dodenbier - licht in donkere dagen
blz. 3 LICHT IN DONKERE DAGEN
Dagboek van een Priester tijdens de oorlogsmaanden te Nijmegen
B. DODENBIER S.M.A.
BANDONTWERP EN ILLUSTRATIES KEES KNOOPS
blz. 4 DRUKKERIJ GEBR. JANSSEN, NIJMEGEN . 1946
blz. 5 WOORD VOORAF
    Deze krabbels, ontstaan onder de druk van zeer bewogen en interessante dagen, waren aanvankelijk slechts bestemd voor intieme kring. Op aandringen echter van veel vrienden, ben ik, na weglating van wat buitenstaanders niet kon boeien, er toe overgegaan om stad- en landgenoten deze bladzijden voor te leggen, hopend dat ook zij er enige vreugde aan mogen beleven.
De Schrijver.
blz. 6
blz. 7 ZONDAG 17 SEPTEMBER.
    Ons triduum was geëindigd. In alle parochies van de stad was gedurende de afgelopen week lof gehouden en gebeden voor de bijzondere intentie: „Dat onze stad gespaard moge blijven van oorlogsgeweld, hongersnood en verdere rampen."
    Zelf had ik kunnen constateren hoe massaal de opkomst was, 's morgens en 's avonds. In de Christus-Koning-Kerk, waar ik 's morgens de heilige Mis las, werd mij herhaaldelijk gevraagd om te helpen met communie uitreiken.
    Zaterdagavond 16 September, vooravond van de historische Zondag, deed ik er het Lof. De grote kerk was gevuld met gelovigen. Honderden blikken richtten zich vol smeking naar het Allerheiligste, dat ik zegenend boven hun hoofden hield. „Parce Domine, parce populo tuo."
    De spanning onder de mensen was ondragelijk de laatste dagen. Iedere morgen opnieuw werd de bevolking opgeschrikt en in opschudding gebracht door plakkaten, die bevelen inhielden - ingegeven door walgelijke willekeur en bruut machtsmisbruik. Alle gereedschappen moesten ingeleverd worden door de burgers. Mannen werden opgeroepen om te gaan werken - weigerden aanvankelijk zo goed als allemaal - dreigementen volgden - en daarna het brute geweld: arrestatie van vrouwen en kinderen - inbeslagname van goederen. Mannen werden op straat opgepikt. Niemand liep meer veilig in de stad. Zelfs vrouwen en meisjes werden voor den vijand tewerk gesteld. Binnen blijven was de boodschap.
    Het hoogtepunt van de spanning werd die Zaterdag bereikt. Een kort venijnig berichtje in de krant: degenen, die op straat slenterend, lanterfantend werden aangetroffen, zouden worden opgepikt en naar Duitschland gevoerd, om daar tewerk te worden gesteld. Zoals gewoonlijk werd deze terreurdaad reeds uitgevoerd voor de verordening bekend was gemaakt. Veel SS-boeven waren vers uit Duitsland gearriveerd en de bloedhonden van de Grüne Polizei doorsnuffelden de stad.
    Sinds weken was het onmogelijk te gaan fietsen. Op de meest brutale en willekeurige wijze werden paarden, wagens, fietsen enz. afgenomen van voorbijgangers. De laatste dagen waagde ik het tegen een uur of vier uit te gaan als tewerkstelling practisch niet meer mogelijk was. Ook dit werd nu gevaarlijk. Nu moest er iets gebeuren - nu is het ogenblik gekomen voor de geallieerden om in te grijpen - heb ik bij mezelf toen gedacht. Men durfde nauwelijks denken aan de week die komen ging, als de dreigementen, de maatregelen van de
blz. 8 tyrannen gingen uitgevoerd worden en onze mannen voor het geweld zuchtend, stellingen zouden gaan graven, van waaruit de vijand onze, eigen jongens zou beschieten.
    't Was iedere dag stiller geworden in de straten van onze levendige, bedrijvige stad. De Zondagmorgen was meer dan stil, doods, uitgestorven. Er lag een dreigend protest in die stilte van pleinen en straten - een protest van onze mannen, die weigerden te werken voor den vijand. Men vreesde n.l. dat gestapo aan de uitgangen van de kerken zouden staan om onze mannen daar op te vangen. Sommige kerken hadden een zeer vroege H. Mis voor degenen, die om welke reden ook, vroeg wilden mishoren. Er was in de stad gedispenseerd voor mannen. Zo kwam het verzoek tot mij om op het Weeshuis te lezen.
    Begin September toen de invasie in Nederland dreigde, was ik uit Zuid-Limburg vertrokken om de moeilijke oorlogsdagen door te brengen op het Weeshuis te midden dergenen, die mij, oud-wees, onder de vacantie immer zo hartelijk ontvingen. Mijn komst was met vreugde begroet. Het betekende morele, geestelijke steun in de komende dagen, die iedereen als moeilijk voorzag.
    Bovendien was de familie nu „compleet". Onze keukenjuffrouw Mej. Boermans was n.l. ook juist uit het ziekenhuis teruggekeerd, na zes maanden met haar verwondingen van het bombardement van 22 Februari l.l. aldaar gelegen te hebben. Ze droeg de linkerarm nog in het verband.
    Er is nooit een kapel geweest op het Katholieke Weeshuis, de inwoners gaan naar de Parochiekerk.
    Om dus de H. Mis te mogen lezen op het Huis, moest ik naar deken Van der Heijden om toestemming. Z. Eerwaarde gaf deze gaarne om de grotere weesjongens, voor wie het gevaarlijk was buiten te komen, op die wijze in de gelegenheid te stellen, de H. Mis op Zondag bij te wonen.
    Echter mocht dit, het ware motief, niet bekend worden. Want ook daar, op het Katholieke Weeshuis, loerde verraad helaas. Verschillende kinderen n.l. kwamen op de Zondagen, dat ze uit mochten gaan, bij N.S.B.-families, hadden grote broers of zusters, ooms of opoes, die om het minste kwamen dreigen met Ortskommandant.
    Er werd geroddeld op ongelooflijk-kleingeestige wijze, klachten over vermeende onrechtvaardigheid in de voedselverdeling gingen naar de bezettende overheid. Er werden feitjes overgebracht, zo onbenullig, dat geen verstandig mens daar verder op in zou zijn gegaan. Commissaris Van Dijk deed dit echter wel, en bracht het bestuur in groot gevaar. De verantwoordelijke personen: Directeur en Directrice of beter bekend als Vader en Moeder, hebben zeer moeilijke jaren achter de rug. Ze konden niets zeggen, bespionneerd als zij werden dag en nacht, moesten zwijgen waar hun Vaderlandsliefde, of hun opvoederstaak hen drong tot spreken. Om erger te voorkomen zijn ze op hun post gebleven, hoe vaak hun ook de lust bekroop om weg te lopen. In opgekropte woede en vertrouwen op de toekomst hebben zij alles verduurd en geslikt vier lange jaren. Ze waren machteloze getuigen, toen drie minderjarige jongens zich gingen melden voor de verfoeilijke Waffen-SS en de Kriegsmarine.
    Dit jaar was de nood het hoogst gestegen.
blz. 9     De „nieuwe orde" had haar intrede gedaan in het hoofdbestuur. Toen Mr. Mastboom, de voorzitter van het college van tien Regenten, dat de instelling der beide Weeshuizen (Katholiek en Protestant) bestiert, einde 1942 aftrad, werd hij niet herkozen zoals gebruikelijk was, doch de verradersburgemeester van Nijmegen benoemde eenvoudig in zijn plaats een man naar zijn beeld en gelijkenis, den beruchten N.S.B.-er Tesser. Zijn naam is intussen uitgewist van het bord in de gang, waarop hij in gouden letters prijkte en steeds onze ergernis opwekte. De herinnering aan dezen verrader verdwijne voor altijd uit ons geheugen.
    Intussen was en bleef voorzichtigheid tot het uiterste geboden. Zo kwamen we dan op de gedachte een triduum te houden tot de intentie waarvoor alle parochies in de stad gebedsactie hielden, en de H.Mis van die Zondag zou de sluiting van dit triduum betekenen. De grote zaal van de Meisjesafdeling, naaikamer geheten, werd door vele nijvere handen omgetoverd in een mooie devote Kapel. Om acht uur precies begon de H. Mis.
    We leven in een tragische tijd . . .; de wereld staat in brand . . . aldus sprak ik na het evangelie onze huisgenoten toe. Niemand heeft die woorden in hun volle zwaarte genomen - ook de spreker niet.
    Hoe konden we weten wat ons boven het hoofd hing, die zelfde dag? Hoe vermoeden, dat de brand in letterlijke en figuurlijke zin zo nabij was?
    De sluiting van het Triduum verliep ernstig en plechtig.
    We hadden een gevoel van voldaanheid toen we die morgen in de voorkamer gezellig bijeen zaten. Ziezo - zegt Moeder opgewekt - het is half elf, aanstonds krijgen we een kopje koffie. Ik heb er echt trek in.
    10.40. Brutaal loeit de sirene door de Zondagmorgenstilte. Als door een bij gestoken veert moeder op uit haar stoel - de koffie vergetend voor de kelder. Vader en ik rijzen langzaam, bedaard, mannelijk beheerst op om te gaan kijken buiten, naar de reden van dit vroege alarm. Al spoedig dagen de formaties zware bommenwerpers op uit diezelfde Westelijke hoek, waar ze de laatste week bijna dagelijks opdoemden, met hun dreigend zwaar gebrom, statig voortdrijvend ondanks het ratelend, licht en zwaar-huilende afweergeschut, dat hen niet te deren scheen. Dagen lang hadden we die hel van beschieting doorleefd en geen enkele maal had iemand een vliegtuig zien neerhalen. Ook deze morgen stonden Vader en ik te genieten van het tartende, het speels-uitdagende schouwspel der zwaarronkende bommenwerpers, waaronder de zwarte wolkjes van het afweer onschuldig uiteen dreven. 't Waren formaties van zes deze keer.
    Plotseling een grote, witte rooksliert in Zuidelijke richting, hoog in de lucht.
    Een brandend vliegtuig? 't Is niet waarschijnlijk. 't Is te wit. Bovendien is er geen beweging in te bespeuren.
    Kort daarna weer een rookkolom in de lucht, in dezelfde richting. Deze is gedeeltelijk zwart, dit kon wel een brandend vliegtuig zijn. We constateren het met leedwezen, die moffen halen dus toch vliegtuigen neer met hun zware kanonnen.
    Het ronken der vliegtuigen blijft aanhouden. Nu komt het van Noord-Oostelijke kant - we gaan naar de achterdeur en kijken de strakblauwe lucht in.
    De formaties zijn duidelijk zichtbaar - zes - zes - weer zes. Komen ze
blz. 10 terug uit Duitsland? Scherp staan we te turen. Daar gaat een witte streep uit een der formaties. 't Fijne kopje beweegt zich eerst zijwaarts naar 't Noorden, buigt zich in sierlijke boog benedenwaarts, en stort zich dan, in steeds razender snelheid in het luchtruim. Als de witte sliert halverwege is, breekt plotseling een donderend geraas los, een oorverdovend geratel, als stortte zich een zware trein in de afgrond. Daarna een dreunende slag.
    Een neerstortend vliegtuig is onze conclusie. Dus die moffen weten toch te raken. Teleurstellend maar waar.
    Intussen buldert het zware geschut door. Verdraaid! Weer een witte streep - het kopje boort in ontzaggelijke snelheid door de blauwe lucht naar beneden. Weer breekt de hel los, onheilspellend weerkaatst het geroffel tussen de gebouwen der heuvelenstad.
    Die smerige moffen, sissen we woedend - ze hebben bepaald een nieuw succesvol afweer, die witte strepen van straks waren natuurlijk ook aangeschoten vliegtuigen. Dus 4 vliegtuigen neergehaald in nauwelijks 20 minuten. Wat een vervloekt succes!
    Plotseling breekt de hel los vlak boven onze hoofden, vreselijker dan zo juist, een geratel en geknetter, vermengd met zwaar donderend geluid, - waaraan geen einde schijnt te willen komen. Vader rent weg naar de kelder; ook mij grijpt de panische angst aan; je hebt een gevoel of de wereld vergaat, of alles ineenstort, of we alleen gaan bedolven worden onder de puinhopen - of er geen ontkomen meer mogelijk is aan het satanische geweld dat losbarst in de lucht.
    Ik blijf staan, krimp ineen - vastgedrukt tegen de dikke gangmuur - wachtend op de dreunende slag. De muren storten niet ineen; er breekt ook geen brand uit om mij heen. Er gebeurt niets - er volgt stilte - doch niet lang. Een nieuwe losbarsting, weer 'n zwaar gevaarte dat uit de hoogte daverend op ons neer gaat komen. De dreunende slag die volgt werkt als een bevrijding. We zijn niet getroffen deze keer. Een korte herademing. Doch onmiddellijk daarna de beklemmende vraag: wat gaat er nog volgen?
    Er volgt niets. Het wordt stil, tenminste wat we stil noemen; slechts geronk van vliegtuigen en matig afweergeschut. Vader daagt weer op uit de kelder; hoe was 't daar beneden in de schuilkelder, vraag ik? Verschrikkelijk, zegt hij, en de uitdrukking van zijn gelaat is welsprekender nog dan de tragische ernst van zijn stem.
    Men blijft in de kelder; Vader en ik worden weer moedig; we trekken er op uit ter observatie. Boven op het trappenhuis staat een luik open, vanwaar men een prachtig gezicht heeft op de benedenstad, de spoorbrug en de Weurtse kant.
    Kom eens kijken, roept Vader verschrikt, een geweldige brand, die ontzaggelijke zwarte rookkolom, dat is de centrale - neen toch niet - dat is de Nyma - de zijdefabriek. En de centrale is die ook getroffen? Kijk daar komt toch ook rook uit.
    Ja, maar, dat is een witte rook, dat lijkt me geen brandrook.
    Maar zei u me niet, dat er geen licht meer was in de kelder? Hoe kan dat, als de centrale niet getroffen is? Zo praten en gissen we nog wat, starend naar de zwarte slierten rook in de verte, waar de rode vlammen fel doorheen laaien.
blz. 11     Een helm duikt op, beneden ons op de plaats.
    Een jong gezichtje; Kobi de Bruin, ontdaan, bleek, schreeuwt naar boven: de schuilkelder van de Nyma is getroffen - er zijn honderden slachtoffers.
    Hij is van de luchtbescherming - komt van de plaats van de ramp; 't moet dus wel waar zijn - verschrikkelijk.
    Ik moet er heen, zeg ik tegen Vader, en storm de trappen af -; mijn fiets staat gereed buiten.
    Op de Doddendaal roept Vader me nog na: Heeft u de H. Olie? - Neen, ik ga ze halen. Ik bel aan bij den koster. Niet thuis - ik rijd naar de noodkerk, bel aan: Heeft u de H. Olie hier? Neen, die is op de pastorie - op de Kronenburgersingel.
    Een salvo knettert door de lucht. Mitrailleurvuur uit vliegmachines. Schuilt u even, pater. Ik wacht een ogenblikje, want het is hoogst gevaarlijk op straat in die regen van kogels. Ik besluit maar recht naar de plaats van de ramp te gaan, zonder omweg naar de pastorie. De weg is gemakkelijk te vinden. Als ik de Hezelpoort door ben, doemt de zwarte walmende massa voor me op. Een schuine binnenweg leidt recht er naar toe.
    Een luchtbeschermingsmannetje rijdt met me op. We zien bedrijvigheid om de grote gebouwen. Er wordt gerend, met auto's gereden. Ik nader de plaats, stap af - een verpleegster komt op me af. „Wilt u even komen, Eerwaarde, hier zijn 3 doden, die naar het ziekenhuis vervoerd worden." Ik laat mijn fiets onbewaakt staan tegen een hek. - Mijn zorg!
    Een grote vrachtwagen, waarop een geweldig pak van zeildoek, een vage vorm van menselijke lichamen. De zuster roept den chauffeur toe even te wachten.
    Ik klim op de wagen, en zeer onder de indruk, sla ik een kruis: si vos estis vivi, Ego vos absolvo ab omnibus peccatis vestris in nomine Patris et Filii, et Spiritus Sancti. Amen. Indien gij leeft, ontsla ik u van al uw zonden in de naam van den Vader en den Zoon en den H. Geest. Amen. De wagen rijdt weg naar de stad.
    Ik sta met een werkman te praten over de ramp. Die goeie Willem Jansen, zegt hij meewarig, op slag dood. Wat een geluk dat het Zondag is en er niet gewerkt wordt. Anders waren er honderden doden te betreuren geweest.
    De man wordt weggeroepen, er worden vrijwilligers gevraagd om de ingestorte schuilkelders uit te graven. Misschien is er iemand onder het puin bedolven. Een klein groepje werklieden met schoppen gewapend gaat heen, en ik volg ze, want er is misschien geestelijke hulp nodig.
    Het valt niet mee bij de kelders te komen. We passeren angstig dicht de brandende loodsen. Een brandweerman levert een spannende strijd met het vuur. Met zijn dikke waterslang gewapend gaat hij de vijand te lijf - steeds echter op zijn hoede, met plotselinge sprongen terugdeinzend, telkens als een vlam verraderlijk op hem toeschiet. Het vuur loeit en knettert en vette zwarte vlammen rollen over de grond. Allemaal olievoorraden, hoor ik zeggen.
    Was dat een torpedobom, of een brandbom? Neen, het zijn racketbommen, die de Engelsen hebben afgeschoten. Er zijn er twee op de fabriek neergekomen.
    Nu gaat me een licht op. Die witte strepen in de blauwe lucht en dat donderend geraas waren dus geen neerstortende vliegtuigen, maar nauwkeurig
blz. 12 gerichte, uit vliegtuigen afgeschoten bommen. 't Is een geruststellend feit te midden van deze ontzettende ramp. Ook hier is oorlogsindustrie getroffen - en goed getroffen. We gaan voort langs het water. Daar op de Waal, verneem ik, zat een man in een boot te vissen. Hij werd geraakt, een been er af, dood. We gaan voort, komen aan de schuilkelder. Het is die naam niet waard, dat armzalig gevalletje, die loopgraaf in het mulle zand, overdekt met cementen platen. Geen wonder, dat hij op twee plaatsen ineengestort is. Er wordt gegraven, het is spoedig vastgesteld: er ligt niemand onder het zand bedolven. Goddank!
    Als ik op mijn fiets spring en de binnenweg wil nemen, word ik tegengehouden. Hoogstgevaarlijk! Er ligt een nog onontplofte bom, een tijdbom langs die kant. Ik rijd om en als ik thuis arriveer, is het rustig geworden. De familie zit aan de koffie, enigszins bekomen van de schrik en luistert naar het verhaal van mijn wedervaren. We praten gewoon aan dit late koffieuur, overtuigd als we zijn, dat het gedaan is voor vandaag. Niemand vermoedt maar in het minst dat er iets bijzonders gebeurd is. Een gewoon bombardement van enige fabrieken. Dat wordt anders als we ineens opgeschrikt worden door hels lawaai in de lucht. Vliegtuigen ronken zwaar boven de huizen, het afweergeschut davert, ratelende mitrailleurs en hevige zware knallen. Dit is nog erger dan straks. Er komt nauwelijks een rustpauze tussen. Vooral die zware ontploffingen zijn vreselijk beangstigend. Alles zit weer veilig(?) in de kelder. Deze keer ben ik er ook in afgedaald.
    Drie uur eten. Wonderlijk, dat het nog klaar gekomen is. En wat smaakt het heerlijk! Honger is de beste toespijs. Maar nu is het zaak om rustig te tafelen. Moeder krijgt het natuurlijk niet klaar. In een voor haar ongewoon tempo heeft ze de soep verorberd. Ze is gelijk met ons klaar. Dan nadert het geronk van vliegtuigen. Haar gezicht betrekt. Ze kijkt Vader en mij aan: twee rustige, strakke gezichten. Ze gaat de kring rond, zoekt steun bij de dames; ook daar vastberadenheid te blijven dooreten. Geprikkeld staat ze op, maakt enige convulsieve bewegingen, steeds maar herhalend: Ik houd het hier niet uit, ik ga naar de kelder. Onverstoord gaan we door ons te verzadigen. Gaat u dan naar de kelder en neem uw bord mee, dring ik aan. Gaat u mee juffrouw Boermans? De goede juffr. Boermans neemt haar bord met aardappelen en groenten en gelaten gaat ze Moeder voor naar de diepte. We eten rustig verder, terwijl de vliegtuigen brommen boven onze hoofden en de salvo's van het afweer razen door de lucht. De eetlust is geweldig. Na een ogenblik daal ik ter inspectie in de kelder af. Ook daar wordt de angst overwonnen door de honger. Nog een bordje Moeder? Ja, astublieft, een behoorlijke portie. En u juffr. Boermans? Eén aardappel Pater. Beiden zien hun verlangen vervuld. Mej. Boermans krijgt één aardappel, zó groot, dat ze er haast niet overheen kan kijken. Vader dient zijn vrouw een portie toe, waarin heel de gulle hartelijkheid ligt uitgedrukt van een waren echtgenoot tegenover een inniggeliefde vrouw.
    Met onderbrekingen hebben luchtgevechten plaats. Tegen vijf uur wordt het rustig.
    We wagen ons buiten. Lopen de tuin wat rond. De poort gaat open, we kijken de Doddendaal af. Groepjes mensen, druk pratend, zenuwachtig geloop
blz. 13 van den een naar den ander. We komen naderbij; „hebt u het grote nieuws gehoord?"
    „Wat bedoelt u?"
    „Er zijn parachutisten gedaald in Groesbeek, Malden, Bergharen, rondom Nijmegen. De Duitsers trekken in massa de stad uit."
    Ze wijzen ons op enkele groepen Duitse soldaten, die inderdaad trekken, sommigen te voet, anderen per auto. Wat zegt het eigenlijk? We hebben geleerd op onze hoede te zijn tegen geruchten. We zijn reeds zo vaak ontgoocheld. We beheersen de opwellende, wilde vreugde in ons: we durven niet te geloven, dat de vervulling van ons aller innigste, lang gekoesterde wens zó nabij is. „ik wilde het ook niet geloven," zegt een buurman, „maar ik moet wel," ik hoor het van mannen die van Groesbeek komen en de parachutisten gezien hebben bij honderden. Niet één vertelt me dat, maar verschillenden. We ademen wat dieper, de blijdschap stijgt op en we onderdrukken ze nog slechts matig.
    Als het om ruim zes uur wat rustiger wordt, wip ik de straat op en ga naar het Javaplein om te luisteren naar de B. B. C. bij de familie van Lier. Dolle uiting van vreugde, het wordt bijna een omhelspartij. Mijn oren doen me pijn, zo wild wordt me van alle kanten toegeschreeuwd: „hebben jullie de parachutisten niet gezien?"
    „Parachutisten? Is het toch waar?"
    „Nou of het waar is. We konden ze hier zien, daar ginds tussen die bomen, bij honderden zweefden ze in de lucht, een prachtgezicht. Hoera, leve de vrijheid, proficiat"; er wordt gedanst met dolle sprongen. We vinden nauwelijks de rust en zelfbeheersing om op een stoel te gaan zitten luisteren.
    6.45 uur. De meest indrukwekkende uitzending, welke ik van mijn leven hoorde; om nooit te vergeten. Nederlanders! Het grote ogenblik is aangebroken. Het is één spanning, één opwindende rede.
    Zwaargeladen keer ik huiswaarts, langs de Tooropstraat, deel het grote nieuws mede, troost de bange vrouwen, maan de overmoedige mannen aan tot voorzichtigheid. Slaapt in de kelder, zeg ik bij het weggaan, want het zal een knetternacht worden. Als ik dat woord gebruik op het Weeshuis, heeft het een dubbele uitwerking: de mannen, Vader en Meester, verzetten zich, zijn van mening, dat het wel rustig zal blijven en we gewoon boven moeten gaan slapen. Van beiden krijg ik later een berisping, omdat ik paniek zaai. Ik aanhoor deze rouwmoedig. Moeder en de dames vallen me integendeel vurig bij, als ik aandring om in de kelder te gaan slapen. Het verloop wijst uit, dat we goed gezien hadden.
    Er volgt bedrijvigheid van bedden en stoelen slepen naar de schuilkelder. Ook de families van de Doddendaal komen met stoelen en dekens naar onze kelder; er is plaats voor velen. Het is intussen rustig geworden. Het blijft rustig tot elf uur. Zou het toch geen knetternacht worden? Ik wil boven op mijn kamer gaan slapen; heftig protest van de dames, sarcastische opmerkingen van de herenafdeling: de anderen naar de kelder sturen, en zelf boven gaan liggen!!! Er wordt een middenweg gevonden: zie maar hoe keurig dat bed gespreid staat daar in de hoek van de bijkeuken. Wel te rusten allemaal.
blz. 14     Een vreemde nacht, die eerste oorlogsnacht! Je kunt het geen knetternacht noemen in de volle zin van het woord, maar, nog minder een rustige nacht. Er was geknetter toen we nauwelijks in bed lagen en op stoelen: mitrailleurvuur van vliegtuigen in de lucht. Daarop stilte, diepe, angstige, benauwende stilte: dan weer geratel van machinegeweren in de straten, soms in de verte, soms ook dichtbij. Wat zou er toch gebeuren in de stad? Zouden de Amerikanen er al zijn, of schieten onze Vrij-Nederlanders misschien?
    Weer volgen uren van beklemmende, dreigende stilte, onderbroken door een enkele salvo of een somber geroffel. Tot de stilte voor goed gebannen wordt tegen half vijf 's morgens. Ontzaggelijke dreunende slagen daveren door de lucht. Heel de kelderbevolking geraakt in opwinding. Aan slapen valt niet meer te denken. We kunnen immers ieder ogenblik in de lucht vliegen met Weeshuis en al! Ja, wie weet wat ons boven het hoofd hangt.
    O, die onzekerheid! Dat is het verschrikkelijkste van alles. Het maakt de mensen radeloos van angst. Niet weten wat er eigenlijk gebeurt, als het giert en huilt en raast door de lucht en de muren schudden en de ramen rinkelen. Het is niet om te hebben. Vanaf dat ogenblik binden Vader en ik de strijd aan tegen de onzekerheid. We trekken naar boven ter observatie. Boven op de zolder staan twee ladders; ze leiden naar het dak; schuif dat luikje naar achter, steek je hoofd door de opening en zie rond; prachtig gezicht op de stad. Dit is onze observatiepost. Moeder weet er niets van. Anders werd het „verboden toegang" natuurlijk.
    Als we die nacht om half vijf onze hoofden door 't luik steken, ontsnapt ons een kreet van ontzetting. Een geweldige brand aan de horizon, recht voor ons, in zuiver Oostelijke richting.
    Wat een phantastisch schouwspel in de donkere nacht. Nu wordt het vraagstuk van die harde slagen ineens opgelost; het zijn ontploffingen, we zien duidelijk het uiteenspatten te midden van de vlammen en horen de zware slagen en de ketende knalletjes uit die richting komen. Er staat een munitiedepôt in brand. Wat een geruststelling te weten, dat al dit helse lawaai niet het minste gevaar inhoudt. Het sticht rust in de opgewonden gemoederen beneden in de kelder.
    Er wordt nog wat gesluimerd, want het is nacht. Tegen de eerste morgenschemering, kwart voor zes, sta ik op. Om halfzeven moet ik lezen in de Christus Koning Kerk. Ze rekenen er op.
    Als ik om 6.15 uur probeer de straat over te gaan, blijkt het absoluut onmogelijk, het is nog te schemerig. De straat op gaan betekent misschien een kogel oplopen. Het is duidelijk: de pastoor kan niet meer op me rekenen. Ik zal in ons noodkerkje gaan lezen. De koster is in onze kelder. Die kan dus met me meegaan. De koster echter denkt er niet aan zijn neus buiten te steken.
    Ik zal alleen gaan. Voorzichtig de poort openen: verlaten straat; op de hoek beneden enkele figuren in de grauwe morgenschemering. Daar klinken hun stemmen: Duits. Het zijn dus soldaten op post. Wat gebeurt er precies? Daar komt Vader aanstappen, hij steekt zijn hoofd door de poort, tuurt door de schemering naar het Kronenburgerpark, waar vage figuren zich bewegen.
blz. 15
    Opeens een zware ontploffing vlakbij. Verschrikt deinzen we terug. Het kwam van beneden van de Parkweg. Wat is dat? We staren elkaar aan. Onze gezichten zijn grote vraagtekens. We horen een lange jammerkreet, een onverstaanbaar geroep. „Daar moet ik heen," zeg ik, „dat is een gewonde natuurlijk." Samen gaan we weer naar de poort. Vader stoot mij aan: „hoor," zegt hij, scherp luisterend, „hij roept: Hilfe, Hilfe". Met de beste wil van de wereld kan ik die woorden niet onderscheiden. Nu horen we stappen in het park. „Was ist denn los," schreeuwt iemand. „Het is geen gewonde," zeg ik. Het hulpgeroep kwam mij niet erg klagend meer voor. Uit het geloop en geroep, dat volgde, besloot ik, dat een soldaat om hulp riep tegen de aanvallers, of vermeende vijanden. Ik ging dus niet de straat over, bleef achter de veilige poort. Ik hoop, dat het niet uit angst geweest is..
    Intussen begint het zach tjesaantedagen.We kunnen nu de figuren onder aan de straat onderscheiden als Duitse soldaten in grijze uniformen. In het park zien we ze ook bewegen. Wat is er toch gaande? Worden ze aangevallen vanaf de Kronenburgersingel of zo? Ik brand van nieuwsgierigheid om daar iets meer van te weten.
blz. 16     Daar zie ik den surveillant van de jongens, den meester, zoals ze hem noemen. Het is iemand van mijn leeftijd of iets ouder, maar vol van avontuurlijke geest en durf. Zonder moeite haal ik hem over om mee te gaan naar het jongensgebouw; vandaar uit is de hoek: Doddendaal-Pijkestraat-Parkweg fijn te zien. De ruiten boven op de slaapzaal zijn stuk; je kunt zo schuin het park inkijken De Moffen sluipen over de paden, verraderlijk loerend door de struiken in de richting van de Kronenburgersingel.
    Op de hoek van de Pijkestraat staat een soldaat; het geweer in aanslag. Een andere, een sergeant of zo iets, staat achter hem te commanderen. Zouden er nog meer staan in de Pijkestraat? Ik loop naar de ramen aan de voorkant om daar te kijken. „Pas op, dat ze u niet zien," waarschuwt de Meester nog. Ook daar zijn de ruiten er uit. Uiterst voorzichtig loer ik in de richting van hoek Pijkestraat. Ik kijk recht in het gezicht van dien mof. Bliksemsnel duik ik. Te laat! „Heraus!" dondert een stem door de morgenstilte. De Meester en ik hollen de slaapzaal af, stommelen in wilde sprongen de trap af om vliegensvlug het gevaarlijke gebouw te verlaten, dat ik in mijn verbeelding omsingeld en doorvorst zie door de moffen. We hollen de plaats over, nog steeds achtervolgd door 't bulderende „Heraus, Wehrmacht", dat schalt door de lucht. Buiten adem komen we aan in de schuilkelder, in afwachting van de dingen, die gebeuren gaan. Zal de verbolgen vijand aanstonds hier niet binnendringen en onder vreselijke dreigementen de uitlevering eisen van dien spion of terrorist? Hoe gaat dat in Gods naam aflopen?
    Langzaam wordt de hartklop weer regelmatig en kan ik weer rustiger denken. Och ze hebben immers geen mensen tot hun beschikking om huiszoeking te doen. Ze moeten op hun post blijven. Het zal wel op een sisser uitlopen.
    Ik word weer brutaal, open de poort, zie een vrouw de Doddendaal overlopen. Ze gaat brood halen. De moffen laten haar ongemoeid passeren. Je mag dus de straat over.
    Als ik op de bewuste hoek kom, zie ik de Duitse soldaten van nabij, ook de schreeuwer van heraus. Hij herkent mij niet in het minst.
    Een man van de luchtbescherming komt op mij af: „Wilt u eens ginds op de weg kijken," zegt hij, „daar moet een dode soldaat liggen." Hij is gedood door een granaatscherf vanmorgen.
    „Wat zegt u? Is dat de man die vanmorgen zo geroepen heeft?"
    „Ja, die is het. Er is een Duitse granaat geworpen, die drie Duitsers heeft gedood."
    Hé, wat jammer toch, gaat het door mijn binnenste, was ik nu toch maar gegaan. Misschien was hier geestelijke hulp nodig.
    Ik zal gaan zoeken, misschien leeft hij toch nog. Er ligt iets midden op de Parkweg, voorbij de Noodkerk. Ik nader, onderscheid de vormen, het is geen mens, slechts een boomtak.
    „Wilt u vooraan in het park zoeken?" wordt mij nageschreeuwd. Mooi praten jullie, nogal een pretje om langs dit park te lopen, vol sluipende soldaten. Het is niet eens goed licht, ze kunnen mij niet eens goed onderscheiden van een soldaat.
blz. 17     Ik zoek niettemin ernstig, het gaat om een medemens. Er is echter geen spoor van een gewonde of dode, allang weg natuurlijk.
    Ik lees de H. Mis op de Parkweg, er zijn haast geen gelovigen.
    Na de H. Mis wordt mij gezegd, dat er een gewonde ligt op de Ganzenheuvel, een Duitse soldaat. Ik haast mij er heen; de Pijkestraat over, de Hessenberg door. Overal barricaden . . . einde Pijkestraat, einde Hessenberg. De soldaten zijn uiterst voorkomend, helpen mij over de barricaden heen. Ik steek de Hezelstraat over, die veranderd is in 'n oorlogssector. Groepjes Duitse soldaten op alle hoeken.
    Op de Ganzenheuvel staan de mensen om de soldaten. Er heerst gemoedelijkheid in deze nauwe straatjes. Hoe is het mogelijk zich zo met den vijand te verbroederen!
    Ik dring door de groepjes mensen en soldaten heen, vraag naar de gewonde en word naar een portaaltje gebracht, waar een Duits soldaat ineengekrompen zit op een trap. Het is een jonge kerel, hoogstens vijf en twintig jaar. Zijn gezicht is zwart van het stof, doch bleek daaronder. Hij steunt zachtjes en kijkt flauwtjes op als ik naderbij kom. Een Duitse vrouw werpt zich op als tussenpersoon en tolk. „Wil je eens spreken met dezen geestelijke?" Hij schudt van neen! Ik had gehoord, dat hij Protestant was - een Brandenburger. „Wil je een protestants geestelijke?" „Ich brauche nichts", zegt hij afwerend. Als ik zachtjes aandring, zegt mij een man: „Het is nutteloos, eerwaarde, we zijn al een hele tijd bezig geweest met hem, doch tevergeefs!" Ik bekijk hem meewarig. Hoe jammer! Het lijkt me zo'n flinke jongeman. Hij heeft een fris, fijn besneden gelaat, ik zie geen spoor van grofheid of ruwheid. Zou de oorlog alles in hem hebben kapot gemaakt, of zou hij zover buiten westen zijn? Ik besluit tot het laatste, temeer, daar ik vernomen heb, dat Dr. Knaven bij hem geweest is en hem heeft opgegeven. Nog slechts een kwestie van enkele uren! Ik beveel hem dus aan in Gods oneindige barmhartigheid.
    Ik haast mij nu naar huis, waar ze wel ongerust moeten worden over mijn lang uitblijven. Op de bewuste hoek van de Doddendaal komt de luchtbescherming op mij af, meneer Willemsen, helm op. „Pater, wilt u den Meester vragen, of hij goed op de jongens wil letten? Ze gaan dat gebouw in," en hij wijst naar de plaats, waar ik 's morgens den Duitser bespionneerd had. „En als ze nu maar gewoon staan kijken, geeft het niets, maar ze duiken weg en dan denken de Duitsers, dat het burgers zijn, die op hen willen schieten." Ik knik ernstig, begrijpend, afkeurend. Zeker ik zal den Meester waarschuwen, zonder mankeren. Die zaak is te ernstig.
    Ik spreek er den Meester inderdaad over, onmiddellijk bij aankomst. Maar niet op vermanende toon natuurlijk. De jongens hadden immers geen waarschuwing nodig. Hoe komt u er bij, meneer Willemsen!
    Mijn thuiskomst geeft opluchting. Waar of ik bleef zolang. Ik vertel mijn wedervaren en vol spanning wachten we het verloop van de gebeurtenissen af. Er gebeuren geen spannende dingen die verdere morgen. We kunnen geen voortgang waarnemen in het verloop van de strijd. Nu en dan geknetter in de straten, een roffel van mitrailleurvuur. Dan valt het weer stil. Er komt wat
blz. 18 activiteit in de lucht. Niet te vergelijken echter met het geraas van gisteren. Twee uur middageten. Een uur vroeger dan gisteren. We stellen ons dus al in op het oorlogsgeweld. Na het eten trachtten verschillenden van ons een beetje te rusten. We hebben zo'n erbarmelijk slechte nacht gehad. Mijn bed vind ik nu in het kantoor gespreid. En het lukt mij zowaar een uurtje uit alle zorg en narigheid in 't zoete land der dromen te geraken.
    De avond daalt en nog steeds weten we niets van het verloop van de strijd om Nijmegen. We gevoelen ons opgesloten in deze benedenstad. Daar komt meneer Willemsen gewichtig binnenstormen. Het laatste nieuws zegt hij: Mijn broer van de Luchtbescherming heeft den-eersten Amerikaan de hand gedrukt. De Amerikanen hadden het Keizer Karelplein veroverd, doch moesten zich tijdelijk terugtrekken. Het Universiteitsgebouw is uitgebrand, alsook een gedeelte van de In de Betouwstraat. Het is niet bijster bemoedigend, ook niet veelzeggend.
    Het wordt zowaar rustig in onze omgeving. Er klinkt geen schot meer in de straten. Geen vliegtuig ronkt er in de lucht. Vredig staat het blauwe uitspansel boven onze hoofden.
    Er wordt gebeld. Pater Dodenbier, wordt er in de gang geroepen. Het is iemand van de Luchtbescherming. Er is een vrouw doodgeschoten op Achter Valburg, kunt u even meekomen? We stappen beide over de Doddendaal naar beneden. De straten zijn angstig stil, geen burger is er te zien. Duitse soldaten patrouilleren, sluipen door het park en loeren door de struiken. Mijn metgezel steekt de handen omhoog, men laat ons ongemoeid doorgaan, de hoek om, Achter Valburg op, hier is het.
    We gaan binnen, de trap op, de voorkamer in. Daar op het bed ligt een jonge vrouw. Slaapt ze, of is ze werkelijk dood? Ze ligt daar zo vredig, het gelaat zo gaaf, de trekken rustig, onverwrongen. Het voorhoofd is omgeven met een wit verband, daar is ze n.l. getroffen. Ik luister naar het droeve verhaal: Ze deed deze morgen de voordeur open om naar den bakker te gaan brood halen. Onmiddellijk werd er door de Duitsers geroepen, dat ze binnen moest blijven. Ze ging dus weer naar binnen, kwam hier boven en wilde door het raam naar buiten kijken. Hier kun je het goed zien, zei ze nog. Toen klonk een schot. Geen kik heeft ze meer gegeven. Ze viel neer, getroffen in het hoofd. Men wijst mij het gaatje in de ruit, waardoor de kogel gevlogen is, de barsten daaromheen, het bloed op de gordijnen, de plaats, waar dit (het eerste slachtoffer waarschijnlijk) onder de burgerbevolking viel; dit alles onder vreselijke verwensingen aan het adres van den wreden, laffen vijand, die onschuldige, weerloze burgers, vrouwen nog bovendien, op die wijze van het leven berooft. „Hoe laat is dat gebeurd?" vraag ik. „Vanmorgen omstreeks elf uur." „Maar mijn beste mensen, waarom hebben jullie me dan niet eerder geroepen? Dan had ik haar nog het Heilig Oliesel kunnen toedienen. Waarom tot de avond gewacht? Wat kan ik nu nog doen?" „Och Pater, we durfden de deur niet meer uit, zo bang waren we, nadat dat gebeurd was." Ik trachtte mij hun toestand in te denken onmiddellijk na dit moorddadig schot, begon te begrijpen en die mensen te verontschuldigen. De overledene was een goede Christin. God zij haar ziel genadig.
    Op het Weeshuis kruipt de avond traag verder. Je kunt eigenlijk niets anders
blz. 19 doen dan wat ronddrentelen, hier een blik werpen, daar eens kijken. Opeens zie ik een zwarte rook, achter de kerk in Westelijke richting trekken. Wat betekent dat nou weer? Ik heb de indruk, dat een gedeelte van de stad in brand staat, mompel ik. We vliegen naar boven, naar onze observatiepost. Vlak voor ons woedt de brand. De vlammen slaan hoog op, de zwarte rook kronkelt dik omhoog; akelig, luguber klinkt het geknetter in de stille avond.
    Ernstig, droevig begrijpend dalen we af, lopen de tuin door, de poort uit en staan op de Doddendaal. Wat is er aan de hand? Daar komen, zover het oog reikt, nonnekes aanrennen, beladen met koffers en beddegoed en alles wat ze maar in de haast hebben kunnen grijpen.
    „Wat is er aan de hand, zuster?"
    „Ons klooster op de Oude Stadsgracht is in brand gestoken."
    „In brand gestoken? Door wie?"
    „Door de Duitsers," komt het van de van verontwaardiging trillende lippen van het jonge nonneke. 't Is ontstellend. Een golf van woede stijgt op uit het diepst van je ziel. Wat een satanische boef, die mof!
    Er is geen tijd voor ontboezeming van gevoelens. Hier moet gehandeld worden. Hier is onmiddellijke hulp nodig. „Jo, roep jij Vader. Stef, laat den Meester komen."
    Even later trekken al onze jongens, geleid door onzen onvermoeiden Meester, in de richting van de brand. Er komen handen te kort en ook wagens. Handwagen op handwagen wordt weggereden, volgeladen met beddegoed en andere kostbare dingen. Je hart schreit als je ziet wat door een laffe vandalendaad in vlammen moet opgaan. De hele Oude Stadsgracht, de ganse omgeving staat in brand. Van alle kanten hollen de mensen de straat op, een schamel beetje meesleurend op een kruiwagen, kinderwagen, fiets, of in hun armen. Iedereen zou je willen helpen. Het is niet om aan te zien en we zwoegen allemaal als kaaisjouwers. Helaas! We hebben de tijd niet, 't wordt donker en daarmee wordt het gevaarlijk op straat.
    Als we vermoeid terugkeren over de Varkensmarkt, zien we tot onze ontstelling een gele schijn door de kleine ruitjes van het Klooster van de Karmelieten. Goede hemel! Ook de Karmel gaat branden. Dan komen ook wij aan de beurt. Er moeten voorzorgsmaatregelen getroffen worden.
    Weer heerst een koortsachtige activiteit op het Weeshuis. Er wordt gepakt en gesjouwd en binnen een uur tijds staan een aantal koffers gepakt en opgestapeld op de handwagens en stevig vastgesjord met touwen. We zijn reisvaardig en wachten op de donkere binnenplaats op de verfoeilijke brandstichters.
    Ze komen niet. God zij geloofd en gedankt. We kunnen het afschrijven en gaan eten en slapen. Onze boterham was er n.l. bij ingeschoten. Bij de meesten van ons werd de boterham geheel afgeschreven. De trek was over. Juffr. Boermans en ik gaan aan tafel en laten het ons smaken.
    De stemming onder ons is nog nooit zo ernstig geweest. Het gevaar is n.l. niet geweken. Als de Karmel in lichterlaaie staat, kunnen er gemakkelijk vonken overslaan op ons huis, vooral omdat het dak van de toneelzaal stuk is en het hout onbedekt ligt.
blz. 20     Vader besluit te waken en de Meester springt bij. Ik kruip onder de dekens van mijn kermisbed op het kantoor en geniet enige nachtrust. Iedere twee uren ongeveer wordt me rapport uitgebracht over de stand van zaken; dan wip ik het bed uit, klim op de observatiepost, constateer met eigen ogen de vooruitgang van de brand. Het is een phantastisch schouwspel in het holle van de nacht. Een regen van vonken waait in Zuid-Westelijke richting en valt neer op de ruïnes. We lopen geen gevaar als de wind niet draait. Toch heeft Vader de uiterste voorzorgsmaatregelen genomen. Met een slang gewapend, staat een van de jongens boven het dak te besproeien, zodat eventuele vonken onmiddellijk zouden doven. Zo gaat ook die dreiging aan ons huis voorbij. Tegen de morgen luwt de brand sterk en is ieder gevaar kennelijk geweken. God zij dank!
    De holbewoners kruipen uit de kelder: we hebben de hele Doddendaal te gast. De stemming is buitengewoon ernstig. Iedereen voelt dat er grote dingen, tragische dingen gaan gebeuren. Ik besluit op het Weeshuis te lezen vanmorgen. Dat is toch zeker geoorloofd in deze omstandigheden. Ik zal ten overvloede de paters Jezuïeten hun mening vragen en van hen alle benodigdheden zien te krijgen. Ze zijn het met me eens, dat we alle toestemming mogen veronderstellen. Op het Weeshuis wordt in de kelder een altaar opgericht.
    „Er zijn enige mensen, die willen biechten, zou dat gaan?" vraagt Vader me. „Ja, zeker," zeg ik spontaan, hoewel ik geen jurisdictie heb. Even later zit ik in de voorkamer en staat een lange rij van biechtelingen in de kamer en gang. We zien allen het aangezicht van de dood en maken er ons vertrouwd mee. Nog nooit heb ik gelovigen zo ernstig om het altaar zien knielen. We waren weer in de katakomben. De Kerk viert innerlijke triomfen. Ik neem me in stilte voor een woordje te zeggen na het evangelie. De bodem is zo gunstig om het goede zaad te ontvangen.
    Geschuifel van voeten op de keldervloer. Gefluister van stemmen. De Meester treedt naar voren en verzoekt onze aandacht voor een mededeling van de luchtbescherming. Een mannetje van de luchtbescherming stapt naar voren: „alle bewoners van de Doddendaal moeten vóór twaalf uur de stad verlaten," zegt hij, „en in de richting Hees trekken. Dit gedeelte van de stad komt onder zwaar vuur te liggen." Het klinkt ernstig en somber.
    „Gaat de H. Mis door?- vraagt Vader mij. „Natuurlijk," zeg ik. „Ja, ja," vallen verschillende stemmen bij.
    „Introibo ad altare Dei." Er is onmiddellijk diepe stilte. Er is een atmosfeer van gebed in die rumoerige kelder van straks. Jammer, dat ik niet mag spreken. We moeten opschieten natuurlijk.
    „Domine non sum dignus" . . . Hoe klein en nietig gevoelen we ons op deze keldervloer. We zijn allemaal in God's Hand. We geven ons geheel over aan zijn Barmhartigheid en Vaderlijke Voorzienigheid. 55 H. Communies, die morgen. Met welk een innigheid wordt de dankzegging gebeden door de bewoners van de Doddendaal, die zulk een eenheid zijn geworden in deze dagen en nu uiteen moeten naar het onbekende. Wat staat ons te wachten?
    Er volgt een uur van grote bedrijvigheid. Gelukkig dat we ons gisteravond reisvaardig gemaakt hebben. De wagens staan opgeladen en kunnen zo weg-
blz. 21 gereden worden. Kleren worden bijeengesleept en op de meest wonderlijke wijze worden jongens en meisjes uitgedost. De meest eenvoudige wijze van kleren en hoeden meenemen is aantrekken en opzetten. En wat staat er op het ogenblik nou nog gek?
    Om tien uur stelt zich de optocht in beweging, de Meester - handen omhoog - voorop. 't Gaat in snel tempo de Doddendaal af. Beneden aan de Parkweg vraagt Vader me. „had u uw fiets niet moeten meenemen?" Verdraaid, dat is waar ook. Ik ren terug naar het huis, pik mijn pyama van het bed, dat nog op het kantoor in de hoek ligt en spring op de fiets. Het park krioelt van de moffen. Overal staan tanks, kanonnen, mitrailleurs verdekt opgesteld. Het gebouw van de Veemarkt is sterk bezet. Reeds trekt een stoet van burgers met karretjes en kruiwagens en fietsen de Hezelpoort door; triestige aanblik.
    Halt! - Ik stap af. Zonder een woord te zeggen fouilleert een Duits soldaat mij. „Ausweis fragen," schreeuwt een andere hem toe. Hij vraagt mijn persoonsbewijs. Gedwee en innerlijk geamuseerd laat ik het zien. Zowaar de eerste en de laatste keer.
    De stoet kan ik tot mijn verwondering niet inhalen. Waar zijn ze toch heen? De mitrailleurs ratelen en overal staan moffen met geweer in aanslag op de loer.
    Zouden ze bang zijn geworden en een omweg genomen hebben?
    In Hees aangekomen informeer ik bij v. d. Velden en elders, doch niemand heeft de opvallende stoet gezien. - Intussen valt er genoeg te doen.
    „Och, pater, kunt u ons niet helpen aan onderdak?"
    „Ik zal mijn best doen."
    „Pater, wij zijn bereid enige mensen op te nemen. Als u er soms kent?"
    Weldra ben ik aan het regelen en helpen. En steeds groeit de stroom vluchtelingen aan. Gelukkig hebben velen hun kennissen en familieleden bij wie ze terecht kunnen. Dat vereenvoudigt de zaak.
    Intussen zoek ik verder naar het wandelende en rijdende Weeshuis en fiets door. Misschien zijn ze het Kanaal over.
    Aan het Kanaal gekomen, zie ik in de verte de Graafse brug onbeschadigd liggen en duidelijk zie je de tanks en gevechtswagens er over heen rijden. Wat een gezicht! Voor het eerst flitst het begrip vrijheid door mijn brein.
    Maar wat gaat daar aan de overkant van het Kanaal? Stoere kerels in khakiuniform, stappen op tien meter afstand van elkaar, één voor één, voort in een onafzienbare rij. Amerikanen, hoor ik zeggen om mij heen. „Hallo!" schreeuw ik naar de overzijde. De man kijkt op. „Are you American?" „Yes!" 't Klinkt me als muziek in de oren. „Welcome to our country". „Thank you!" Nu begrijp ik dat het Weeshuis niet over het Kanaal getrokken kan zijn. Er is geen mogelijkheid. De brug, op een 50 meter afstand, is grondig vernietigd geworden door de moffen. De Amerikanen worden per roeibootje overgezet. Oranjemannen zijn hun behulpzaam.
    In het dorp Hees teruggekeerd, verneem ik spoedig, dat het Weeshuis zijn intrek genomen heeft op „De Beuken", een mooie villa, welke het laatst bewoond werd door de arbeidsdienst voor meisjes. Enige dagen geleden werd het huis in allerijl ontruimd. De bewoners van Hees beschouwden het als hun plicht om
blz. 22 de zaal leeg te halen, horen we van onze buren. Tafels, stoelen, beddegoed, machines, alles werd er uitgesleept, de gehele dag en een gedeelte van de nacht.
    Nu hebben wij, de nieuwe bewoners, geen stoel in huis.
    „Gaat u eens naar de Paters," stelt een buurman voor, „zij kunnen u misschien helpen." Ik wend een eenvoudiger methode aan, krijg enige adressen van een inwoner van Hees en dan loopt het verder vanzelf. De eerste bij wien ik aanklop belooft me onmiddellijk het meegenomene terug te brengen, dringt er bij me aan toch vooral ook de familie X te bezoeken, want die hebben dit en dat en dat weggesleept en zo gaat het verder. Kort daarop trekt 'n karavaan naar de Beuken en raken we in ons meubilair: eikenhouten stoelen, ruime tafels, enkele sofa's.
    We zitten 's middags in het heerlijk Septemberzonnetje op het terras onze boterham te eten en genieten een ogenblik rust en vrede. Het is idyllisch op de Beuken, vlak bij Nijmegen en toch helemaal buiten de stad. We spreken van

daar te blijven, voelen ons herademen in de vrije natuur. Zouden we nu ontkomen zijn aan het oorlogsgeweld? Wat zijn we toch naïef!
    In de namiddag bekruipt me de nieuwsgierigheid. Hoe zou het staan met het verloop van de strijd? Vanmorgen heb ik de Amerikanen aan het Kanaal gezien. Ik fiets erheen, sla nu links af richting Graafseweg, zie overal langs het Kanaal Amerikaanse soldaten gemoedelijk in gesprek met de bewoners en bereik de brug, waar de gevechtswagens overheen trekken. Langs het benedenpad bereik ik de Graafseweg, de eerste boerenhuisjes en onmiddellijk geraak ik in de vrijheidsatmosfeer.
    Oranje en Rood-Wit-Blauw en stralende gezichten en vriendelijke groeten, gezwaai en hoerageroep als een gevechtswagen passeert. Het maakt alles een onvergetelijke indruk. Onze stad maakt zich op om het ondragelijke juk van dwingelandij af te schudden. De lucht zit vol spanning: de mensen houden het niet uit in hun huizen. Alles staat op straat. Dicht opeengepakte rijen mensen aan weerszijden van de weg.
blz. 23     Ik bereik de voet van de Graafse brug, vlak voor de stad. Verder kan men niet komen. De brug ligt eenzaam en verlaten, als verraderlijk beloerd door vijandelijke ogen.
    Daar komen de gevechtswagens aangereden, begroet door luid hoera-geroep. Een motorrijder schiet knetterend naar voren. Een mannetje op de weg zwaait gewichtig met de hand: stoppen!
    Er volgt een moment van verhoogde spanning. Er zijn nog vier Duitsers in de omgeving van de brug. Het parool wordt doorgegeven aan de eerste gevechtswagen, deze stopt, de hele file stopt. Kaarten worden opengeslagen, punten aangestipt, er wordt gepraat en in dit alles treft ons de ijzige kalmte van die mannen. Ik heb gelegenheid een praatje te houden met die soldaten. Het zijn Engelsen, het tweede Britse leger is tot hier doorgetrokken.
    Er komt weer beweging. De gevechtswagen rijdt voort, voorzichtig dekking zoekend rechts van de weg, op het fietspad. De moffen zitten dus blijkbaar links, aan de stationskant. De wagen verdwijnt over de brug, er klinkt mitrailleurgeratel in de verte. Een andere wagen slaat rechts af. Nog een wagen volgt.
    Dan keert in razende snelheid de eerste wagen terug, een gewonde voorop.
    Plotseling onrust onder de menigte; alles moet naar binnen; het schijnt gevaarlijk te worden. We horen schieten in de omgeving. Vliegtuigen ronken in de lucht, mitrailleurs knetteren. Er hebben duikvluchten plaats zou je zeggen.
    Een kwartiertje later rijdt de hele file gevechtswagens ongestoord de brug over. Hoe is het nemen van die brug geschied?
    Ik hoor vertellen, dat op St. Anna de zware Amerikaanse tanks opgesteld staan. Ik wend dus de steven en rijd door de bossen, die krioelen van parachutisten, naar de Hatertseweg en St. Anna. Geen tanks te zien.
    Ik tref een mannetje aan, die naar de Van 't Santstraat moet, bij de Christus Koning Kerk. Ik bied aan met hem mee te gaan. Dan kan ik meteen mijn kennissen op de Tooropstraat bezoeken, die zullen wel in grote angst verkeren.
    Als we van de St. Annabrug de Groenewoudseweg oprijden, krijg ik het gevoel in het oorlogsrumoer terecht te komen. De weg is zo goed als verlaten. Aan de kant van de Groesbeekseweg klinkt onophoudelijk 't schieten: geweer, mitrailleur, granaatvuur, ontploffingen.
    Welke richting zouden ze schieten? Als je dat maar wist!
    Daar ligt een open stuk tussen de rijen huizen. Is het niet roekeloos door te fietsen? Geen levend wezen beweegt zich op straat.
    We aarzelen. „Kom," zegt mijn compagnon, die naar huis moet, „laten we maar gauw doorfietsen," en hij snelt al vooruit.
    Ik aarzel nog, voel me innerlijk onvoorzichtig, sta als aan de grond genageld en heb de grootste moeite om mijn angst te overwinnen.
    Een krachtig besluit, een woedende sprong op mijn karretje en in razende snelheid trap ik mijn moedigen gezel achterna.
    Nog een open plek, weer die adembenemende angst en dan raken we tussen de huizen, voelen ons even opgelucht en komen op de Groesbeekseweg. Twee onafgebroken rijen parachutisten komen stadwaarts. Waarom zie je geen sporen van angst bij die kerels? 't Zijn toch ook mensen. Ze marcheren achter elkaar,
blz. 24 richting vuurlinie, met een kalmte en koelbloedigheid, die spreekt uit iedere trek van hun onverschillig gelaat, uit heel hun houding. Zou het 't gevoel ~ zijn van deel uit te maken van een groot leger, dat ze zo rustig maakt, of zou 't maanden lange oorlogsrumoer ze hebben afgestompt?
    Wij zijn intussen zo ver nog niet, en als we de Postweg oprijden valt de beklemming weer op me, benauwend en prangend. Langs het hospitaal raken we boven en slaan nu de Dommer van Poldersveldweg af. We zijn er bijna. Doch hier raken we in de hel: granaten gieren over de huizen. Daartussen die akelige, lugubere stilte, de stilte van de dood. Nog nooit heb ik straten zo verlaten gezien overdag. Ze schreeuwen je als het ware toe: zoek dekking voorbijganger, waag je toch niet buiten, je speelt met je leven. Als we een ogenblik tegen een huis dekking zoeken, vlak bij de Christus Koning Kerk, gaat de deur open en een man toont me een scherf zo groot als een dakpan; die is daar een ogenblik geleden neergekomen, zegt hij en zijn ogen duiden op enkele meters afstand.
    Een koude rilling vaart me over de rug. „Ik ga niet verder, ik moet terug," zeg ik opeens resoluut. Mijn gezel kijkt me aan, onthutst. Verwachtte die man nou, dat ik hem thuis ging brengen? Dat heb ik hem toch niet beloofd! Hij moet naar de Van 't Santstraat, vlak bij. Hij aarzelt nu opeens. U bent toch bijna thuis, zeg ik, nou moet u even doorzetten. Hij overwint zijn aarzeling.
    Rap spring ik op mijn fiets, klauter gezwind de heuvel op, suis in volle vaart de Postweg af en dan komen weer de gevreesde open plekken. 't Is niet zo angstig nu, het komt zeker omdat ik nu niet het vuur in ga, doch er uitvlucht en weldra in rustig gebied zal zijn.
    Als ik 's avonds in Hees, achter het front, terugkom, durf ik niet reppen van het laatste gedeelte van mijn tocht, de vermetele vaart in de muil van de dood. Ik beschrijf de inneming van de Graafse brug en de triomfantelijke stemming van de bevolking, mijn bezoek op het Javaplein, maar niet het verdere verloop, want dan zou een berisping gevolgd zijn, die ik meer dan verdiend had maar die mij, verstokten avonturier, waarschijnlijk toch niet gebeterd had.
    De Beuken ligt daar aantrekkelijk en idyllisch. De oorlog woedt elders. We horen een verwijderd gedreun, dat ons geen schrik aanjaagt. Het brommen van de vliegtuigen klinkt bijna vriendelijk; ze zingen het lied van de bevrijding.
    Maar onheilspellend doemt in de verte een rode gloed op. De stad brandt weer, doch nu van een andere zijde. Op het dak van ons buitenverblijf slaan we het sombere schouwspel gade. We gissen dat het station in vlammen opgaat. Zou deze meedogenloze oorlogvoering iedere dag,een ander gedeelte van onze schone stad opeisen?
    Neen, we kunnen niet buiten het tragische gebeuren geraken, zelfs niet in het landelijke Hees. Onverbiddelijk worden we teruggeworpen in de harde, wrede werkelijkheid van de nietsontziende oorlog. Ontsnappen is niet mogelijk. We eten die avond warm, want 's middags kort na de installatie hadden we een boterham moeten eten en een potje koffie gehaald bij v. d. Velden. A la guerre comme à la guerre; in de varkenspot is onze stamp klaargemaakt. Het smaakt toch???
blz. 25 WOENSDAG 20 SEPTEMBER.
    Heel vroeg in de morgen stond ik op. Het was nog donker. Ik had een mooie grote kamer op de eerste verdieping, een echte rectorskamer. Er stond een echt bed en er was stromend water. Om die laatste reden werd het de toiletkamer van „het binnenbestuur".
    Als ik naar beneden ga, is Vader ook al aan het rondwaren in het nieuwe huis. We besluiten naar de Paters te gaan, waar ik de H. Mis zal lezen. „We gaan niet voor het helemaal licht is, hoor," roept Vader.
    Ik popel van ongeduld en stap reeds de straat op om met de Paters af te spreken. Het is zo rustig. Zou Nijmegen al vrij zijn? Er is geen sterveling op straat. Je voelt je nog onveilig, denkt aan de soldaten, die je zonder pardon maar neerschieten, zoals onder de Duitse bezetting.
    Na de H. Mis stap ik op de fiets. Het is volop licht, half acht ongeveer en het blijft rustig. Heimelijk besluit ik naar de stad te fietsen, hopend het Weeshuis intact te vinden, de stad vrij en in feeststemming en dan gezwind die blijde boodschap naar Hees over te brengen. Hoe geheel anders zou het verlopen.
    Als ik op de Graafseweg kom, vlak bij de brug, klinkt een angstig gefluit door de lucht. In paniek vliegen de mensen uiteen en kruipen weg in hoeken en gaten.
    Weer zo'n akelig gefluit, gevolgd door een krakende inslag. Ik sta vlak bij een publieke schuilkelder, gooi mijn fiets neer en vlieg de trappen af. De kelder zit vol mensen, mannen, vrouwen en kinderen. Arme mensen! Ze zitten hier 2 dagen en 2 nachten en telkens opnieuw, vertellen ze me, begint dat vreselijk gefluit van de Duitse granaten. „En ze komen allemaal hier in de buurt neer," zegt me een vrouwtje in doodsangst. Ik troost ze zo goed ik kan, rechtop staand in de gemetselde welving van die onderaardse gang.
    „Is hier al een priester geweest?" - „Neen, nog niet."
    „Ik zal jullie de generale absolutie geven." - „Graag Pater."
    Hoe leert de nood toch bidden. Protestanten en Katholieken vallen op hun knieën, nietige, zondige mensen, en bidden hun oefening van berouw, waarin zich heel hun ziel uitspreekt. Ego vos absolvo ab omnibus peccatis vestris . . .
    Het wordt rustig en ik besluit verder te gaan. „Zie je wel," zeg ik troostend tot mijn omgeving, „'t is gedaan."
    Als ik buiten sta, met mijn fiets in de hand, komt er een man gejaagd op me af. Vanuit de verte roept hij me reeds toe: „Eerwaarde, kunt u naar de Kwartelstraat gaan! daar zijn gewonden?" Ik heb geen H. Olie bij me.
    We bellen aan bij de pastorie van de Augustijnen. Een oude pater, met bedrukt gelaat, komt aan met het paarse beursje. Kwartelstraat, verneemt hij met verwondering? „Dat is toch uw parochie?" vraag ik. Neen zegt hij, dat hoort bij de Krayenhofflaan. De geestelijkheid van die parochie is weg, weet onze leek te vertellen.
    „Zal ik gaan, Pater?" „Nou, als u het doen wilt, graag" en de beurs met de H. Olie wordt me overhandigd. Ik spring op de fiets.
    Waar is nou die Kwartelstraat? „Bij de Koninginnelaan. U moet langs het
index volgende
Reactiepagina

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: