GooyertLBD

© Martinus de Gooyert, digitale bewerking Marcel Degen en Stichting Noviomagus.nl, april 2016

Belevenissen van de heer M. de Gooyert tijdens zijn werk bij de Nijmeegse Luchtbeschermingsdienst (L.B.D.) van 1940 tot 1944


INDEX:
1940 - Begin
1941 - Bommen vallen
1942 - Het eerste slachtoffer
1942 - Van de regen in de drup
1943 - Van de wal in de sloot
1943 - Radiowacht
1943 - Motorwacht
1944 - De stad in puin

Manuscript
Illustraties

Martinus de Gooyert was lid van een reddingsploeg van de Nijmeegse Luchtbeschermingsdienst (L.B.D.) van 23 december 1940 tot 4 augustus 1945.
Hij heeft een handgeschreven boekje bijgehouden met daarin zijn belevenissen tijdens zijn werk bij de L.B.D. In het boekje bevonden zich ook enkele foto's, een inleveringsbewijs van een luistervergunning en een Getuigschrift bij zijn afscheid van de L.B.D..

Tijdens de oorlog woonde hij met zijn vrouw Anna Maria en hun twee kinderen op de Brederostraat 62. In 1949 verhuisden ze naar de Varenstraat 2 in Nijmegen. Hij overleed op 19 maart 1990 in Nijmegen, op 85-jarige leeftijd.

Alles is met toestemming ingescand en beschikbaar gesteld voor publicatie door de familie.
Er mag niets worden gekopieerd, gedeeld en/of gepubliceerd zonder toestemming van de familie de Gooyert en/of Marcel Degen.

Belevenissen bij de Luchtbeschermingsdienst door M. de Gooyert
P 02-03index
Belevenissen van de heer M. de Gooyert, Brederode straat [Brederostraat] 62 Nijmegen tijdens zijn werk bij de L.B.D. van 1940 tot 1944
P 04-05index
Op 23 Dec. 1940 trad de Nijmeegse luchtbescherming in dienst. Daar ik een van de leden werd, tracht ik hier het een en ander van de taak welke deze dienst ten deel is gevallen te vertellen. Daar ik werkloos was en 12 gulden steun per week ontving en mijn gezin in de grootste armoede verkeerde, had ik het idee opgevat om mij maar vrijwillig voor werk in Duitsland te gaan melden. Ik was namelijk ook een van die slachtoffers van het groot winkelbedrijf; te duur voor hen en maar op straat gezet.
Een buurman van mij gaf mij een tip dat er een luchtbescherming opgericht werd en toen heb ik mij dadelijk gemeld. Ik kreeg een oproep om op 23 dec. op het politiebureau te verschijnen. Toen ik daar aan kwam waren er al verschillende personen


P 06-07index
aanwezig. Wij waren met 96 personen en werden in de kamer van de inspecteur geroepen. Daar werd ons medegedeeld wat het doel was en hoorden daar dat wij ambtenaar waren geworden op een salaris van f. 19 per week. Het hoofd van de luchtbescherming gaf nog een uiteenzetting en 96 werklozen hadden weer een baan gevonden. Wij konden inrukken en moesten de volgende dag om 10 uur verschijnen in de Hertogstraat, daar zou de dienst beginnen.
Toen wij daar aan kwamen werden wij in 3 ploegen verdeeld namelijk E.H.B.O., Brandweer en Opruiming. De nettere mensen kwamen bij de E.H.B.O., de bouwvakarbeiders bij de Brandweer en de rest bij de Opruiming. Ik werd ingedeeld bij de E.H.B.O. Na een korte toespraak van het hoofd van dienst moest de Opruiming blijven om de lokalen schoon te maken en kon de E.H.B.O. naar huis gaan. Je kon aan alles merken dat ze zelf niet wisten wat ze met al die menschen aan moesten vangen, maar het was nu eenmaal een rijksvoorschrift dat de luchtbeschermingsdienst opgericht werd. De volgende dag moesten wij weer om 10 uur present zijn. De lokalen waren schoon en werden verdeeld. De grootste kamer was voor de E.H.B.O., daarnaast een klein kamertje wat met schuifdeuren met de groote kamer verbonden was werd toegewezen aan de Opruiming en de achterkamer was voor de Brandweer. De E.B.H.O. voelden zich duidelijk boven de andere personen verheven en de na-ijver begon zich al te vormen. De grendel werd op de schuifdeur gedaan en er werd geen opruimer in de E.H.B.O.-kamer toegelaten. De oudste persoon werd aangesteld als verantwoordelijke persoon door het hoofd van de luchtbescherming.
Nu was het de bedoeling
P 08-09index
dat de E.H.B.O. opgeleid werd. Dit zou geschieden door Dokter Vossenaar, een rustende geneesheer gepensioneerd van de staatsmijnen en medeschrijver van het Oranje-Kruis boekje. Na een bijeenkomst kwam dan de kennismaking met Dokter Vossenaar. Het hoofd van de dienst stelde hem aan de leden voor. Het was een rasechte Hollander. Wij moesten maar vertellen wanneer op welke uren de cursus zou aanvangen. De een stelde voor van 9 tot 11, een ander 10 tot 12 uur. Weer een ander van 2 tot 4. "Nee", zei Dokter Vossenaar "dat zal wel niet gaan want dan moeten wij even naar Jansen luisteren". Dat was namelijk de verboden Engelsche zender. Nu was er ook een N.S.B.-er bij de groep. Dit was echter geen rotvent en als de leiding het had geweten was die er vast niet tusschen gekomen. Efijn, hij was er bij. Toen werd dan vastgesteld dat de cursus aan zou vangen van 10 tot 12 uur. De ploegen werden vastgesteld want nou werden de ploegen verdeeld en moest den post de hele dag bezet wezen. Nou werd er ook meede gedeeld dat er voor elke ploeg een Commandant zou worden aangesteld welke 5 gulden per week meer zou verdienen. Dit zou na afloop van het examen geschieden dus "mannen doe je best om de beste resultaten te verkrijgen". Nu was Nijmegen een Katholieke plaats en de leiding Katholiek dus hier begon de stroopsmeerderij; een kwastje links en een kwastje rechts. De cursus nam een aanvang en van de hoofdpost kwamen 3 personen. Deze moesten de cursus ook volgen. Deze heren kwamen elke morgen met een sigaar in het hoofd binnen en er werd toen al gezegd "daar heb je de Commandanten".
Wij kregen een cursus van Dokter Vossenaar dat klonk als
P 10-11index
een klok, met lichtbeelden. Deze cursus duurde ongeveer een half jaar. Wij begonnen al aardig aan elkaar te wennen, en toen kon je al zien welke menschen zoo geleidelijk naar de N.S.B. overhelden. Die sloten zich bij de eerste N.S.B.-er aan en bleven maar om hem heen draaien. Kerels van niks. Dat was een gewezen onderofficier van het Hollandsche leger, een ijscoventer en een kantoorbediende. Toen wij vlak bij het examen waren verscheen Dokter Vossenaar niet meer op de cursus. De N.S.B.-ers hadden hem aangebracht voor de anti-Duitsche uitlatingen. Nu kregen wij dan verdere les van een andere E.H.B.O.-er. Nu, het examen nam een aanvang. Het was van dien aard dat ze tegen mij zeiden "Nou, ik wou dat ik alles zo goed kon als jij. Ik kom bij jou zitten dan weet ik zeker dat ik slaag". Nu, wij waren van een ploeg met 30 man en ik was bij de tweede groep en zakte. Nu moest ik weer bij de derde groep herkansingsexamen doen en toen was het goed maar dan ook buitengewoon goed. Er waren op de ploeg twee gezakten, dat was ik en nog een ander. "Nou" zei die "ze kunnen mij gestolen worden maar ik ga hier toch weg". Die ging in dienst bij de Centrale Gaarkeuken. Nou zouden de vaste ploegen samengesteld worden met de Commandanten. Nou hij werd fraai. De drie gasten van de hoofdpost hadden volgens ons de grootste kans maar een was er bij die later ook tot de N.S.B. gedreven werd die viel af. Dus was er nog een plaats open. Nou kwam er weer de strooppot bij en de oudste die het beste de kwast kon hanteren werd met behulp van verschillende instanties tot Commandant verheven. Dit was 5 gulden per week meer. Deze oude was een gewezen logementhouder en verder
P 12-13index
sluiswachter geweest bij de Waterstaat. Dit werd mijn Commandant. Ik was in ploeg C ingedeeld. Wij hadden de fraaiste Commandant. Deze was op zijn manier heel vroom en als je hem op zijn nummer zette dan was het "Ik zal je godverdomme met de tabaksdoos voor je hersens gooien". Het was een hartlijder en wij hebben heel wat met hem moeten doorstaan. Het was zoo mooi dat hij op het gegeven oogenblik een lid aan het mes wou steken maar wij hebben hem vastgegrepen en toen hij gekalmeerd was naar huis gebracht.
En toch voelde de E.H.B.O.ers zich noch betere menschen als de Opruiming. Wij deden maar niks als of oefenen in verband leggen. En als dat gebeurd was ontvluchte ik die hoogvliegende menschen met een salaris van 19 gulden per week en ging bij de brandweer zitten kaarten. Nu kwam er ook nachtdienst bij; de post moest dag en nacht bezet worden. En ook kregen wij lichtcontrole. Dat was samen de straat op met 2 man en waar wij licht zagen moesten wij een bekeuring geven. Dan moesten wij naar de hoofdpost en stonden daar op de lijst met wie wij moesten loopen. Soms waren er ook agenten van politie en liepen wij met een agent. Nou was het van die aard dat de goede Hollandsche agenten altijd zorgden dat ze eerder als hun N.S.B.-collega's op de post waren om me in te lichten met wie wij moesten loopen, en werden wij gewaarschuwd om op ons woorden te letten.
Nou dat was ook wat, dat lichtcontrole loopen. Daar kon je weer de bietsers kennen. Die kwamen steeds met sigaren, brood en vleesch naar huis. Die wisten waar ze wezen moesten. Nou, ik heb me nooit druk gemaakt voor een proces verbaal. Ik was kruidenier van beroep en als de luchtbescherming afgelopen was had ik graag dat de Nijm. Burgerij niet kon zeggen "die rotvent heeft mij nog in de moffentijd bekeurd". Er waren er bij van die heethoofden die met 10 à 15 processen verbalen
P 14-15index
binnenkwamen. Bij ons was het steeds maar waarschuwen en als wij op de post kwamen was het steeds "geen bijzonderheden". Dit was een van die taken wat wij te doen hadden.
In de nacht kwam je overal soldaten met Hollandsche meiden tegen en hebben wij een hoop gezien. Op heden zijn die zelfde meiden met Engelsche of Canadezen gehuwd of verloofd.

Bommen vallen
De ploeg C was wel de mooiste ploeg die er was. De N.S.B.-er was bij ons ingedeeld en leerden wij heel goed kennen. Het was een prettig mensch in de omgang en was een reuze liefhebber van een spelletje kaart. In de nachtdienst, als we in ligstoelen aan het rusten gingen, haalde hij ons er uit en was het "jongens, wie doet er mee?". Op een morgen om half zes kregen wij de eerste praktische les in E.H.B.O. Ploeg C had dienst en een arbeider werd door een Duitsche wagen met een flinke vaart aangereden. De man klaagde over pijn in de rug en was nogal erg beschadigd in zijn gezicht en handen. Wij hebben hem op de brancard gelegd en verbonden en toen de dokter van de Geneeskundige dienst opgebeld. De Duitscher was er steeds bij en zou alles betalen; de fiets van de man en de verdere onkosten. Hij noteerde
P 16-17index
naam en adres en moest naar Arnhem, maar kwam de man 's avonds thuis bezoeken. De dokter kwam en constateerde een hersenschudding en het ravenuitsteeksel van het schouderblad was afgebroken, maar hij kon naar huis vervoerd worden. Wij hebben de man naar huis vervoerd met de E.H.B.O. wagen. Al die tijd hield de N.S.B.-er zich op een afstand. Die was op van de zenuwen, die kon geen bloed zien. De Commandant van ons was ook geen knip voor de neus waard. Toen kon je al de goede E.H.B.O.-ers kennen. 's Avonds voor de opkomst werd er door een van de N.S.B.-leden bij de man thuis geïnformeerd hoe of de toestand was. Die was redelijk goed en de Duitscher was al op bezoek geweest en zou alle kosten op zich nemen.
Zoo geleidelijk aan kwamen er in de nacht al Engelsche vliegtuigen over Nijmegen en was de Duitsche jager zeer actief. De eerste kleine bommen vielen bij de Waalbrug. Toen moesten alle ploegen opkomen. In de Graadt van Roggenstraat waren er verschillende huizen beschadigd en moesten de menschen de woningen verlaten, want er moesten nog blindgangers liggen. Wij moesten met 2 man elke woning van boven tot onder onderzoeken naar blindgangers. Wij op stap en hebben de woningen doorzocht en vinden geen bommen maar wel geweldig veel levensmiddelen. Wij waren daar namelijk in de gegoede buurt. Wij zeiden al tegen elkaar "hier kan de oorlog gerust 5 jaar duren, hier is de boks niet kapot, die sterven hier niet van de honger". Die hadden de raad van Minister Colijn opgevolgd "hamster in vredestijd". De Commandant van ons was net een aap, zo klom hij van het eene dak op het andere.
Nou de dienst ging weer verder. Schuilkeldercontrole kregen wij er bij omdat
P 18-19index
die zoo geweldig door de burgers en door Duitsche soldaten werden bevuild, die de schuilkelders gebruikte om zich met die meiden af te zonderen. Er was een agent bij die hield elke morgen zelf controle in de Kronenburgerpark schuilkelders en kwam dan met 60 tot 75 rijwiel binnenbanden op het bureau aan. Dus er werd geweldig gebruik gemaakt van de schuilkelders.
De 2de bom viel in het Waterkwartier des avonds. 's Morgens bij het krieken van de dag moest de L.B.D uitrukken, de straten afzetten. Wij kwamen daar aan en toen waren de vakmenschen op het terrein van de ramp. Leiding was er haast niet bij en ik begreep niet wat wij daar moesten doen, weer naar zoogenaamde blindgangers zoeken.
Onze ploeg werd uitgebreid met een bestuurslid van de vereeniging E.H.B.O. die bij ons werd ingedeeld. Of dat kwam dat wij zo'n flinke Commandant hadden. Deze was tevens aangesteld als controleur voor de uitkijktoren. Als wij nachtdienst hadden ging hij om drie of 4 uur naar de St. Stevenstoren en naar de Kwakkenberg om de torenwachter te controleren. De verwaandheid werd in de ploeg tegen over de andere ploegen als Opruiming steeds erger. En als ik dan de verhouding van ploeg B zag waar de E.H.B.O., Brandweer en Opruiming een was, toen heb ik aangevraagd om in ploeg B te komen. Het werd mij de eerste keer door de leiding niet toegestaan daar de ploeg C niet zoo best was en als ze er nog de beste menschen af haalde bleef er helemaal niets over. Als ploeg B nachtdienst had werd er daar wel voor ontspanning gezorgd. Die maakte zoo zelf een bonte Dinsdagavond waar ze allemaal aan mede deeden.
Ook hadden wij in ploeg C een reiniger
P 20-21index
van beroep, een man die met alle winden mee waaide als hij er zelf maar beter op werd. Dat was de man die van de hoofdpost was gekomen en geen Commandant was geworden. Die kreeg de naam van Falderabes. Die werd later ook bij de N.S.B. ingelijfd. Daar liep ik mee op lichtcontrole en hoorden wij ergens de Engelsche zender, hij wou met alle geweld die menschen waarschuwen dat ze op moesten passen want dat dat ook wel verkeerde menschen konden hooren, en dan zaten ze met de last. Ik heb hem daar van tegen gehouden want als dat soms N.S.B.-ers waren, liep hij zelf in de val. De andere dag heeft hij die menschen toch gewaarschuwd. Het waren geen N.S.B.-ers.
Er werd ook steeds gevraagd aan de leiding voor kleeding. Na heel wat gepraat kregen wij dan overals. Nou werd het bestuurslid van de E.H.B.O. instructeur over ons en moesten wij gaan oefenen op de Stevenstoren. Een patiënt werd dan door de hele toren gedragen en over het dak van de St. Steven. Ook kregen wij de oefening met gasmaskers op. Een patiënt naar boven in de toren brengen, dan werd er even bij gezweet. Daar kon je al aan zien welke menschen goed waren bij het vervoer. De Falderabes was daar niet voor geschikt.
Er kwamen 's nachts al meer vliegers en wij zeiden al tegen elkaar "als de oorlog afgelopen is zullen er van ons best gesneuveld zijn" want de lucht dreunde al af en toe en werd het al aardig angstig. Wij zeiden al "wij zitten hier dicht bij de grens en vandaag of morgen zien ze Nijmegen aan voor een Duitsche stad". Toch werden wij hier ingedeeld in gevaren klasse 3 en kregen wij ook loon naar klasse 3. Dat was weer de politiek van het klasse stelsel.
Ik werd ingedeeld in ploeg B. Dit was de schaakploeg. In de vrije uren werd daar
P 22-23index
veel geschaakt. Een lid werd naar de hoofdpost overgeplaatst voor administratie. Deze draaide ook steeds om de N.S.B.-ers heen. Er kwam nog een post bij en er kwamen ook weer menschen bij. Als E.H.B.O.-ers kwamen er bij, de vrienden van onze instructeurs, ook stroopsmeerders. Nou moesten er weer drie Commandanten aangesteld worden. Voor de Opruiming werd mij door een neef van een persoon gevraagd of zijn oom Commandant was geworden want de geestelijke had daar voor gezorgd. Ik zeg tegen hem dat daar geen sprake van was. Ik vertelde dat geval aan de Commandant en ook aan de N.S.B.-er. "Nou weet je hoe of je hier 5 gulden in de week meer kunt verdienen". Er was nog geen sprake van benoeming, dus afwachten. Dinsdag kwam de neef weer bij mij en zei dat zijn Oome benoemd was. Dat was drie weken later. Ik zeg "dat bestaat niet". "Nou" zei de neef "het is zoo want ik kom net van mijn Oome vandaan en de Geestelijke heeft het voor elkaar gekregen". Ik vertelde het geval weer op de post en de heibel was er weer. Ik verweet sommige Commandanten dat ze op dezelfde manier Commandant waren geworden. Vrijdags kwam de bekendmaking die en die waren Commandant geworden over ploeg vier, daar was het pastoorskind ook bij. De N.S.B.-er zei tegen mij "Dat is treurig genoeg dat het zoo moet gaan maar de tijd word wel anders. Dan komen de andersdenkenden ook eens aan de beurt om 5 gulden per week meer te verdienen". Die tijd is gekomen en het pastoorskind ging naar Vucht.
Ik kon mij in ploeg B heel goed schikken. De Opruiming ging schuilkelders schoonmaken, de E.H.B.O. oefenen en als de Opruiming terug kwam nam de schaakcompetitie een aanvang. De Commandant van de Opruiming, dat was Daantje de Leugenaar. Ook al
P 24-25index
zo'n mooi prentenboek. Liegen dat hij het zelf geloofde. De menschen van de Opruiming schaamde zich als ze met hem op de straat waren. Hij was bekend als de bonte hond. Het rooken werd schaars en hij was een hartstochtelijk rooker. Wij zochten de asbakken af en draaiden dan een sigaret. Als hij dan bij ons kwam was het "Daan moet je een sigaret?" en dan was het "graag!". Wij hadden oefening gehad op het dak van de hoofdpost en toen hadden wij mos in de zak van de overal. Wij hebben daar een paar fijne sigaretten van gedraaid en ze Daan laten rooken. Nou, die peesde ze fijn op de longen. Wij zeiden dat het niet zulke beste Belgische shag was maar hij vond ze fijn en hij was weer gematst. Alles werd gerookt tot gedroogde soepgroenten toe. Dan rook het lokaal naar de Centrale keuken.
Er kwam een groote oefening; de Heeren uit Den Haag kwamen de boel inspecteren. Wij moesten plots op de hoofdpost verschijnen, uitrukken met al het materiaal. De brandweer moest water geven. Wij moesten de E.H.B.O.-wagen halen in de Walstraat bij de Geneeskundige Dienst. Daar moest een groote vrachtwagen omgebouwd worden; zeil er over, een stelling voor brancards er in en dan konden wij uitrukken. Maar de auto was er niet. Die was op karwei. De Commandant was een liefhebber van de telefoon en deed maar niets dan bellen. Intussen arriveerde de auto en wij hem aan het ombouwen. Toen in de wagen. De chauffeur reed er eerst nog een deurstijl uit en vroeg of alles er in was. Wij schreeuwden "ja!" en weg ging het. Toen wij op de hoofdpost aankwamen moesten wij ons bij de leiding melden en toen was het "waar is jullie Commandant?". Wij kijken en
P 26-27index
zagen hem niet. Toen zei er een "die staat in de Walstraat aan de telefoon". Even daarna kwam de Commandant aan. Hij kwam in de tussentijd met de wagen van de Geneeskundige Dienst met de gemeente chauffeur aan. Die had hij in die tijd maar gevorderd. De inspectie was afgelopen en wij konden inrukken naar de post. Er was met onze Commandant geen land te omzeilen. Wij hadden hem expres laten staan, volgens hem, maar hij had ons toch te pakken dat hij zoo slim was geweest om de auto van de Geneeskundige Dienst te vorderen.

Het eerste slachtoffer.
Wij hadden er nog een post bij gekregen in de Hazenkamp. Nu kregen wij twee weken nachtdienst; een week morgen- en een week middagdienst. De garage aan de Hazenkamp moest door ons worden ontruimd en wij gingen naar de Groenestraat, een groot hol lokaal in een fabriek. Nou dat was een kruis daar. In de winter stond er een kachel en je kon er maar met een man of 4 bij komen. Je bevroor daar van de kou, het was daar niet te harden. Je was blij als die week nachtdienst er op zat. Wij hadden de hele winter zo door gemierd. De Sirene loeide nog al eens een keer en moesten wij ons naar onze posten begeven.
Op 26 maart 42 's avonds om half 12 loeide de sirene weer. Er waren bommen gevallen op de Groote Markt [Grote Markt]. Dus weer naar de post. Eerst mijn gezin naar de schuilkelder gebracht en opgestapt.
P 28-29index
Ze zaten weer als zand in de lucht. Bij het bruggetje op de St Annastraat reed nog een L.B.D.-er mij met de fiets voorbij. Hij riep "het is weer raak!" Op het bruggetje kom ik het eerste slachtoffer tegen. Ik groet hem en loop weer verder. Ik liep vlug en ben op de St. Annastraat en hoorde een raar geluid in de lucht. Ik stond stil en dacht direct "het is gebeurd met me" en gooide me op de grond. Ik lag goed en wel en toen volgde een geweldige zuiging in mijn ooren. Een knal heb ik niet gehoord en ook geen glas hooren vallen, terwijl op de heele St. Annastraat geen ruit meer heel was. Ik lag ongeveer 10 meter van de bomtrechter af, wat ik niet wist. Ik voelde de steenregen op mij vallen en hoorde elke keer tik, tik, op de weg. Dat was het na-vallende stukken en grind. Ik kreeg ook een duw op mijn rug maar mankeerde niks. Er stonden toen een huisgezin op de weg te schreeuwen "help, help!". Ik daar naar toe en de menschen waren heelemaal van streek. Dat was mevrouw, een jongen van een jaar of 12 en een meisje, ook in die leeftijd en de dienstbode. Ze schreeuwden dat de bom bij hun in huis was gevallen. Ik heb die menschen gekalmeerd. Ze hadden de baby in een bak liggen. Wij zijn toen naar de overkant van de straat gegaan want ze moesten onderdak hebben met die baby. Er hing een blauw-groene walm en de tramleiding was kapot. Die hing over de weg heen. Ik heb daarna de menschen in een woning binnengekregen en toen heerste er een doodse stilte op de straat. Ik ben daar na de inslag ongeveer een half uur geweest en er was geen mensch. Toen ben ik naar de post gegaan in de Walstraat. Daar werd ik gefeliciteerd dat ik nog leefde want de man die mij met de
P 30-31index
fiets voorbij was gereden had de bom naar beneden zien komen en wist dat hij bij mij neer zou vallen. Die had verteld "hem kun je afschrijven, het eerste slachtoffer zullen wij wel hebben", vooral toen ik niet op kwam dagen.
De dienstdoende ploeg was al uitgerukt naar de Groote Markt [Grote Markt] waar hun assistentie verleende. Daar waren een paar gewonden maar geen slachtoffers. De ploeg uit de Groenestraat was inmiddels uitgerukt naar de St. Annastraat waar ze hun eigen lid, welke ik tegen was gekomen op het bruggetje en die van de bom afliep, zwaar gewond naar het ziekenhuis konden brengen. Het was binnen het half uur met hem afgeloopen. De andere morgen hoorden wij het. Wij hadden het eerste slachtoffer te betreuren. En toch waren wij in gevarenklasse drie ingedeeld. Nu kregen wij dan de begrafenis. Het lijk was in het doodehuis van het ziekenhuis opgebaard en wij trokken zoo alla langs onze gewezen collega. Nu werd de stoet opgesteld en ging de route langs de hoofdpost naar het Kerkhof Daalscheweg [Daalseweg] de Kerk op het Keizer Karelplein waar de kerkdienst werd gehouden met een zingende mis. Wij zaten daar, waar het plechtig toeging. Waar ik wel wat anders van zou kunnen zeggen maar hier wil ik niet over schrijven. Daarna ging de route naar het kerkhof Daalseweg waar nog verschillende sprekers spraken op het graf. De leiding nam het woord en ging de doode ophemelen als een trouw medewerker en als hij geen slachtoffer van zijn plicht was geworden was hij in een andere functie overgeheveld in de Luchtbescherming. Ook was er nog iemand bij die de Hitlergroet bracht. Nu moesten wij alle een schep aarde op de kist werpen en de
P 32-33index
plechtigheid was afgeloopen, en rukte wij in. Op de post zeiden wij tegen elkaar "Dit is de eerste, wie zal volgen?. Hoe zal het nu gaan met de nabestaande?". Daar waren wij wel het nieuwsgierigste naar. Nou, de regeling kwam af en de weduwe werd met 12 gulden per week gesteund. Dus wij wisten wat ons stond te wachten als ons het lot zou treffen. De verzorging der nabestaanden was prima. Efijn, dit toch nog liever als voor de mof te moeten werken.
Onze instructeur werd bevorderd tot officier van Dienst. Dit was voor hem een mooie bevordering welke wij hem dan ook wel van harte gunde. Op een avond om half twaalf loeide de sirene weer en werd een bom losgelaten op de Hatertseweg waar een woning in elkaar werd gedrukt. Daar was ploeg vier naar uitgerukt van de Geneeskundige Dienst. Er waren een paar zwaargewonden welke spoedig in het ziekenhuis waren geborgen. De volgende morgen werkte ploeg B van de Opruiming daar om de boel te stutten. Wij werden zoo geleidelijk aan al voor onze aankomende taak opgeleid.
Een lid van de ploeg die al bij de N.S.B. was aangesloten wenste Commandant te worden en als dat niet ging zei hij zijn betrekking op, wat prompt gebeurde. Hij werd op een kantoor geplaatst voor de woningen der joden te beheeren waar hij volgens hem een beste betrekking had. De luchtbescherming was toen nog degelijk in Hollandsche handen en kon toch niet iedereen Commandant worden. Daar moest je de wegen voor kennen.
P 34-35index
Van de regen in de drup.
Wij kregen een N.S.B.-commissaris van politie welke tevens hoofd was van de L.B.D. Onze baas van de commandopost kreeg een andere baan en toen was het gebeurd. Er kwam een andere baas, een compaan van de W.A. en gepensioneerd van het Hollandsche Indische leger. Toen was het de beurt van de N.S.B. Wij moesten elke week twee uur op het terrein bij de commandopost verschijnen, dienst of geen dienst. Daar kregen wij Germaansche exercitie, een uur lang en verder een uur sport, dat was voetbal, slagbal of rugby. Nou, de eerste kennismaking was op het veld en werd ons verteld dat wij niet meer aan de zijkpaal stonden en dat wij geen onderscheid meer hoefde te hebben. Als wij hen tegenkwamen hoefden wij onze hoeden niet af te nemen en te buigen als een knipmes, maar hem niet anders dan recht in de oogen te kijken. Nou, de oefening begon. Dat was hardloopen, bokspringen en als je het niet goed deed moest je strafrondjes loopen. Ook was er een boegspriet en moesten daar over heen. Ook een oude man moest er aan geloven. De menschen op straat riepen "hé meneer, dat kan die oude man toch niet". Toen riep hij terug "oud? Hij kan godverdomme wel 9 jongen maken dus dat moet hij ook maar kunnen". De Commandanten moesten apart op het veld verschijnen. Die werden opgeleid om de ploegen leiding te geven. Na verloop van 10 weken kwamen de onder-commandanten aan de beurt, waar ik ook bij was.
Er kwam ook een nieuwe Burgemeester. Die zou ook de luchtbescherming komen inspecteren. Ook een N.S.B.-er. Nou, wij werden er voor opgeleid om de Burgemeester te ontvangen. Hoe of wij moesten
P 36-37index
staan en dan moest een persoon de Burgemeester voorstellen en dan was het "opgelet voor de Burgemeester". Wij hadden dat onder de knie en de Burgemeester kon komen. Hij zou komen en wij waren opgesteld op het veld. En toen begon het geweldig te regenen. Zoo kon je geen Burgemeester ontvangen en moesten wij die poppenkast maar in de schuilkelder onder de hoofdpost doen. Nou, daar kwam hij dan hoor, en "opgelet voor de Burgemeester", klonk het, en daar kwam het prentenboek aan hoor. Ieder moest zijn naam noemen en kreeg een hand van hem. Nu konden wij ook onze klachten en grieven kenbaar maken, dan zou hij trachten om wat voor ons te doen. Nou, die kwamen dan; de voeding, de kleeding, schoeisel, efijn, er werd ons een hoop beloofd zoo als dat altijd gaat, want je komt van de regen in de drup; voor de oorlog, in de oorlog en na de oorlog, beloven en beloven en ze kunnen toch niets doen voor de arbeiders. Wel voor hun zelf, dat is het oude en het nieuwe liedje. De Burgemeester nam afscheid en er moesten 3 personen bij hem komen voor een onderhoud betreffende de klachten. Hij maakte een prettige indruk met zijn beloven. Mijn buurman fluisterde mij in het oor "zijk op de schop". Toen de Burgemeester vertrokken was konden wij inrukken.
Nou kwamen er ook N.S.B.-ers in de piketploegen en werd het uitkijken voor ons. Wij kregen bij de E.H.B.O. een chauffeur toegewezen. Een die bij de N.S.K.K. was geweest en gereden had op Smolensk. Nou, hij was de eerste avond in dienst en de Commandant van ons had zijn vrije dag dus ik moest hem zijn taak aanwijzen.
P 38-39index
Als er wat gebeurde, de auto start klaar hebben. Wij hadden toen weer de post op de Hazenkamp. En er was een apart lokaal voor de Commandant. Ik zat met Daantje bij de telefoon en het was bij 12 uur toen er een geweldige slag kwam. Er hadden al de heele avond vliegtuigen in de lucht gezeten. Daantje vloog met zijn hoofd onder de stoel en zat maar naar de telefoon te grijpen. De stukken kalk vlogen ons om de ooren want het gebouw stond te schudden. Daar belde de telefoon en uitrukken: Dorpstraat in Hees. Wij hadden de N.S.K.K.-chauffeur maar die reed prima en in 5 minuten tijd waren wij op de plaats van de ramp. Je kon geen hand voor oogen zien en wij mochten geen licht gebruiken daar de vliegtuigen als zand in de lucht zaten. De heele weg was versperd en overal klonk hulpgeroep. Wij de mensen van de zolders afdragen. Dat gebeurde met de brandweergreep. De brandweer was ook gearriveerd maar hoefde niet in te grijpen omdat er geen brand was ontstaan. Wij gebruikte hun ladders om de menschen van de zolders te halen en brachten ze op onze ruggen naar Heeschlust [Heeslust]. Deze zaal zat vol gewonden, allemaal glaswonden. Wij hebben daar verschillende verbanden aangelegd en ook twee meisjes verbonden die de lucht in waren geslingerd. Die waren er erg aan toe. Wij kregen ook een oude dame van tachtig jaar onder het puin uit, welke compleet gescalpeerd was. Deze drie zwaargewonden werden dadelijk daarom naar het ziekenhuis vervoerd. Van het ziekenhuis gingen wij weer naar de plaats van de ramp en was de Opruiming al bezig met lampen, er waren namelijk geen vliegtuigen meer in de lucht, de doode aan het opsporen. Wij hebben ze gevonden.
P 40-41index
Het waren drie mannen, een van 40 jaar en twee van 80. De morgen brak aan en het goed wat waarde had, werd in de schuilkelder gebracht door de Opruiming. Dat was kaas, levensmiddelen en geld. Ik liep langs de kerk en vond tussen het puin een briefje van 10 gulden welke ik aan de Commandant plaats ongeval overhandigde. Daar verscheen de Commissaris van Politie op het terrein van de ramp. Er was ook een Geestelijke die de geestelijke bijstand verleende. De Commissaris zag de geestelijke en riep een agent bij zich. Deze kreeg de opdracht om die geestelijke te verwijderen. Deze geestelijke was door mij verbonden. Zijn geheele gezicht zat vol glassneden en zijn hoofd was goed ingepakt. Hij moest zich van het terrein verwijderen. Om zes uur melde mijn Commandant zich bij onze ploeg. Die had er helemaal niets van gehoord dat er een bom was gevallen. Wij hadden daar een knap stuk werk verricht. Als er zo'n ramp gebeurde zat je ook opgescheept met de technische ambtenaren. Die waren toegewezen van de Gemeente. Die hadden dan de leiding bij het bergingswerk. Dat was ook steeds zijk op de schop. Wij hadden op een bovenverdieping in het donker de menschen er af gehaald. Toen het licht werd vroegen wij ons af hoe wij daar toe het lef hadden gehad. De ambtenaar gaf last aan de Commandant van de Opruiming om dat gebouw te stutten. Deze bekeek de zaak even en antwoorde "daar waag ik mijn menschen niet aan". Dus antwoorde de ambtenaar "ik gelast het je". "Jij kunt gelasten zoveel jij wilt maar ik begin er niet aan. Het kan elk oogenblik instorten". "Dus je weigert dienst" en meteen storte het heele geval in. Dat waren dan de menschen


P 42-43index
met de kennis en de hooge salarissen. Er was daar een luchttorpedo neergekomen en om 8 uur kon de E.H.B.O. inrukken. De Opruimingsploegen bleven daar aan het werk. Er was daar in de Smalle Steeg in Neerbosch nog zoo een terecht gekomen welke niet ontploft was. Er waren ook brandbommen uitgeworpen. Een ploeg van de L.B.D. moest deze op gaan zoeken. Toen vertelde een boer hun dat er nog zo'n groot ding in de grond zat. Ze kwamen bij de bom en dachten dat het een wapenreservoir was welke de Engelschen uitgegooid hadden voor de ondergrondsche en gingen dat aan het uitgraven. Schaftijd gingen ze om de kuil zitten met de voeten op de bom. Na het eten gingen ze weer verder met graven en toen werd er eens aan getrokken of de deksel niet los ging. Toen vertrouwde ze de zaak niet best meer en er kwam een Duitscher bij van het sprengcommando. Die zei "zeer gevaarlijk, een luchttorpedo", en de omgeving moest afgezet worden. Er moest dag en nacht de wacht bij gehouden worden en er mocht geen mensch in de buurt komen. Ik kreeg de wacht aan de St. Agnetenweg en die in de Smalle Steeg wacht hadden, gingen maar bij die boer werken. Wij hebben daar zo ongeveer 10 weken wacht bij gehad. De Commandanten moesten om verschillende tijden de wacht controleren. Mijn Commandant kwam ook steeds en vroeg op een keer of wij hadden gehoord of de commissaris weg ging, dat hij naar Utrecht overgeplaatst werd. Toen de ploegen wisselden had mijn Commandant ook deze vraag aan de opkomende ploeg gevraagd. Deze wisten er ook niets van. Maar de N.S.B.-ers hadden het doorgegeven aan die Commissaris en de vraag was heelemaal verdraaid. Wij hadden ook een oude Kastelein in de ploeg waar wij het heel goed mee
P 44-45index
overweg konden, ook een geweldige liefhebber van een spelletje kaart. En als er dan een bij het kaartgroepje was die veel geluk had, dan zat hij zich op te winden en was het "Nou Jopie, jij bent door de ratten genaaid". Deze man had ook bij was ook bij de wisseling van de ploegen. Wij kregen weer de nachtdienst aan de Hazenkamp en op een donderdag gebeurde het. Van de ratten genaaid werd op het politiebureau ontboden. 's Middags om vier uur moest hij daar verschijnen. Hij zei tegen zijn vrouw "Ik ben zoo terug hoor". Hij werd bij de Commissaris gebracht en moest daar vertellen wat de Commandant had gezegd dat hij [de Commisaris, red.] overgeplaatst werd naar Utrecht en dat de Commandant had gezegd "ze kunnen hem beter naar het oostfront sturen". "Dat is niet waar", zei de man. "Hij heeft gezegd of wij ook gehoord hadden dat de commissaris naar Utrecht overgeplaatst werd en dat dat een hele bevordering voor hem was want Utrecht was toch een stuk grooter dan Nijmegen". De commissaris vloekte als een ketellapper en sloeg met de vuist op tafel en maakte hem uit voor Oranjebolsjewiek waar de luchtbescherming vol van zat. Een agent moest komen en van de ratten genaaid moest in de cel. Wij hadden nachtdienst en om 8 uur was Om 7 uur was hij nog niet thuis. Zijn vrouw ging naar de woning van de Commandant en vroeg of hij soms wat van haar man wist. Die moest op het politiebureau komen en was nog niet thuis. "Nou" zei mijn Commandant "ik weet er niets van en zoo als ik weet bemoeid hij zich nergens mee dus hij kan ook niets gezegd hebben waar ze hem voor vast houden, dus hij zal wel thuis komen". Wij kwamen om
P 46-47index
tien uur op en misten hem dadelijk. "Nou", zei de Commandant, "wat er met hem aan de hand is, ik weet het niet. Hij moest op het politiebureau komen en ze hebben hem zeker vast zitten. Wat hij gedaan moet hebben weet ik niet". Wij zaten te schaken en het was een uur toen hoorden wij een auto aankomen en stoppen bij de L.B.D. Wij zeiden direct "dat zullen wel Duitschers zijn". Maar de deur werd open gedaan en de commissaris kwam in de hal. Nu stond er in de hal een fiets aanhangbrancard en een oude schoenmaker lag daar op te rusten. De commissaris zag dat en vloekte dat het schuw was. De man kwam van de brancard af en stond met de handen in de zak voor de commissaris. Toen was het "Sta godverdomme niet met je handen in je zak voor je meerdere. Waar heb jij die opvoeding gekregen. Hoe heet je en wie is je Commandant?". De Commandant was naar de hal gegaan en kreeg daar ook voor een stuiver. Toen moest hij mijn Commandant hebben. Die kwam bij hem en de hal en hoorden wij dat hij mee moest, zijn plaatsvervanger de orders overgeven. Toen moest ik bij de commissaris komen en zei hij tegen mij "je Commandant gaat mee en jij neemt de orde hier waar". Ik neem zo'n beetje de houding aan en zeg "tot u dienst". Toen was het "ingerukt" en daar ging mijn commandant in de auto mee. We zeiden al "die is van de ratten genaaid achterna, die zien wij ook niet terug". De andere dag hoorden wij het relaas en wat er aan de hand was geweest. Mijn Commandant moest de vraag herhalen welke hij had gesteld en kreeg het antwoord er bij dat zijn collega al had bekend en ging het hard tegen hard


P 48-49index
maar mijn Commandant gaf niet toe. De commissaris zei toen, bleek van woede, dat mijn Commandant een Oranjebolsjewiek was waar de LBD van vol zat en dat hij geschorst was in zijn functie en de andere dag zijn uitrusting moest inleveren. Deze uitrusting bestond uit een oude geverfde soldatenjas en rijbroek van een oude regenjas, een paar beenkappen en kepi en helm en gasmasker en verbandtasch. Deze uitrusting had enkel de Geneeskundige Dienst. De Commandant kon naar huis gaan. Toen werd zijn collega uit de cel gehaald en werd voor de commissaris gebracht. Daar kreeg hij ten antwoord dat hij nou maar moest bekennen want dat zijn collega had bekend. Hij kon bekennen zoo veel als hij wil maar ik kan niet tegen zwart wit zeggen. "Jij bent een Oranjebolsjewiek en morgen moet je je uitrusting inleveren. Je bent van de dienst geschorst". Toen vroeg hij of hij een bewijs kon krijgen dat hij over de straat mocht want het was twaalf uur geweest. De commissaris vloekte en sloeg met de vuist op tafel en zei; "ik stuur je naar huis en als je niet heel vlug opdondert laat ik je weer in de cel zetten". Nou, hij met de staart tussen de beenen weg. Het was een lust om Commandant te wezen, je stond met een been in Vucht [Vught]. De tijd van de NSB was gekomen.
P 50-51index
Van de Wal in de sloot.
Wij kregen een andere piketpost in de Walstraat. De Hertogstraat werd enkel voor de beroepsbrandweer en de Commandant van de Brandweer moest de woning betrekken. In elke ploeg werd er N.S.B.-ers in geplaatst. In ploeg 4 kwam Jozef Knikker, een W.A.-man, gepensioneerd van het Neder. Ind. Leger. Dat was de colporteur van Volk en Vaderland. Hij verkocht er verschillende, aan hen die hem een beetje begonnen te knijpen want wij werden door het hoofd gedreigd met Vucht [Vught], Ommen en Polen. Nou, Jozef Knikker had in onze ploeg geen succes met Volk en Vaderland. Als hij met de krant verscheen dan deden wij net of wij hem niet zagen. Wij hadden onze N.S.K.K.-er, ook een die alles noteerde. Dit was de loopjongen van commissaris Van Dijk.
Wij zaten achter op de plaats van de garage bij de muur van het Jodenkerkhof. Hier stonden van die vlierstruiken op. Wij zaten dagelijks op het Kerkhof. Op een goede keer zaten wij daar. En ineens zei de N.S.K.K.-er "wat zit daar in die vlierstruik" en hij haalde daar een russische [of staat er Mauser? red.] bajonet uit en bracht deze naar de commissaris met de boodschap dat er waarschijnlijk wapens in het geheim werden gehouden. Nou, wij die knaap aan het voeren. Het was steeds weer "er hangt een Kanon in de boom" en wij maar voeren en voeren. Wij zaten steeds met hem aan het praten en uithoren over zijn reizen. Hij was onze speciale vrind, wij hadden geen last van hem.
Steeds ging de sirene en moesten wij opkomen. Nou kregen wij steeds dienst. Wij waren thuis uit dienst of de vliegtuigen waren er al weer. En als wij de middagdienst hadden
P 52-53index
en wij gingen naar huis, ging de N.S.K.K.-er nog op lichtcontrole en gingen er nog van die stroopsmeerders met hem mee om proces verbaal op te maken. Dit was veelal Daantje de Leugenaar en nog een lid van de brandweer, welke later ook Commandant is geworden. Deze werd door de N.S.K.K.-er bij de commissaris voorgedragen dat hij daar zeer geschikt voor was, ook zo'n geweldige stroopsmeerder. Was fijn Katholiek en draaide maar met de N.S.B. mee. Nou, hij heeft ook succes behaald. Daantje was in zijn eigen tijd met de N.S.K.K. op lichtcontrole, toen wouwen ze hem aan de riek steken. Efijn dat kwam die man op 75 gulden boete te staan.
Elke week moesten wij naar de hoofdpost de post bijhouden. Wij kregen ook les in het melden bij de superieuren. Dat was in de houding staan en dan "die en die meld zich". Ik kreeg opdracht een brief te brengen naar de Officier van Dienst. Dus ik kom op de hoofdpost aan en tik op de deur en kom binnen en meld me. Ik sta in de houding en de officier van dienst brult van het lachen "ha ha ha". Nou, ik smijt de brief op tafel en denk, "nou, wij moeten die flauwekul leeren maar laten ze het die Officieren van Dienst maar leeren".
Wij hebben op een nacht nachtdienst in de Walstraat en het was twee uur. Wordt er aan de deur geklopt en een dronken Duitsche soldaat komt opgewonden met de revolver in de hand binnen en staat te schreeuwen. Wat er aan de hand is weten wij niet. Wij komen met drie man om de hoek en ik was de achterste en ik hoorde ineens "handen op" en draai me gouw om en daar staat Daantje en de andere Commandant
P 54-55index
met 2 leden met de handen in de hoogte. Ik sta om de hoek te loeren hoe of dat af zal loopen. Toen ziet die mof een rijwiel staan en zegt "daar staat dat vervloekte vaaraat" en begint er op te schieten. De kogels kwamen in het plafond terecht, zoo zat was die mof. Ik had het meeste schik met Daantje de Leugenaar, die stond te bibberen op zijn beenen. Hij ging De Mof ging weer naar buiten en Daantje kroop op zijn buik naar de deur om hem op de grendel te doen. Wij hoorden de mof op straat op en neer loopen en hoorden hem steeds schieten. Wij lagen allemaal plat op de grond. Toen hij weg was belde Daantje de hoofdpost op en vertelde wat er aan de hand was. Toen werd van daaruit de Feldgendarme opgebeld en na een uur verschenen er twee groote moffenoficieren op de post en kwamen om inlichtingen. Nou, Daantje was op zijn best hoor. Die vertelde het geheele geval in het Duitsch en wij stonden ons inwendig beroerd te lachen. De volgende dag kwamen die twee officieren weer op de post en hadden die mof 's nachts gearresteerd en hij was al, volgens hun, meteen op transport gesteld naar het Oostfront en wij geen last meer met hem zouden ondervinden.
Wij krijgen onze eerste N.S.B.-er als Commandant, nou, daar waren wij niet slecht mee af. Hij werd ook benoemd tot sociaale voorman voor de Luchtbescherming. Wij hadden weer Germaansche exercitie op de hoofdpost en het ging er weer fraai aan toe. Onze N.S.B.-Commandant nam dat niet langer en ging er met de Commissaris over praten. Het was namelijk dat een oude timmerman zijk op de schop, die de jaren had
P 56-57index
en toch niet naar Duitsland hoefde, tegen het hoofd van de L.B.D., compaan van de W.A., zei "je kunt naar je ouwe moer loopen" en gooide hem het gasmasker en helm voor de voeten. Deze man was een fijne vent, daar deden ze niet mee wat ze wilden. Hij had op het vliegveld in Deelen gewerkt en het vroor 15 graden. Ze stonden bij de vuurpot toen kwam de aannemer er aan en de menschen vlogen alle naar hun werk maar hij bleef staan. Toen schreeuwde de aannemer tegen hem wat of hij daar te maken had en hij antwoorde "dat zie je toch wel, ik sta mijn klooten te warmen". Nou, het was een man op jaren en mijn Commandant, de N.S.B.-er, nam het voor hem op. Hij werd er dan ook nog geen moment voor gestraft.
Er werd ook nog steeds gekaart en dat ging om een paar losse centen. Een commandant uit een andere ploeg, de stille, had het aangebracht en de N.S.B.-er Jozef Knikker was er ook bij betrokken. Nou, dat liep met een sisser af en er kwam een order op het bord te hangen dat het ten strengste verboden was om om geld te spelen.
Het rooken begon zoo schaars te worden dat wij graag op lichtcontrole liepen. Dan liepen wij nog snel eens wat te zoeken of wij waarschuwden dan en toen waren de bekeuringen 75 gulden dus kregen wij maar gouw een sigaar en lieten het er bij. Ik moest ook met iemand loopen en die had ook een goed adres gevonden namelijk bij de Duitsche Reten [?]. Die woonden op de luizenmarkt en daar kwamen veel Duitsche soldaten. Nou, hij zat steeds bij Rete op de stoep als hij lichtcontrole moest loopen. Daar viel wel wat te rooken af.
Wij hebben al een paar keer verhooging
P 58-59index
van salaris gekregen en ons loon bedroeg al 28 gulden per week. Dat was een mooi salaris voor een ambtenaar. Als het Rijk verhooging kreeg hoorden wij bij de Gemeente en als de gemeenteambtenaren verhooging kregen hoorden wij bij het Rijk. Wij hingen er zoo net tusschen in. Wij waren een noodzakelijk kwaad. De meeste menschen sjacherde er zo'n beetje bij want van dat goede salaris kon je nog geen hond groot brengen, laat staan een kind. Maarja, je hoefde niet naar Duitsland, dat was veel waard. En dan hoorde je maar steeds van de N.S.B.-leden dat over ons nog steeds de Hollandsche instanties gingen en dat de Duitsers er niets mee hadden te maken. Want als de Duitsers daar over de zeggenschap hadden dat het dan wel een stuk beter met het salaris zou zijn. Efijn, het was voor ons nou precies het zelfde. Of je nou door de hond of de kat werd gebeten.
De N.S.B.-er die bij ons weggegaan was omdat hij geen Commandant kon worden kwam weer in dienst der L.B.D. als ploeg-Commandant. De Joodsche huizen waren al verdeeld. Dat was al een heele W.A. man geworden. Na dienst liep hij met het zwarte pak aan en een verbeelding dat hij had. Mijn N.S.B.-Commandant had een geweldige hekel aan hem en het boterde tusschen die twee niet.
Wij kregen nu ook bonlooze voeding van de gaarkeuken tegen betaling. Nou, dat was best hoor. Een varkenspot was er niets bij. De deelname was niet groot. Wij moesten zelf dat eten gaan halen. Wij kwamen bij onze oude collega die daar werkte en wij neusden daar een beetje rond. Er was een groote bak met




P 60-61index
aardappelen. Het leek wel of die mazelen hadden zoveel rot en pitten zaten er nog in. Wij vroegen of die er nog uit verwijderd werden maar wij kregen ten antwoord "Ben je nou bedonderd, dat vreten ze er wel bij op". Na de maaltijd moest de gamel worden schoongemaakt. Materiaal was daar niet voor. Hij ging onder de kraan en werd met een oude stoffer en zak, welke ze overal voor gebruikte, de vloer dweilen, WC, schoongemaakt. En dan de volgende dag ging daar de maaltijd weer in. Met 10 gulden toe, moest ik daar nog geen hap eten van hebben. Nou, vieze varkens worden niet vet.

Radio wacht
De moffen hadden weer een nieuwe maatregel getroffen waar de L.B.D. weer werk mee kreeg. De radio's werden verbeurd verklaard. Nou had ik pas een nieuw toestel wat mijn N.S.B. collega's wisten. Het eerste wat die gasten zeiden was "Het is zonde van jou toestel". Nou, ik heb het niet kunnen laten duiken en heb het niet meer terug gezien. De toestellen moesten worden geleverd en de L.B.D. moest daar bij de inleveringsgebouwen 's nachts de wacht houden. De nachtdienst was daar goed voor. De school aan de Hazenkamp was ook een inleveringspost. Daar moest de nachtploeg van de Hazenkamp de wacht bij houden. Ik heb daar met een collega 4 dagen bij mijn eigen toestel op wacht moeten staan. Het gebouw was gesloten en wij hadden een knuppel als
P 62-63index
wapen. Wij stonden dan twee uur op wacht en werden dan weer afgelost. Er waren nog collega's bij die trachten om in het gebouw te komen maar het was mis. Geen schijn van kans.
Op een avond moest ik met mijn collega de wacht houden van twaalf tot twee. Het was toen geweldig druk in de lucht van terug komende vliegtuigen, die in Duitsland hadden gebombardeerd. De Duitsche nachtjager had die nacht succes. Er werd geschoten met boordgeschut. De kogels ketsen rond ons op de grond. Wij stonden stijf tegen de muur. In tijd van 10 minuten hingen er zeven brandende bommenwerpers in de lucht. Eerst zag je de kogels door de lucht gaan en zag je daar door waar ze zaten. Dan zag je een soort ster. De jager bleef maar steeds op het brandende toestel schieten zoo dat er geen mensch levend uit kon komen. En als de bommenwerper begon te draaien zag je al weer op een andere plaats de kogels gieren. Dan was het vraag en antwoord. Wij knepen hem wel een beetje voor dat geschut.
Wij vingen ook op een avond een egel. Die hebben wij in de helm gedaan en mee naar de post genomen. Daar waren wel liefhebbers voor, dat was een goede muizenvanger.
De week daarop hadden wij wacht in de Gerard Noodtstraat bij de Jodenkerk. Weer met een knuppel als wapen. Wij zagen maar steeds geen ondergrondse strijders, waar je nu zo veel daden van leest, om eens een overval te plegen.
Na de inleveringstijd moesten wij mee helpen de toestellen vervoeren naar de Pijkestraat de Bank van Leening. De Kanon N.S.B.-er was hier op zijn best. Hij vermoerde heel wat toestellen, die hij moed-
P 64-65index
willig kapot sloeg. Volgens een collega gapte hij ook nog een stel lampen voor zijn eigen toestel, en toen hadden wij hem in onze macht en hadden wij niets geen last van hem dat hij ons aan zou brengen voor het een of ander. Ook hadden wij een wagen met toestellen geladen in het gebouw van het college aan de Berg en Dalseweg. De Duitsche chauffeur hielp zelf wel bij het laden. Wij reden de poort uit en net buiten de poort kwam er een D.K.W.-tje aan met Duitsche officieren en was het: "snel aussteigen". Wij moesten met 6 man in het kleine wagentje want die vrachtwagen moest eerst tanken. Nou, ik dacht er het mijne van. Wij werden naar de Pijkestraat gereden. Wij wisten eerst niet waar wij naar toe gingen. Na een kwartier kwam de vrachtwagen aan zetten en ik zag dadelijk dat er verschillende toestellen waren verdwenen. Een collega "pomp pomp pomd de Hond ligt op de loer", wat wij steeds tegen elkaar zeiden, maar waar hij de pikens [?] van had, gaf mij een knipoogje en op de post zei hij tegen mij "Ik weet waar die Feldwebel chauffeur ingekwartierd is. Daar gaan wij na de dienst naar toe en zien ook een radio los te kloppen". Wij kregen hem 's avonds te spreken en zetten hem de klem op de neus, dat wij wisten dat er toestellen verdwenen waren. Hij zei, "Nou, jullie kunnen er ook een krijgen, ik moet toch nog steeds rijden". Wij dorsten daar toch geen werk van te maken want er zaten Duitsche officieren onder en als wij daar werk van maakte werden wij toch het neusje. Wij zijn nog verschillende keren in zijn kamp geweest maar kregen hem niet meer te pakken. Hij was overgeplaatst. Wij zeiden tegen elkaar "De beste Mof heeft nog een paard gestolen".
P 66-67index
Wij brachten de toestellen naar de zolder van de Bank van Leening en onze Kanon N.S.B.er vermoerde maar steeds luidsprekers. Die gebruikte hij als Turkse Trom. Hij zei "die gaan toch maar naar de moffen". Er stond een hele stapel Philips toestellen, wel een twee honderd stuks. Die heele stapel viel ondersteboven. Nou, daar viel voor een kapitaal stuk. Wij kregen nou ook een burger voerman. Die stopte gouw een klein toestelletje tusschen de voering van de verhuiswagen. De Kanon-N.S.B.-er had het gezien en maakte daar werk van. De man werd bij de commissaris gebracht maar het liep weer met een sisser af.
Wij kregen er weer een N.S.B.-er bij. Dat was een oude zeeman, nou, een lange magere vieze kerel. Wij noemden hem maar gouw Strooispier. Die werd zo'n beetje onze kamerwacht als wij wacht hadden en wij lagen te rusten. Dan werd hij aangewezen om ons te waarschuwen wanneer het onze beurt was voor de wacht. Hij woonde in een steegje boven het Cafe van Neleke Poos in de Nieuwstraat waar steeds cabaret was. Het wemelde daar altijd van Duitsche soldaten. Hij vervloekte dat café want hij werd daar gek van door dat gedonder op de trommels. Hij vroeg ook aan ons om als wij op lichtcontrole liepen, moesten wij daar ook een oogje in het zeil houden. Wij zijn daar een paar keer naar toe geweest, nou, het was daar een reuze bende. Toen kreeg onze Strooispier ook koortsuitslag in zijn gezicht. Nou werd het een hele clown en wij werden nog viezer van die kerel. Hij werd toen overgeplaatst naar de commandopost als ordonnans. Later kreeg hij een betere betrekking en was hij niet meer bij de L.B.D.






Lees meer hierover
in het artikel van
Arjen W. Kuiken:
De Lancaster W5001
vliegtuigcrash boven
Neerbosch in 1943
P 68-69index
Moter wacht
Een van de Brandweercommandanten was naar Schalkhaar gezonden voor 6 weken om opleiding te krijgen. Nou, hij was weer terug met een uniform aan en hij was de baas hoor. Hij moest ons in het vervolg nu de exercities leiden. De tweede week stonden wij in de loods om onze kleeding op te hangen toen hij riep "aantreden". Nou, wij kwamen niet gouw genoeg naar zijn zin uit de loods. Toen was het eerste wat wij hoordden "als je de volgende keer niet vlugger hier bent, zal ik je laten loopen dat het je groen en geel voor de oogen wordt". Die had dus wel Schalkhaarsche gewoonten opgedaan. Wij luchten meestal op, als wij hoorden "naar achter weggetreden, vlug vlug", dan was die poppenkast weer voor een week afgelopen.
Boven Deelen werd 's nachts een groote bommenwerper aangeschoten. De bemanning, zoo als wij hoorden, was boven Elst er uit gesprongen en het vliegtuig zeilde naar Nijmegen, en vloog in Hees in de lucht, uit elkaar. De stukken lagen duizenden meters op het land verspreid. 3 moters lagen in een boomgaard en de 4e lag op een korenveld. Wij moesten daar weer de wacht bij houden. In een droge sloot hadden een paar Duitsche soldaten een tent gemaakt en hielden daar de wacht. Wij moesten de wacht houden bij de moters. Ons werd gezegd toen wij in de nacht er naar toe moesten, wij de moters aan moesten raaken of ze er nog waren. Wij mochten geen licht gebruiken want dan konden de Duitsche soldaten op ons schieten. Ik moest in de nacht om 3 uur met de N.S.B.-er het Kanon op wacht. Nou, wij moesten
P 70-71index
midden op de weg loopen. Hij vertrouwde het achter de boomen niet best. Hij had geen best geweten. Wij moesten langs de Veemarkt waar de Duitschers de wacht hadden. Dan was het als wij daar waren "halt", en stonden die met de bajonet zo'n beetje voor je buik te spelen en werd je je huid vol gescholden als je zei Luftschutz. Wij liepen midden op de weg in storm en regen. Toen ik mijn helm van mijn hoofd op de straatstenen gooiden dat gaf een klap, geweldig. Mijn maat vloog wel 10 meter van mij vandaan van schrik. Toen wij op de plaats van bestemming aan kwamen losten wij onze collega's af. Er was in de boomgaard een loodsje met bijenkasten. Daar hadden ze wacht in gehouden maar de eigenaar had het gemerkt en het gebouwtje afgesloten. Daar stonden wij twee uur in storm en regen. Toen wij afgelost werden liep het water ons in de schoenen en waren wij tot op ons vel nat en door en door koud. Toen naar de post en maar weer tot 's morgens 6 uur dienst gedaan. Wij hadden daar een klacht over ingediend en toen werden er een paar oude politiejassen beschikbaar gesteld. Overdag was de wacht daar nog wel te doen. Dan kregen wij van de kweeker nog wel eens een eigen teelt sigaret. Dat was dan tevens reclame voor zijn tabaksplanten. De heele luchtbescherming heeft dan ook in het voorjaar tabaksplanten bij hem besteld. Nou, deze wacht duurde een week of 4 en dan maar steeds wij op lichtcontrole en zoo ging de winter verder. Als wij lichtcontrole liepen en er waren vliegtuigen in de lucht, moesten wij dadelijk naar de post komen.
P 72-73index
22 Februari
Wij hadden de morgendienst en waren om 6 uur opgekomen
Onze oude Commandant had een betrekking als boekhouder gekregen aan de gemeentereiniging. Hij moest zijn betrekking nog opzeggen en was naar Majoor van Dijk gegaan om dat te gaan bespreken. Hij had mij voorgedragen als Commandant wat door Majoor van Dijk in orde was bevonden. Hij kwam op de post aan waar wij zaten te schaken. Wij waren met 6 man bij elkaar. Hij stapte op mij toe en gaf mij de hand en zei "ik moet je feliciteren. Je bent nou Commandant geworden van ploeg 3. Ik heb dat met majoor van Dijk in orde gemaakt". Nou, ik schoot in de lach en zei "nee hoor, dan moesten er op de hoofdpost andere menschen zitten". "Nee", zegt hij, "dit is nou officieel. Ik ga nou naar de hoofdpost om mijn betrekking op te zeggen". Mijn collega's feliciteerden mij ook. Die zeiden "dat is dan voor elkaar". Nou, mijn Commandant komt zijn betrekking opzeggen op de hoofdpost. Toen hij daar aan kwam was er juist een ander als Commandant benoemd en hij had zijn betrekking nog niet eens opgezegd. Hij was verslagen. Hij kwam met de staart tusschen de beenen op de post aan. Waar wij hem flink in de maling namen dat de N.S.B. toch niet veel te zeggen had. De Kanon-N.S.B.-er ging in Duitsche dienst. Die waren wij dus ook kwijt.
Wij hadden morgendienst in de Walstraat. Toen wij aan de poort stonden werd er geroepen "houd hem" en kwam er een jongeman in een gele regenjas aanloopen. Wij zeiden al tegen elkaar "loopen laten". Maar een chauffeur van de Garage greep die knaap



P 74-75index
vast. Nou bleek het dat hij de moordenaar van Majoor van Dijk was. Die had hij juist neergeschoten in de Hertogstraat. Wij hadden die chauffeur wel in elkaar willen stampen. Later kon hij een belooning krijgen. Hij vroeg dan zijn radio die hij in had moeten leveren terug. Die was niet meer te vinden en kreeg hij een pracht radio van een ander terug. Nou, die was bij ons uit de gratie. Later ging hij bij de weermacht werken.

De stad in puin
Het was die bewuste 22 februari. Wij hadden morgendienst in de Hugo de Grootstraat. Wij waren om 6 uur begonnen en hadden de morgen zo'n beetje met oefenen doorgebracht. Toen om 12 uur ongeveer er geweldig veel bommenwerpers aankwamen. De sirene ging en wij hadden de auto startklaar staan. Wij waren de groepen aan het tellen, daar 50, daar 50, en zo ging het maar door. Ze trokken bezijden de stad de grens over. Mijn collega zei "Nou, daar kunnen ze vanavond de botjes weer bij elkaar vegen". Nog heelemaal geen gedachte dat wij ook nog aan het vegen kwamen. Nou, de groepen waren voorbij en de sirene gaf weer veilig. Wij gingen naar de Batavierenweg om ze na te kijken. Nou, wij waren er met een man of 10. Wij zagen er 16 zich afzonderen,
P 76-77index
vlogen in de richting Arnhem en kwamen terug de Ooijpolder door. Daar zagen wij ze heel goed. Ze namen een duikvlucht naar beneden. Ik zei tegen een collega "Dek je, dat gaat mis". Daar ging de sirene weer maar meteen strooiden ze hun bommenlast over de stad uit. Wij naar de post op een holle. Meteen ging de telefoon, uitrukken naar het Kelfkensbosch [Kelfkensbos]. Wij in de auto, de Commandant reed de wagen. Toen wij op het Kelfkensbosch [Kelfkensbos] aankwamen leek het een groot abattoir. Op de Voerweg lagen er een stuk of 10 menschen in de goot doorzeeft en dood. Wij uit de wagen en aan het verbinden. Bij reisbureau Lindeman op de stoep lagen ongeveer een 15 gewonden met verbrijzelde beenen. Wij aan het spalken en dan het verbinden. Een bekende dokter liep als een gek rond te springen. Ik vroeg even hulp aan hem maar -het was niet waar- hij wist niet wat of hij moest beginnen. Wij hadden een kind van een jaar of 8 gespalkt met een verbrijzeld been en een vrouw verbonden en op de brancard gelegd. Toen zagen wij allemaal van die wieltjes in de grond zitten. Dat waren nog niet ontplofte splinterbommen. Daar stond een brancard op met een gewonde vrouw. Wij hadden dadelijk de auto vol en onze Commandant met een paar leden, brachten ze naar het ziekenhuis. Wij bleven verder verbinden. Bij Lissone in de winkel hebben wij een meisje van een jaar of 20 verbonden. Die had een groote wond op haar bil en een gat in het achterhoofd. Ze lag op een paar stoelen. Er lagen op de grond een oude man die de laatste stuiptrekken gaf en ons steeds
P 78-79index
bij de beenen greep. En een jongen die was dood, die was geheel leeg gebloed. Steeds lag die oude man maar door dat bloed te woelen maar hij was niet meer te helpen. Wij hebben dat meisje meegenomen, met de man was het zoo afgelopen. Wij brachten ze in de auto waar ze geweldig tekeer ging.
Er lag ook een dokter op een brancard in de auto. Ik bekeek hem even en zag dat het elk oogenblik met hem afgelopen kon zijn. Hij gaf een snik en trok het lichaam op en ik vermoede dat hij dood was. Ik zag een andere dokter en zei tegen hem dat ik een collega van hem in de auto had maar dat hij volgens mij al dood was. Hij ging mee en inderdaad de dokter was overleden. Ik riep een collega en hebben de dokter uit de wagen en in een portiek van het flatgebouw gelegd. Want wij moesten eerst levende menschen naar het ziekenhuis hebben, nog geen lijken.
Wij hadden het Kelfkensbosch [Kelfkensbos] schoongemaakt van gewonden en gingen ons verspreiden, 2 bij 2 man. Wij hadden er nog geen erg in dat de ramp zoo groot was. Je zag maar steeds handwagens met gewonden voorbij trekken naar het ziekenhuis. Ik liep het Wintersoord op en daar kwamen 2 feldwebels aan met de revolver in de hand. Ik zag dat ze een gang in gingen en hoorden een schot. Ik moest uit de buurt blijven. Ik dacht dadelijk "die zijn weggestuurd om de zware gewonden af te maken. Daar hebben ze geen getuige bij noodig. Dus uit de buurt bij die gasten als je leven je lief is".
Het was zo ongeveer 5 uur toen ik de Burchtstraat op liep en
P 80-81index
de vlammen sloegen je tegen. Toen zag ik pas voor het eerst dat de St. Stevenstoren ook weg was. Ik zei tegen mijn collega "De toren is ook weg". "Dat heb ik straks al gehoord" zei hij. Ik dacht dat de bommen enkel maar op het Kelfkensbosch [Kelfkensbos] waren gevallen. Ik had mijn 2 jongen op de Klokkenberg op school en die bleven 's middags over en waren dan altijd op de Groote Markt [Grote Markt]. Nou, ik dacht wel steeds "als dat maar goed is afgeloopen met hen". Wij hadden weer een wagen vol en brachten die weer naar het ziekenhuis. Een collega die daar in de buurt woonde vroeg aan de Commandant of hij even bij hem thuis langs wou rijden dan kon hij even thuis kijken. Dat hebben wij gedaan maar er was geen mensch thuis. Van de buren hoorde hij dat alles in orde was.
Wij weer weg en in Ubbergseveldweg werden wij staande gehouden door een heer en dame die ons vroegen of ze nog ergens mee konden helpen. Er zouden wel dakloozen zijn en hun hadden nog wel wat slaapplaatsen. Wij vonden dat aanbod zeer fijn en noteerden het adres op de deur van de auto. Wij weer de stad in. Er was niet veel meer te doen voor ons. Wij kwamen op het Mariënburg en daar was de Koningstraat aan het branden. De burgers sleepten alle meubelen de straat op. Wij informeerden of daar nog gewonden waren en toen zagen wij een persoon van de beroepsbrandweer met zijn meisje in de arm naar de brand staan kijken. Dat was een prachtgezicht, dat pleite voor plichtsgevoel. Dan zagen wij de luchtbeschermingbrandweer heel wat beter in actie. In de Broerstraat stonden ze te spuiten dat hun hele spuit rood
P 82-83index
stond. Ik dacht dadelijk spat dat ding uit elkaar. Efijn, later was de eer voor de beroepsbrandweer, de menschen die niet tegen de bezetting waren. Wij overal aan het neuzen of er nog gewonden waren. Toen kwamen wij bij het Station. Daar lagen zo'n 100 lijken op het gras. De meesten zonder kleeding en een heel gele huidskleur. Toen onder de Hezelpoort door en kwamen in de Kraayenhoflaan [Krayenhofflaan]. Wij stonden daar voor een afgezet gedeelte met een bord "niet ontplofte bommen" en informeerden of er nog gewonden waren. Wij kregen te horen dat daar alles weg was. Ik zat naast de Commandant en zouden weer verder gaan toen er een geweldige explosie plaatsgreep. De puin sloeg meters hoog de lucht in. Ik zeg tegen de Commandant, "nou is het gebeurd" maar wij kwamen met de schrik vrij.
Wij kwamen in de Hezelstraat. Daar was al Duitsche brandweer aan de gang. De waterleiding was ook kapot gegooid en die haalde het water uit de Waal. Overal was het een bonk ijs op de weg want het water uit de lekken van de slangen bevroor meteen. De Commandant zei "ik zal eens zien of ik niets te eten kan krijgen". Na een half uur kwam hij met een paar leverworstjes aan. Wij met een papier de worstjes aangepakt want wij waren vies van onze bloedhanden. Toen werd onze hulp gevraagd in de Begijnenstraat. In het klooster. Daar kwamen wij aan en er waren 4 hulpbehoevende vrouwen van 80 jaar die daar op een bed op de grond lagen. Er werd ons gevraagd of wij hun naar het ziekenhuis konden brengen want dan hadden ze geen plaats voor hen. Er waren namelijk een hoop kinderen binnen gebracht
P 84-85index
die daar ook moesten slapen. Wij hadden het adres nog op de deur van de auto staan en ik zei tegen mijn Commandant "Daar kunnen wij ze mooi naar toe brengen". Wij konden met de auto niet in de Begijnenstraat komen. Die stond op de Lage Markt. Wij die patiënten op de brancard gedaan en toen naar de auto. Het was een moeilijke tocht op de spiegelgladde weg. Toen wij de oude vrouwen in de auto hadden, gingen wij naar het opgegeven adres op de Ubbergseveldweg. Toen wij daar aankwamen vonden die menschen het zoo fijn dat ze hulp konden bieden. Wij moesten daar twee oudjes naar boven brengen, twee vriendinnen. Die kwamen op een heele groote slaapkamer terecht. Wij gingen ze naar bed brengen van af de brancard. Ze wisten niet wat ze overkwam. Ze kwamen in een lits jimoux. Ze waren haast bang om te gaan liggen zoo mooi vonden ze het. Die menheer van de villa zei tegen ons "Nou jongens, jullie hebben wel je best gedaan en het is wel mijn laatste kruik maar een borrel hebben jullie wel verdiend" en wij kregen een groot glas fijne oude Bol. Nou, wij hadden de hele dag nog niets gegeten en ik voor mij zag wel alles dubbel. Wij moesten toen de twee andere oudjes bij kennissen van hun brengen in een andere villa. Die moesten ook al in zo'n groote slaapkamer. Die had geen kruik meer in huis, daar kregen wij een paar appels. De dienstmeisjes waren dadelijk in de weer voor die oude menschen.
Ook moet ik dit nog vermelden. Op het Kelfkensbosch [Kelfkensbos] waren wij toen wij een meisje van een jaar of vijftien in de auto kregen. Er was een dokter bij. Wij hadden ook een dokterskist met instrumenten
P 86-87index
in de wagen waar de dokter om vroeg. Hij wou dat meisje een inspuiting geven. Ik maakte dat zoo ver in orde op zijn aanwijzing. Onderweg gaf hij dat meisje nog een inspuiting. Wij waren in het ziekenhuis en hij bleef maar bij dat meisje. Wij zetten de brancard maar in de gang welke vol lag met gewonden die op hulp wachten. De een schreeuwde en kreunde nog harder als de ander. Ik zeg tegen de dokter dat wij weer gingen vertrekken. Hij had de injectiespuit nog in de hand maar hij bleef in het ziekenhuis.
Toen wij later om 10 uur 's avonds weer naar het ziekenhuis gingen zei ik tegen mijn Commandant "als jullie daar zijn kijk ik even bij mijn thuis hoe of het daar is". Op de St. Annabrug stapte ik af en als hun eerder weg waren zou ik in de Molenstraat komen om me weer bij hen te voegen. Ik kwam thuis en vond daar alles in orde. De jongen van mij waren niet overgebleven maar naar huis gegaan. Die vonden het veiliger om met zoveel vliegtuigen in de lucht thuis te wezen. Na het bombardement is mijn oudste jongen van 16 jaar steeds aan het helpen geweest om meubels in veiligheid te brengen in de brandende Koningstraat. Nou, ik eerst een kop koffie surrogaat genomen en toen weer weg. Ik zag geen auto dus naar de Molenstraat, waar ook geen auto was. De heele stad brandde. Toen ben ik naar de post in de Hugo de Grootstraat gegaan. Ik was daar goed en wel of daar kwam de wagen aan. Het was ongeveer 12 uur, het werk voor vandaag was volbracht. Toen naar huis, mij flink gewaschen en gegeten en naar bed. Ik had mijn handen aan het glas opengehaald en er maar flink wat jodium op gedaan.
P 88-89index
Toen een boterham gegeten en naar bed. Waar ik door flinke vermoeidheid zoo in diepe slaap viel.

naar Index   naar Oorlogspagina   naar Gastredactiepagina

Reactiepagina
Reactie 0:

Marcel Degen, 25-04-2016: Martinus de Gooyert bij de Luchtbeschermingsdienst
Reactie 1:

Hans van den Heuvel, 28-04-2016: Dit soort verslagen vind ik de mooiste die er zijn, informatie uit de eerste hand en simpel beschreven.
Je voelt als het ware gewoon wat de persoon meemaakt en al haal je het er niet meteen uit, deze man heeft veel verschrikkelijke dingen gezien en meegemaakt.
Bedankt voor dit mooie verslag.
M.vr.gr. Hans v/d Heuvel
Reactie 2:

Wilbert Aarts, 29-04-2016: zo wou de vader van gerrit jan de gooyert het. mooi dat het nu bekendt is.
Reactie 3:

Gerard Centen, 05-05-2016: Martinus de Gooyert was in de oorlog bij de Nederlandse L.B.D.
De L.B.D. was een mix van mannen en vrouwen, van nette burgers en ook van vouten Nederlanders, Joden en mensen uit het verzet, opgericht in 1936 voor bescherming tegen luchtaanvallen.
De Joden werden in juli 1940 uit de L.B.D. gezet. Het werk wat de L.B.D. uitvoerde werd door de Duitse bezetter goed gekeurd, Onder andere streng optreden bij slechte verduistering, en bij overtreding van de avond en nacht spertijd.

Het is ook waar wat de Hr. De Gooyert in zijn dagboek schrijft, met het bombardement op Dinsdag 22 februari was de L.B.D. onmisbaar voor de hulp aan de slachtoffers. Trouwens ook Duitse soldaten en Hitler jugend werden ingezet met mannen en materiaal, maar dat kreeg ook een vervolg !! In de kranten verscheen een stukje Nazi-propaganda, een prent met bommen met de tekst "Van je vrienden moet je 't hebben!",
Op dat moment hat de bezetter nog gelijk ook, Amerikaanse bommen­werper­bemanning maakte een vergissing met gevolg +- 850 doden en een prachtige ouwe stad in puin. Mijn generatie vergeet dat nooit.
Een van de slachtoffers was Cisca Janssen, het meisje woonde in de Ericastraat 25 (Wolfskuil). Ik woonde daar ook. Dat meisje staat op internet bij namenlijst slachtoffers bombardement.
Oorlog maakt alles anders.
Reactie 4:

Cor van den Hoff, 08-05-2016: Zeer gewaardeerd, ook al omdat mijn vader ook bij de LBD op de Grote Markt was betrokken. Zijn 4 dagen van huis en de verzorging van doden en gewonden staat nog steeds in mijn herinnering. Zijn ploeg was in het Waaggebouw aanwezig. De meisjes van V&D en de HEMA kwamen om in de fietsenstalling kelder. Hij heeft helaas het eind van de oorlog niet meegemaakt en overleed in het Wilhelmina ziekenhuis in Juli 1944. Zijn tegel en oorkonde hebben nog steeds een ereplaats in mijn huis in Australie.
Reactie 5:

Hanny Willemsen-Bos, 17-11-2016: Wat was ik geraakt door dit dagboek. Het 1e slachtoffer, pag. 29 t/m 33, is nl. mijn oom Henk Peters, broer van mijn overleden moeder. Uiteraard heeft mijn moeder veel over haar broer verteld, maar n.a.v. dit dagboek heb ik een aantal vragen. Wat gebeurde er in de kerk waar de heer de Gooyert niet over wilde schrijven, en die Hitler groet bij zijn graf????? Heeft de heer De Gooyert wellicht met zijn nabestaanden hierover gesproken?
Ik ben trouwens de enige nabestaande van Henk Peters. Hij stierf op 31 jarige leeftijd, kinderloos. Een aantal jaren geleden heb ik zijn graf laten restaureren en dat zal t.z.t. ook mijn laatste rustplaats worden. Leuk om te vermelden....ik ben zijn evenbeeld en net zo consensieus als hij was. Inderdaad stierf hij tijdens zijn laatste "klus". Hij zou een andere baan krijgen.....administratief. Wellicht dat iemand mij nog iets kan vertellen.

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: