Voorwoord
Voorwoord
terug DAGBOEK SYBRAND GALAMA OFM.
Nijmegen 17 september 1944 - 17 maart 1945.


De franciscaan Galama hield vanaf de zonnige dag 17 september 1944 met de landingen van parachutisten bij Groesbeek en Grave een dagboek bij. Al spoedig zat het studiehuis in de Nijmeegse Vermeerstraat met z'n grote kelders vol met buurtbewoners. Aanvankelijk meldden zich bijna 350 personen. Enkele franciscanen brachten er een groot aantal naar de weidse kelders onder het nabije Canisiuscollege van de nog afwezige jezuïeten. De soms in haast en onder spanning getypte tekst is van belang, omdat men er tot in details ziet, hoe de broeders gastvrij waren voor hun buurtgenoten. Zij creëerden, gewend als ze waren aan kloosterlijke dagorde en discipline, orde in de inwoning van tegen de honderd mensen van verschillend slag en confessie. Enkele paters hadden kennelijk ook toezicht op een reeks andere schuiladressen. De Nijmeegse historische site van Noviomagus biedt dagelijks vanaf 17 september inzage in dit dagboek. Ter opheldering enige notities over de franciscaanse gastheren, hun buurt en huis, en gasten. Andere dagboeken en enkele interviews leverden nog gegevens voor deze inleiding.

auteur tekst dagboeken franciscanen paters en zo buurt communiteit gasten huis bronnen raam

De auteur
De rijzige fries Haije Galama (1912-1975) koos bij zijn intrede in 1931 in de franciscaner orde de kloosternaam Sybrand. Priester werd hij gewijd in 1938. Hij was één van de jonge paters die aan de Nijmeegse universiteit studeerden. Hij klassieke talen. Na de bevrijding werd hij rector en leraar van het aloude college in het voormalige vestingstadje Megen. Daar was hij de man met een natuurlijk gezag over de medebroeders-leraar en de c.a. 150 studenten, die er in goed tien kosthuizen woonden. Hij promoveerde in 1954 nog in zijn Megense jaren, en werd voor een termijn gekozen in het provinciebestuur van de orde. Na de sluiting van de vele seminaries en studiekloosters in 1967 werd hij leraar in Heerlen. Sybrands overlijden, 63 jaar jong, was een zeer zwaar gebeuren. Zijn klas- en huisgenoot Gebhart Voorvelt sprak bij de uitvaart in Heerlen.

De tekst
Eén exemplaar van de tekst bevindt zich in het huisarchief van het studiehuis Sint Bonaventura in de Vermeerstraat 7 in Nijmegen. Het dagboek is getikt met doorslagen. Er zijn soms notities in de marge met de pen toegevoegd. Het door mij gebruikte exemplaar is een tweede achter het carbon-papier, want soms ontbreken er aan de rechterkant wat letters. De bovenste vellen zijn in het provinciearchief, opgenomen in het Utrechtse archief. De aantekeningen daarop zijn niet altijd dezelfde als op het door mij weergegeven exemplaar. Enkele weken ontbreken. De laatste pagina's geven vaak maar enkele regels per dag in haast met vele afkortingen. Na 6 maart 1945 sluit de tekst plotseling af. Uiteraard konden tikfouten niet verbeterd worden.
De tekst is eerder goeddeels ietwat gestileerd en verkort in een klein aantal boekjes uitgegeven voor familieleden en bekenden. Noviomagus kan nu de eerder niet gekozen bladzijden per datum weergeven, uitgezonderd enkele onvindbare vellen.
De stijl past bij de hectische tijd: alles in de grammaticale tegenwoordige tijd. Achter elkaar worden uiteenlopende zaken vermeld: eten en rookgerei, inslagen van granaten en branden, berichten over de oorlog in west en oost, bezoeken, feesten en doden, bidden en werken. Voor Nijmegen Frontstad is het geheel een rijke bron: vele namen passeren van gasten en buurtgenoten, van medebroeders. De bijlagen zijn interessant. Er zijn ook foto's. Men mist zeer veel op de Nijmeegse sites over WO II.

Dagboeken
Van de ruim 1200 oorlogsdagboeken die het NIOD verzamelde gaan er vele over Nijmegen, Groesbeek en de Betuwe, immers het langdurige frontgebied. H.W. Aukes, de biograaf van de karmeliet Titus Brandsma, verbleef ook aan dit adres en bezocht ook de paters. Prof. Dr. Frits Vermeer pr., toen rector in Lent, de pastoors Hoek en Thuring schreven. Gérard Knipping noteerde in een agenda over 17 september t/m 22 september, via internet te lezen. Ik kon na gesprek met hem een uitvoeriger verhaal lezen. Het gemeentearchief van Nijmegen heeft onder nr. 327 vele dagboeken en verslagen gebundeld.

Franciscanen
Het woord "broeders" vraagt enige toelichting. De afkorting OFM (Ordo Fratrum Minorum) achter de namen van de ordeleden duidt op de minderbroeders. Het woord "minores" (minderen) duidde in de tijd van Franciscus van Assisi (rond 1200) en van het ontstaan van de broederschap op "de gewone mensen". Franciscus uit een rijke koopmansfamilie die met de ridderstand eigenlijk tot de "maiores" behoorde. Die waren de groten, de mensen die het voor het zeggen hadden.
In de jaren na deze oorlogsdagen ging het aantal van de Nederlandse franciscanen naar boven de 1400. En dat terwijl er al velen in missieprovincies werden opgenomen. Een "provincia" is een onderdeel van de mondiale religieuze orde. Nederland was er één plus Zweedse huizen, grote landen hadden er meerdere. Het bestuur was gevestigd in Weert, één van de vier grote studiekloosters. Veel later zou het naar Utrecht verhuizen. De aanspreektitel voor de Minister-Provinciaal, de hoogste overste voor het Nederlandse deel van de mondiale orde was "Pater Reverende". In het verhaal is sprake van een Delegatus Provincialis, een afgevaardigde van het provinciebestuur. Deze pater woonde toen kennelijk in Megen, niet ver van Nijmegen.

Paters, broeders en fraters
Instellingen met grote groepen mensen behoeven een dagorde, reglementen. Er zijn de uren van het koorgebed, de eucharistie, de meditatie en dergelijke godsdienstoefeningen. Uiteraard die van eten, recreëren en sport, slapen... En zoals elk huishouden privacy heeft, het zogeheten "slot". Het katholieke leven is voor de kerkleden al geritmeerd door de grote en kleine feestdagen van het kerkelijk jaar. Er is in een communiteit gezamenlijk overleg in het huiskapittel. Ook een klein huis als dat van de Vermeerstraat heeft een gardiaan en een vicaris als oversten. In een studiehuis als dit bij de katholieke universiteit Nijmegen woonden er toentertijd docenten: de hoogleraren Pompen en Goemans en universitair docent Knipping. De jongere paters studeerden na hun priesterwijding een vak voor het onderwijs en wetenschap, het R.K. organisatieleven of de missies. De meeste broeders die na hun priesterwijding doorstudeerden, gingen naar de universiteiten van Leuven, Freiburg, Parijs, Cambridge, Londen, Rome.
Deze oversten, docenten en studenten waren in het toenmalige taalgebruik "paters": minder-broeders met een priesterwijding. Als er van "lezen" in een kerk of kapel sprake is, dan gaat het om hún taak t.w. het opdragen van de mis, beter: eucharistie. Voor het huishoudelijk werk waren er in het jargon "lekebroeders" (uiteraard zonder tussen-n, want het voorvoegsel "leek" duidde aan, dat zij geen wijding hadden ontvangen.) Pas in de jaren rond 1960 werd de separatie tussen paters of clerici en broeders of laici afgeschaft. Ieder ordelid ging "broeder" heten. En niet elke intellectueel begaafde broeder volgde nog de priesteropleiding. Men ging zien dat Franciscus eigenlijk een lekenbeweging was begonnen. De spiritualiteit van Franciscus kreeg meer en meer de aandacht. Zij overschreed de grenzen van de R.K. Kerk en ooit koos een jezuïet als paus zijn naam.
Voor de volledigheid: de broeders die toen nog gevormd werden en studeerden voor de wijdingen tot diaken en priester heetten "fraters". Na het noviciaatsjaar in Bleijerheide, Hoogcruts of andere locatie, doorliep de frater via het filosoficum te Venray en de theologica van Alverna bij Wijchen en Weert de zes jaar.
Duitse troepen en later geallieerden bezetten veelal deze grote studiekloosters. Merkwaardig is dat b.v. de fraters en hun docenten van Venray uitweken naar het Limburgse Vlodrop met zijn grote convent. Daar huisden Duitse franciscanen, ooit vanwege de Kulturkampf uitgeweken. Doordat ook Duitse kloosterlingen in dienst moesten, was er daar ruimte gekomen. Nota bene, dat zowat alle grote kloosters in het gebied lagen van Market Garden. De militaire acties bij Venray en Overloon, langs de Maas, passeerden de gebouwen met grote cellen, eetzalen, keukens en leslokalen. De studiekloosters van Venray enzovoort herbergden soms rond de honderd fraters plus docenten en lekebroeders.
Ieder droeg de bruine pij met mozetta, een wit wollen koord, sandalen rond de blote voeten, het haar in een grote krans geknipt. Wie naar boven de rivieren ging oftewel "Holland" of daar pastoor, kapelaan was of een andere functie had ging in zwart priesterkostuum, en "Hollands gekapt". De verwante Minderbroeders Kapucijnen, onder meer in Velp bij Grave droegen baarden, vandaar dat G. ooit spreekt van Baardmannen.

De buurt
Het studiehuis van de franciscanen ligt in één van de straten van de Nijmeegse schilderswijk: zij eren Mesdag, Toorop, Israëls, Rembrandt, Van Gogh, Mondriaan en andere befaamde kunstschilders.
Galama meldt menige granaatinslag en slachtoffers in deze buurt van Nijmegen Frontstad. Vanuit de recreatiekamer ziet men uit op de daken van het Sint Canisiuscollege van de jezuïeten. Enkele franciscanen verzorgden ook daar mensen die in de immense kelders huisden. Het complex aan de overkant van de Berg en Dalseweg was door de achtertuin van de Vermeerstraat 7 door een poort te bereiken. Bedenk, dat deze hoofdstraat de route was, waarlangs de para's van de 82e Airborndivisie optrokken naar de Waalbrug. Dichtbij was er een mitrailleuropstelling van de Duitsers plus een kanon op het nog ronde Mariaplein voor de dominicanerkerk Maria Geboorte. De buurt lag dus zeer dicht bij de gevechten om de Waalbrug te veroveren. De geschiedenis van de Oversteek is al ruim beschreven. Duitse aanvallen met vliegtuigen en duikers waren dichtbij te horen.
Ver terug in de krijgsgeschiedenis: in de Vermeerstraat zijn ooit een aantal muurtjes aangebracht, soms met een bankje ertussen. Verder wat grote tegels in het plaveisel. Dat als verwijzing naar het romeinse amphitheater dat in oude tijden hier lag. Een groot Romeinse legerkamp lag aan de Berg en Dalseweg.

De communiteit in deze jaren
De eerste beschrijving is die van Aurelius Pompen "Het Minderbroedersklooster Sint Bonaventura te Nijmegen 1924-1955" in een bundel verzorgd door zijn confrater Dalmatius van Heel. Professor Pompen beschrijft persoon en werk van de zogeheten lekebroeders Lebuinus, Willibald, Stephanus en Victor: kok, portier, koster, tuinman enzovoort. Enige regels over de gardiaan (huisoverste) Ephronius Zantvoort. Deze pater werd gewond bij inslag in de kapel al op de tweede dag van de gevechten en werd opgenomen. Nestor Pompen schrijft: "in die zeven maanden interregnum zag P. Aurelius Pompen zich gesteld voor de taak een zeer eigenaardig samengesteld gezin enigszins behoorlijk op gang te houden. Zijn taak werd ten zeerste verlicht door de organisatorische talenten van Pater Bonfilius Knipping, soms ook verzwaard door diens artistieke excentriciteiten". Er is ooit sprake van problemen rond de leiding door Bon. Monaldus (professor Goemans) en student Theodorus Schouten waren nog in het onbereikbaar Holland, vicaris Fidentius van de Borne (lector in Alverna) week uit, ook student Antonius Smeets en tuinman broeder Willibald vertrokken. Pompen vervolgt: "Broeder Lebuinus, de kok, bleef ons gelukkig trouw. Verder bleven bij ons de rustige P. Sybrand Galama, de goedlachse P. Gebhard Voorvelt, de onverschrokken P. Erastus Breuer, de gedienstige P. Conradus Goumans, de fotograferende P. Honorius Cox en de uiterst handige P. Hugolinus Backelandt". De student Nicetius Knippenborg, de broeders Victor en Stephanus noemt hij niet. "In onze kelders zaten meer dan honderd mensen, meestal passief en apathisch. De flinksten onder hen waren op de allereerste plaats bezorgd voor hun eigen gezinsleden. Wel moesten er weggestuurd worden voor het verwaarlozen van de hygiëne of te laat thuis zijn in de avond. Maar allen zijn sindsdien vrienden van ons klooster geworden.
Pompen vermeldt een schadebedrag van fl. 16.500 aan het gebouw en fl. 4.278,50 aan inboedel. Het Ministerie van Wederopbouw kende een bedrag toe van fl. 6.498.
Pompen meldt nog: "Enkelen onzer werden verhoord door de Gestapo. Aurelius Pompen in december 1940, Victor Cransfeld in augustus 1942. In februari 1943 was er een nachtelijke inval en Bonfilius Knipping werd gevankelijk weggevoerd, omdat hij joden zou hebben geholpen". In het half jaar dat hij in de Arnhemse Koepel vast zat speelde hij een verbindende rol in het groepje geestverwanten door lezingen te organiseren, liedjes te componeren. Zijn secretaresse op de K.U. Jettie Derksen was een grote steun met haar interventies bij de Duitsers. Verzwakt kwam hij terug uit Amersfoort waarheen hij was overgeplaatst. In de nazomer van 1944 blijkt hij toch weer actief in de Vermeerstraat.
De hoofdletter P. kan hier betekenen: Pater, Pompen en Petrus met varianten. De D. en E. zijn in de context wel duidelijk: Duitsers en Engelsen.
Het is nodig om de vaak korte aantekeningen van Galama te verstaan, te zeggen welke roepnamen of bijnamen er gebezigd werden. De plechtige kloosternamen voldeden niet altijd in de dagelijkse omgang. Meteen vertellen we nog iets over al of niet presente leden van deze communiteit. Waarom Mathias Goossens "Toet" heette? Als scholier in Venray, één van die eigen kleinseminaries, had hij ooit een voordracht over Toetanchamon gehouden. Gebhardt was steeds "Geb", Canisius "Canies", Bonfilius Knipping werd "Bon", Knippenborg "Knip". Erastus Breuer was "Krelis", Stephanus "Steph." "Teun" zal Antonius Smeets geweest zijn. "Koen" voor Conradus, "Willie" voor Willibald. Zelfs voor 'n ingewijde in de provinciegeschiedenis is niet meteen duidelijk wie "Sic" is. "Bob" is de onverklaarde naam voor de uitgeweken vicaris dr. Fidentius van de Borne, lector in Alverna.
In prof. dr. Aurelius Pompen zelf herkent men de oude franciscaan die aankomt bij Sionshof in het befaamde verhaal "Five graves" van de Nieuw-Zeelandse journalist Eric Baume. Hij kwam er als hoogleraar Engels in zeer goede taal in gesprek met Engelsen en Amerikanen die elkaar daar ontmoeten: para's en landleger. Er werd een sigaret gerookt en over de dood gesproken. Pompen was eerst Romeins doctor. De tweede promotie, in Amsterdam, gold de Engelse taal en letterkunde.
De centrale figuur was, zoals het verhaal duidelijk maakt, Bonfilius of John Baptist Knipping. Hij promoveerde op een kunsthistorisch werk over de kunst van de Contrareformatie. Hij stelde niet alleen een reglement op voor de schuilkelderbewoners uit de buurt, maar ook werkroosters voor het huishoudelijk werk en de wachtpost tijdens de nacht: een pater of broeder en een buurtgenoot. Hij verzorgde als pianist culturele avonden, als er granaten uitbleven. Hij schreef toneelstukjes. Paters hadden in hun seminarietijd al vaak toneel gespeeld. Maar rond de Knip rezen er ook conflicten, Pompen zinspeelde er al op. De leiding werd driekoppig. In die context past de naam van de heer Bruens, verzetsman en/of een ambtenaar van de gemeente die de kelders controleerde(?). Overbuurvrouw van het klooster de psychologe Brigitte Weusten schreef niet alleen "Een klooster in de straat", maar onlangs kwam haar rijk gedocumenteerde en geïllustreerde proefschrift uit over de complexe persoonlijkheid van Knipping. Gebhardt Voorvelt was één van de leidende figuren naast Knipping in die schuilkeldertijd. Hij studeerde Frans en werd de stichter en directeur van een middelbare school in Bolsward en in Druten: het Pius X-college. Deze scholen waren er maar twee van de wellicht tien die de franciscanen bemanden incl. hun drie kleinseminaries.
Hugolinus Backelandt was ontsnapt aan het bombardement van 22 februari 1944 waaronder drie van zijn medebroeders in de getroffen franciscanerkerk te Nijmegen omkwamen. Hij werd ooit pastoor van de nieuwe kerk aan de Sint Jacobslaan, nu alweer afgebroken. Mathias Goossens was in die tijd niet thuis. Met enkele broers was hij door de Duitsers gearresteerd, omdat hun vader, burgemeester in St. Anthonis (N.B.), geweigerd had mensen te leveren voor graafwerkzaamheden. Met de bevrijding kon hij de gevangenis verlaten. Als aalmoezenier van de Stoottroepen (Beneden Leeuwen) ging hij aan de slag. Nadien werd hij vlootaalmoezenier voor Nieuw-Guinea. Ondertussen promoveerde hij op een wel heel ander gebied dan het militaire. Hij beschikte tenslotte als hoofdvlootaalmoezenier in zijn Haagse ambtswoning over een rijke bibliotheek betreffende de spiritualiteit. Erastus Breuer trok ook mee met de geallieerde troepen en ging nadien naar de missie in Pakistan. Canisius Vastbinder staat op een foto met medebroeders en buurtgenoten (onder wie de bekende ondernemer David Mulder jr.) met De eerste De Gelderlander in de hand. Jaap Bak gaf een verslag van de reünie van de nog levenden op 16 februari 2002 in het huis in de Vermeerstraat. Daarbij de foto.
Galama vertelt over zijn tochten per fiets naar Alverna, Megen, Oostrum en verder, voor assistentie, ziekenbezoek, boodschappen. Hij had vanaf begin juni bemoeienis met de in de eerste weken van de bevrijding gedetineerden in de loopgraven bij het Valkhof. Galama, Cox en Breuer fietsten ook naar Brakkenstein, waar nu nog Sacramentijnen leven, om enkele seminaristen daar les te geven.

De gasten
Sommige namen zal men wellicht herkennen: Jurgens, Terwindt. Een Jurgens werd ooit syndicus van het klooster, de mandataris inzake beheer van geld en goederen. Die functie bestond toen nog. Een bijzondere gast was met zijn ouders en verloofde de theologiestudent Monshouwer. 's Zondags hield hij in de recreatiekamer een dienst voor de protestanten, terwijl de kloosterlingen en katholieke gasten in de kapel hun mis hadden. Monshouwer jr. en Knipping bereidden samen de preken voor. Misdienaar Ton van Lindert was later als franciscaan pastoor in Wijchen en Alverna. Soms kwam Ds. Itterson preken. Dokter Noorduyn, de huisarts, was uiteraard een belangrijk persoon in deze situatie. Jettie Derksen, secretaresse van Knipping bij zijn werk op de universiteit (onder meer bij het tot stand komen van twee forse volumes over de kunst van de Contra-reformatie) kwam met haar moeder inwonen. Deze nu in Engeland wonende dame was nog op de reünie van 1987 aanwezig. David Mulder, ons bekend van de winkel in hartje centrum staat als jongen op een foto. In een randje van een blad van het archiefstuk staat met potlood de geboorte en snelle doop vermeld van een meisje Uljée op 30 december '44. Enkele mensen stierven in of bij het huis. Funneman sr. nog Sinterklaas werd enkele dagen later gedood. Er waren ook gezinnen met kinderen, met of zonder discipline. Meerderen kwamen en gingen. Ook geallieerde militairen waren te gast. Op bezoek komt een kolonel Adami, nieuwe kennis van Prof. Pompen. Aan voedsel had men geen tekort meer.
Galama noemt vaak personen bij hij op bezoek gaat, deels ziekenbezoek. Wat Luctor was, dat hij van tijd tot tijd bezoekt? R.K. Nationaal tehuis Luctor et Emergo voor jongens aan de Muchterstraat (niet ver van het Valkhof)? Notities uit de novembermaand doen vermoeden, dat Pater Delegatus (wie?) in het nabije Megen woonde. Krelis kreeg verlof van Weert d.w.z. van in het theologicum daar gevestigde provinciaal bestuur van Nederland. Ook andere medebroeders worden genoemd: Chrysolius (blijkt Verstappen te zijn). In het verhaal zijn er meer namen die nader onderzoek zouden vragen, mocht men alles tot op de draad van de causa (zaak) willen weten. De Flierefluiters een eufemisme voor een kinderrijk gezin A. dat problemen gaf en moest vertrekken?
Er zijn nog vele vraagtekens, vooral bij namen. Medebroeders met kloosternaam genoemd zijn in de ledenlijsten wel te vinden. Wie was toch die Bruens? Jan F. meent: kunstenaar én NSB-er wonende in de Vermeerstraat. Maar Gérard K.: de gebroeders Bruens uit de Javastraat maakten Ausweise voor onderduikers. Gezien de rol van een Bruens in het studiehuis zal het een verzetsman zijn. Er was nog een Jan R. die "de partisaan" werd genoemd. Wie was Cherniakowski? P. Pleunis is waarschijnlijk de sacramentijn Pleunes, zilveren jubilaris, uit mijn geschiedenis van deze congregatie in Brakkenstein. De aalmoezeniers Beekman en Schimmel waren beiden franciscaan?

Het huis en varia
De vermaarde kelders dragen nog op de deuren de namen van leden van het koninklijk huis: Wilhelmina enzovoort. Bernard lijkt het domein van de broeders geweest te zijn. Er zijn trappen aan twee zijden. Aan de benedengang halletje met twee spreekkamertjes, recreatiekamer, kamer voor het huiskapittel, refter, keuken en bijkeuken, de hoge bibliotheek over drie etages met boeken tegen de zijwanden - over de balustrades kijkt men in de onderste ruimte die te benutten is voor recreatie, bijeenkomsten. De recreatiekamer heet in het verhaal soms "paterskamer" en er was dus ook een "broederskamer". In rustige tijden en zeker in de grote studiekloosters was er separatie tussen paters, fraters en broeders (en eventueel aanwezige novicen).Verder de kapel met sacristie. De beide zijkapelletjes werden in het verleden gebruikt voor het opdragen van de mis door elke priester. G. vermeldt nog een derde kapelletje, dat waarschijnlijk aansluit bij één van de grotere kamers. De lekebroeders hadden het dan druk met hun voorgeschreven rol van misdienaar en eenzaam lid van het kerkvolk. De tuin was moestuin, boomgaard, en er stonden bloemen voor het opsieren van het altaar op feestdagen. Het altaar werd toen nog gebruikt door de celebrant met de rug naar de gemeente. Nu staat er een houten tafel voor de koorbanken aan beide zijden.
Paters zijn uiteraard ook mensen die dagelijks brood eten en koffie drinken. En graag roken! Bij een feestelijke gelegenheid verordende de overste "haustus". Dat Latijnse woord mag een schep water betekenen, maar in feite duidde het op een borreltje vóór de middagmaaltijd in de refter.

Uit andere bronnen
In de papieren uitgave van Galama's dagboek heb ik gegevens uit andere boeken en interviewers opgenomen. In Megen kregen we les van Sybrand Galama en Nicetius Knippenborg. Zelfs Emeritus Pompen kwam ons staatsexamencandidaten te hulp met bijles. Gebhard, Antonius, Fidentius, Mathias, Canisius ... waren enkele broeders die ik nog kon spreken. En nog ds. Monshouwer en Jan Funneman jr.
Op de eerste plaats is er het Memorieboek van het huis. De meeste gegevens staan ook in het dagboek. Op 22 februari 1944 stierven drie paters (onder wie één student), een dienstbode en een knecht van de pastorie op Doddendaal. Backelandt was afwezig en kwam in de Vermeerstraat.
Gerard Knipping (geen familie van ...) was als voortrekker van de verkennerij, 20 jaar jong, met kameraden onder vuur bezig gewonden en doden te vervoeren, brand blussen, inrichten van schuilkelders ... in deze straten. Verder vaak misdienen in de Vermeerstraat. Op 22 februari waren er al meerdere familieleden gedood. Schuilend in de Rembrandtstraat beschrijft hij vaak dezelfde gebeurtenissen, toestanden en personen als Galama. Soms moet men vaardig zijn met verstaan-in-de-context. Wat betekent "de pater las zeker zwart!"? Dit zegt Gérard n.a.v. de vele misstipendia aan één van de paters. Gebhart Voorvelt leidde op verzoek van de gemeente tal van begrafenissen van oorlogsslachtoffers, zoals voorgeschreven in zwarte koormantel. Gevaarlijk waren de toestanden op de begraafplaats aan de Graafseweg: tijdens de begrafenis van verkenner Jan de Jong vielen er daar granaten. Gérard klaagt over de slechte toestanden in de bunkers van de Grüne Polizei, op de plaats van de tegenwoordige Molenpoortpassage. Tal van bekende personen, onder wie andere paters, worden genoemd. Een interessante passage gaat over een Engelse soldaat Christopher, die monnik was geweest en Latijnse sequentia's verzamelde en Gregoriaans meezong in de kapel.

Herdenkingsraam
In het buitenraam van de bibliotheek is een glas-in-loodwerk van zeven meter hoog aangebracht. Joan Collette (1889-1958) beeldde hier het Zonnelied van Franciscus uit. Een comité van de heren Uljée, Van Lindert, Driessen, Jurgens en Monshouwer bood het de broeders aan als dank door "allen die in de oorlogswinter 1944-1945 een veilig toevluchtsoord vonden in de kelders van het franciscanenklooster". Op 8 november 1947 werd het aangeboden. Het kloosterslot werd voor de dames enkele uren opgeheven. (Bij de Archivalia staat een foto van het raam.)

Ger van Dam, Nijmegen oktober 2014
Reactiepagina
Reactie 0:

Ger van Dam, 06-11-2014: voorwoord oorlogsdagboek Sybrand Galama
Reactie 1:

Jos. Spierenburgh, 07-11-2014: Als oud-bewoner van de Vermeerstraat de volgende opmerkingen:
- De reŁnie van de "Kelderratten was niet in 1987, maar in 2002.
- Jan F. is fout met zijn idee dat Bruens in de Vermeerstraat woonde. De kunstenaar, die daar op nummer 36 woonde was glazenier Lou Manche. De Bruens die bedoeld wordt, is Carel Bruens Sr., Jr. is kunstschilder / tekenleraar geworden.
Reactie 2:

Carel Bruens jr., 13-11-2015: Na lezing van het dagboek deel ik U mede dat het gezin Bruens woonde in de Javastraat 15. Carel Bruens sr. kreeg als opdracht (van gemeente of kerk) om mensen die financieel in de problemen kwamen, wonende in de stad Nijmegen, ondersteuning te geven. Zover ik mij kan herinneren waren er ook personen bij die een twijfelachtige reputatie hadden tijdens de oorlog.
Deze vage herinneringen dateren toen ik, Carel Bruens jr. (nog levend kunstenaar in Leiden), nog in Nijmegen bij mijn ouders woonde.
Mijn oudste broer Ben Bruens als ambtenaar bij het arbeidsbureau was in staat met valse stempels mensen te vrijwaren van arbeid in Duitsland. Een inval op Javastraat 15 door de Duitsers heeft hem niet te pakken gekregen omdat hij gevlucht is.

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: