praten, ons zielig gestamel. De Goddelijke Genade heeft hem geveld. Hij is op de knieën gezonken in de gang van zijn huisje en heeft zijn hoofd gebogen voor de woorden „Ego te absolvo ab omnibus censuris et peccatis". Hij doet me denken aan de getuigenis die Christus gaf van Nathanaël, een waar Israëliet, in wien geen bedrog was.
blz. 29     Sinds Jaren was hij bij Vrij Nederland. Toen hij opstond drukte hij mij ontroerd de hand.
    Het is in orde, zei ik tegen zijn vrouw. Zij schreide van geluk. Ik moest iets gebruiken, een glas wijn b.v. Neen, wijn liever niet, maar een glas limonade was Jacobs en mij welkom. We hadden dorst gekregen.
    Vóór we gingen drukte hij me twee vitamine-tabletten in de hand, „dat vervangt een maaltijd," zei hij met overtuiging.
    Spoedig trad een kalmte in. Zou het van lange duur zijn? Het was nu ongeveer half elf, slechts twee en een half uur waren we in deze verschrikking geweest, en wat hadden we niet doorgemaakt. Het was een stuk leven, een periode die we nooit meer zouden vergeten en waarvan de stempel onuitwisbaar in ons gemoed gedrukt stond. Nog een half uur ruim stond ik bij mensen het verdere verloop der gebeurtenissen af te wachten. Het bleef kalm. Het scheen gedaan te zijn voor vandaag. Er kwam beweging in de voorheen zo verlaten straten. Mensen begonnen weg te trekken met handwagens, kruiwagens, volgepropt met beddegoed en wat schamele huisraad. Een triestige aanblik, deze uittocht.
    Ik haal mijn fiets op om naar Hees te rijden. Mensen houden me aan en vragen, handenwringend: „Pater, wat zouden we doen, wegtrekken of hierblijven. Wat raadt u ons aan?"
    „Heus, mensen, het lijkt me beter dat jullie blijft. Waar moeten jullie trouwens heen met al die kinderen? De schuilkelders bieden veiligheid en het is nu rustig. Misschien is het trouwens wel helemaal gedaan!"
    Als ik Hees binnenrijd, ga ik weer een andere wereld binnen. Hier is vrede, blijheid, feeststemming, vertoon van vlaggen. Ik kan 't niet aanzien en onbarmhartig scheurt mijn somber relaas de illusie stuk.
    Nog geen oranje dragen, luidt even later een order aan de kinderen. Onze
[tekening: gezinnen in schuilkelder, gesigneerd Kees Knoops]
blz. 30 stad wordt te zwaar beproefd, dan dat we feest kunnen vieren. Er is rouw in talloze gezinnen. Velen hebben have en goed verloren. En nog zijn we er niet naar alle waarschijnlijkheid.
    Het nieuws van mijn tragisch avontuur verspreidt zich onder de bewoners van De Beuken. De Meester komt naar me toe en fluistert me bedeesd in 't oor: „zou ik met u mee mogen gaan naar de stad vanmiddag? Ik zou goed eerste hulp kunnen verlenen, want ik heb een cursus E.H.B.O. gevolgd destijds en ben in het bezit van een verbandkoffertje. - „Een reuze idee, Meester."
    „Zou u 't Vader dan willen vragen?" - „Zeker, dat zal ik aanstonds doen."
    De Meester wacht met spanning of hij mee zal mogen; vermoedt niet in het minst, dat Vader en Moeder hem heimelijk bewonderen om dat voorstel. Na een hap stampot begeven we ons op weg.
    De Meester heeft geen fiets. Geen nood: we houden een man aan, nemen zijn fiets in beslag, o, niet zoals de moffen dat deden hoor, met dreiging van geweld; we doen het netjes en beleefd, maar we doen het toch.
    We peddelen voort, de Meester zwaar-trappend op zijn rammelend karretje.
    „Waar gaan we naar toe, Pater?"
    „Laten we in een bocht om de stad rijden, Meester, dan horen we van zelf wel waar de nood het hoogst is en onze hulp gewenst."
    We gaan dus Graafseweg, St. Anna, Driehuizerweg, Groesbeekseweg, door 't Mariënbos, Broerdijk. Daar ontmoeten we de eerste vluchtelingen met hun kinderwagens en haastig bijeengegrepen spullen. Angstig spoeden ze voort, de bossen in. „Och, Pater, gaat u toch naar de Berg en Dalseweg, daar is 't zo erg."
    Ziet u wel, Meester, we gaan in de goede richting. We zullen over Fortstraat en Tooropstraat gaan, mijn kennissen even bezoeken en daar tevens voor een nieuwe fiets voor u zorgen.
    Als we de Broerdijk uitfietsen, zijn we ineens aan het front. In de zijstraten Acaciastraat, Lorkenstraat enz. is het akelig stil.
    Huizen zijn verwoest links en rechts door de granaatinslagen. Zouden daar mensen getroffen zijn? We proberen enkele woningen, roepen met luide stem. Geen antwoord. Goddank, ze zullen gevlucht zijn.
    Door de angstaanjagende stilte klinkt niets dan 't verraderlijk gefluit, dat je telkens een koude rilling over 't lijf jaagt, en dan volgt de krakende slag, als 't inslaan van de bliksem.
    We gaan binnen bij Lentjes: alles zit in de kelder, angstig bijeengedoken. De Meester bidt voor: Oefening van berouw: Barmhartige God, ik heb spijt over mijn zonden . . . Heel ernstig sla ik een groot kruis „Ego vos absolvo".
    „Geen doden of gewonden hier in de buurt?" - „Voor zover we weten niet."
    „Goed? Wijs ons nu even de weg binnendoor naar jullie thuis, Toon."
    „Komt u mee, Pater."
    Als inbrekers sluipen we langs een muur, maken ons zo klein mogelijk, wroeten ons door tuintjes heen, strompelen over de draden, dan een sprong en we zijn er, bij de tuinschuilplaats. Er is niemand in.
    „Hierheen," schreeuwt iemand, terwijl een geweldig gekraak zijn zin afbreekt. We hollen naar binnen bij de familie K.: verwondering, uitroepen, vreugde-
blz. 31 tranen, geschreeuw van alle kanten dooreen - en dan de bestorming met vragen: waar was u toch, waar komt u nu vandaan, waar gaat u heen, blijft u bij ons?
    „Neen, ik moet verder met dezen meneer, den Meester. We gaan gewonden bijstaan."
    „Pater, Gijs (dat is haar man) gaat de hele tijd op straat, en laat mij in de steek."
    Gijs, een kerel als een boom, krijgt een vermaning, die hij deemoedig slikt.
    „Pater, zouden we niet weggaan, wat denkt u?"
    „Weggaan? Nu? In deze hel? Maar dat is 't gevaarlijkste wat jullie doen kunt. Jullie zit hier in een hele goede kelder."
    Bakker Dorus - de eigenaar - glundert.
    „Pater, we houden telkens storm-novenes tot het H. Hart. Na iedere novene wordt het rustig."
    „Mooi zo! Jullie moet onbegrensd vertrouwen hebben. Het kan ieder ogenblik eindigen. Zo ging het vanmorgen in de Koninginnelaanbuurt ook. Het was ineens gedaan. Ik zal jullie nu de generale absolutie geven en dan moet ik gaan." De meester bidt weer voor, knielend boven op de keldertrap. Het zweet parelt op zijn voorhoofd. Het is benauwd in dit onderaards vertrek, waar een dertigtal mensen bijeen zijn.
    Mijn stem klinkt over de nijgende hoofden van die knielende mensen en kinderen. Zij zijn onder de indruk, hebben begrepen aan mijn ernstige toon en mijn hele houding dat ik het gevaar acuut acht. Toch zijn ze gesterkt en steunen en troosten nu elkaar.
    „Pater, we moeten weg," zegt de Meester ongeduldig.
    „Ja, Meester, we gaan."
    Er worden ons nieuwe fietsen bezorgd en we gaan met kloppend hart verder. We komen niet ver met onze karretjes. Er valt niet aan fietsen te denken, terwijl de granaten zo kort op elkaar fluiten. We moeten in allerijl een huis binnenvliegen, laten daar onze fietsen staan om er geen hinder van te hebben en gaan te voet verder. Te voet, zeg ik, juister zou zijn op de knieën. Het is meer kruipen geweest dan lopen wat we deden die middag. Onheilspellend huilden de projectielen in korte tussenpozen door de lucht. Telkens moest je gaan liggen, dekking zoeken achter de stenen muurtjes, die de tuintjes omgeven. We vorderden slechts langzaam. De Meester werd ongeduldig.
    „Kom, Pater, we moeten voort, we moeten niet naar ons zelf kijken."
    „Goed en wel, Meester, maar we moeten toch niet roekeloos ons leven wagen. Daar hebben de gewonden ook niets aan. Laten we, te hulp snellend, toch zoveel mogelijk de gevaren vermijden."
    We zijn nu aan de Jos. Israëlstraat. Daar is een granaat ingeslagen: een vrouw gedood, een jongetje gewond, beide benen afgeslagen. Dr. Goemans is aan het helpen - de Meester kan hier bijspringen met zijn verbandkist.
    Ik ga naar de overledene - ze is protestant. Bij het jongetje gekomen, dat elf jaar oud is, en op de baar ligt om naar het ziekenhuis te worden vervoerd, vraag ik zijn vader, die ook protestant is, of ik hem de absolutie zal geven.
blz. 32 „Goed," zegt deze. Het kereltje ligt te glimlachen op de baar. „Papa, komt u me gauw bezoeken?" zegt hij. „Ja, hoor," zegt deze met stokkende stem.
    De droevige stoet trekt weg.
    Ook wij gaan verder - telkens een paar meter - liggen weer languit als 't langgerekt gefluit weerklinkt, wachten af in doodsangst.
    We kijken de doodse straat door. Geen huis staat hier onbeschadigd. Overal de ruiten kapot, de pannen van 't dak geslingerd - een somber beeld van verwoesting.
    Recht voor ons een fruitwinkel: de grote étalageruit versplinterd: de peren zijn op straat gerold; niemand kijkt er naar om.
    Geen levend wezen te bekennen trouwens: doodse verlatenheid.
    We sluipen voort - bereiken de laatste zijstraat van de Daalseweg. Hier bereikt het drama zijn hoogtepunt: huizen staan zwart - uitgebrand. We wagen ons in die richting, informeren of er slachtoffers zijn. Neen, de mensen zijn weg. Dan maar verder. We horen een knarsend geluid van kettingen en 't brommen van motoren.
    Tanks rijden weg op dertig meter afstand van ons. Die hebben daar bij 't kerkhof staan vuren. Dat kan wel eens een gevaarlijke plek zijn.
    Vlak bij 't kerkhof is een politiebureau. Er staan een viertal Amerikanen voor. - „Wat zullen we doen, Meester, hier afslaan of rechtdoor gaan?"
    „Tja, tja," zegt mijn dappere gezel, aarzelend . . .
    „Wacht, ik zal die Yankees eens vragen of het gevaarlijk is recht door te gaan."
    „Is het daar gevaarlijk?" zeg ik, wijzend naar de stad, waar rook en stof het uitzicht belemmeren.
    „Nou," zegt ie, kort en bondig, „ik zou er zelf niet heengaan."
    „U hoort het, Meester!" - „Ja, Pater."
    „Dan zullen we dus maar hier langs de stad verlaten. Onze taak schijnt geëindigd. Er valt hier verder niets te doen. Nog een ogenblik staan we vóór het politiebureau met de gemoedelijke soldaten te praten.
    Plotseling een aanzwellend gefluit vlak boven onze hoofden, een ondefinieerbaar geluid dat ons tegen de grond smakt, dan volgt een donderend-krakende inslag, vlak in de buurt.
    „Goddank! We zijn gered!" roep ik uit. We draven de hoek om en gaan liggen aan de achterkant van 't politiehuisje, tegen een ijzeren barricade. Ik krijg het koffertje van de Meester en bedek er mijn hoofd mee. Weer zo'n gefluit en een inslag die ons doet sidderen. O wee! ze zijn op die veronderstelde tanks aan het vuren. „Meester, hier komen we niet meer achteruit," zeg ik tragisch tot mijn lotgenoot. Hij mompelt iets terug, ik vang 't woord O. L. Heer op.
    Er valt een rustpauze, spoediger dan we durfden hopen. Als dieven sluipen we weg, maken ons uit de voeten, richting Groesbeekseweg. We herademen, we hebben het gevoel of we uit de hel gekropen zijn, aan een wisse dood ontsnapt zijn en nu weer vrij mogen rondlopen. Wat een vreugde nog te leven! We stappen nu ongedwongen, het hoofd rechtop. We zien weer andere burgers in de straten. We aanschouwen de verwoestingen op de Groesbeekseweg; de Meester krijgt nog een kans zijn „Eerste Hulp" aan te bieden.
blz. 33     Vluchtelingen trekken maar steeds de stad uit. Ze sukkelen met hun lasten. „Er valt te helpen, Meester! Daar zijn we wel niet voor uitgetrokken, maar we zijn er toch niets te goed voor. Laat ons maar „sjouwers" zijn voor den Heer." „Caritas Christi urget nos". Nooit bestond er zo'n overvloedige gelegenheid den evennaaste te helpen, en de goede Samaritaan na te volgen.
    Van St. Anna naar Hees, wat een ongenadig eind nog, na zo'n dag tenminste. En we willen door de Voorstadslaan, omdat daar slachtoffers zijn, naar we hoorden. Inderdaad zijn die er - we vernemen van een tiental lijken, doch als we ons tot in de nabijheid gewaagd hebben (het begon weer gevaarlijk te worden) meldt men ons dat er reeds een priester bij is geweest. Die slachtoffers zijn van de vroege namiddag.
    We reppen ons huiswaarts, doodmoe, langs rijen vluchtelingen, die 't Waterkwartier verlaten, en langs onafzienbare rijen Amerikaanse wagens.
    Er heerst een gezellige, vrolijke drukte in het dorpje Hees, dat vol Amerikaanse troepen ligt. De oorlog schijnt langs dit plaatsje heen te trekken, zonder het aan te tasten.
    Wat een schrijnend contrast met het zwaarbeproefde stadsgedeelte, dat we deze middag doorkruisten! Neen, ons hart blijft achter bij die noodlijdenden - ginds ver weg - en toch zo dichtbij. We laten ons niet besmetten door de oppervlakkige stemming van pret en uitgelatenheid, die heerst rondom. We geven een sober relaas - ons gemoed is te vol om uitvoerig te zijn - eten onze boterham, die uitstekend smaakt na dergelijke vermoeienissen en gaan vroeg naar bed.

DONDERDAG 21 SEPTEMBER.
    Na een uitstekende nachtrust lees ik weer bij de paters. 't Is al lang licht. En 't is opvallend rustig. Zou 't nu gedaan zijn? De Meester en ik zullen naar het Weeshuis gaan en het weer plechtig openen, als het er nog staat.
    Popelend van ongeduld stappen we voort, terwijl het steeds drukker om ons heen wordt. Mensen keren terug naar hun zwaar beschadigde huizen, hele rijen komen we tegen, beladen met grote blikken voedsel. Er is dus weer geplunderd: een Duitse of N.S.B.-opslagplaats.
    Amerikanen en Engelsen krioelen overal doorheen in hun bruine uniformen. Er rijden Engelse wagens, motorfietsen, tanks, enz. Uitgebrande tanks staan langs de weg, het ligt overal bezaaid met scherven en hulzen van projectielen. Onder de Hezelpoort liggen twee lijken van Engelse soldaten. Aan de andere kant bevindt zich nog een onontplofte landmijn. Mensen worden schuw, hij moet bewaakt worden, vinden ze.
    Overal het mistroostige beeld der verwoesting. Wat zullen we nog van het Weeshuis vinden?
    We klimmen de steile Parkweg op: rechts van ons het Kronenburgerpark, eertijds de trots van Nijmegen, met zijn onberispelijke paden en zijn fris groene struiken en malse grasperken. Nu draagt het ook de sporen van dagenlange strijd. We weten dat het strijdtoneel geweest is. Het zat vol moffen toen we de
blz. 34 stad verlieten. Nu is het verlaten: de perken zijn verwoest, de paden dragen diepe sporen van tanks en zware wagens. Heesters zijn vernield, takken van de bomen gerukt liggen slordig verspreid.
    We naderen de Doddendaal. Ongeschonden staat daar de rij huisjes tegenover onze muur, onze hoop herleeft - we versnellen de pas. Het slot knarst, de poort piept open, daar staat ons huis, als onverstoorbaar in zijn rust. De stormen hebben er over heen gewoed, doch vermochten het niet te deren.
    Geen ruit is er kapot. En het lag in de gevaarlijke zóne! Is het niet wonderlijk, Meester? Gevoelens van dankbaarheid wellen diep in ons op. God zij dank! Maria heeft ons huis beschermd. De Meester gaat aan het werk in huis, ik ga verder de stad in, zal hem straks een mannetje sturen om op het huis te passen; dan kan hij naar zijn familie gaan kijken. Er wordt veel gestolen.
    't Is een onvergetelijke, sensationele tocht die ik maak die morgen. De meest tegenstrijdige gevoelens bestormen me. Ik kan nu ongestoord de vreselijke verwoestingen in ogenschouw nemen: hele straten uitgebrand - Broerstraat, Pauwelstraat, Oude Stadsgracht; het zijn nu ruïnes, erger dan dat: zwartgebrande muren, met verkoolde balken, hier en daar stukken oud ijzer enz.
    De tijd is mild en maakt heel langzaam ruïnes, die een eerbiedwaardig beeld bewaren van het verleden. De moderne oorlog is wreed en meedogenloos en slaat, in bliksemtempo, zoals hij zelf in trots en eigenwaan verkondigt, slechts barre vernielingen, waaruit alle leven en schoonheid, heel het verleden is weggevaagd. De Daalseweg en zijn zijstraten, zoals Jacob Canisstraat - wat een ravage! Hier heeft woedende vernielzucht zich geïncarneerd en duivelsdol huis gehouden. Een onbeschrijflijk gevoel van walging en lusteloosheid maakt zich van me meester. Moet zo dan Nederland bevrijd worden? Gaan we vredesfeest vieren op puinhopen? Het zal een „danse macabre" worden.
    En toch ondanks alle walging en pijn om wat mijn stadgenoten werd aangedaan, om de onvergetelijke schone stad, wier hart werd aangetast en uitgerukt, zodat het oude Nijmegen slechts zal voortbestaan in onze herinnering en op oude platen - ondanks dat alles brandt er vreugde in mijn hart, ik laat dat vuur oplaaien in mijn gemoed - waarom ook niet - ik zou er niet aan kunnen weerstaan - aan die blijheid om die vrijheid die „en is met geld nog goed te coop" - en die uitstraalt op de gezichten van de voorbijgangers, jong en oud.
    We lachen door onze tranen heen, zoals het immer zwaarbeproefde Ierland, naar het woord van den dichter
             „Erin, the tear and the smile in thine eye
             are like the rainbow that hangs in thy sky."
             Ierland, traan en glimlach in je oog,
             glinstren als je schone regenboog.

    De Nijmegenaren dragen oranje en rood-wit-blauw. Ze tooien zich ten feest. Er heerst vreugde, al is het beheerst en ingehouden. Ik stap af van mijn fiets en vraag aan voorbijgangers om te delen in hun vreugde. Ik krijg een grote oranjebloem op de borst gestoken. Zo kom ik aan op de Tooropstraat, bij de familie Koot. Ze zijn nu allemaal bekomen van de schrik. Geen ruiten kapot,
blz. 35 geen enkele beschadiging, niemand gedeerd. Wat zijn we er goed afgekomen! „Pater, u moet eens een H. Mis van dankbaarheid voor ons lezen." - „Goed, later, als ik weer hier in de kerk kom."
    Ik ga verder. Grote samenscholing van mensen op de Tooropstraat, hoek Lorkenstraat. Vreselijk tumult. Een groepje oranjemannen. Eén van hen sleurt een vrouw mee. Zeker een N.S.B.-ster. Ze wil niet mee. Ze gaat te keer - gilt hysterisch. Haar kinderen vliegen haar om de hals. Mannen trekken partij voor haar. Een onbeschrijflijke verwarring. Ze wordt bevrijd en een huis binnengeleid. Mijn God - het is Mevr. X. Ik ken haar goed. Die is toch niet van de gehate partij!
    „Eerwaarde, komt u even met haar praten. U kent haar toch? Ze is buiten zichzelf. Tracht u haar wat te kalmeren."
    Mag ik me daarvan afmaken? Moet ik Christus niet navolgen, die „weldoende rondging"?
    Het slachtoffer zit nu in een grote stoel. Ze is over het gehele gelaat met bloed bedekt. Men heeft op haar geschoten! Wie? - die kerel van Vrij Nederland, die zij, enige tijd geleden beledigd heeft. Persoonlijke vete dus. Treurig! Ze is nu wat kalmer geworden en laat haar wonden nazien en verbinden. Haar man staat zijn woede op te kroppen. De kinderen zijn nog geheel ontdaan. Is dit nu vrede?
    Ik ga naar de familie Hartman. „Hoe hebben jullie het gemaakt, kinderen?" - „O, verschrikkelijk, Pater. We hebben in de kelder gezeten en al maar gebeden. Thijs is de hele tijd hier bij ons gebleven gelukkig," zegt Ria, de oudste.
    „En hoe hield vader zich?" - „O, heel flink! Dat is ons erg meegevallen."
    Ik moet gaan. In de stad spelen zich ontroerende tafereeltjes af: mensen roepen elkaar van verre toe: „leef je nog?" drukken elkaar ontroerd de hand, barsten in snikken los. Daar komt Pater Zey aan: „Hoe is 't met jullie gegaan?" - „Goed, we zitten in Hees." Geen tijd voor verder gepraat. Een jonge vrouw komt op hem af, grijpt zijn arm, barst in hartverscheurend huilen los.
    Ik kom weer op het Weeshuis; de gang is met oranje versierd en op 't einde prijkt een Mariabeeld in de bloemen. Een daad van den Meester. Daar klinkt nog een mannenstap: Vader. Hij wil iets zeggen, doch tranen verstikken zijn stem - tranen van vreugde en dankbaarheid. Ik krijg een grote vlag mee voor Hees. We moeten toch feestvieren immers. Ik bind ze achter op de fiets, een grote oranjewimpel er boven op. „Och, kiek die Poater oranje hebben", hoor ik achter me roepen.
    In de namiddag fiets ik naar de Hatertseweg, luister bij de fam. v. d. Broek naar de Engelse zender, heel openlijk nu - en wip aan bij de familie op het Javaplein. Daar wordt Engels gesproken. Het huis is vol Engelsen.
    Er is een Katholiek bij. Daar komt hij de huiskamer binnen. Ze laten hem een kwartiertje met mij alleen. Heel fijntjes, Theo!
    Daar krijg ik de eerste nieuwe Gelderlander te zien. En een blad van de illegale pers. Wat een tijd! Dat we dit mogen beleven! Nu moet ik weg. Boodschappen doen voor Hees. Ik moet glaasjes van 't Weeshuis meebrengen en een groot blik oranjebonen en dan zes broden bij de bakker halen.
blz. 36     't Werd strooiavond. De bonen werden op straat gezaaid - de broden rolden over de keien, ik verwenste het hele gedoe. Toch beet ik op de tanden, liet de bonen achter bij eerlijke mensen, bond de broden met de hulp van twee heren opnieuw stevig achterop, en fietste met frisse moed verder.
    Nu bleven ze zitten, één minuut lang. Toen hadden die weerbarstige mikken zich weer losgewrongen. Met vier van de zes kwam ik thuis.
    Het ergste van al was 't oponthoud dat veroorzaakt werd door deze boodschappenmisère. Ik kwam om half tien thuis, het was pikdonker. Aan de horizon lichtte het telkens weer heel fel, dan volgde een ratelende slag: zware artillerie; men was ongerust over mij, zoals begrijpelijk. Ik mocht nooit meer zo laat
[tekening: wegtrekkende mensen, gesigneerd Kees Knoops]
    thuiskomen. - „Ik beloof het u, Moeder, maar ik doe ook nooit zulke lastige boodschappen meer, dat verzeker ik u."
    De glaasjes werden die avond gebruikt, en het verkwikte ons allen zeer. Ook deden de eerste Engelse sigaretten de ronde.
    Maar telkens opnieuw werden we opgeschrikt door een heftige slag, waarvan het huis dreunde en de ruiten rinkelden.
    Gaat daar nou maar door heen slapen. Het zou de grootste beproeving van Hees worden, dat vreselijk zware geschut, dat vlakbij stond, en de ruiten te breken dreigde.

VRIJDAG 22 SEPTEMBER.
    Een tocht door de binnenstad, d.w.z. de oude stad aan de Waal. Niets is zo goed gespaard gebleven als dit oude gedoetje, dat, naar menigeen's wens, wel eens grondig opgeruimd mocht worden. Het staat er nog, fier en ongedeerd. Het beeld verandert echter als je door de Grotestraat op de Burchtstraat komt - eertijds de trots van Nijmegen - en vooral op het Kelfkensbos, waarschijnlijk het meest gehavende gedeelte van de hele stad.
    Hier heeft de strijd gewoed; alles draagt er nog duidelijk de sporen van. Daar tegenover ons staat de beruchte versterking Unitas, van waaruit honderden moffen het plein bestreken met hun mitrailleurs. Nu ligt het leeg en verlaten, deerlijk gehavend, met gapende wonden. Grote, zwarte vlekken op de muren - van vlammenwerpers??
    De verbeelding wordt sterk geprikkeld! Wat heeft zich hier afgespeeld:
blz. 37 bloedige gevechten van man tegen man, met bajonetten en handgranaten? Hoe heeft men die vesting gekregen - door middel van tanks - vlammenwerpers - of heeft het zware geschut - of de vliegtuigen de bezetting tot overgave gedwongen? Ik brand van nieuwsgierigheid de bijzonderheden van de worsteling om onze stad te weten: de verbeelding zou zich dit zo graag in levendige kleuren voorstellen. Later zullen we een zuiver, gedetailleerd en volledig relaas van de strijd krijgen.
    Nu vangen we slechts een gerucht op hier en daar; zo hoor ik zeggen, dat vlammenwerpers het Valkhof veroverd hebben - maar ja, geruchten zijn onbetrouwbaar.
    Langs de muur van de Oude Stadswal ligt 't lijk van een Duitser, een grote zware kerel, helemaal verkoold. De mensen staan gewoon te kijken, zijn al gewend aan dergelijke tonelen en worden gehard.
    Voor ons ligt de oprit van de Waalbrug. Lange rijen Amerikaansche parachutisten trekken er over - de Oranjesingel op - geweer op schouder, zwaar bepakt. Plotseling als een sterk gemompel van die kant; de soldaten vallen plat op de grond en wij volgen spontaan dezelfde beweging. Een gefluit en een slag; een zwarte wolk stijgt op in die hoek vlak voor ons.
    Ik ben danig geschrokken; nu zijn we nog niet van die nare granaten af. Ik verander onmiddellijk van koers en ga met een grote omweg over de Groesbeekseweg naar de buitenwijken.
    In de namiddag fiets ik naar Berg en Dal. „Mag Wijntje mee naar haar broer om te kijken hoe ze het maken?"
    „Nou, vooruit dan maar, maar gauw terugkomen hoor!"
    Je kunt er niet komen - je mag niet verder dan Hengstdal - je mag niet verder dan de school; de geruchten vliegen rond. We zullen het maar proberen.
    We kwamen er, maar niet zonder moeilijkheden. De lucht zat vol vliegtuigen. Er zaten Duitsers tussen. Ieder ogenblik barstte het afweergeschut los - wild geknetter en zwaar gedreun van alle kanten. Telkens de fiets af en ergens binnenvluchten en dan weer met kloppend hart verder.
    Wijntje is niet bang - helemaal niet. Ze wil ook laten zien, dat ze niet bang is; ze wordt roekeloos. Dat gaat niet op.
    „Je blijft achter mij rijden," gebied ik streng. Ze gehoorzaamt met zichtbare moeite.
    Als we voorbij de paters zijn, wordt het stil op de weg. Hier beneden moeten nog moffen zitten - die bossen zijn nog niet gezuiverd.
    In de tuin van Hamer zit het vol Amerikanen, ze graven stellingen en mitrailleursnesten.
    Vanavond zal de aanval en de zuivering plaats hebben, horen we vertellen.
    Tegenover staat de winkel en bakkerij van Koot, uitgestorven en verlaten. Alle ruiten zijn kapot - de pannen van 't dak -.een granaat door de bakkerij gevlogen.
    De bewoners zijn bij familie aan 't eind van die straat in de kelder. We krijgen het verhaal te horen van drie dagen hel en angsten en slapeloosheid. De Duitsers werden verdreven en kwamen weer terug, tot vijf maal toe.
blz. 38     Hoe vaak nog, vraagt men zich in Berg en Dal af? Maar enfin, ze zijn er Goddank allemaal goed afgekomen. Ze leven nog en hopen nu dat 't zwaarste geleden is.
    Zijn er nog slachtoffers in Berg en Dal? Heel weinig. Een paar doden slechts. „Kom, Wijntje, je mag niet lang weg blijven van je moeder." We fietsen terug. 't Is rustiger geworden in de lucht.
    Als ik 's avonds huiswaarts keer, is de Groesbeekseweg één en al bedrijvigheid. Zou 't zijn voor de aanval te Berg en Dal?

ZATERDAG 23 SEPTEMBER.
    't Wordt steeds rustiger. Zouden we weer gauw naar 't Weeshuis kunnen?
    Op het ogenblik is het door de Engelsen bezet, een kleine groep; die slechts enkele dagen zal blijven. Daarna zal men zien. 't Moet een beetje veiliger worden in de stad.
    Intussen installeren we ons wat degelijker in Hees. Dagelijks gaan de handwagens op en neer en worden er benodigdheden aangevoerd naar het buitenverblijf. We willen nu ook een kapel inrichten opdat we dagelijks de H. Mis thuis hebben.
    Ik krijg, zonder moeite, het gewenste verlof van deken Van der Heijden. 'sMiddags wordt alles aangesjouwd: harmonium van de paters, altaarsteen, paramenten en verdere benodigdheden uit de huiskapel der familie Van der Velden, enz. .
    In den Meester hebben we een volslagen koster: een meester-koster.
    Denk niet te min over ons rectoraatskapelletje! Behalve de weeskinderen - jongens en meisjes - met het bestuur, hebben we de familie Peters van de Doddendaal en hebben we zelfs gelovigen uit een vreemd land, ja, uit een ander werelddeel.
    Ik gevoel me weer missionaris, neem me voor een woordje in 't Engels te richten tot die vreemden, als er tenminste genoeg in aantal zijn.
    Onze tuin ligt vol Engelse soldaten, leuke jongens, die graag omgang hebben met „civilians" (burgers) vooral met de dames en de meisjes. De laatsten laten zich niet onbetuigd. Er ontstaat een ware verbroedering: uitwisseling van foto's, wederzijdse adressen, gelach en geschater. Engelse sigaretten doen de ronde, iedereen rookt, de dames niet het minst. We drinken zowaar echte thee, eten Engelse biscuits, eenmaal zelfs, o, verkwistende bui! met dik boter besmeerd.
    Er zijn een vijftiental Katholieken, vernemen we. De sergeant-majoor, ook een Katholiek, is een degelijke kerel. Hij verzoekt Vader om de meisjes met 't vallen van de avond binnen te houden.
    Een neger gaat juist voorbij. „Are you a catholic?" vraag ik. - „No, church of England." Ik nodig hem uit naar onze „dienst" te komen morgen. „Ik zal 't proberen," zegt hij, zijn sneeuwwitte tanden blootlachend.
    Ik neem me voor om Epistel en Evangelie in 't Engels voor te lezen tijdens de H. Mis. Ik ga op zoek naar een Engelse bijbel bij meneer Van de Velden die een ruim voorziene bibliotheek heeft, daarna bij de paters S. C. I. Tevergeefs!
blz. 39     Er blijft mij niets anders over dan de Engelse soldaten te vragen. Dat ik daar niet eerder aan dacht! Geen van de Katholieke soldaten echter heeft een bijbel of een nieuw Testament.
    Zo kom ik bij den protestantsen neger terecht die een keurig klein Nieuw Testament heeft. „Houdt u het maar als herinnering," laat hij boodschappen. En zo geschiedde het, dat ik die Zondagmorgen, na de Nederlandse voorlezing, Epistel en Evangelie voorlas uit een protestantse uitgave van het Nieuwe Testament.
    Zeg het in 's Hemelsnaam niet voort.

ZONDAG 24 SEPTEMBER.
    Hoogmis om acht uur. De organist was present en speelde voortreffelijk. De gebroeders van Lier zongen, gesteund door den organist-zanger de wisselende gezangen; onze meisjes zongen met heldere stemmen de Kyrië, Gloria, enz. afwisselend met de jongens. 't Was alles devoot en stichtend.
    Er zaten slechts vijf Engelsen, plus onze neger. De toespraak werd dus afgelast.
    Na afloop speelde de organist het mooie Engelse volkslied „God save the King" dat onze Engelse jongens schuchter zongen en de gehele bijeenkomst staande aanhoorde. Het geheel was stemmig en tot aller bevrediging verlopen. Het schiep een ware familie-geest. Als vanzelfsprekend zaten onze buitenlandse parochianen mee aan voor 't ontbijt. Het waren de agapen uit de eerste christentijden. Ongedwongen en hartelijk verliep het gesprek, want met zijn allen samen kenden we een goed mondje Engels. Onze buitenlandse gasten genoten zichtbaar van de befaamde Hollandse kaas en wij zogen met wellust aan de Engelse sigaretten.
    Na het ontbijt hijsen van de vlag, die we enige dagen geleden, op verzoek moesten wegnemen vanwege het gevaar van Duitse vliegtuigen. Nu kunnen we het weer wagen. De vaderlandsliefde dringt ons. De Engelsen staan stram in de houding in halve cirkel, als wij in grote kring om de vlag, het .Wilhelmus zingen.
    Dan schudden we de ernst af en worden kinderlijk uitgelaten: in wijden kring dansen en springen we om de Nederlandse vlag hoog in top - onze vrijheidsboom - voor het statige huis. De Engelsen staan het lachend aan te zien. „It is pleasant to see these people so happy". Het doet goed de mensen zo blij te zien. De meisjes voeren leuke dansen uit op het groene gras onder de bomen. Het gaat zo ongedwongen en zwierig. De Engelsen staan geboeid toe te zien. Jammer, dat het weer slecht is: het gaat regenen. We moeten naar binnen.
    's Middags gaan de kinderen uit, naar de stad. Het wordt rustig in huis en wij, ouderen, kunnen van die rust profiteren om ons tekort aan slaap in te halen.
    In de stad ontmoet ik daarna mijn vriend Kees Knoops, den kunstenaar. Hij woont met zijn vrouw in de Jan van Galenstraat 43 bij zijn vader in.
    „Hallo, Kees!, hoe maken jullie het met zijn drietjes?"
    „Met zijn drietjes? Weet u met hoeveel man wij op 't ogenblik in ons huisje opgepropt zitten?" -????
blz. 40     „Met 23 man. We hebben er 3 families bij. Bertha en Mientje en ook Herman Lentjes zijn met al hun kinderen bij ons gekomen; totaal uitgebrand."
    „Vreselijk!- - We zijn meteen uitgepraat. Je vindt geen woorden meer. We gaan haastig uiteen, nooit vermoedend dat deze zelfde tragische gebeurtenissen ons weer bijeen zouden brengen om de herinneringen er van vast te leggen voor ons zelf en voor anderen.
    De duisternis is intussen gevallen. Ik peddel over de buitenwegen naar Hees. De Noordelijke hemel staat in rossige gloed.
    Het drama van Arnhem speelt zich daar af, aan de verre horizon. Wat gebeurt er toch? We weten niets. We vangen slechts geruchten op. Maar die aanblik is luguber. Onophoudelijk flitst het door de duistere hemel.

MAANDAG 25 SEPTEMBER.
    Een bevlieging: op de fiets naar Gennep, Milsbeek en die kanten; eens kijken hoe de familie Sieben het maakt in Milsbeek en tante Koba in Gennep. Misschien zijn er eieren te krijgen in Milsbeek . . .
    Van Hees naar de Mookse baan is een heel eind. De weg loopt door de bossen en ligt vol Engelse en Amerikaanse soldaten met hun wagens, tenten en allerlei toebehoren. 't Is een drukte en bedrijvigheid van belang. Kinderen krioelen er doorheen, genieten zichtbaar van deze afwisseling met 't saaie, eentonige leven van naar school gaan, en altijd dezelfde mensen zien. De weg naar Mook is ook één lange file van legerwagens, motorfietsen, tanks.
    Lange rijen Amerikaanse parachutisten komen aangemarcheerd, zwaar bepakt, met doorzakkende knieën, rood, verhit gelaat, velen kauwend, sommigen fruit etend.
    De lucht boven me bromt zwaar, zit vol vliegtuigen. Als ik aan 't viaduct van Mook gekomen ben, breekt ineens het afweer los; een eigenaardig geluid: een soort zwaar getrommel en daartussen door het venijnig gerikketik van mitrailleurs.
    „Zou het op het viaduct gemunt zijn?" vraag ik een Yankee, die met een allerzakelijkst gezicht de brug bewaakt, geweer op schouder.
    „Ik denk het wel," antwoord hij kalm. "
    Ik zoek haastig dekking. Keuze is er niet; er staat slechts één huis, op tien meter afstand en het is deerlijk gehavend. Het heeft dus al een en ander opgelopen. Geen bemoedigende gedachte! Ik heb er dan ook enige benauwde ogenblikken doorgebracht, en zodra het rustig werd, maakte ik dat ik wegkwam het viaduct onder door.
    Rechts van me ligt de oprit naar het veer van de Maas, bewaakt door soldaten. Boven op de berm ligt een geweldig dood paard op zijn zij, de ingewanden puilen uit, grof en lelijk.
    „Heeft Katwijk veel geleden?- vraag ik een inwoner van Mook. - „Dat wil zeggen, verwoest niet direct, maar doorschoten huizen en zo." - „En Mook?" - „Verschrikkelijk verwoest en vernietigd en 't beetje wat je nog hebt, wordt je ontstolen," zegt hij dof en wijst op zijn schamele boeltje in de kruiwagen.
blz. 41
    Ik fiets verder en stel nu met eigen ogen vast hoezeer Mook, in zover het aan de grote weg ligt, gehavend is. Huis op huis tot puin geslagen, door bommen of granaten, of uitgebrand door brandbommen misschien, of door moedwil.
    Je moet oppassen met fietsen, de weg ligt vol afgerukte boomtakken, scherven, dakpannen, glas enz. De anders zo drukke weg, het vriendelijk-levendige dorp, is nu een troosteloos verlaten oord, waarover de vloek van de oorlog is gekomen en dat nu gevreesd en verfoeid schijnt van ieder menselijk wezen. Nu kom ik op de weg naar de Plasmolen, stil, doch vriendelijk met zijn groenbegroeide heuvel ter linkerzijde. Niets dan rust en vrede tot aan de verre gezichtseinder.
    Oorlog is dood en verwoesting; doch zie: slechts den mens en het maaksel zijner handen vermag hij te doden en te vernietigen. De grootse, majestueuze natuur staat ongerept en trots en tart den mens en zijn dolle vernielingskuren. De natuur - het landschap aan het front, blijft vrede ademen en geluk.
    Ik peddel voort in versneld rhythme. Op 't fietspad tien meter voor me uit, zit een stevige Amerikaan met een machinegeweer. Ik maak een beweging van uitwijken. „No," zegt hij, en maakt een slordig stopgebaar van ontraden met zijn grote hand. „Boches" en wijst naar de horizon. „O," informeer ik, „zitten daar nog moffen?" „Dat is de Duitse linie," zegt hij zakelijk. Ik heb het begrepen en maak rechtsomkeer.
    In Heumen zie ik de parachutisten weer, die nu rusten langs de weg, tegen de bomen geleund of languit in het gras liggend. Velen groeten me: „Good morning, Father!" Als ik de Groesbeekseweg bereik, begint het te regenen .InallerhaastfietsiknaardeTooropstraat. Ik heb geen jas aan. 't Was zo'n mooi weer vanochtend. Drijfnat kom ik aan bij de familie K., kruip bibberend bij 't fornuis in de keuken. „Blijft u bij ons eten?- - „Nou, wat graag, dan kan ik meteen fijn opdrogen."
    Ik vertel van Mook en Katwijk en de Duitse linie. 't Is vreemd en beklemmend: alle gesprekken gaan over de oorlog, waarin we nu zo onverbiddelijk van nabij betrokken zijn. Niemand kan over iets anders praten, behalve toch in Hees.
    Als ik 's avonds aankom, gevoel ik me weer achter het front. Er heerst vrolijkheid, ja, uitgelatenheid onder de kinderen. Ze amuseren zich uitstekend in het mooie park, met zijn dichtbegroeide struiken, zo bij uitnemendheid geschikt voor „entre-nous." Ze stropen naar hartelust en knabbelen harde peren van de morgen tot de avond. Er wordt ook gewerkt, gekookt, geveegd, in huis. Buiten staan groepjes jongens en meisjes aardappelen te schillen, of groenten schoon te maken. Het regelmatige, gewone leven dringt zich aan ons op en arbeid is daarvan het bezielend beginsel en he tvruchtbareelement.Vaderkondigt'savonds aan, dat enige grote jongens morgen naar Hatert zullen gaan om weer melk te halen, en dat meneer Peters zo vriendelijk zal zijn om met hen mee te gaan. Spontaan rijst deze laatste op in zijn volle lengte van wel twee meter; zijn kale hoofd glinstert in het schijnsel van de lamp. „Ik zal zo vriendelijk zijn om met de jongens mee te gaan naar Hatert," zegt hij lijzig.
blz. 42 DINSDAG 26 SEPTEMBER.
    Die dag werd de stad opnieuw opgeschrikt door 't wrede oorlogsgeweld. Er viel een bom op de Daalseweg: veel doden en gewonden. Gijs B., die met paard en kar uitging, was er getuige van. Bleek en ontdaan kwam hij thuis en wist nauwelijks een woord te uiten, behalve die term van afkeer en ontzetting „Bah!"
    Sinds die dag is hij, de sterke, grote kerel, de eertijds zo roekeloze, een bangerd geworden.
    Hij durft niet meer uitrijden, laat zijn paarden en wagens onbenut staan en begint te praten van weg te trekken met vrouw en kinderen naar buiten toe. De oude dichter Horatius zei het reeds: „de dwazen vallen van 't éne uiterste in 't andere."
    Als ik op mijn terugweg het Weeshuis aandoe, tref ik juffr. Heller. „'t Is allesbehalve rustig in de stad," zucht ze. „Hoorde u zo juist dat vreselijk lawaai?" - „Lawaai? 't Is de gehele morgen rumoerig in de lucht." - „Neen, maar zo juist was er een geweldige slag." - „Ik heb niets speciaals gehoord." - „Ik durf bijna niet alleen naar Hees," biecht ze op. - „O! gaat u dan maar met mij mee, ik ben ook te voet, en moet nu naar huis."
    We zijn nauwelijks de poort door of daar zien we gedraaf van mensen: mannen van de luchtbescherming. Er moet iets gebeurd zijn. „Wat is er??" schreeuw ik een draver achterna. - „Een bom gevallen in de Bloemerstraat!"
    Ik verander onmiddellijk van koers, loop de Parkweg op. Juffr. Heller, die me gedachtenloos enige passen vergezelt, draait ineens resoluut om: „ik ga naar huis," zegt ze.
    In een draf loop ik naar de Bloemerstraat. Een ambulancewagentje rijdt weg; een gewonde. Hij is licht gewond, verneem ik. - „Zijn er nog doden?" - „Ja, twee." - „Is er geen priester bij geweest?" - „Ja, Eerwaarde, er was onmiddellijk geestelijke hulp."
    Goddank, want ik heb de H. Olie niet bij me. Ik heb ze drie dagen geleden juist teruggebracht naar de Graafseweg. Vanmiddag zal ik ze terugvragen. 't Is te vroeg geweest. 's Avonds viel er weer een bom in de Bloemerstraat en weer werden er mensen getroffen.
    't Was helder weer en ik was met de fiets. 't Begon te schemeren. Plotseling een sliert statig stijgende rode balletjes in de lucht; achter de hoge huizen. Doffe knalletjes volgen, daarna zwaar gedreun van afweer. Goede hemel, ik sta midden op straat. Waar moet ik me bergen? Ik wil een huis binnen: deur op slot. Het geknetter in de lucht houdt aan en ik druk me angstig tegen de deur. Op een twintig meter afstand staat een wagen voor een open deur; mannen laden er brood op. Ze werken voor de voedselvoorziening. Ze staken nu even, vliegensvlug ren ik er heen, mijn fiets achterlatend. Na enige ogenblikken is het weer rustig. De mannen hervatten de arbeid en ik keer terug naar mijn fiets en maak dat ik weg kom - de stad uit.
    Heel gauw barstte het vuur weer los boven mijn hoofd. Wat 'n luguber vuurwerk! Ik moest op de grond gaan liggen.
    Als ik de Hezelpoort onderdoor rijd, komt een gevoel van veiligheid over me. Ik berg nu de gevreesde stad uit. Het gevaar is voorbij.
blz. 43 [tekening: puinhopen met op achtergrond toren (Augustijnenkerk), gesigneerd Kees Knoops]
    Even later lag ik plat ter aarde onder vreselijk geratel van machinegeweren. Zwaar ronkten de motoren in de lucht. Plotseling een angstaanjagend gesuis - ik druk me nog platter ter aarde - dan een dreunende slag - en 't is stil.
    Op enige honderden meters - of is het een kilometer misschien wel? - zie ik een grote zwarte wolk opstijgen. Daar is een bom gevallen, richting Krayenhofflaan. Ik heb niet de moed erheen te gaan, doch peddel zo hard als ik kan naar Hees.
    Ze trachten kennelijk de Waalbrug te bombarderen. De hel is losgebarsten vanavond.
    Nog tweemaal heb ik plat op de grond gelegen die avond; eenmaal was ik weggekropen onder een Engelse wagen. Als daar nou eens munitie in zit en de wagen wordt getroffen, flitst het door mijn brein!
    Ik ben weer opgekrabbeld en behouden op De Beuken aangekomen. Het bleef onrustig die avond, ook op die vredige plek, want het weer was prachtig-helder, en de moffen wisten er van te profiteren. Telkens opnieuw werden we opgeschrikt door het daverend geknal en tusschen de aanvallen door gingen we wel eens eventjes naar buiten kijken naar de azuren hemel, doorflikkerd met sterren. De maan stond onverstoord te stralen met haar zachtgouden glanzen, vredig en trouw. Maar we vonden haar verraderlijk die nacht. Voor we gaan slapen, deel ik Vader en Moeder mee, dat ik de komende dagen in de stad zal doorbrengen. Er gebeuren nog steeds ongelukken en dan is het nuttig ter plaatse te zijn. Mijn middagpotje weet ik wel te vinden. God geve dat onze stadgenoten spoedig uit deze vreselijke beproeving bevrijd mogen worden. In afwachting is het plicht ze bij te staan. 's Avonds zal ik „bijtijds" thuis zijn, dat beloof ik u.
blz. 44 WOENSDAG 27 SEPTEMBER.
    In de vroege morgen, vóór het ontbijt, half negen ongeveer, kwamen er reeds vluchtelingen aan van 't Javaplein: de familie Van Lier met twee andere families, ons niet bekend. Ze vertellen van hun angsten en zorgen in de afgelopen nacht; zitten mee aan voor het gezamelijke ontbijt.
    Met bange voorgevoelens reed ik die morgen naar de stad. Tegen tien uur kom ik op de Tooropstraat: grote consternatie! vijf bommen gevallen in de onmiddellijke omgeving, gisteravond. „U was juist weg, u moet er in geweest zijn! En waarom kwam u nu zo laat? We hebben over u ingezeten en vanmorgen met z'n allen voor u gebeden!"
    Ik neem de omgeving op: alle ruiten kapot in de Tooropstraat, de pannen van de daken, huizen vernietigd in de Fortstraat. Beneden bij de Kerk van Christus Koning, vlak vóór de pastorie, een geweldige krater. De bom is op drie meter van de pastorie terecht gekomen. Het fraaie huis ziet er erbarmelijk uit, het is eenvoudig onbewoonbaar. Vreemd dat het niet ingestort is, het moet wel zeer solied gebouwd zijn! De geestelijkheid is er uit.
    Achter op mijn fiets heb ik brood en ander proviand, een behoorlijke vracht, meegekregen uit Hees voor de familie over de grens, die, naar wij vernamen, zaten te verhongeren in de kelder. Ik zal er nu meteen heenrijden, ben spoedig terug.
    Aan de Duitse grens staan marechaussée's, gemoedelijke mannetjes. Ik leg mijn geval uit aan één van hen. „'t Zal wel goed zijn, Pater. Maar, een ogenblik: Is de wachtmeester daar?" zegt hij met verheffing van stem. Gestommel in de hoek van een overdekte ruimte en met lome passen komt een lange slungel van een kerel aangestapt. Dom, brutaal gezicht. Hij voelt zich gewichtig: voorname opdracht; vandaag voor 't eerst scherpe grensbewaking - spionnen vangen, enz. „Wat wilt u?" Ik verklaar me opnieuw. Wantrouwend kijkt hij me aan. „Heeft u papieren?" - „Ja, zeker." Ik grijp naar mijn binnenzak - leeg. O lieve hemel, daar begint de kermis. „Hoe durft u hier aan de grens te komen zonder papieren!" roept hij vertoornd.
    Er volgde een hele schermutseling, waarin hij maar beweert, dat ik wel een spion kon wezen, en ik, aangebrand, hem uitmaakte voor man van de letter, de letter, die doodt. Hij begint te stotteren - mijn God, ook dat nog! Ik kon mijn spotlust nauwelijks bedwingen. Gelukkig komt daar meneer Kulewald aangestapt en in gemoedelijk grens-Nederlands legt hij uit wie ik ben. Hij mag de proviand in ontvangst nemen - is er erg blij mee.
    Daar komt zijn oudste zoon aan, spreekt me toe met spontane hartelijkheid. We onderhouden ons ongedwongen gedurende enige ogenblikken. „Nu zul je toch wel gemerkt hebben, dat ik geen spion ben, kortzichtige stamelaar," denk ik bij mezelf. Helaas! Ik moet mee met den wachtmeester naar het gemeentehuis. Toch voor spion gehouden, voor 't eerst van mijn leven. Op 't gemeentehuis is de zaak spoedig geregeld.
    Als ik daarna de Holleweg opklim, hoor ik opeens roepen: „hè Poater!" 't Is Thee V., groentenbaas in Beek, de harde sjouwer. Hij komt op me af, in
blz. 45 zijn jekkertje. „Da ben ik," zegt hij luchtig, „en meer heb ik niet. Alles kwiet, alles." Hij kijkt ernstig. Zijn trekken spreken van veel doorstaan leed en tevens van onverzettelijke wilskracht. „Thee," zeg ik, „klaag niet, je weet hoevelen er erger aan toe zijn; jullie zijn beiden gered." - „O, nee, Poater, ik klaag niet, we beginnen opnieuw.Hij vertelt me opgewonden van zijn wedervaren, hoe ze plat gelegen hebben in de gang van hun huis, daar doodsangsten hebben uitgestaan, hoe Duitsers en Amerikanen in hun „hut", zoals ie zegt, gevochten hebben, hoe ze eindelijk uit het brandende huis moesten vluchten in allerijl, zonder dat ze ook maar een zakdoek konden redden.
    „Waar zijn jullie toen heengetrokken?" - „Naar de Ooy. En daar werden de boerderijen om ons heen in brand gestoken en moesten we kruipend vluchten onder 't granaatvuur. Vandaar trokken we in Ubbergen bij mijn zwager in, en de eerste de beste dag vloog een granaat dwars deur de hut! Nee, Poater, als iemand u vertelt, dat ie veul meegemaakt het, stuur 'm dan maar naar mien toe."
    „Hoe heeft Mieneke, je vrouw, zich gehouden?"
    „Goed, Poater, flink. Maar nou is ze kapot; als je tegen een emmer schupt, schrikt ze."
    Langs de weg staat een totaal uitgebrande Duitse tank van klein formaat. „Daar zaten twee moffen in," vertelt Thee. „We wisten dat hier acht Amerikanen verscholen zaten en dat ze een vlammenwerper bij zich hadden; om tien uur Zondagavond zagen we de Duitsche tank naar boven rijden en zeiden tot elkaar: o jee; nou zul je 't hebben. Nou u ziet 't. 't Was in een ogenblik gebeurd." We staren naar 't roestige, zwart uitgebrande stalen gevaarte en ik tracht in mijn verbeelding deze sensationele gebeurtenis te reconstrueren. Ik moet er van huiveren. Foei! wat een oorlogvoering - met vuurspuwers op mensen af te gaan!
    „Kijk," zegt Thee, de tank van boven inkijkend, „hier ziet u nog een mof." Ongelovig bezie ik een kleine zwarte gedaante, in zittende houding. Er is geen hoofd, 't geval is belachelijk klein, een soort pop, totaal verkoold. „Zou dat een mens geweest zijn, denk je?" - „Zeker, Poater, kijkt u maar hier." Nu zie ik midden in 't zwart iets vleeskleurigs, nog iets van de beenderen. „Ja, dit is een mens geweest. God hebbe zijn ziel."
    Als ik 's middags naar Ubbergen ga, waar Mieneke is, tref ik haar dweilend aan. Ze is welgemoed en opgeruimd, zoals altijd. „Ik werk maar zo hard als ik kan," zegt ze, „dat is de beste afleiding. Maar ik vertel u, dat het niet meevalt; dat je zelfs een zakdoek moet vragen. Ik hielp liever acht mensen, dan dat ik zelf nu de hand moet ophouden." - „Hoe is 't met Thee?" - „O, die heeft zich reusachtig flink gehouden, pater, maar nou is ie kapot!"
    Nu de avond gaat vallen, wordt 't erg druk in de lucht. Op 't pad van de Holleweg, naar de Berg en Dalseweg, moet ik overhaast in een zandkuil gaan liggen, want het afweergeschut gaat vreselijk te keer.

DONDERDAG 28 SEPTEMBER.
    De nacht is rustig geweest. God zij dank. De stad herademt. Zouden we het nu toch gehad hebben? Zie wel: als de nood het hoogst is, is Gods hulp nabij.
blz. 46     Ik ben al om negen uur in de stad en ga nu den pastoor van de Christus Koning Kerk opzoeken. De geestelijkheid zit in de publieke schuilkelder bij de koloniale kazerne.
    Als ik er na veel zoeken binnenkom, hoor ik uitroepen van blijdschap: „zo pater, aardig dat u ons in onze ballingschap komt opzoeken." Ik moet even wennen aan de duisternis van die kelder, een lange, gewelfde gang. De mensen zitten aan weerskanten op banken. Ze maken plaats. Ik zie kennissen; dames zitten te breien. „We zitten hier al vanaf eergisteravond," vertelt de pastoor, „en komen er niet uit. We moeten eerst over onze schrik heen."
    Als ik het terrein van de kazerne verlaat, word ik geroepen bij de pastorie. Ik moet een Engelsman te woord staan, een officier van de militaire politie. Ze wensen inkwartiering in de gehavende pastorie. „Met opzet nemen we onbewoonde huizen, om geen mensen uit hun woningen te zetten," legt hij uit. „Very good". De pastoor wordt geroepen. Hij is zenuwachtig. We gaan aan het regelen en aan het versjouwen. „Nooit gedacht, hè pater, dat u mij zo nog assistentie zoudt verlenen?" - „Neen, Pastoor - zo niet."
    's Middags wip ik bij de familie Hartman op de Postweg aan. Alles wel: allemaal goed gezond, en het huis heeft nog niets geleden. Maar o, wat hebben ze het benauwd gehad. De granaten fluiten akelig over die vlakte en ploffen neer in de onmiddellijke omgeving. Ieder ogenblik dreigt het bij hen in te slaan. Ze zijn niettemin vast besloten te blijven. God zegene jullie.
    Als ik die avond de stad uitrijd, is het weer met bange voorgevoelens. De lucht is strak-blauw, de maan komt op. 't Weer is uitermate gunstig voor de Duitse vliegers.
    Het is een vreselijke avond geworden. We zaten knusjes om de kachel in ons buitenverblijf te Hees, doch werden ieder ogenblik opgeschrikt door het roffelende afweergeschut, waarvan de ruiten rinkelden. Tegen half één werd het rustig en gingen we naar bed. Nu begon het zware Engelse geschut. Van slapen geen sprake.

VRIJDAG 29 SEPTEMBER.
    Weer is de stad zwaar beproefd geworden. Te voet ga ik over de Groesbeekseweg. Grote ophoping van mensen bij de Guyotstraat. Daar is een bom terecht gekomen en heeft grote ravage aangericht. Veel erger is het nog in de Van Heutzstraat. Een geweldige krater midden in de straat. Enige huizen vlak tegenover zijn ingestort als kaartenhuisjes. Het voorste gedeelte althans. Nu kijk je tegen een stuk achterkamer. Daar hangt nog een plaat van 't H. Hart.
    Aan de andere kant een hele rij huizen uitgebrand. Brandbommen misschien? Heel de wijk toont de sporen van verwoesting: overal de ruiten kapot en de ramen van de daken. Er heerst bedrijvigheid, maar geen prettige, opwekkende drukte. De brandweer blust de nog rokende puinhopen, mensen redden nog wat hier en daar, met bedrukte gezichten.
    Ik ga verder: meer dan de vorige dagen trekken nu de mensen weg met een beetje beddegoed, anders niets. Ze willen het onheil vluchten, ze steken elkaar aan; het wordt een paniek.
blz. 47     Bij de familie Koot wordt nu ook gesproken van vertrekken. Er is geen tegenhouden meer aan, trouwens ze moeten het zelf weten. Er zijn ook bommen gevallen op de Huyghensweg, dat is niet ver. Twee prachtige villa's zijn totaal uitgebrand. Het oorlogsmonster keert terug, vraatzuchtiger dan ooit. Wie zal hij sparen?
    Ik moet naar den deken om te vragen of wij Octobermaand mogen houden in onze kapel te Hees en daar het Allerheiligste mogen bewaren. Zijn Eerwaarde is zeer onder de indruk. Van acht uur tot half elf hebben ze in de kelder gezeten en onafgebroken spookte het in de lucht. „Een vreselijke toestand," zucht hij.
    Als ik met mijn verzoek voor de dag kom, knikt hij dadelijk aanmoedigend: „houdt u maar Octobermaand," zegt hij, „en laat ze toch goed bidden. Het komt allemaal in orde. Maria zal uitkomst geven."
    's Middags trekt de familie Koot weg. Een wagen vol kinderen en enkele groten. Dan nog een wagen met beddegoed, afgedekt met een stevig zeil.
    Bij Hartman volharden ze in hun kloekmoedig besluit om te blijven. Het kost hun zichtbare moeite. „Kunt u ons niet de generale absolutie geven?" vraagt Antoon. „Natuurlijk. Heb ik jullie die nog niet gegeven? Wat een nalatigheid! Ze knielen neer en bidden gezamenlijk hun oefening van berouw. Eerbiedig slaan ze een kruis als ik de woorden der absolutie uitspreek en gesterkt gaan ze de nacht tegemoet.
    In Hees is het rustig die avond. 't Klinkt ongelofelijk, maar die avond is er opgewekt en lustig gezongen in ons buitenverblijf. Oom Theo leerde onze kinderen liedjes „van een meisje, dat naar Scheveningen ging, Sangejo" en van „ain boer wol noar zien noabertou, hai boer tou." Wat een onbetaalbare zangleraar, die oom Theo! Wij groten, wij hebben zitten genieten, en voelden ons hart verruimen. Kommer en zorg vielen als bij toverslag van ons af.
    Een avond van vrede, temidden van het krijgsrumoer. 't Bleef rustig en we konden om elf uur gaan slapen. Voor 't eerst hadden we een waarlijk rustige nacht.

ZATERDAG 30 SEPTEMBER.
    Een rustige dag: we bereiden ons voor op de viering van de Octobermaand. 's Morgens ga ik op zoek naar een tabernakel, klop tevergeefs aan bij pastoor Gudde, bij deken v. d. Heijden.
    Als ik terugkom op 't Weeshuis, heeft de Meester-koster reeds zijn vandalenhand geslagen aan een zijaltaar uit de voormalige Franciscuskerk, en er het tabernakel afgerukt. Om hem te verontschuldigen, moet ik me het woord van de H. Schrift te binnen roepen: „zelus domus tuae comedit me - de ijver van Uw huis heeft me verteerd". Heel de middag wordt er in Hees gewerkt: gedweild, gepoetst, getimmerd. De reputatie van onzen koster groeit. Met ontzag wordt zijn naam gefluisterd onder kinderen en groten.
    We zijn allen, zonder uitzondering, opgetogen over de schone kapel. Om acht uur zal het openingslof plaats hebben. Om 7.30 uur haal ik Ons Heer bij de Paters en aan onze deur staat Vader, hoofd van het gezin, en Tony, de misdienaar, beiden met een brandende kaars om onzen goddelijken Gast in te
blz. 48 halen. Een indrukwekkend moment. Aan tafel zegt Vader een woordje over het voorrecht dat O. L. Heer bij ons inwoont en verzoekt de kinderen om eerbiedig te zijn, niet alleen in de kapel, doch ook in de omgeving - de 1ste verdieping.

MAANDAG 2 OCTOBER.
    H. H. Engelbewaarders. Een feest dat indruk maakt, vooral in deze benarde, gevaarlijke tijden. Ik zeg er een klein woordje over tijdens de H. Mis. Het is doodstil in onze kleine kapel.
    Het is prachtig na-zomerweer. Het zonnelicht is puur goud. De bladeren krijgen hun zachte najaarstinten. Feeëriek staan onze beuken daar te prijken voor ons huis. 't Lijkt nu een slot uit het sprookje, betoverend schoon.
    's Middags ga ik naar de stad. Bakker Dorus Koot is op zijn post gebleven. Hij slaapt ook thuis. „Er zal vermeld worden," zegt hij trots, „dat bakker Koot met zijn beide knechts op hun post bleven en bakten voor de noodlijdende mensheid." Zeker, Dorus, het moet en zal vermeld worden, al is het maar in dit bescheiden geschrift.
    Bij Hartman hebben ze een vreselijke nacht gehad. De moffen zijn 'snachts tot dichtbij genaderd met hun mortieren en zijn toen aan het schieten gegaan. De granaten ontploften overal in het rond. „Overdag kunnen we heel goed de afweer van de moffen zien. 't Is haast niet meer uit te houden, hier," zegt Ria, Ik heb met hen te doen. Ze liggen zo buiten af en zo eenzaam. Zou 't nu nooit rustig worden? - Deze avond in elk geval niet.
    't Spookte geweldig, ook in Hees. Onder 't lof leek het of een onzichtbare hand in razernij telkens op de ramen beukte. Ieder ogenblik bulderde het afweergeschut en ploften de rode balletjes in de lucht uiteen.
    Na het lof stonden de soldaten in de hal. Ze waren naar binnen gevlucht. 't Zag er ernstig uit. Na het eten wordt er van boven geroepen: „brand in de stad." We gaan kijken: 't is erger dan dat: er gloeien twee branden - zeer wijd vaneen. In de eerste staat de zwarte silhouet van de St. Jozefkerk. Waar zou 't toch zijn? We worden het maar niet eens.

DINSDAG 3 OCTOBER
    Een zeer onrustige nacht hebben we doorgemaakt. Het gebulder der kanonnen was niet van de lucht; om één uur een vreselijk dreunende slag: een bom, dacht ik.
    IJverig zit ik die morgen te werken aan mijn dagboek - mijn indrukken vast te leggen. De brand van de vorige avond is al vergeten - tot Oom Theo ineens binnenkomt om half twaalf met het sensationele bericht: de kapokfabriek in de De Ruyterstraat is afgebrand. Een massa mensen zit opgesloten in de schuilkelder.
    Ongemerkt verdwijn ik op de fiets. Geweldige drukte in het getroffen gedeelte. De straat is afgezet; ik mag er door, doch als ik verneem, dat er geestelijke hulp aanwezig is, dat de Paters Jezuïeten er reeds vannacht bij waren, bedwing ik mijn nieuwsgierigheid en ga weer terug naar Hees.
blz. 49     Men vertelt me, dat de N.S.B.-ers onder bewaking het puin moeten ruimen, en dat er enkele tientallen slachtoffers levend uitgehaald zijn geworden. Men vreest voor honderden doden. Wat wordt Nijmegen toch zwaar beproefd.
    Ik loop terug door de Jan van Galenstraat. Even aanwippen bij Kees Knoops in zijn huis vol vluchtelingen.
    't Is opvallend stil in die straat. Veel ruiten zijn stuk; pannen zijn van de daken geslingerd. Wat is hier gebeurd? Ik bel aan op 43. Niemand thuis. In de buurt verneem ik, dat ze naar Alverna gevlucht zijn, met zijn allen. Er is een bom gevallen in de nabijheid, de vorige nacht.
    's Avonds komt Vader terug uit de stad met het opzienbarend nieuws dat er besloten is om het Weeshuis op de Doddendaal in beslag te nemen. Er zal een, noodziekenhuis worden ingericht.

WOENSDAG 4 OCTOBER.
    Uitvaart Mr. Mastboom.
    Mr. Broekman komt op bezoek; hij deelt ons mede, dat we misschien de keuze hebben tussen Hees en Doddendaal - dat één der beide huizen als noodziekenhuis zal worden gebruikt. Vader moet om twee uur naar Dr. Hoefnagels zijn keuze bekend maken. Bange voorgevoelens bederven de stemming.
    's Avonds komt Vader terug. De heren hebben gekozen: Hees natuurlijk. Wij moeten terug naar de stad. Vreselijke consternatie. Moeder voelt het aan als een terdoodveroordeling. Naar de stad gaan, waar het granaten regent. Brrr! Kom, Moeder, dat zal wel meevallen. En laten we de grote voordelen zien van de terugkeer naar huis! We zijn hier toch eigenlijk bannelingen.
    Er volgt bedrijvigheid van inpakken, want de volgende ochtend om acht uur zal de wagen voorkomen om onze spullen te halen.
    Boven op zolder worden weer branden waargenomen. We staan te kijken zonder dat we kunnen vaststellen waar het is. Plotseling uit de richting van de stad het akelig gefluit. Keer op keer herhaalt het zich, gevolgd door een krakende inslag. Dat is vlak in de buurt. Het moeten Duitse granaten zijn. Zullen we eens naar buiten gaan? Als we echter de voordeur openen, huilen de granaten zo vervaarlijk, dat we onmiddellijk terugtrekken en besluiten door de kelder het gewone contact met de militairen te zoeken. Tevergeefs. We hebben nauwelijks onze hoofden buiten de opening, of het giert - en de luchtstroom werpt ons terug. Alarm in huis. Alles komt naar de kelder.
    Na een half uur wordt het weer rustig. Voor hoe lang? Er is Goddank geen paniekstemming. Ze zijn zich niet bewust van 't acuut gevaar en gaan gewoon slapen. Mijn instinct zegt me, dat we de gevaarlijkste nacht meemaken tot nu toe. Ik waarschuw Vader; samen luisteren we naar het lugubere fluiten in de nacht en de holle slagen die er op volgen..'t Begint te regenen - een eentonig getokkel van druppels op de bladeren. We staan aan de deur. Het wordt huiverig koud. De vochtige lucht dringt door tot in merg en been. Ik krijg koude voeten. Dan loop ik weer even naar binnen en breng rapport uit aan Moeder, die bezorgd binnen in de gang op een stoel zit en Mevr. v. Dam, die zich uitgestrekt heeft op een lange stoel. Iedere paar minuten giert het door de lucht. Vader
index vorige     volgende
Reactiepagina

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: