Brandweer1944

1944 De brandweer van Nijmegen in de vuurlinie

Bron: Nationaal Brandweer Documentatie Centrum

Dit verslag, geschreven op 29 april 1945 door adjunct-hoofdbrandmeester Chr. L. van Mameren, beschrijft de belevenissen van de Nijmeegse brandweer tot dat moment, vanaf het geallieerde bombardement van 22 februari 1944. Aan het eind vermeldt de schrijver dat er nog een verslag zou bestaan van de hand van een zekere Fiege, maar ons helaas onbekend. Weet u meer over deze verslagen? Laat het ons weten!

INHOUD
p01 Inleiding
p01 Bombardement 22 februari 1944
p11 Zomer 1944
p13 Bevrijding 17-20 september 1944
p22 Frontstad september 1944 - februari 1945
p35 Voorjaar 1945
p36 Verantwoording
Brandrapport bombardement 22-2-1944

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

1.
 

DE  BRANDWEER  IN  DE  VUURLINIE.

 

Bij de brandweer is het vanouds de gewoonte geweest om na vier en twintig uren onafgebroken dienst, een etmaal rust te genieten. Dit dienstverband gold althans voor de beroepsbrandweercorpsen, een instituut dat op het tijdstip, waarop dit geschrift ontstaat, ook hier ter stede ongeveer een half jaar functionneert, d.w.z. voor zoover van goed functionneeren sprake kan zijn in deze benarde oorlogstijd met gebrek aan materialen, om niet te spreken van geforceerde omschakeling van de inwendige dienst in den geest van de door den bezetter gepropageerde nieuwe orde, welke orden door den één met kracht en bedreigingen wordt opgelegd en door de ander zooveel mogelijk wordt tegengehouden en gesaboteerd.

Onder zulke omstandigheden kon ook van de vroeger zoo gewaardeerde en volop genoten vrije tijd niet in die mate worden geprofiteerd zooals dat voorheen het geval was geweest, mede vooral door het op ieder oogenblik van den dag en nacht te verwachten gevaar uit de lucht, de steeds dreigende bombardementen die weliswaar bedoeld waren om den bezetter in de nesten van de Duitsche Weermacht te treffen, doch daarbij natuurlijk, in niet geringe mate, tevens have en goed van onze eigen bevolking gevaar konden loopen.

Vandaar dat bij nadering van de Royal Air Force of de Amerikaansche luchtmacht steeds luchtalarm moest worden gegeven en wanneer het huilende geluid van de overal opgestelde sirenes over de stad klonk, de geheele brandweer, dus ook de vrijwillige brigade in allerijl in dienst moest komen.
Deze dikwijls ongelegen komende indiensttreding werd evenwel door den rasechten brandweerman als een ernstigen plicht opgevat en zonder morren volbracht, want de brandweerman had in dezen tijd één ding voor op de ambtenaren bij andere takken van dienst n.l. dat hij, hoezeer hij de zaak der geallieerden ook mocht zijn toegedaan en hoe hij de bepalingen van den bezetter ook mocht saboteeren, hij toch altijd uit hoofde van zijn dienst, steeds in de gelegenheid was en bleef, om tevens have en goed van zijn medeburgers te kunnen beschermen.

Dit was natuurlijk ook een factor om zoolang er geen dingen van hem gevergd werden, waamee hij zijn gevoelens en principes moest verloochenen, op zijn post te blijven, met welk blijven dus de algemeene vaderlandsche zaak het beste was gediend.
Vandaar dat er in het corps ook krachten schuilden die heimelijk in dienst stonden van de ondergrondsche beweging die de zaak der geallieerden bevorderden en den bezetter tegen werkten.

De onderluitenant van Mameren, een man van tegen de vijftig jaar, die pas kort geleden om één of andere ons onbekende reden (men mompelde dat er in zijn leven iets had plaats gevonden dat niet strookte met de doelstellingen van de nieuwe orde) van Delft maar Nijmegen was overgeplaatst, was in gesprek met den wachtmeester de Waal.
Deze de Waal, een vriendelijk, goedlachs jongmensch was geboortig uit het land van Maas en Waal, wat nog duidelijk bleek uit zijn sappig accent, was eigenlijk schilder van beroep, wat bij de brandweer goed van pas kwam.
Ook nu was hij bezig de talrijke opschriften, aanduidende de inhoud en bepakking, op één der autospuiten aan te brengen.
Bovendien handelde hij in z.g. eigen teelt tabak, die hij uit zijn geboorteplaats Druten importeerde, en die in dezen tijd, waarin hoegenaamd geen tabak, noch sigaren of sigaretten te koop waren, gretig aftrek vond.

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

2.
 

Vandaar wellicht dat de onderluitenant, van wien men wel beweerde dat hij den laatsten tijd boombladeren en gedroogde selderij gerookt had, in zulk een ernstig gesprek met de Waal gewikkeld was. Deze zeide tenminste: "Ik zal wel een onsje meebrengen vanmiddag, ik ga toch thuis eten."

Hoe het ook zij, het gesprek werd plotseling afgebroken, daar voor de zooveelste maal de sirenes begonnen te loeien en de nadering van geallieerde bommenwerpers werd waargenomen, Weldra hebben de in dienst zijnde manschappen zich in uitruktenue gekleed en de voertuigen bezet, reeds melden de dichtstbijwonende vrije collega's zich aan de hoofdpost. Na zich uniform gestoken te hebben, begeven sommige zich naar de binnenplaats om in het luchtruim te kunnen staren, enkelen gaan zelfs, hoewel dit feitelijk verboden is tijdens luchtalarm, naar boven op den klimtoren om beter in de verte te kunnen zien.

Ettelijke formaties Amerikaansche vliegtuigen worden waargenomen, zwermen over en om de stad. Het Duitsche afweergeschut laat zich hooren, doch de formaties vliegen zoo hoog, dat ze onbereikbaar zijn. Gelukkig, ze zwenken af in noordelijke richting, misschien naar Arnhem, in welks omgeving het vliegveld "Deelen" is gelegen en hetwelk al meerdere malen uit de lucht is bestookt geworden, Toch vertoonen de vliegende forten zich nog enkele malen in de nabijheid van onze stad. waardoor het luchtgevaar nog blijft bestaan en het is reeds over twaalven als het gevaar schijnt geweken en de sirenes afblazen.

De opgekomenen bergen hun uitrusting weer op en begeven zich huiswaarts. De cantinebaas heeft voor de in dienstzijnde manschappen de koffie gezet en men begeeft zich aan tafel. De onderluit gaat naar boven om op de administratie zijn boterham te nuttigen. De administrateur Broos en zijn vrouw, die boven de garage hun woning hebben, hebben hun vluchtkoffer weer op de gang gezet en zich eveneens om te eten in hun woonkamer teruggetrokken. Alles ademt thans weer rust en althans naar het uiterlijk ook weer vrede.

Tot plotseling de lucht wederom wordt verscheurd door het doordringende gegil van de sirenes. De onderluit springt van zijn stoel op en gaat de trap af om zich naar de garage te begeven, achter hem komen de administrateur en zijn vrouw, de vluchtkoffer met zich voerende, eveneens naar beneden. De onderluit is nauwelijks beneden aangekomen of enkele donderende knallen doen het gansche gebouw op zijn grondvesten trillen. Verschrikt staat hij stil, wendt zich om naar Broos en zijn vrouw en zegt vragend: "Bombardement?"
De aangesprokenen staan stokstijf halverwege de trap. Broos zegt: "Ja, dat denk ik wel."

Dan plotseling volle activiteit, alle drie ijlen naar de garage waar ook reeds alles in rep en roer is. In de cantine de ruiten er uit geslagen. De mannen hadden dekking zoekende, zich op den grond laten vallen, doch reeds zich hersteld, ijlings zich weer kleedende met helm en lederen jas. Weder komen de eerste mannen vanuit de stad binnenstormen, met de kreet: "De halve stad staat in brand!" "De Burchtstraat brandt overal!"

Wat te doen? Uitrukken? Het parool luidt, dat bij bombardement de orders tot uitrukken moeten komen van de Hoofdpost luchtbeschermingsdienst. Onderwijl is de bezetting van het eerste uitrukvoertuig met den onderluitenant aan het hoofd reeds tot uitrukken gereed, maar geen enkel telefonisch bericht van brand komt binnen. Later bleek dat de brandmeldingstelefooncentrale aan het Hoofdbureau van Politie getroffen was en de daar dienstdoende juffrouw bij de uitoefening van den dienst het leven gelaten had.
Commandant Roelofsen komt binnenstormen. Wild rollen zijn oogen.

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

3.
 

"Uitrukken", klinkt het uit zijn mond.------------Waarheen?---------Reeds snelt de uitrukploeg de garage uit.

"We beginnen maar op de Burchtstraat", roept de onderluit. In pijlsnelle vaart schiet de wagen door de Heirsteeg [Hertogstraat], richting Kelfkensbosch – Burchtstraat. Op straat vluchtende menschen, angstige gezichten. Op den hoek aangekomen moet de wagen uitwijken, wil men niet over de lijken heenrijden. Lijken - grijs van stof - stof vermengd met bloed. Grijs, alles is grijs. Hemel wat een stof! Eerste hulpdienst, brancards, hollende menschen. Vertwijfelde gezichten. Om den hoek ineens de vuurgloed, stukken steen, ruïnes waaruit de vlammen loeien.

De menschen snellen op de autospuit toe, de handen ten hemel geheven. "Daar! Daar zitten nog menschen in, kunnen er niet uit!" Men moet stoppen, trouwens de puinhopen maken verder rijden onmogelijk. Redders voor! twee stoere kerels pakken de redladder en snellen met de burgers mee, die de weg wijzen.

Bij de motorspuit klinkt het bevel "Afleggen!" Hotel Metropole staat in lichter laaie. Daar zal men maar beginnen met het blusschingswerk want het geheele hart van de binnenstad staat in brand en hier zal veel, zeer veel hulp, ook van buiten de stad moeten komen, om deze hel met succes te bestrijden.

De straalpijp wordt opgezet en de slangen uitgerold. Reeds wordt er geroepen: "Water! Water!" De straalpijpvoerders wachten met ongeduld op water, elke seconde lijkt wel een uur te duren. Dan klinkt als in vertwijfeling een stem vanaf de autospuit: "Er is geen water". Geen druk! Men knijpt de handen tot vuisten, de gezichten staan strak. Wat een ramp! De waterleiding is natuurlijk hier of daar door een voltreffer geraakt.

De ordonnans meldt zich bij den onderluitenant. "Wat is het nader bericht?" Ja, wat? "Sein maar, "Geen water op de Burchtstraat" Stuur alle kleine motorspuiten om de omgeving af te zoeken naar water, misschien is er in de benedenstad nog druk op de waterleiding". Dan alle reddingsploegen oproepen. Honderden slachtoffers.

Intusschen stond men werkeloos wat het blusschingswerk betreft. Dan alle man aan het reddingswerk. Over puin en door vuur. Menschen worden gered uit bovenverdiepingen en van onder puin en houtwerk, in kelders bleken weinig menschen te zijn, aangezien het bombardement onmiddellijk op het luchtalarm was gevolgd, waardoor de gelegenheid tot het zich in veiligheid stellen had ontbroken, Trouwens wat is veiligheid bij zulk een ramp. Op de ééne plaats zijn kelders gebleken een veilige schuilplaats te zijn, terwijl deze elders een onderaardsche offerplaats zijn geworden.

Kranige staaltjes van reddingswerk zijn door brandweer, luchtbeschermingsdienst en vele particulieren verricht.

Na ongeveer een half uur kwam er eenige teekening in de organisatie van het blusschingswerk. Na omgereden te zijn langs de Voerweg waar langs de kant ook door splinterbommen getroffen slachtoffers lagen en via de Waalkade te zijn gereden vond na het chaotisch begin, de bezetting van het eerste uitrukvoertuig zichzelf op de Groote Markt [Grote Markt] terug.

Wat een aanblik. De Zuidzijde van het marktplein brandde vrijwel over de geheele breedte. De monumentale toren van de Groote of Sint Stevenskerk tot op de helft toe er af geslagen, waarbij een vijftal mannen van de uitkijkpost van de luchtbescherming, die zich in den toren hadden bevonden, om het leven waren gekomen. Ook de spits van de Augustijnerkerk waarop men van hieruit het volle zicht heeft, is er af geslagen, van de vier kleinere hoektorentjes staat er nog één overeind, hoewel verschoven en dreigende scheuren vertoonende. Midden op de markt enkele bomkraters.

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

4.


Stukken steen, massa's glasscherven, houten en ijzeren balken, meubilair, waartusschen hollende en schreeuwende menschen.

Op de markt is bluschwater te betrekken. De pompinstallatie van de brandbeveiligingsinrichting van de Sint Stevenskerk kan nog werken en pompt reeds het water uit de diepte der aarde, naar de hooggelegen oppervlakte en zet druk op een in de nabijheid speciaal tot dit doel geplaatste brandkraan.

Plotseling staat de commandant van de Gemeente-brandweer politie tegenover den onderluitenant. Eén moment staren zij als stom elkander aan. Tegenover hen het aan alle kanten brandende gebouw van de firma Vroom en Dreesmann. De enorme gloed staat hun in het gelaat. Duitsche officieren bevelen met luider stem eenige heen en weer dravende militairen. Dan vindt de brandweer-commandant zijn stem terug.

"De Duitschers bevelen dat wij moeten blusschen daar!" Hij wijst op de vuurgloed bij Vroom en Dreesmann. "Er zitten nog vijftig personen in de kelder. Daarin is de Duitsche Reichspost gevestigd. Wat denk jij ervan, van Mameren?" Deze kijkt naar het gebouw, steekt zijn vinger op en zegt: "Wacht één moment. Kijk!!"

Reeds buigen de zware steenen pilasters tusschen de ramen buitenwaarts. Dan beginnen de topgevels te wankelen, de muren knikken door, een donderend geraas. Het gansche gebouw stort ineen. De felle gloed slaat over het marktplein en doet iedereen terugdeinzen. Een enorme rook- en stofzuil stijgt ten hemel. Het lijkt op de beschrijving van de ondergang van Babel. De ingangen van de kelders zijn op hetzelfde moment volgestort met gloeiende steenen. Verbogen en verkronkelde balken steken uit en dekken het geheel. Dan één gedachte: Mogelijk is de kelder aan de achterzijde nog te betreden. Bliksemsnel wordt de autospuit op de brandkraan aangesloten. Een slang door de zijstraat naar de achterzijde van het gebouw. Ja, daar is een kelderingang. De straatvoerder bluscht eerst het vuur op de trap naar beneden, laat zich dan afglijden, trapt de deur open en bevindt zich in de kelderruimte. Het vuur lekt door de gesmolten glasbedekking van de zoldering. "Is hier iemand?" Alles is stil, geen teeken van leven. Een onderzoek wijst uit, dat het hier een afgesloten gedeelte van de kelders is. De slachtoffers bevinden zich dus in het niet te bereiken voorgedeelte van den kelder. Vijftig mensen, waaronder vele meisjes, aan den dood overgeleverd. Hier is niets meer te doen. Dus naar elders.

Buiten zijn enige luchtbeschermers bezig een half-waanzinnige vrouw met een schamele koffer in de hand uit haar deerlijk gehavende woning te drijven. Telkens wil ze weer terugkeeren, maar de tijd dringt, het straatje loopt ernstig gevaar. Met geweld wordt de vrouw meegesleurd. Als de onderluit met zijn helpers weer op de markt verschijnt, is er bericht gekomen dat de autospuit aan de rivier de Waal moet worden opgesteld. Dit is in deze hooggelegen waterarme stad, vrijwel de enige waterbron.

De commandant, geassisteerd door de inmiddels gearriveerde Rijksbrandweerinspectie, had dan ook het besluit genomen, het bluschwater uit de rivier te betrekken en met kleine motorspuiten, die hogerop geplaatst moesten worden, het water in het brandende stadsdeel te krijgen. Inmiddels arriveerden de spuiters uit de omliggende gemeenten, zelfs uit 's Hertogenbosch en Apeldoorn, welk aantal tegen den avond tot een veertigtal was aangegroeid.

Sommigen werden nog opgesteld bij de vijvers van het Kronenburgerpark, de slangen gelegd over de hoge watermuur bij het z.g. rondeel, zoodat ook den brand bij den Parkweg kon worden gestuit en de R.K. kerk aan de Doddendaal, die ook nog door een voltreffer was geraakt het meest westelijke gebouw was en bleef, dat door het vuur is achterhaald geworden.

Het spreekt vanzelf dat het geheele Nijmeegsche beroepsbrandweercorps, alsmede de nog bestaande vrijwillige brandweer en de voor deze oorlogstijd opgerichte hulpbrandweer uit alle macht den strijd

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

5.
 

had aangebonden tegen den machtige om zich heen grijpenden vuurdemon.

De commandant ging van het eene bedreigde punt naar het andere, zijn chefs en de meergenoemde onderluitenant eveneens. Komende op de Stikke Hezelstraat, zag hij de puinhoop van het geheel vernielde huis van den wachtmeester de Waal. We herinneren ons, dat hij naar huis zou gaan om te eten. In zijn woning is hij met vrouw en kind omgekomen en nimmer is hij teruggevonden.

Ook de vrijwillige brandweerman Kleisterlee was in zijn woning door de dood achterhaald alsmede hulpbrandweerman van Mil. Trouwens ontelbaar was het aantal slachtoffers. Later zou pas blijken, hoevelen den tol aan dit verschrikkelijke oorlogsgeweld hadden moeten betalen......

De hoofdwachtmeester Huls reed met de transportwagen, beladen met slangen en standpijpen in volle vaart de lange Koningstraat af om ook zo dicht mogelijk bij het brandende stadsdeel te komen teneinde de insluiting van de brand te voltooien. Mede op den wagen waren gezeten de opperwachtmeester Peters en enkele manschappen. Ter rechterzijde passeerden zij al sommige in elkaar gevallen panden, allerhande meubels lagen op de straat. Geheele etalages waren door de ruiten geslagen en op straat terecht gekomen. Glasscherven en nog eens glasscherven. Het kostte moeite om ze mis te rijden. Op den hoek van de Korte Molenstraat aangekomen, weerklonk een angstig hulpgeroep, het kwam van boven. Op het half afgerukte balcon van een huls stonden enkele menschen, ze verkeerden in levensgevaar; het achtergedeelte van het huis was vernield en brandde. De gevel, waaraan het balcon hing, stond gevaarlijk. De hoogte was te groot om zonder hulp af te dalen. Eén man, twee vrouwen en een kind verkeerden in doodsangst. Het kindje was trouwens van de straat af niet te zien.

De transportwagen stopte met een ruk. Het langs den wagen hangende laddertje werd er afgenomen en onder het balcon gezet, doch bleek te kort, hiermede kon het balcon niet worden bereikt. De mannen overlegden een moment. De hoofdwachtmeester, die een meer dan normale lengte heeft, ging op de ladder staan. De opper greep een redlijn, klauterde tegen den rug van zijn chef omhoog en ging op diens schouders staan. Deze richtte zich langzaam op. Ja, met zijn handen kon hij de rand van het beloon bereiken, een zwaai en hij was boven, bij de in nood verkeerende menschen. Vlug handelen was geboden, steeds werd de toestand gevaarlijker. Eerst de oudere vrouw de redlijn om het lichaam gebonden. Zij dorst zich echter niet te laten zakken.
"Kom vooruit, vlug"
"lk durf niet."
"Het moet!"
De redlijn om een stijl van het balcon geslagen, zet de brandweerman zich schrap. Het zal moeite kosten, een redgordel heeft hij namelijk niet. Nu een paardenmiddel toepassen. Hij geeft de vrouw een flinke duw zoodat zij over den rand van het balcon tuimelt. Een val van ongeveer een meter, dan hangt zij in het touw, dat knijpt en schrijnt in haar lichaam en door den schok natuurlijk als vastgesnoerd is geraakt. Nu ijlings vieren. Met van pijn verwrongen gelaatstrekken komt zij beneden, waar de mannen haar uit de knellende banden verlossen. Op gelijke wijze worden de overigen van het balcon neergelaten. Het kleine kindje was als dood, geheel blauw. Het is later gebleken dat het deze ramp te boven is gekomen. De familie Vos was gered. De opperwachtmeester laat zichzelf zakken van het wankele balcon om elders zijn werkzaamheden voort te zetten.

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

6.
 

De onderluitenant had aan de Waal een heele rij autospuiten bezocht, te weten de spuiten van Nijmegen en verschillende van de omliggende gemeenten, had zich overtuigd dat de benzine-bevoorrading functionneerde, een zaak waarmede de administrateur Broos was belast, en keerde via de hoog oploopende Grootestraat [Grotestraat] weer naar de binnenstad terug.

Bovenaan de Grootestraat [Grotestraat] stond een kleine motorspuit, die als aanjager dienst deed, te ronken en stuwde het water verder in richting van de Groote Markt [Grote Markt]. Bij deze motorspuit trof hij warempel de hiervoor genoemde opperwachtmeester aan die deze spuit moest bedienen, en dus aan die plaats was gebonden, hetgeen hem geenszins naar den zin was.

"Is er voor mij nu geen beter werk dan hier te blijven staan?"

"Ja, we zullen een plaatsvervanger voor je opzoeken. Weldra is dit geschied en beiden, n.l. de onderluit en de opper gaan ieder hun eigen weg om elders hun werk voort te zetten.

De eerste gaat naar het stadhuis, dat gelukkig niet door bommen is getroffen, maar aan drie zijden door het vuur wordt bedreigd. Aan de achterzijde branden reeds de huizen die slechte enkele meters van het nieuwe stadhuisgedeelte verwijderd staan. In een oogenblik tijds wordt hierheen een straal uitgelegd en een brandwacht alhier met het blusschingswerk belast, die het vuur daar dan ook op voorbeeldige wijze weet te stuiten.

Nu naar de links van het stadhuis gelegen Olympia-bioscoop, die nog niet brandt, doch het pand hiertegenaan is één laaiende gloed. Een massale blinde gevel belet voorshands nog dat het vuur overslaat. De glazen dakbedekking van de bioscoop is ingestort en verhoogt het gevaar. Men dringt door in de, tegen de gloeiend heete gevel gelegen bioscoop-cabine, waarin nog een groote hoeveelheid filmmateriaal aanwezig is. Ijlings worden deze films naar veiliger plaats overgebracht. Onderwijl morden slangen naar het dak gevoerd en een hoofdwachtmeester krijgt hier de leiding bij het blusschingswerk, die nu vanaf het hooge dak gelegenheid heeft het rondom het gebouw lekkende vuur te dooven. Alzoo kon ook hier den brand, worden gestuit.

Aan de rechterzijde van het stadhuis kon eenige panden daarvandaan het vuur worden afgesneden door eenige brandweerlieden uit Beuningen. De commandant van deze groep had opdracht ontvangen aldaar een slang naar binnen te voeren, hetgeen hij ook had gedaan. Toen echter de Duitsche majoor Hertel, de Befehlshaber der Feuerschutzpolizei hier langs kwam en op eenige afstand van het pand het vuur zag oplaaien, gaf hij bevel aan vorengenoemden commandant zijn slang uit het pand te halen en op dit vuur te richten. De man antwoordde, dat hij zulks niet kon doen, omdat hij opdracht had op de hem aangewezen post te blijven, waarop de majoor in woede ontstak, zijn revolver trok, die hij op den man richtte, uitroepende: "Je hebt hier mijn bevel te gehoorzamen, of ik schiet je kapot!" Voor dezen dwang bezweek de man en voldeed aan het meer dan krasse bevel, hoewel hij later toen de majoor verdwenen was, zijn eerst bevolen post weer liet betrekken.
Het stadhuis en naaste omgeving was echter gespaard gebleven.-------------

"Die menschen staan daar gevaarlijk."
De aangesprokene keek in de hem aangewezen richting en zag boven op het dak van de boekwinkel op den hoek Stikke Hezelstraat en Augustijnerstraat eenige brandweerlieden staan, die met een paar stralen daarvandaan het het water plensten in de brandende huizen, die aan twee zijden het park begrensden. De al meer genoemde opper had hier weer een object gevonden, waar hij den strijd tegen het vuur kon aanbinden.

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

7.
 

Samen met een collega had hij hier de situatie opgenomen en geconstateerd dat hier met krachtig ingrijpen nog veel kon worden gered, niet alleen het bewuste pand, maar ook het café aan de overzijde. Toen hij van het eene pand naar het andere gaande den weg overstak, werd er een hand op zijn schouder gelegd en een stem zie: "Ik ben dominee en ik moet u attent maken op die mannen daar boven op het dak. Dat is gevaarlijk en u bent verantwoordelijk voor drie levens. U weet toch wat U doet is het niet?"
Het antwoord daarop was prompt: "U bent dominee en ik ben brandweerman, het werk is gevaarlijk, maar het moet geschieden."

De huizen van de Stikke Hezelstraat leunden tegen elkander. Twee panden lager stort een huis met donderend geraas tot een volkomen puinhoop ineen. Wat zal het hoekpand doen? Zal het blijven staan? Nu is echter het oogenblik gekomen de nog hoogstaande mannen naar beneden te roepen. Deze hebben echter geen zin. Zij roepen: "Nog even, dan zijn we het vuur de baas!!" Het is echter niet verantwoord. Een krachtig bevel is nodig om ze naar beneden te krijgen. Er zal nu worden getracht vanaf den beganen grond het blusschingswerk voort te zetten, hetgeen ook geschiedt. Het dak van het tegenoverliggende café begint te branden. Vlug hier een straal naar boven. Na een half uur is ook hier het gevaar bezworen. Ook een boekhandel is behouden gebleven.------

Intusschen is het avond geworden, waardoor het schouwspel van gloed en vlammen nog huiveringwekkender is geworden. De brandweerlieden zijn moe en hongerig, doch hun werk zal moeten doorgaan, voordat ze zich groepsgewijs naar de hoofdpost kunnen begeven om even uit te rusten en te eten. De vele posten mogen nog niet worden verlaten, aangezien het gevaar voor uitbreiding van den brand nog te groot is.

De motorspuiten werken nog aldoor op volle kracht. In één der straten is een groote bomkrater, waarin de kapotte buizen van de hoofdwaterleiding het water uitspuwen en den krater in een reusachtige modderpoel veranderen.

In de Stikke Hezelstraat dreigde en brand van de Zuidzijde naar de Noordzijde over te slaan. De bewoners trotseerden de gloeiende hitte om hun bezittingen uit de huizen in veiligheid te brengen. Op zijn tocht ontmoette de ondeluitenant op die plaats in één der zijstraten, genaamd de Ganzenheuvel, een ploeg van de vrijwillige brandweer met een motorspuit onder leiding vn den brandmeester Frequin. Er scheen daar nog een brandkraan gevonden te zijn die nog water leverde, misschien door afsluiten van defecte gedeelten van het net mogelijk geworden.

Deze ploeg kwam hier juist op tijd om het overslaan van den brand in de Hezelstraat te keeren. De ruiten begonnen reeds door de hitten te springen. Onderwijl de mannen de slangen naar binnen voeren, gaan de brandmeester en de onderluitent de huizen in en rukken de gordijnen er af en zoeken de beste punten uit, vanwaar men de stralen op de brandende overzijden kan richten.

Alzoo geschiedt en ook hier wordt den strijd met succes bekroond.

De wind is Noord-Oost, gelukkig niet al te sterk. Toch moet er rekening mee gehouden worden dat de Parkweg en omgeving door de windrichting gevaar loopt. De brand woedt reeds in den Doddendaal, een der zijstraten van den Parkweg.

Alzoo kunnen de motorspuiten, die in het Kronenburgerpark zijn opgesteld, goed werk verrichten. Hiervandaan gaan onder meer ook enkele stralen naar de Doddendaal. Het weeshuis aldaar loopt gevaar. De adjunct, die per motor van het eene punt naar het andere rent, houdt te dier plaatse een bespreking met één der chefs. Op den hoek van den Parkweg staan een paar ploegen van de hulpbrandweer op orders te wachten. De chef zal verkennen waar de beveiliging van het weeshuis het beste kan geschieden.

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

8.


Het is donker, het vriest knap, zoodat het van de straat afstroomende bluschwater in een ijslaag verandert. In zijn haast glijdt de chef uit en struikelt; hij bezeert zijn heup en enkel zoodanig, dat het een moment lijkt of hij niet verder kan, doch hij strompelt door en blijf in beweging. O ja, het weeshuis moet gered. Na een lange onderzoekingstocht door het groote gebouw blijkt hem, dat intusschen de wakkere brandweer van 's Hertogenbosch het vuur reeds in het aangrenzende pand heeft aangepakt. De Nijmegenaren snellen nu mede te hulp en met vereende krachten slaagt men er in het weeshuis te behouden. Natheid, koude noch moeheid worden geteld. In de binnenstad is het nog een felle rosse gloed. Hoog lekken de vlammen in de avondlucht, doch aan de buitenkanten wordt de brandweer de baas over het woedende element.

Intusschen gaat het reddingswerk steeds door, EHBO-ploegen geassisteerd door opruimploegen en vele particulieren, ruimen brokstukken weg en doorzoeken kelders en puinhopen om eventuele slachtoffers te vinden. Verschrikkelijke verhalen doen de ronde. Mensschen die nog levend tusschen balken en puin zichtbaar waren, doch later zo snel door het vuur benaderd werden, dat reddingspogingen opgegeven moesten worden.

Vooraan in de half ingestorte R.K. kerk in de Molenstraat had men hulpkreten vernomen. Toen een der brandweerlieden daar langs kwam, was men bezig balken en steenbrokken te verwijderen, waardoor reeds een put was gemaakt, waar men met zaklantaarns eenig licht liet schijnen en waarin een hoofd zichtbaar was. Dit hoofd was bedekt door een hand, waarvan de vingers bewogen. Het geheel was echter grijs van het stof. Zeer voorzichtig wordt steen voor steen, balk voor balk weggehaald om dit menschelijk lichaam met het minste lijden te kunnen bevrijden.
De menschen werken ijverig, alleen oog hebbend voor het doel onderin de put. Een brandweerman kijkt echter overal rond en toen hij omhoog tuurde zag hij de afgebroken nokbalk van de kerk op groote hoogte, doch precies boven de put, waarin het slachtoffer zich bevond, heen en weer bengelen, hangend aan een splinter. De schik slaat hem om het hart: als de splinter loslaat, zijn de gevolgen niet te overzien. Hij maakt de redders hier op attent. Men haalt echter de schouders op en werkt door. De balk bengelt in de wind. De ongelukkige onder het puin, een jonge vrouw, wordt gered. Een been dubbel gebroken, verder uitgeput, doch gezond. Het reddingswerk beloond.

Het station en stationsplein een groote ruïne. Een electrische trein door bommen getroffen, een gedeelte van het gebouw een puinhoop, tientallen slachtoffers. De twee groote hotels voor het station staan in lichter laaie. De hulpbrandweer heeft hier met een kleine motorspuit het vuur moeten bestrijden en de belendende perceelen moeten beveiligen.

Ook over de spoorlijn, in de Kraayenhofflaan [Krayenhofflaan] zijn bommen gevallen, verschillende panden getroffen en door brand aangetast. De brandweer uit Elst heeft hier een plaats gekregen en goed werk verricht.
 

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

9.
 

Hiermede is een greep gedaan uit de legio gebeurtenissen en werkzaamheden in verband met deze ramp.
Midden in den nacht ontmoeten enkele brandweerlieden den commandant. Er is teekenening gekomen in de situatie, uitbreiding is nu vrijwel uitgesloten.
De reactie in de moegesloofde lichamen doet zich gevoelen, het eene been wil het andere niet meer volgen, toch kan van slapen nog niets komen, nog dagen lang zal er gesjouwd moeten worden om de gloeiende puinhopen te blusschen.
In de hoofdpost is een keuken ingericht. De vrouw van den administrateur zorgt met hulp voor het klaarmaken van boterhammen. De geheele vrijwillige brandweer heeft ook daar zijn hoofdkwartier. Bij groepen worden in de stad z.g. bluschjachten gehouden waarbij veel brandweerkennis wordt vereischt en opgedaan.

Na de eerste stoot, die was opgevangen door de brandweer en luchtbescherming, E.H.B.O., doktoren en verpleegsters en goedwillende burgers (men zag geestelijken grijs van het stof achter een kruiwagen loopen) kwam de stad in het teeken te staan van de z.g. nieuwe orde, zooals keurig uitgedoschte en parmantig marcherende W.A.-groepen, Jeugdstorm, die, O ironie, zingend door de straten trokken, alsmede Duitsche militairen en arrogante officieren; de arbeidsdienst met de schoppen op schouder, enz.
Het eigenlijke puinruimen moest echter geschieden door arbeiders, die met dit soort werk bekend waren en van jongsaf stoere werkers waren geweest, en door vrachtrijders met karren, getrokken door zware paarden.

Het beste deel van de oude binnenstad was een puinhoop, waarop de zwaar gehavende Sint Stevenskerk, hoog als hij is gelegen, als het ware neerzag. Het oude schoone waaggebouw op de markt stond er nog, evenals de historische Latijnsche school, nog enkele overblijfselen van een rijk verleden.

Alle beschikbare voertuigen moeten worden gerequireerd voor het vervoeren van de slachtoffers. Alle ziekenhuizen zijn overvol. De gestorvenen worden ondergebracht in het veilinggebouw. Nog nooit zijn zooveel lijkkisten bij elkander gezien.
Het is niet wenschelijk, noch noodig, de bijzonderheden dienaangaande te beschrijven. Bijkans iedereen heeft in deze verschrikkelijke tijd van nabij iets van deze ellende gezien en medegemaakt. Misschien na jaren, als een nieuw geslacht de jaren des onderscheids heeft bereikt, kan de tijd gekomen zijn, meerdere bijzonderheden hiervan te openbaren, opdat men wete, wat de gevolgen van een moderne oorlog kunnen zijn.

Een vijfhondertal overledenen waren reeds op de algemeene begraafplaats aan den Graafscheweg [Graafseweg] in nog open graven bijgezet, toen vanuit het gebouw "De Vereeniging" een lijkstatie met een onbekende doode voorwaarts schreed. Een kilometers lange stoet, bestaande uit familieleden en vrienden van de slachtoffers, waarbij ook een deputatie van de brandweer om de collega's de Waal, Kleisterlee en van Mil te eeren.

Nog dagen, weeken daarna moesten echter nog talloze slachtoffers worden begraven, die bij het ruimen van de puinhoopen werden gevonden om nog niet te spreken van diegenen waarvan nimmer meer iets is teruggevonden. Het aantal is ver over de zevenhonderd, hoewel het nooit officieel is bekend geworden, hoeveel menschen het leven hierbij hebben verloren. Zeer wel mogelijk zijn het er meer dan duizend geweest.

Dit was de eerste tol die Nijmegen aan dezen oorlog heeft moeten betalen en niemand wist, dat er nog meer zou volgen eer er weder een jaar verstreken zou zijn en waarbij ook de brandweer een voorname rol zou spelen.
 

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

10.
 

Nijmegen is geworden tot een geteisterde stad als één der velen, die in dezen verschrikkelijken oorlog hebben moeten offeren aan den oorlogsgod.
Eertijds bloeiend en schoon, met fraai aangelegde parken en schitterende boulevards en singels, welke den laatsten tijd toch al geschonden waren door den aanleg van schuilkelders en het bepoten van de gazons met aardappelen in plaats van bloemen en schoone planten, doch nu tevens ontsierd door de vele en uitgestrekte ruïnes en puinhoopen.
Daarbij komt nog dat evenals overal trouwens, handel en industrie zijn lamgelegd en ieder op zijn manier het leven moet voortslepen en moet trachten zich langs geoorloofden en ongeoorloofden weg zich van het allernoodigste te voorzien.

Nog kan er evenwel van enige verpoozing en genieting spake zijn. Als is er geen vreemdelingenverkeer, zoo kunnen toch nog de schoone omstreken worden bezocht het zij te voet hetzij in een tot berstens toe volgepropte tram. Gelukkiger zijn nog degenen, die nog een rijwiel met bruikbare banden bezitten. De meeste banden zijn echter versleten of de rijwielen zijn door de Duitsche overheid gevorderd. Sommige moedigen of verbetenen rijden op houten banden of op de ijzeren velgen. Wandelaars hebben weder rekening te houden met de niet meer te vervangen schoenzolen, alleen de z.g. zwarte markt (zwarte handel), kan in sommige gevallen nog wel eens uitkomst brengen.

Het is onbegrijpelijk, dat althans oogenschijnlijk het maatschappelijk raderwerk nog blijft draaien. Alleen de barbaarsche strafmaatregelen en verschrikkelijke dreigementen van de nationaal-socialistische Duitsche overheid houdt de bevolking uiterlijk kalm. Ieder leeft in inwendig ongeduldige afwachting en hoopt op een spoedig neervellen van den onderdrukker. Reeds zijn er teekenen te bespeuren van een zwakker worden van dit barbaarsche regiem en met innige voldoening constateert men het steeds in kracht toenemen van de geallieerden. Dit gevoel en deze hoop zijn wonderlijk genoeg bij de bevolking, na het zware offer dat men bij het bombardement had moeten brengen, en ondanks dat, gebleven en worden steeds krachtiger.
Gelukkig weet men niet dat de beproevingen nog oneindig zwaarder zullen worden. Voorshands komt het voorjaar en bedekt veel met den mantel der liefde. Met onvergelijkelijke schoonheid tooit zich de natuur. Heuvel, bosch, boomgaard en heide, hetgeen al in deze streek te vinden is, wedijveren om het hardst om het oog te bekoren en den wandelaar te vergoeden wat hij nu in stad en stadspark moet missen.

Bij de brandweer is men de groote en abnormale drukte verbonden aan het bombardement weer eenigszins te boven gekomen. Nog dagen lang heeft de nablussching werkzaamheden gevergd. Daarbij komt nog het in orde brengen van het materieel. Duizenden meters slang moesten worden schoongemaakt en gerepareerd, doch langzamerhand kon men weer overgaan tot het houden van de gewone oefeningen.

De hoofdpost aan het Hertogplein leende zich hiertoe niet erg best. Er was slechts een kleine binnenplaats en de klimtoren, die er weliswaar was, leende zich niet tot het houden van de moderne oefeningen als redladderexercitie, het werken met redlijnen en dergelijke. Vandaar dat door de Duitsche militaire overheid een terrein, behoorende bij het Canisius-oollege beschikbaar was gesteld. Deze instelling, gelegen aan den Berg en Dalscheweg [Berg en Dalseweg], strekte zich met haar tuinen, parken en sportterreinen uit tot tegen den Ubbergscheveldweg [Ubbergseveldweg]. Op één van deze sportterreinen was nu door de brandweer een klimtoren van hout opgetrokken, brandkranen en brandput aangelegd om hierop met de motorspuiten te kunnen werken en oefenen.

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

11.


Dit oefenen moest in twee groepen geschieden, omdat natuurlijk de geheele brigade niet aan de hoofdpost kon onttrokken worden in verband met uitrukken bij eventueel brandalarm. Elke oefening moest dus tweemaal achtereen door den desbetreffenden instructor worden gegeven.

De redladder-excercitie werd gegeven zooals reeds tientallen jaren bij de beroepsbrandweer hier te lande gebruikelijk was, doch de z.g. militaire voetexercitie was in den vorm, zooals dit bij de Duitsche Weermacht geschiedde, ingevoerd. Dit werd zeer streng doorgevoerd en ondervond veel heimelijke tegenkanting. Het commando stond er echter op, dat deze excercitie punctueel werd uitgevoerd. Zoo nu en dan was er ook vanwege Duitsche autoriteiten controle op deze oefeningen. Al met al sleepte men zich met veel tegenzin door deze oefeningen heen. Zoo nu en dan een pauze houdend tot het rollen van een sigaretje van eigenteelt tabak, welke pauze nog al eens werd om door den tijd heen te komen. Uitkijken was echter geboden, omdat altijd controle kon worden verwacht en de factor, dat het woonhuis ven den commandant met de achterzijde uitzicht bood op het oefenterrein, droeg er niet weinig toe bij, dat in deze moest worden opgepast.
Bij zulk een pauze ging men dan ook meestal schuil aan de achterzijde van den klimtoren, die op die manier dekking bood tegen spiedende blikken en vanwaar tevens de ingang van het oefenterrein in 't oog kon worden gehouden en dus direct kon worden waargenomen, als een der superieuren in aantocht was.

De betreffende instructeur had tusschen twee oefeningen in, als de bluschgroepen ter aflossing in colonne naar de Hoofdpost marcheerde, mooi gelegenheid om in het aangrenzende park, onder het lommer en langs de bloeiende rododendrons een wandelingetje te doen. Het duurde altijd een half uur minstens eer de tweede bluschgroep weer ter plaatse was.

Duitsche militairen waren op het terrein voortdurend bezig met tewerkgestelde mannen de tuinen te verzorgen of met het in- en uitladen van goederen, en voorraden bij de aangrenzende gebouwen.

De zomer van 1944 kenmerkte zich door het zich voordoen van tallooze bosch-, heide- en grasbrandjes, natuurlijk vooral, als er een kortere of langere periode van droogte was geweest. De aanwezigheid van militairen, in de bosschen, die natuurlijk weleens rookten of een kampvuurtje aanlegden, was oorzaak, dat in het droge naaldhout of in op den op den grond aanwezigen afval van de boomen brand ontstond. Zulk een brand kon soms weldra onrustbarende afmetingen aannemen en eischt een bijzondere wijze van blussching. Water is in de bosschen in wijden omtrek hoegenaamd niet aanwezig. De bestrijding moet dus geschieden door uitslaan met takken, graven, spitten (het vuur met zand bedekken), en soms bij ernstige dreiging het stichten van een tegenbrand, d.w.z. dat een bepaalde strook bosch- een deel n.l. waar de wind naar toe is,- wordt opgeofferd om zoodoende een open ruimte te krijgen van waaruit met kans op succes dan de brand kan worden gestuit. Het blusschen van deze branden vergt nogal tijd, want het is natuurlijk noodzakelijk, om zelfs de laatste vuurrestjes te dooven, aangezien anders na verloop van enkele uren zo'n brand weer aanwakkert.

De straatjeugd doolde overal rond. De scholen zijn gesloten, d.w.z. gesloten voor de schoolgaande jeugd. In de scholen bevinden zich militairen. Alles wordt gebruikt voor de oorlogvoering en de jeugd demoraliseert meer en meer. Kwajongens zwerven overal, stelen en doen kattenkwaad, spelen met vuur, niet te vergeten. Het droge gras langs de hellingen van de spoorwegen levert daartoe een dankbaar object en telkens moet de brandweer uitrukken, om zulk een brand te blusschen. Niet zelden gebeurt het ook, dat wagons met strooi of hooi op de spoorwegemplacementen door deze

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

12.


belhamels in brand worden gestoken, wat den brandweerlieden ook weer werk bezorgt. Daarbij komen ook nog de gewone branden en brandjes en alzoo verloopt deze zomer voor de brandweer met tot op zekere hoogte normaal werk. Maar de spanning zit in de lucht. Wat zal er gebeuren? Zal Nederland spoedig worden bevrijd? 6 Juni heeft de invasie van de geallieerden in Frankrijk plaats gehad. Eerst ging het moeizaam voorruit, doch na een week of zes komt de groote doorbraak. Men hoort van enorme verwoestingen in Fransche steden. Wat zal er straks hier gebeuren? De overweldiger zal moeten zwichten, koste wat kost. Dat zal met veel vuur en bloed gepaard gaan, niet dan met enorm geweld zal hij zijn te verdrijven. Doch reeds in de nazomer trekkende lange files van Duitsche legerwagen, die de wijk nemen uit Frankrijk door Nijmegen. In onafzienbare rijen trekken ze de Waalbrug over om ergens is het Noorden of daarna in het Oosten te verdwijnen.

Weldra zal de groote gebeurtenis, waarna zooveel jaren verlangend is uitgezien, plaatsgrijpen.
Bij de brandweer zijn verscheidene ondergrondsche werkers. Zij hebben een radio-ontvangtoestel in een verborgen kelder van het gebouwencomplex aan de Hoofdpost. Slechts enkele ingewijden zijn hiervan op de hoogte, want het bezitten van een radioapparaat is met bedreiging van strenge straffen door de Duitsche overheid verboden en het luisteren naar de nieuwsberichten en "Radio Oranje" moet zeer in het geheim geschieden. De Duitschers publiceeren alleen datgene, wat naar hun oordeel geschikt is voor bekendmaking aan het publiek. Vanuit die geheime kelder wordt dan bekand, dat België reeds stormenderhand door de geallieerden is veroverd en dat zij reeds op Maastricht aanrukken. Enkele brandweerlieden, die met de "ondergrondsche beweging" in verbinding staan verdwijnen spoorloos om zich met de geallieerde troepen in verbinding te stellen.

Diegenen, die op hun post blijven, verbreiden met spanning de komende gebeurtenissen. Zij zullen tot het uiterste op de bres staan om have en goed van de burgers en alles, wat nog over is in deze zwaar geteisterde stad, tegen het vuur van het oorlogsgeweld te beschermen.

Evenwel vragen zij zich af of hun vrijheid van handelen zal gelaten zal worden. Zullen de Duitschers, als zij de vlam er in steken, hun niet verbieden om in te grijpen? Zal het mogelijk zijn, om onder en tijdens gevechten met granaat- en bommenregen, te werken? De tijd zal het leren. De oranjecocardes heeft men bij de hand om zoodra het mogelijk is, zich daarmee te tooien. Engelsche opschriften voor de brandweerposten en voertuigen, vermeldend het woord: "Fire Brigade" liggen gereed. Alles moet evenwel verborgen worden gehouden, want voorbarigheid in deze zou met de dood worden gestraft. De Duitschers zijn tot het uiterste geladen en tolereeren niets en niemand.

Militaire bureaux worden leeggehaald en de inboedel en bescheiden vertransporteerd. De verdediging van de stad wordt echter krachtig ter hand genomen. Gevorderde arbeiders uit alle lagen van de bevolking moeten loopgraven maken en putten graven, die een soldaat met mitrailleur kunnen bergen, in parken en plantsoenen maken. Het beroemde oude "Valkhof" wordt tot een zwaar verdedigd bastion herschapen. Langs het Maas- en Waalkanaal wordt een verdedigingsstelling aangelegd. Alles wijst er op, dat Nijmegen niet zonder slag of stoot zal worden overgegeven. Hoe zal dat afloopen? Zal men hier levend doorheen komen? Het zal als het ware een lawine zijn, die over de bevolking moet heengaan en later zal pas blijken, wie er door heen kwam en wie erin zijn ondergegaan.

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

13.
 

Het is zondag 17 September. Er zijn berichten dat de geallieerden Eindhoven reeds zijn gepasseerd en in noordelijke richting oprukken.

De onderluitenant van de Nijmeegsche brandweer zal dien geheelen dag en de daarop volgende nacht in dienst moeten zijn, ook den volgenden dag, dus Maandag, zal hij den tweeden dienst hebben te vervullen, aangezien het kader van de brandweer een dienstverband van acht en veertig uren heeft gekregen. Zoo'n dienstzondag kan zeer eentonig zijn, temeer daar men op de hoofdpost in zekeren zin afgesloten zit van de buitenwereld. De ramen bieden slechts uitzicht op de binnenplaats en het is verboden de deuren aan de straatzijde geopend te hebben. Wat zal deze dag bieden?

Reeds spoedig blijkt, dat de oorlogs handelingen voor deze stad in een meer actief stadium zullen treden. Reeds slingeren zich raketbommen met ratelend geluid door de lucht, lange slierten van rook achter zich latende. Waar ze vandaan komen en waar ze de aardbodem raken weet niemand, zooals in dezen oorlogstijd nimmer iets bekend wordt van gebeurtenissen, die ook maar even buiten de gezichtskring plaats vinden. Men kan slechts gissen. Intusschen wordt de actie in de lucht steeds heftiger en bereikt tegen de middag een hoogtepunt.
Op het luchtalarm is de geheele brandweer in dienst gekomen. Dan de zware dreunen van bominslagen. Dat kan niet ver weg wezen. Ja, kort daarop ratelt de telefoon en komt het bericht, dat op de kunstzijdefabriek NYMA, gelegen aan de rivier de Waal, bij de Weurtsche weg [Weurtseweg], door bominslagen brand is ontstaan. Onmiddellijk rukt de autospuit uit onder bevel van den onder luitenant. Wanneer men de Weurtscheweg opzwenkt, ziet men reeds een geweldige rookzuil opstijgen uit het gebouwencomplex van de NYMA. De poort van de fabriek inzwenkend, ziet met het personeel van het bedrijf reeds dragen met gewonden op brancards gelegen. De autospuit stopt. De onderluiternant beveelt "Redders voor" Waarheen? om eventueel nog meer menschen te redden.

Gelijkertijd het bevel "Afleggen op de rivier". Een opzichter wijst den weg aan die de redders moeten loopen om bij de bomkrater te komen. Om den brand heen komt men bij een schuilkelder, die door een voltreffer is geraakt. Daar ligt nog een man. De onderluitenant werkt zich door het puin, stof en zand en vindt bij de ingang van de schulkelder een man onder balken en steenen met zware verwondingen aan hoofd en ledematen. De huidskleur is echter zoodanig, dat de levensgeesten wel zullen zijn geweken. Een snel onderzoek bewijst, dat de man inderdaad overleden is. Hij beveelt een hulpploeg het slachtoffer maar weg te halen. "Nog meer gewonden?" Neen, voor zoover bekend zijn allen geborgen.
Dan kan alle aandacht aan het blusschingswerk worden besteed. Bij de autospuit aangekomen, ziet de onderluit, dat opper Crijns de babymotorspuit, die in de autospuit was geborgen, onder aan de rivier heeft gezet, aangezien de zuigbuizen niet toereikend waren om vanaf de groote autospuit het water te bereiken, "Goed zoo, Crijns, flink afgehandeld". Reeds stuwt het water door de slangen.

Een drietal loodsen met materiaalopslag staan in brand. Houtwaren, vaten met olie enz, bieden een brandobject van den eersten rang, doch weldra is de brand aan alle kanten ingesloten. Het kantoorgebouw, waarvan alle ruiten zijn gesprongen door de luchtdruk van de bominslag wordt beveiligd.

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

14.


Van Lokhorst, burgemeester van Nijmegen, vergezeld van den politiecommandant, beiden volbloed N.S.B.ers, komen ter plaatse en laten zich door den onderluitenant op de hoogte stellen. Zij wandelen over het terrein van de ramp, waarbij verschillende punten, waar nog onontplofte bommen liggen, moeten worden gemeden. Het blijkt, dat het nog een groot geluk is geweest, dat een afgeschoten terrein, waar onder den grond reusachtige voorraden vluchtige vloeistoffen liggen, niet is getroffen.

Dan komt de commandant van de brandweer en voegt zich bij het gezelschap. Nauwelijks is hij een gesprek begonnen, of geallieerde vliegtuigen vertoonen zich weer in de lucht en wat het ergste is, zij scheeren over de fabriek; dan plotseling rekke-tekke-tek, het geluid van de boordwapens. "Dekken!", roept de commandant. Hij zelf met de onderluitenant en een brandweerman laten zich op de grond vallen tegen een stapel ijzeren buizen, toch vrijwel ongedekt, doch een betere plaats was onmiddellijk niet te bereiken. De kogels slaan in den grond in de directe nabijheid. Even later is het gevaar weer geweken en allen richten zich op, niemand getroffen.

Waar is de burgemeester met zijn gezelschap? Zij zijn verdwenen. IJlings gevlucht. Niemand heeft ze ooit in het openbaar weergezien. Het was hun laatste optreden geweest als magistraten van een bewind, dat geen stand heeft kunnen houden.

Om den brand spoediger onder de knie te kunnen krijgen, wordt de "bluschboot" ter assistentie geroepen, alsmede enkele kleine motorspuiten van de hulpbrandweer, zoodat spoedig heel wat materiaal en personeel op het terrein aanwezig is.
Dan onverwacht weer vliegtuigen. Het schieten neemt weer een aanvang. De uitkijkpost, die is uitgezet, laat een schel gefluit hooren; dit betekend weer: dekken. De commandant laat zich in een bomkrater vallen. De onderluit ziet in een betonnen bak, die met de opening opzij schuin tegen de Waalkade ligt, een werkman zitten. Hij kruipt erbij. Nauwelijks zit hij met opgetrokken beenen tegen den man aangedrukt, of de kogels slaan met een vuurstraal tegen de steenen glooing van de wal. De motorspuiten staan verlaten te ronken. Zoo gaat het telkens en telkens weer. Iedere keer als het fluitsignaal klinkt, stormen allen naar de schuilkelders, die buiten het fabrieksterrein gelegen zijn.

Vanaf dit punt heeft men een ruim uitzicht op den geheelen omtrek. In de verte nadert een groote luchtvloot, die echter ditmaal niet op de fabriek aanstuurt, doch in de richting van Groesbeek gaat. Nauwlettend wordt een en ander gadegeslagen. Zweefvliegtuigen maken zich los, parachutisten springen af in grooten getale. Geallieerden landen dus in de omgeving. Dit moet de verlossing worden, de bevrijding van het slavenjuk der Duitschers.
Na uren is de brand gebluscht. Geen manschappen gewond, gelukkig. Het materieel wordt geborgen en men rukt in. Nu komt de spanning van afwachten. Hoe zal de bevrijding verloopen? Weldra zal men het weten. Wie zal het overleven en wie zal in het zicht van de bevrijding, o, dramatische gedachte, zijn leven moeten laten?

De onderluitenant gaat even naar zijn huis om bij vrouw en kinderen wat te eten en te praten. Straks moet hij de nacht weer aan de post gaan doorbrengen. Als hij afscheid neemt van de zijnen weet hij niet, dat het dagen zal duren eer hij ze weer terug zal zien. Per fiets op weg naar de hoofdpost ziet hij op het Mariaplein Duitsche militairen, die met de revolver schieten op burgers die hollende de straat oversteken.

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

15.


Hij aarzelt, geeft met de hand zijn rijrichting aan. Een militair wenkt dat hij door kan rijden. Op de post aangekomen, wordt alles wat dien dag is gepasseerd, nog eens druk besproken.

De onderluitenant zat dien avond met opper van Schendel op de teekenkamer. Zij hebben besloten in samenwerking met onderbrandmeester Peters tot het uiterste van de stad op te komen en dus niet de wijk te nemen, waartoe bij sommigen neiging bestond. Zij zijn teevens overeengekomen, om, zoo het commando om de een of andere reden zou moeten verdwijnen, de algeheele leiding op zich te nemen. Enkele Corpsleden zijn van de post verdwenen en hebben zich in dienst van de ondergrondsche beweging als z.g. partisanen aangesloten.
Dezen nacht zullen de bondgenooten de stad wel naderen. Wat zullen de Duitschers doen? Voorraden, gebouwen vernietigen? Den brand er in steken of opblazen? De mannen van de brandweer zijn er op voorbereid.
De commandant komt ook den nacht op de post doorbrengen. Een bed wordt voor hem gereed gemaakt op de zolder van den administrateur Broos. De onderluitenant legt zich ter ruste op zijn eigen kamer, terwijl opper van Schendel zich languit boven op de teekentafel ter ruste legt. De manschappen bevinden zich op hun eigen slaapzaal. In de nanacht neemt het schieten buiten in hooge mate toe en in den morgenstond blijkt het dat de straatgevechten rondom de hoofdpost reeds een aanvang hebben genomen. Als 's morgens allen op de been zijn, lijkt het wel of de geheele brandweer in een gevangenis is opgesloten. Men kijkt door spleten van deuren op de straat. Geen sterveling te zien. Ja, toch, zoo nu en dan sluipt om een hoek van de straat, of loert uit een portiek een tot de tanden bewapende Duitscher, die dan langs de gevels en van portiek tot portiek telkens wegduikende voort-surveilleert. Overal ratelen de machinegeweren. De wachtmeester Wesker wil proberen een in de nabijheid wonende bakker te bereiken om versch brood te bemachtigen. Hij kruipt over het dak om aan de achterzijde van de post door de tuin en een poort van een aangrenzend perceel op straat te komen. Nauwelijks is hij op den weg of hij ziet een man van een Eerste Hulp ploeg, die zich waarschijnlijk ter hulpverlening ergens heen wilde begeven, voor zijn oogen neerschieten. Dit was te kras; hij keert terug naar de post en zal het dan maar zonder brood zien te stellen,

Intusschen vallen de granaten, korte scherpe knallen veroorzakende, in de stad en neemt het geluid van straatgevechten steeds toe. De brandweerlieden kunnen niets doen, ze zitten in groepjes bij elkander geschoold en bespreken ieder geluid, dat wordt waargenomen.

Als er brand zou gemeld worden, zal uitrukken levensgevaarlijk zijn. De commandant acht het ook niet verantwoord. Dat zou mensenlevens kosten. Bovendien, als de Duitschers iets in brand steken, laten zij niet toe, dat het gebluscht wordt.

Hoe het bericht binnenkwam is niet bekend, doch het wordt aan de post bekend, dat de Betouwstraat gedeeltelijk in brand staat. De commandant durft echter geen bevel tot uitrukken te geven. Enigen tijd later weer een melding omtrent den zelfden brand. Neen, niet uitrukken. Dan tegen of kort na den middag een dringend verzoek, of liever haast een smeekbede van de bewoners van de Betouwstraat om brandweerhulp. Dat is te erg, zeker, er dreigt gevaar, maar een brandweer, die voor een heeten strijd terugdeinst en werkeloos blijft zitten, is geblameerd.

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

16.


Waar blijven dan het voornemen om tot het uiterste op te komen voor de bescherming van de burgerij en haar bezittingen?

De oogen beginnen te glinsteren. Dit wordt het keerpunt: of neerzinken in een roemloos einde van een brandweerloopbaan, of de brandweernaam vestigen en hooghouden en de basis leggen voor een verdere brandweercarriëre. Dit kan het geval zijn of..... men kan in de uitoefening van zijn plicht sterven. Ineens wordt de apathische stemming, die in de brandweerpost heerschte, verbroken en als de commandant de manschappen om zich heen verzameld en vrijwilligers vraagt voor de blussching, in de Betouwstraat, stelt een heele bezetting van acht man zich beschikbaar. Nu nog een groepscommandant.

De onderluitenant, die een twintigjarige brandweerloopbaan achter zich heeft en door de Duitsche overheid ruim een half jaar geleden tegen zijn zin van Delft naar Nijmegen is overgeplaatst, ziet hier zijn kans en op de vraag, wie groepscommandant zal zijn, is hij alle jongere kaderleden voor met een kort: "Ik". De wagen stuift de garage uit naar de "In de Betouwstraat".

In de van Welderenstraat passeert de autospuit een barricade van de Duitschers, die aldaar de geheele straat beheerscht. Men vliegt daar ongehinderd voorbij.

Bij het Bisschop Hamerplein is men nabij den vuurgloed, die de geheele hoek Betouwstraat- Bisschop Hamerplein heeft aangetast. In de grasgazons liggen de lijken van Duitsche Militairen. Mitrailleurschoten knallen. Granaten slaan in. Maar de bewoners van de Betouwstraat ontvangen ons met open armen.

Er wordt afgelegd op een ondergrondsche brandkraan, de chauffeur Krop bedient de pomp, terwijl aan 't begin van de straat in het groote meubelmagazijn van de firma Smarius de brand wordt aangepakt. De brandwachts Zahn en Janssen gaan er met een straal naar binnen. De onderluitenant verkent verder den brand en komt tot de conclusie, dat hard werken misschien het vuur hier kan stuiten. Om den hoek op 't Bisschop Hamerplein zijn wakkere lieden van de blokbrandweer reeds bezig met enkele waterstralen.

De brandwacht Broekkamp meldt zich bij den onderluitenat voor verzending van het "nader bericht'. Ja, Broekkamp, het zal moeilijk zijn om nader bericht te verzenden, want er is geen telefoon meer, die werkt. Nu konden we hier best nog een motorspuit gebruiken, maar ik acht het niet verantwoord om jou per fiets naar de hoofdpost te sturen, dus "Laat maar".

Nu wordt het een vechten tegen den vuurdemon, zooals maar enkele malen in het leven van een brandweerman voorkomt. Wesker en Mangel staan hoog op het dak van een naastliggend pand, waar tandarts Dr. Parmet woont en vallen daar van uit de hoogte den vuurhaard aan.
De onderluit gaat in het pand van Smarius om Zahn en Janssen op te zoeken. Onder aan het trappenhuis kan hij niet verder, de boel dreigt in te storten en daar boven bevinden zich de twee brandweerlieden. Hij roept- geen antwoord. Hij schreeuwt- nog geen antwoord. Op 't laatst is het een rauwe kreet, waarmee hij de de namen van de brandwachts er uit stoot, – geen gehoor. In vertwijfeling gaat hij terug naar buiten om te zien vandaar, door middel van een ladder er in te komen. Doch wat geluk! Het blijkt dat de brandweerlieden zich door middel van de redlijn uit een raam naar beneden hadden laten zakken, tot stomme verbazing van de omstanders. De schoorsteen wordt door een granaat getroffen en steenen vallen kletterend op straat. Dekken! Dekken! Men schuilt even in een portiek en als het nog wat erger wordt, in den kelder van een bakkerij.

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

17.


Maar als het weer even kan, wordt het werk voortgezet, want de brand moet immers gebluscht. Weldra blijkt, dat men het vuur zal meester worden. Zelfs het zooeven genoemde pand van Smarius zal nog voor het grootste gedeelte intact blijven. De gezichten van de bewoners van de straat klaren op. Zij betoonen zich uitermate dankbaar. De bakker levert versch brood. Een ander belegt de boterhammen, o, ongekende weelde in dezen tijd, met ham en worst. De dokter komt met een kruik oude klare, zooals in geen jaren is geproefd. Alles wat de menschen op verborgen plaatsen hebben bewaard van eet- en drinkwaren komt voor den dag. Tenslotte komt nog iemand met een paar flesschen oude wijn. "Bewaren jongens", zegt de onderluitenant, "We moeten de kop bij 't werk kunnen houden". In normale tijden zou dit alles door een brandweerman trouwens niet worden geaccepteerd, maar hier is de toestand, waaronder gewerkt moet worden, zoo intens buitengewoon en zenuwen en krachten sloopend, dat een hartsversterking wel nodig is. Bovendien hadden de meesten dien dag nog weinig of niets gegeten.

Buiten gekomen ziet men een soldaat zich behoedzaam langs de huizengevels met het vuurwapen in de aanslag voortbewegen. Maar wat een vreemde soldaat is dat: in een soort van linnen overall vol met uitpuilende zakken tot zelfs langs de beenen, een helm, met een net overtrokken, op 't hoofd, en op de mouwen.....wat is dat..... De kleuren van den Amerikaanse vlag, de "stars and stripes". Als uitgelaten stormen de menschen op hem af, ook brandweerlieden. Ze drukken hem de hand en juichen "We zijn bevrijd!". Menschen weest voorzichtig, juich niet te vroeg, een zwaluw maakt nog geen zomer. Dit blijkt een uur later. Opzij! Opzij! Naar binnen! Wat is er aan de hand? Daar komen de moffen, Ja werkelijk. O, luguber gezicht. Een tiental moffen met fanatieke gezichten, zware handmachinegeweren met riemen over de schouders dragende, naderen stap voor stap in de Betouwstraat. Diep teleurgesteld zijn de menschen. Te vroeg blij geweest. De straatgevechten zijn nog in vollen gang. Toch is het opmerkelijk, dat geen gesneuvelde Amerikanen of Engelschen worden gezien. Wel Duitschers. De meesten liggen voorover, vuil, bevlekt, bebloed. Sommigen hangen dood in een z.g. Einmansloch, (eenmansgat), bij tientallen in de plantsoenen en parken gegraven.

De brand is onder wijl gestuit; ondanks alle moeilijkheden succes gehad. Felicitaties worden in ontvangst genomen, tientallen handen gedrukt. De onderluitenant bedankt ook den commandant van de blokbrandweer, den heer Eenennaam, die met zijn mannen ook zoo dapper heeft gewerkt en zeker ook mede tot het behoud van het grootste gedeelte van deze woonwijk het zijne heeft bijgedragen. De slangen en materialen worden opgeborgen.

"Aantreden bij het voertuig" beveelt de onderluitenant. Appèl wordt gehouden. Wat is dat?..... ik mis een man. Er moeten acht mannen zijn behalve de onderluit en ik tel er maar zeven. Wie is er vermist? Niemand weet het. Door de groote emoties is men zijn gedachten eenigszins kwijtgeraakt. Op twee gelederen staan mannen. Krop- Wesker- Zahn- Janssen- v.Kroningveld- Mangel en Bakhuis. Ik mis den ordonnans. Wat drommel. Wie was dat ook weer? Ik heb een ordonnans gehad. Ik heb zelf met hem over het verzenden van het nader bericht gesproken. Broekkamp. Ja, het was Broekkamp. Waar is hij gebleven? De ongerustheid is algemeen. Zou hij ergens onder het puin gevallen zijn? De panden worden nog eens nagezocht; zonder resultaat.

Wesker, Mangel en v. Koningveld zullen voor bewaking en nablussching achterblijven.

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

18.


Zoeken jullie nog eens overal naar den vermiste, dan gaan wij vast met de autospuit naar de hoofdpost. Het is nu vrijwel stil in de straten. De gevechten schijnen zich verplaatst te hebben naar een ander stadsdeel; overal liggen lijken. De wagen komt in de nabijheid van de Hoofdpost in de Hertogstraat. Tegen de huizen liggen de gesneuvelde Duitschers, - maar wat is dat? – Dat lijkt wel een doode in brandweeruniform. Stop! Stop! Allen hebben dezelfde gedachte – Broekkamp -. De onderluitenant springt uit de cabine. Allen volgen hem op een draf. Naast een fiets ligt de doode voorover. De brandweerhelm nog op het hoofd. Men draait hem behoedzaam op den rug. Ja, het is Broekkamp. Men is met stomheid geslagen. Men pakt den doode op en draagt hem naar de Hoofdpost. Krop rijdt de wagen verder.

In de garage van de Hoofdpost zit de Commandant nog met zijn overige manschappen in angstige spanning samengeschoold. Men had geen verbinding met de Betouwstraat kunnen krijgen en men had naarmate de tijd vorderde tenslotte niet meer durven hopen, dat alles goed zou zijn afgelopen. Daar, eensklaps hoort men de bel van de autospuit rinkelen. Wat een opluchting! Men gooit de deuren open. De spuit staat voor de deur, gelukkig. Maar wat is dat? De mannen dragen iemand naar binnen; een doode. De commandant wordt lijkbleek; alle gezichten staan strak. De commandant en alle anderen drukken zwijgend de handen van de teruggekeerden.

Broekkamp wordt opgebaard; het militair saluut wordt gebracht. Bij de uitoefening van zijn plicht gevallen. "Beste kerel".

Dit was het einde van de meest emotievolle brandblussching in de gansche brandweerloopbaan van allen.

Doch deze dag was nog niet ten einde, nog veel meer zou er gebeuren, nog sterker zouden de zenuwen op de proef worden gesteld.

Nauwelijks had men zich eenigszins hersteld van de doorgestane emoties of nieuwe verschrikkingen kondigden zich aan.

Uit verschillende huizen in de Hertogstraat begonnen rook en vlammen een uitweg te zoeken. Angstige bewoners renden naar de brandweerpost en brachten de verschrikkelijke tijding mee, dat de Duitschers de geheele straat in brand zouden steken, omdat, naar zij beweerden, uit een huis op een Duitsch officier was geschoten. In werkelijkheid was het er alleen om te doen, hun verniel- en moordlust bot te vieren. Ja, ook moordlust, want sommigen waren er op uit, de vluchtende menschen weer in hun brandende woningen terug te drijven.

De onderluitenant v. Mameren, nog doodop van het zwoegen in de Betouwstraat, klom in de klimtoren en zag de vlammenzee meer en meer de brandweerpost naderen. Ook op het Mariënburg zag hij een geheele huizenrij in vlammen opgaan. Waar zou hier het einde zijn? Als stom staart hij in den vuurgloed. Als het zoo doorgaat is alle vechten en worstelen om 't behoud van de stad te vergeefsch.

De commandant laat een motorspuit op de binnenplaats op een daar aanwezige brandspuit aansluiten. De brandweerlieden leggen slangen over de daken aan den achterkant van de huizen om zoo te trachten het vuur te stuiten, aangezien het onmogelijk is op straat te gaan werken, aan gezien de moffen daar met een duivelsch leedvermaak de menschen met de vuurwapenen van de straat drijven.

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

19.
 

Tot blusschen zal het echter niet komen. Een mof komt de garage in met het bevel: "Er uit of verbranden". Ja maar het is hier de brandweer, dat kan toch de bedoeling niet wezen. "Er uit, binnen een half uur". De mof is dronken; zijn oogen puilen uit hun kassen. Nogmaals: "Er uit met de wagens en naar Kleef!". Dus naar Duitschland. Alles moet branden. Zij steken de gansche stad in brand. Alles moet kapot. Reeds is het vuur genaderd tot de Twentsche Bank, dat is een pand of zes van de hoofdpost vandaan. Als de commandant nog probeert te argumenteeren, trekt de mof zijn vuurwapen en schiet pardoes door de garage. Hij raakt de motorkap van de transportwagen en daar doorheen de carburator. Jongens we moeten er uit. We moeten naar Duitschland. Neen, we gaan vluchten! Pak in, wat je nog grijpen en vangen kunt.

Een gedeelte van de mannen gaat naar den zolder en gooit alle daar nog aanwezige laarzen naar beneden. Anderen pakken dekens en kleeren bij elkaar. De onderluitenant gaat naar boven en vernietigt op de teekenkamer de Engelsche opschriften en andere papieren, want als de moffen voor het vertrek nog een onderzoek komen instellen, zal dit slachtoffers kosten. Daarna pakt ook hij zijn dekens en enkele uniformstukken in, grijpt zijn tasch en snelt naar beneden. De commandant houdt raad met zijn mannen. Men besluit in optocht de garage uit te rijden, de richtingaanwijzers naar links in de richting Kleef te zetten en dan rechts af te slaan en trachten bij de geallieerde bondgenooten te komen. Het zal een waagstuk zijn maar er moet vlug besloten worden.

De onderluitenant Huls, die ook boven de garage woont, helpt zijn vrouw met de kinderwagen en het kindje door een bovenraam aan de achterzijde naar beneden, die moeten ook mee. De buren komen smeken om ook mee te mogen gaan. Waarheen doet er niet toe, als ze de hel maar kunnen verlaten. Enkelen kunnen op de voertuigen plaats nemen, maar velen moeten teleurgesteld worden. De commandant gaat zijn vrouw en zoontje halen, die in de nabijheid in een woning ondergebracht zijn.

De autospuit 1 zal voorop rijden. Dan de autospuit 3, vervolgens de commandant met de commandowagen. Dan de autoladderwagen, daarachter de autospuit 4 en tenslotte nog een ladderwagen.

Vlug mannen, vlug! De tijd dringt. De moffen dreigen meer en meer.

De motoren ronken; allen zitten met bleeke strakke gezichten op hun plaatsen. Rijden! klinkt het bevel. De eerste autospuit, waarop ook Huls met vrouw en kind zijn gezeten, rijdt de garage uit. O, noodlot, een Duitscher springt op de treeplank en geeft de richting aan. De wagen moet naar links, richting Kleef. Voor de garage loopen de Duitschers met de mitrailleurs. De andere voertuigen volgen, doch gaan pijlsnel naar rechts door de v.d. Brugghenstraat, de Oranjesingel overstekend. Men klemt de tanden op elkaar, elk oogenblik een kogel verwachtend. God red ons hierdoor en zoo wij moeten sterven, wees dan onze zielen genadig.
De colonne stuift over de Daalsche weg [Daalseweg] en zwenkt de Fort Kijk in de Potstraat in. Het schijnt te lukken. Bij de Hoofdpost Luchtbeschermingsdienst aan de Fagelstraat moet even worden gestopt, want daar vertoeft de Adjunct Cappers, die moet mee. Het duurt slechts een oogenblik. De Adjunct springt in de commandowagen en voort gaat het weer. Er is nog niet geschoten. De moffen hadden het blijkbaar te druk met andere dingen of de bedoeling met de brandweer waren hun niet bekend. Intusschen was de St. Annastraat bereikt, en nu als de drommel naar het Zuiden. Hier en daar ligt een boom dwars over den weg en moet door zijstraten worden om gereden.

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

20.
 

Een kilometer of vijf buiten de stad zit de colonne eensklaps tusschen de Amerikaansche patrouilles. De hemel zij gedankt. Er wordt nu voorzichtig gereden om bij de Amerikanen geen argwaan te wekken. De commandant vraagt hun waar men zich veilig kan stellen. De Scheidingsweg af en naar het groote klooster, genaamd "Nebo", daar is het Amerikaansche Hoofdkwartier. Hier en daar gaat een groepje Duitsche krijgsgevangenen, begeleid door enkele zingende en fluitende Amerikaansche soldaten. Wat een ongewoon, maar verrukkelijk gezicht is dat. Tegen schemerdonker komt de stoet op de "Nebo" aan. Men wordt er door den bevelhebber vriendelijk en gastvrij ontvangen. Men is veilig en blij, hoewel nu de zorg voor eigen huisgenooten, die men had moeten achterlaten, begint te drukken. Wat zal er van hen worden. Men kan slechts afwachten, hopen en bidden.

In het groote klooster is plaats genoeg. Matrassen worden op den vloer gelegd op een groote zaal, die nog kort geleden als cantine voor Duitsche militairen had dienst gedaan, getuige de opschriften en muurschilderingen. Trouwens in het geheele enorme gebouw zijn nog overal de sporen te vinden van beestachtige bachanalen, die door de moffen zijn gehouden. In hun overhaaste vlucht hebben zij zeer veel achter moeten laten, zij het in de grootste wanorde. Beddengoed, kleeding, munitie, handgranaten, boeken, tijdschriften, landkaarten, administratiepapier, pennen, potlooden, sigaren, flesschen met cognac, wijn, jenever, correspondentie, enz. Het uitgestrekte park bij het gebouw getuigt nog van de hevige gevechten, die hier zijn geleverd. Duizenden patroonhulzen liggen als gezaaid.

Dezen avond, na een toespraak van den Amerikaanschen commandant van het Hoofdkwartier tot de brandweerlieden gehouden, waarin hij hun in de Duitsche taal de consignes bekend maakt, waaraan zij zich hebben te houden, valt de geheele brandweerbemanning op de op den grond gespreide matrassen neer zonder de lederen jassen en laarzen uit te trekken. Het geschut dondert onophoudelijk en al bereikt hun het bericht, dat de stad Nijmegen weer geheel in Duitsche handen is, waardoor veler teleurstelling diep is en de gedachte aan de huisgenooten hen met zorg vervult, vallen zij toch als versuft in slaap, doch niet dan nadat enkele diepe halen aan een Amerikaansche sigaret zijn gedaan, waarmee aan een zooveel jaren ontbeerd genot is voldaan. Een dag, waarin zooveel is gebeurd, dat het wel lijkt, of het begin daarvan in een oneindig ver verleden is gelegen, is ten einde.


De komende dagen, wanneer de stad nog niet geheel van de Duitschers is gezuiverd, die zich n.l. op het enorm versterkte "Valkhof" hebben verschanscht, kan de brandweer ook nog niet daarheen gaan. Deze tijd wordt echter benut met het verrichten van diensten voor de Amerikanen. De brandweerlieden krijgen een geweer in de handen gedrukt en bewaken Duitsche krijgsgevangenen en N.S.B.ers, die onder hun toezicht werkzaamheden moeten verrichten als schrobben, dweilen, toiletten schoonmaken, water dragen, vloeren aanvegen enz. Sommigen doen dienst als gids in den omtrek of halen levensmiddelen bij de boeren in den omtrek. In de keuken van de Amerikanen wordt alles gekookt. Varkens worden geslacht door een brandweerman die vroeger slager is geweest en alles gaat in de gemeenschappelijke pot.

Langzamerhand wordt ook de toestand in de stad beter. De groote verkeersbrug over de Waal is behouden gebleven, dankzij het bewonderenswaardige optreden van partisanen, die de springlading onschadelijk hebben gemaakt. Na verloop van enkele dagen wordt ook het Valkhof op den vijand veroverd, zij het met veel moeite door het besluipen en met handgranaten bewerken van dit als onneembaar geachte bastion. De gebouwen, die er rondom heen hebben gestaan, zijn tot puin geschoten.

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

21.


Doorloopend blijft echter het Duitsche granaatvuur op de stad liggen en ook vanuit de lucht wordt deze telkens bestookt zoodat het leven binnen Nijmegen geen pretje is. Bijna de geheele binnenstad ligt in puin en in de buitenwijken is bijna geen huis onbeschadigd.

Velen van de brandweerlieden weten niet waar hun vrouwen en kinderen zich bevinden, ook de onderluitenant niet, doch na dagen verneemt hij middels een boodschapper, die voor hem een onderzoek heeft ingesteld, dat ze, zoodra de granaten overal in de stad begonnen in te slaan, gevlucht zijn van de van Nispenstraat naar de Javastraat en aldaar bij hun huisdokter liefderijk zijn op genomen. De Javastraat was n.l. in het gebied gelegen, dat mede het eerste was bevrijd. Zoodra hij kan, gaat hij naar dit adres om de zijnen te zoeken, doch daar aangekomen, wordt hem gezegd, dat ze weer naar hun eigen huis zijn gegaan. Dus dan daarheen. Het gevaar was daar echter nog zoo groot geweest, dat ze weer de wijk hadden moeten nemen. Van een der buren, die hij in de straat aantrof, vernam hij, dat ze naar de Weesinrichting te Neerbosch waren gegaan, alwaar een neef woonde, bij wien ze zouden probeeren te kunnen verblijven. Dan daar maar weer heen en ja, het was zoo. Dus eindelijk gevonden.

De onderluitenant moet voorloopig nog op de Nebo blijven, doch kan zoo nu en dan de zijnen bezoeken. Zoo gaat het meerdere brandweerlieden, zoo langzamerhand vinden ze de hunnen weer terug.

Het blusschingswerk in de stad moet nu ook weer een aanvang nemen. Menig gevaarvol karwei zal nog te doen zijn. Telkens vallen nog bommem en veroorzaken evenals sommige granaattreffers verschillende branden.

Soms gaan er dagen voorbij, dat men telkens veiligheid moet zoeken in de kelders van de Nebo, als Duitsche vliegtuigen over het gebouw scheeren en het afweergeschut dondert. Als er weinig te blusschen is, heeft men tijd om het motormateriaal van de Amerikanen te bewonderen, de tallooze jeeps en de gevechtswagens. Deze Amerikanen behooren allen tot de luchtlandingstroepen en ook het motormaterieel is per vliegtuig gearriveerd, n.l. op sleeptouw genomen in zweefvliegtuigen, waarvan er tallooze op de velden in de omgeving liggen. Na een paar dagen verschijnt de hoofdmacht vanuit het Zuiden. Wat doet het goed de eerste Engelschen te mogen begroeten en wat een geweldig motormaterieel. De enorme tanks, duizenden vrachtauto’s van allerlei type, doch allen een vijfpuntige witte ster als kenteeken. De wegen en terreinen zien er uit als omgeploegd. Alles moet hiervoor zwichten. Zulk een enorme macht is nog nimmer aanschouwd. Hiervoor zal de mof moeten zwichten; weldra zal Nederland dus bevrijd zijn.

Helaas, het zal nog langer duren, nog veel offers zal het kosten, wat al angsten zullen nog doorstaan moeten worden. Doch daar weet men nu nog niets van en de hoop op een spoedig, gunstig verloop is nog algemeen.

Wat zou er geworden zijn van de eerste autospuit, die richting Duitschland is vertrokken? Op de Nebo maakt men zich hier wel over ongerust, doch dit behoeft niet lang te duren. Na verloop van eenige dagen komt hij opdagen en de bemanning wordt met gejuich ontvangen. Zij hadden geluk gehad. Op de Voerweg was de mof van de wagen gesprongen, na den chauffeur naar de richting Kleef hebben verwezen. Men was echter zoo wijs geweest hier natuurlijk geen gevolg aan te geven. Men sloeg de weg naar de Ooijpolder in. In deze polder waren ze eenige dagen ondergedoken. Eerst op een boerderij, daarna in een oude steenfabriek in de buurt van Erlekom [Erlecom]. Vele wederwaardigheden waren beleefd en vele gevaren waren doorstaan, doch nu waren Huls met zijn mannen en ook zijn vrouw en kind weer te midden van het

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

22.


geheele brandweercorps en zoodoende was nu ook het geheele bluschmateriaal voor de gemeente Nijmegen behouden gebleven. Het is zeker de verdienste van commandant Roelofsen, dat door zijn toedoen de brandveiligheid van de stad op peil gebleven is, zoodat hierop de hulpverleening aan de andere Nederlandsche gebieden kon worden opgebouwd.

Van het leven op de Nebo zou nog veel te vertellen zijn, doch de schrijver moet verder, ook moet hij bekorten, temeer, daar dit geschrift moet ontstaan, tusschen andere noodzakelijke en drukke werkzaamheden door. Bovendien ontbreekt ook wel eens de lust, want ernstige zorgen kwellen. De strijd in Holland schiet n.l. niet op. De verwachting, dat de geheele bevrijding spoedig zal zijn voltrokken, blijkt ijdel. De geallieerden blijven ten Zuiden van de groote rivieren steken. De zorg over de familieleden en vrienden in het nog bezette deel van het vaderland klemt meer en meer. In het bevrijde deel is de voedselpositie zeer bevredigend, doch uit het Westen en Noorden komen daaromtrent onrustbarende berichten. Met den dag worden de noodkreten dienaangaande ernstiger. De grootste helft van ons volk wordt met den hongerdood bedreigd. Waar haalt men de levenslust vandaan, als het harte bloedt bij de wetenschap, dat geliefden, misschien met gebroken oogen, zooals de radioberichten luiden, smachtend tevergeefs naar redding uitzien en de wanhoop nabij zijn? Maar toch, men moet verder, al dreigt de dood dan nog ieder uur van den dag.

De Nebo ligt te ver van de stad. De commandant van de brandweer heeft dus naar een ander kwartier omgezien en vindt dat in de Swift-schoenfabriek aan de Muntweg, nog juist gelegen even buiten de meest gevaarlijke zone.

De voertuigen worden ondergebracht in een ongebruikt fabrieksgebouw tegen de Swiftschoenfabriek aangebouwd. Dit ongebruikte fabrieksgebouw is genaamd de "Drija".

Het leven op de Drija is in de eerste tijd en een echt ruw en primitief soort zigeunerleven. In de groote kelder van de centrale verwarming worden de slaapplaatsen ingericht, meest matrassen zoo op de grond. Een gedeelte van den kelder is ingericht voor burgers, zoowel mannen, vrouwen als kinderen, die aldaar slapen, omdat ze thuis geen kelders hebben, die eenige dekking bieden voor de granaten. Sommige gezinnen leven hier al weken, dag en nacht, komen nimmer uit de kleeren en voeden zich zo’n beetje met den afval van de Amerikaansche en Engelsche keukens. Direct moet hier gezegd, dat deze afval dikwijls uit kostelijke en voedzame spijzen bestaat, zooals deze menschen in geen jaren hebben genoten.

Sommige brandweerlieden hebben hier ook hun gezinnen heen gehaald, o.a. leeft hier nu ook de onderluitenant Huls met zijn gezin.

De commandant Roelofsen, wiens woning in de Museum Kamstraat ook zoodanig is getroffen, dat deze onbewoonbaar is geworden, heeft hier ook nog enkele dagen vrouw en zoontje bij zich, doch brengt deze later naar de Weesinrichting te Neerbosch.
Des avonds gaat het in den kelder soms vroolijk toe. Een harmonica drenst volksdeunen en geallieerde militairen zetten zich tusschen de brandweerlieden en deelen chocolade, kauwgum en sigaretten uit. Vrouwen uit het volk staan er lachend met over elkaar geslagen armen bij, terwijl de kinderen joelend heen en weer rennen. De humor viert hoogtij. Het gezang en gelach overstemt het voortdurend gedonder van het geschut.

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

23.


De vijand is slechts enkele kilometers van deze plaats verwijderd en laat niet af, met allerlei projectielen dit voorname strategische punt te bestoken.
Na tien uur moet volgens de regels de rust in den kelder intreden. Sommigen blijven nog wat napraten. De onderluitenant v. Mameren slaapt eveneens in dit asyl op drie stoelen, n.l. twee fauteuils, waarvan er een door een blok onder de voorpooten achterover is gezet en midden hier tusschen in nog een stoel zonder leuning, de lederen jas opgerold als kussen in den rug en een drietal dekens over zich heen, de laarzen aan de voeten en de kwartiermuts op het hoofd. Naast hem staat een electrisch comfoortje, waarop 's nachts vaders en moeders fleschjes komen warmen voor hun respectieve zuigelingen. Soms komt er brandalarm en daardoor de heele kelderbevolking in rep en roer. Als het weer stil is in den kelder hoort men buiten hoog in de lucht de granaten fluiten en direct daarop ergens met een harde knal inslaan.


Alarm! Op het Marienburg zijn twee legerwagens met munitie door een granaat getroffen en in brand geraakt. De autospuit snelt vanaf de Drija naar dit geval, via de St. Annastraat. Op de Oranjesingel gekomen, zien de mannen, dat militairen dekking zoeken achter tallooze legerwagens. Knallen weerklinken. Projectielen suizen vanaf het Marienburg over de huizen. Een komt er vlak bij de autospuit op de Oranjesingel terecht. Van hieruit rechtstreeks naar den brand gaan, is onmogelijk. Omrijden over Burchtstraat en Groote Markt [Grote Markt] om zoo van de andere zijde, gedekt door hoge huizen, het Marienburg te bereiken. Dit gebeurt. Aangekomen blijkt, dat de groote bankgebouwen ter weerszijden van het versmalde gedeelte van het Marienburg in brand staan. Daar tusschen liggen twee wrakken van legerauto’s te branden, te ploffen en te knallen. Het lijken een soort van pantserwagens te zijn. Maar wat is dat? Er wordt reeds gebluscht. Dat moeten de mannen zijn van de nevenpost Hees, die ook gewaarschuwd waren. Ja, de groepscommandant en zijn mannen staan hier te midden van de springende projectielen hun waterstralen op den brand te richten en spuiten en blusschen, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Dat inspireert de nieuw aangekomenen, die nu ijlings ook gaan afleggen. De onderluitenant laat den brand van de andere zijde aanpakken, laat slangen over de daken uitleggen en sluit de hooge brandende perceelen zooveel mogelijk in. Vervolgens stelt hij een onderzoek in de nabij gelegen perceelen in. In de woningen dichtbij de brandende legerwagens vindt hij de slachtoffers van de ingeslagen projectielen, enkelen dood, getroffen tijdens hun poging tot ontvluchten.

Het wordt donker, maar hoog laaien nog de vlammen op. Het ergste is, dat het vuur door den vijand gebruikt wordt als doelwit. De granaten beginnen weer te fluiten. De commandant schijnt met de chefs van de Engelsche legerbrandweer, (the Army Fire Service), te overleggen, wat er verder gebeuren moet. De brandweerlieden werken echter maar steeds door.

Dan komt een ordonnans bij den onderluitenant en zegt: "Afsluiten". Wie heeft dat bevel gegeven? De ordonnans leek zenuwachtig en is al weer verdwenen. Maar als ik nu ga afsluiten, denkt de onderluitenant, dan gaat dit pand verloren; nog maar doorspuiten dus. Dan plotseling een scherp fluitsignaal van den commandant, terwijl als een noodkreet weerklinkt het geroep: Terug! Terug!

Wat zou er aan de hand zijn? Men kan niet weten. Misschien is er een ontploffing of iets dergelijks te vreezen.

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

24.


Jongens terug, laat alles in de steek. Men klimt af en sluipt langs de gevels. Onophoudelijk granaatgefluit, gevolgd door inslagen. Zou dat misschien het gevaar zijn? Zou de commandant meer weten? De mannen kunnen slechts gissen. De onderluit zegt: "Wij gaan kijken aan de andere zijde, wat men daar doet". Wij zoeken de spuit van de nevenwacht Hees op, misschien weten die meer.

Voorzichtig verder gaand, dicht onder de huizen, naar de Tweede Walstraat, waar Hees stond te werken. Daar aangekomen, ziet men alles verlaten. De autospuit is weg; de slangen liggen er nog en de standpijp staat nog aangesloten op de brandkraan, als in overhaaste vlucht achtergelaten. De commandowagen verdwenen, geen sterveling meer te zien. De onderluitenant zegt tegen den onderbrandmeester Peters: "Als de drommel, ga afkoppelen, mannen verzamelen en ook inrukken, zoo gauw mogelijk". Hijzelf schroeft de standpijp van post Hees los, verzamelt nog wat materieel bijeen om mee te nemen. Na korten tijd verschijnt de autospuit; alles inladen en in vliegende vaart naar de Hoofdpost terug. Daar kwam men te weten, wat de oorzaak was van de vlucht. De teekenen wezen er op, dat er een hevig geschutvuur op de stad werd verwacht, waarom het raadzaam werd geacht, te retireeren. Door de onduidelijkheid en de geagiteerdheid was de schrik er in gekomen, waardoor een en ander wel wat overhaast in zijn werk was gegaan.

In den nacht kwam er bericht, dat de brand op het Marienburg weer ernstige vormen ging aannemen en blussching zeer gewenscht was. De onderluit zegt: "Nu, we zullen het maar weer probeeren". Ze gaan; Klaassens is chauffeur. Weer op de Oranjesingel aangekomen en de v.d. Brugghenstraat inzwenkend, dus in de nabijheid van den brand, springen de granaten rondom de autospuit uit elkaar. Stop! Stop! Niet verder! De wagen staat stil. Allen springen er uit en vallen op hun buik onder het voertuig. Onophoudelijk granaten: pats, boem, dicht in de nabijheid. Hier blijven zal de dood betekenen. "Opstijgen" beveelt de onderluit. "Het kan niet onderluit", zegt Klaassens. "Wat drommel, vooruit". Zwijgend klimmen de mannen op het voertuig, Klaassens achter het stuur. Nog zit deze onbewegelijk. De onderluit schudt hem ruw bij den schouder en schreeuwt hem in het oor: "Gas! Rijden! Vooruit! Daar schiet de wagen vooruit, weer terug naar de hoofdpost, zoo hard hij kan weg uit deze hel.

Op de hoofdpost aangekomen, bedanken de mannen den onderluitenant; zij drukken hem de hand. Als we daar gebleven waren, was het onze dood geweest. Zoodra het vuur luwt, zullen zij het weer probeeren.


In den nacht van Maandag 2 October op Dinsdag 3 October 1944 komen Duitsche vliegtuigen boven de stad. Lichtkogels worden uitgeworpen. Het afweergeschut komt in actie. Het lijkt alles een reusachtig vuurwerk. Een huiveringwekkend gezicht. Bominslagen worden echter niet vernomen. Het duurt echter niet lang of een roode gloed verschijnt boven de stad. De Duitschers hebben brandbommem uitgeworpen. Weldra komt op de brandweerpost op de Drija het bericht binnen: Groote branden in de Oranjestraat [Volksbelang I], Dominicanenstraat, St. Geertruidastraat [St. Geertruidestraat] en van Nispenstraat.

De onderluitenant v. Mameren spitst zijn ooren. In de van Nispenstraat? Daar is zijn woning gelegen. Hij heeft vannacht niet de eerste uitruk, maar natuurlijk gaat hij nu toch mee, ditmaal met de transportwagen. De andere chefs hebben de bluschdienst dezen nacht, zoodat hij zich nu veroorloven kan, eerst aandacht aan zijn woning te schenken. Hoe is het zoo wonderlijk beschikt.

De v. Nispenstraat staat aan beide einden in lichte laaie; ongeveer in ’t midden is de woning van v. Mameren gelegen.

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

25.


Dit middengedeelte brandt nog niet. Eerst kijken of de menschen die hier in de kelders blijven wonen, gered moeten worden. Een onderzoek in de huizen wijst uit, dat alle bewoners reeds gevlucht zijn. De vrijwillige brandweer is hier overal reeds aan het blusschen. Het grootste deel van de inboedels ligt op de straat, door het publiek uit de huizen gesleept. Ook het grootste deel van het meubilair en kleeding van den onderluitenant ligt op den weg en op het tegenover de huizen gelegen schoolplein.

De planken, die voor de door oorlogshandelingen gebroken ruiten waren gespijkerd, zijn er afgetrapt. Het paneel van de deur is er uit geslagen. Opper van Schendel, die den onderluitenant vergezelt, helpt mede om de nog in huis aanwezige dekens en kleeding van de bedden en uit de kasten te grijpen, in gordijnen en kleeden te knopen en op de transportwagen te werpen. Nu alles vlug naar de Weesinrichting te Neerbosch, waar het gezin geëvacueerd is, weggebracht, doch niet dan nadat zij zich overtuigd hebben, dat het blusschingswerk marcheert.

In de St. Geertruidastraat [St. Geertruidestraat] brandt het overal, o.a. ook de woning van de onderbrandmeester Peters. Evenzoo is het in de evenwijdig aan de v. Nispenstraat gelegen Dominicanenstraat.

Intusschen beginnen de granaten weer te fluiten, als het ware aangelokt door den vuurgloed. Opper Pfann komt met de autospuit in de van Nispenstraat ter assistentie. In de Dominicanenstraat staan een paar motorspuiten van de hulpbrandweer. Samen met de vrijwillige brandweer een respectabele macht. Mogelijk kunnen nog enkele panden worden behouden. In de iets verder gelegen Oranjestraat [Volksbelang I] werkt de onderluitenant Huls met een andere motorspuit. Het granaatvuur wordt echter steeds heviger. Hierdoor worden vele brandwachts die reeds uren hebben gezwoegd, moedeloos. Van Mameren en van Schendel, teruggekeerd zijnde, probeeren den moed er in te houden, doch als het vuur voor het grootste deel is gedoofd, komt er een algemeene inzinking bij de manschappen. Te moe van het sjouwen, het gevaar te groot. De nablussching wordt dus bekort en men rukt in. Alzoo geschiedt ook in de Oranjestraat [Volksbelang I].

In de hoofdpost aangekomen, vallen de mannen als afgesloofde wrakken op hun matrassen en slapen, slapen, dat het lijkt alsof een stel bewusteloozen op den keldervloer niet zijn neergelegd, maar neergesmeten.

Dan bij 't krieken van de morgenstond stormt de opperluitenant Denink van de Hoofdinspectie den kelder binnen en schreeuwt met overgeslagen stem: "Waar is nu de Nijmeegsche brandweer? Ha, kijk, daar liggen ze, de snertkerels. Kijk ze slapen. Ja, slapen, dat kunnen ze. Jullie hier liggen te snurken en de stad laten branden, hè, een fijne boel. Er uit! De Oranjestraat [Volksbelang I] staat weer in brand!" De onderluitenant v. Mameren begrijpt; hij had het al gevreesd. De nablussching verwaarloosd, de brand weer opgelaaid. Hij spreekt met den opperluit en vertelt van de algemeene depressie, die over de mannen gekomen is. De opperluit komt tot bedaren en zegt: "Nu mannen luister, jullie zult toch niet willen, dat ginds de boel afbrandt, terwijl je hier ligt te slapen. Wie een kerel wil zijn, stelt zich nu ook weer beschikbaar en gaat mee". Een dof gebrom is het antwoord; niemand maakt nog aanstalten om op te staan. De onderluit helpt mee, de mannen te overreden. De stemming is niet van dien aard, dat het raadzaam is om te bevelen. "Nu, wie stelt zich beschikbaar? Wie gaat er met mij mee? Je eer staat hier op 't spel". Nog weinig beweging. Dan springt de zestigjarige hulpbrandwacht Puts overeind en roept: "Als dan niemand wil, zal ik als oude man alleen wel meegaan". Hij springt over de anderen heen en snelt de trap op. Wat woorden niet hebben kunnen uitrichten, wordt door dit gebaar van Puts teweeggebracht. Terstond springen ook de jongere mannen overeind en in een oogwenk zijn allen gereed en is de motorspuit bezet.

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

26.


Andermaal rukt de onderluitenant v. Mameren met de mannen uit, nu naar de Oranjestraat [Volksbelang I]. Het blijkt inderdaad noodig. De granaten suizen nog, maar als den dag aan den hemel gekomen is, is ook de brand tot het laatste vonkje gedoofd. Weer verschijnt de opperluit Denink ten tooneele, doch nu met een borrel en een nieuwe overall voor iedere man, benevens een prijzend woord. Dit is de eerste en de laatste keer geweest, dat de brandweer den moed dreigde te verliezen. Ineens waren de mannen over het zwakke punt heen.

"Jongens", zegt de onderluit, "We gaan nu even kijken, hoe het met mijn huis in de v. Nispenstraat is afgeloopen". Aldaar aangekomen blijkt, dat zijn woning te midden van een zestal andere panden behouden is gebleven, wonderlijk. Nu vlug met zijn allen het meubilair van de straat bij elkaar gezocht en in hun huis opgeborgen. De deur en de ramen dichtgespijkerd en weer naar de hoofdpost.


De mannen van de hulpbrandweer van de post Albertinum aan den Driehuizerweg voelen zich niet veilig op deze plaats. Ze hebben een gelegenheid gevonden op den Graafschen weg [Graafseweg]. Nu komen ze vragen of het goed is, om daar met hun motorspuit zich te gaan stationeeren.
De onderluit staat het toe, aangezien de commandant niet aanwezig is. Mocht deze later anders beslissen dan moeten ze daar natuurlijk gevolg aan geven.

Dus ze hangen de motorspuit achter hun autotrekker, laden hun spullen in en rijden gezamenlijk naar den Graafschen weg [Graafseweg]. Meteen dat ze den ingang van hun nieuwe post inzwenken, komt er een granaat aanfluiten en slaat vlak voor den auto in den grond. De ook in den auto gezeten hulpbrandwacht Haks wordt door een granaatscherf getroffen en gedood. O, wonderlijke samenloop, men dacht zich te beveiligen en loopt daardoor den dood in de armen. Weer een collega verloren. De dienst, de hulpverleening en het leven gaan verder.


De wachtmeester Wesker is met de auto onderweg om eenige zaken te gaan afhandelen. Weer een granaat vlak langs de wagen en Wesker wordt door scherven ernstig aan een been verwond, waardoor hij in het ziekenhuis terecht komt en maandenlang buiten dienst is.


Vlak naast de nevenpost te Hees komt een brandend vliegtuig op een huis terecht. Een donderend geraas, een vreeselijke klap, dan hoog oplaaiende vlammen. De brandweerlieden van deze post moeten vechten om het vuur te keeren. Ze weten den brand tot het getroffen pand te beperken. De brandweerpost bleef behouden.


De onderluitenant Huls heeft met zijn gezin in de woning van wachtmeester Rengers zijn intrek genomen. Tijdens den middagmaaltijd, als beide gezinnen om de tafel zijn gezeten, plotseling een knal. Alles ondersteboven, alles onder het stof, 't eerste moment niets te zien door 't stof. Een granaat ingeslagen in de kamer. Wonderlijk, allen zijn ongedeerd. Maar Huls en Rengers nemen weer intrek in den kelder bij de brandweer. Zeer begrijpelijk.

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

27.
 

De commandant Roelofsen, die enkele jaren, eerst te Delft en later te Nijmegen onder de Duitsche bezetting had moeten werken, blijkbaar tot zooveel tevredenheid, dat hij eerst tot kapitein en later tot majoor werd bevorderd, wordt op 5 October 1944 in zijn functie gestaakt, zulks op last van het nu te Brussel zetelende Ned. Militair Gezag. Deze staking van de uitoefening van zijn ambt, wil niet zeggen, dat hij is ontslagen, doch zijn houding als oprecht Nederlander zal worden onderzocht.

Op Zaterdag 7 October 1944 aanvaardt de Heer Peijster, tot nu toe opperluitenant bij de Hoofdinspectie, het waarnemend commando over de Nijmeegsche brandweer. Gelijk met hem worden de Heeren Ir. Werker en de vaandrig Hoeksema, eveneens van de inspectie bij het Nijmeegsche brandweercorps gedetacheerd.

Het corps zal bestemd worden om straks, wanneer het overige deel van Nederland zal worden bevrijd, aldaar onmiddellijk brandweer hulp te verleenen. het is n.l. zeer waarschijnlijk, dat de Duitschers overal het brandweermotormateriaal hebben weggevoerd of wel vernietigd, terwijl het personeel op vele plaatsen zal zijn gevangen genomen of ondergedoken.

Om straks in staat te zijn, voldoende hulp te kunnen verleenen, wordt het Nijmeegsche corps nu uitgebreid tot ongeveer driehonderd man, terwijl het materieel zal worden aangevuld met een groot aantal door de Ned. regeering in Engeland aangekochte motorspuiten.

De oude betiteling van het personeel wordt weer ingevoerd. De wachtmeesters worden nu brandwachts genoemd, een opperwachtmeester krijgt den naam van hoofdbrandwacht, terwijl de hoofdwachtmeesters onderbrandmeester worden genoemd of kortweg O.B. Een onderluitenant krijgt den naam van brandmeester en een luitenant, adjunct-hoofdbrandmeester. Daarboven staat de Commandant.

Het nieuwe personeel, dat uit den aard der zaak uit allerhande soort van menschen bestaat, zal door de bestaande beroepskern worden opgeleid tot bruikbare brandweerlieden.

De brandmeesters v. Mameren en Huls worden in hoofdzaak met deze opleiding belast, het is echter zeer moeilijk, deze menschen begrip voor orde en discipline bij te brengen. Algemeen is men van meening dat, nu de Duitschers weg zijn, ieder maar kan leven, zooals hem dat zelf goeddunkt, maar langzamerhand wordt het hun duidelijk, dat zij zich aan orde en regel hebben te onderwerpen, hoewel men nog meermalen probeert, eens gegeven orders en bevelen te veronachtzamen, zoodat aanhoudende oplettendheid en controle van chefs en instructeurs geboden blijft.

Het moet echter gezegd, dat deze menschen zonder uitzondering onverschrokken hun best doen, als zij bij een brand moeten optreden. Het gelukt aan commandant Peijster het corps en het materieel in een apart gedeelte van het groote fabrieksgebouw onder te brengen en krijgt hier twee garages een werkplaats, en magazijn, slangendrogerij, kantoor voor de administratie, dienstvertrekken, slaapzalen en een cantine tot zijn beschikking. Het overige deel van het enorme gebouwencomplex wordt door onderdeelen van de groote geallieerde legers in gebruik genomen.

Telefoon en electrische lichtleiding worden aangelegd. De Duitschers hadden dit gebouw voorheen gebruikt als magazijn voor in Nederland geroofde goederen, van meest uiteenloopenden aard, inzonderheid alle soorten meubelen. In overleg met het geallieerde commando wordt een deel hiervan verkregen ten dienste van de brandweer.

Hoewel een en ander nog wel wat te wenschen overlaat, komt er langzamerhand toch weer orde in het geheele brandweerbedrijf. Er is veel reparatie aan materieel, doordat de laatste jaren geen nieuwe onderdeelen meer zijn te verkrijgen en dus veelal met lapmiddelen moet worden volstaan.

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

28.


De auto- en motorspuiten vereischen natuurlijk de meeste zorg, aangezien deze in de eerste plaats voortdurend op volle paraatheid moeten gereed staan. Van de vele personenauto's kunnen er echter meestal doorloopend slechts een paar voor gebruik geschikt worden gehouden, de overigen zijn doorloopend in reparatie. Aan auto's en motorspuiten beschikt men over meer dan vijftig vehikels, die weldra nog met tientallen Engelsche motorspuiten worden vermeerderd.

Het is verwonderlijk met welk een kalmte en gemak commandant Peijster die vele moeilijkheden weet te overwinnen of zoo ze niet overwonnen kunnen worden, langs anderen weg weet op te lossen. Op zijn initiatief wordt voor het personeel een commissie voor ontwikkeling en ontspanning in het leven geroepen onder voorzitterschap van den brandmeester v. Mameren. Capitein Ward van de Army Fire Service is een lastig en moeilijk te bevredigen man, doch de commandant weet het meestal zoo aan te leggen, dat onaangenaamheden worden vermeden.

Daarentegen is de verbindingsman tusschen Nederlandse brandweer en Army Fire Service, captain Wood een uiterst beminnelijk man, prettig om mee samen te werken.

Steeds meer personeel wordt aangenomen. Een mobiele colonne wordt in het leven geroepen en meer speciaal met het Engelsche materieel vertrouwd gemaakt. Deze zal straks in eerste instantie hulp in Noordelijk Nederland moeten verleenen, doch ook het overige deel van de brandweer zal zich als bluschcompagnie hierop in moeten stellen.

Met de rechtstreeksche leiding van de mobiele colonne wordt Ir. Werker belast. Opper v. Schendel, inmiddels tot Adjunct Hoofdbrandmeester bevorderd, zal dan het bevel krijgen over de bluschcompagnie.

Het geheele personeel wordt zooveel mogelijk van in depots te Breda nog aangetroffen uniformen voorzien. Afgezien van verschillende onvolkomenheden, als gevolg van de tijdsomstandigheden en moeilijke materiaalpositie, is het geheel toch in vrij behoorlijke ordelijke banen gekomen.
 

 

-----------------------------------------

 

Intusschen blijft de granatenregen op de stad voortduren. Nijmegen is en blijft frontstad. De menschen, die geëvacueerd zijn, durven zoodoende niet naar hun woningen terug te keeren en zij, die de stad niet hebben kunnen verlaten, moeten de nachten en het grootste deel van de dagen in hun kelders verblijven. Men snakt en zucht naar verlossing van dit altijd maar voortdurend gevaar. Telkens vallen op verschillende punten van de stad slachtoffers. Op den duur worden ook de enkele huizen, die nog onbeschadigd waren, getroffen.

Ieder oogenblik komen brandwachts een dag verlof vragen om thuis de boel in orde te maken, hun woning was door een granaat getroffen. Ook het huis van commandant Peijster gelegen aan den Berg en Dalschen weg [Berg en Dalseweg], wordt zelfs een paar maal zwaar gehavend, eenmaal door den dreun van een dicht in de nabijheid plaats grijpende explosie van een munitieopslagplaats. De commandant zelf wordt daarbij door een scherf in den rug getroffen doch gelukkig blijkt de verwonding niet van ernstigen aard te zijn.

Het huis van de hoofdbrandmeester van de vrijwillige brandweer den heer v. Broekhuizen op den hoek van de v. Nispenstraat en Daalsche weg [Daalseweg] wordt door een granaat gehavend. Trouwens in de v. Nispenstraat vallen meerdere granaten. Op het Schoolplein, bij de Keuringsdienst van Waren, de villa op den hoek van den Berg en Dalsche weg, waar laatstelijk de beruchte W.A. had gezeteld, doch nu natuurlijk verlaten, en vele andere plaatsen. Als door een wonder blijft het huis van den brandmeester v. Mameren in die straat voor verdere verwoesting gespaard.

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

29.
 

Meerdere malen moet deze brandmeester in die omgeving nog branden blusschen o.a. op de Bijleveldsingel in den nacht van 7 op 8 October 1944, waar enkele riante heerenhuizen in vlammen opgingen, doch waar door krachtdadig optreden nog het grootste deel van de buurt kon worden behouden.

Trouwens de granaatinslagen veroorzaken niet veel branden. Alleen wanneer tijdens de inslag een kachel brandde, ontstond brand. De Tooropstraat, Mesdagstraat, Broerdijk, de geheele omgeving boven aan de Berg en Dalsche weg scheen een bepaald doelwit voor de Duitsche artillerie te zijn, alsmede natuurlijk de bruggen over de rivier de Waal. Door de geallieerden was er nog een pontonbrug gelegd, ter hoogte van het oude veer. Aldaar werd eenmaal een legerauto getroffen en het geraakte in brand; vier militairen gedood. Onderbrandmeester Peters trad hier op en moest zich voor de blussching onder granaatvuur stellen. Zonder aan de anderen tekort te doen, dient toch even te worden vastgesteld, dat deze Toon Peters vele malen van de partij was, als er gevaar dreigde en zich bij de brandbestrijding in deze moeilijke dagen niet onbetuigd heeft gelaten. De woning op den Daalscheweg, die hij had betrokken na het verbranden van zijn huis in de St. Geertruidastraat [St. Geertruidestraat] werd ook weder door een granaat doorboord, waardoor hij het wenschelijk achtte met zijn vrouw wederom de wijk te nemen, ditmaal naar veiliger oord aan den Ouden Molenweg.

De Zondagen plachten altijd extra verrassingen te brengen, vooral als het mooi weer was. Dan kwam de Luftwaffe er nog een schepje opdoen, door hier en daar met bommen te gooien, met de vreeselijke uitwerking van dien.

Zoo ook op Zondag 29 October 1944. Het begon al vroeg. In de Zweersstraat [Sweersstraat] was een ijsfabriek en een groot aantal woningen getroffen. De ijsfabriek stond van voor tot achteren in brand. Overal gebroken glas en de venijnige scherven hadden talrijke slachtoffers gemaakt en panden beschadigd, zelfs uit de gevel van de hoofdpost L.B.D. in de nabijheid gelegen, waren stukken steen geslagen.
O, die gehavende gevels, straatsteenen, trottoirbanden, die zoo duidelijk spraken van de geweldige kracht van de verschrikkelijke projectielen, die de hardste steenen met bruut geweld kapot sloegen en een mensch deden huiveren, bij de gedachte, dat een enkele scherf, die zulk materiaal konden verpulveren, een menschelijk lichaam zonder noemenswaardige tegenstand zouden doorboren, welke huivering er niet minder op werd als men zo'n scherf in de hand nam en men de gekartelde en uitgevreten randen nader beschouwde.

De bekende brandweerlieden, meermalen in dit geschrift genoemd, moesten ook dezen dag hier in de Zweersstraat [Sweersstraat] weer optreden en waren tegen den middag den brand meester. De commandant was in zulke gevallen, zoo ook hier, ter plaatse aanwezig. Nauwelijks was men op de hoofdpost teruggekeerd en zou men zich aan den maaltijd begeven, of de vliegtuigen vertoonden zich weer. Een geweldige knal als een donderslag, vlak in de nabijheid. Men snelt naar het dak en ziet een groote rookzuil ter hoogte van den Dobbelmannweg, nauwelijks een kilometer van de hoofdpost verwijderd, ten hemel stijgen. "Laten wij ons maar vast gereed houden, mannen", werd er geroepen. Men grijpt jas en helm terwijl brandmeester v. Mameren tevens nog zijn tasch met boterhammen in de wagen slingert. Die boterhammen zal hij tijdens de blussching wel opeten. Dat zal te pas komen, dan behoeft hij niet met een leege maag te werken. Weldra wordt er alarm gegeven en onmiddellijk uitgerukt.

Op den Dobbelmannweg staat een klooster, dat tot hospitaal is ingericht. Achter het gebouw in den tuin, grenzend aan een begraafplaats, woedt een hevige brand. Talrijke auto's, volgeladen met benzine, levensmiddelen en andere legervoorraden, staan in

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

30.


lichte laaie; zwarte rookzuilen stijgen omhoog.

De Army Fire Service is gelijktijdig gearriveerd en betrekt het water van een brandkraan vlak voor het gebouw en voert de slangen door de voortuin naar de achtertuin. Het gebouw kan misschien behouden blijven. De brandmeester laat zijn spuit nu op een volgende brandkraan aansluiten en laat de slangen opzij van het gebouw door den tuin naar den brand uitloopen. Hemel, wat een toestand in dien tuin. Alles omgewoeld door de bominslagen. De stank van fel brandende rubberbanden wordt vermengd met den scherpen reuk van brandende lijken. Helmen en andere kleedingstukken hangen boven in de boomen en wat het afgrijselijkste aandoet is, dat de stukken van menschelijke lichamen over het terrein liggen verspreid. Ribbekasten, armen en beenen, half bekleed met stukken van sokken en sokophouders, menschelijke ingewanden tusschen modder en vuil. Het lijkt te bruut, dit alles te beschrijven; het was dan ook zoodanig, dat de schrijver van deze herinneringen dezen aanblik in den tijd, dat de gevaren nog zoo groot waren en overal dreigden, niet aan de openbaarmaking heeft prijsgegeven, teneinde de zenuwen van de frontstadbewoners te sparen. Doch nu de grootste dreigingen achter den rug zijn, zou hij niet volledig zijn, als hij deze verschrikkelijke schildering aan dit geschrift zou onthouden. Zij behoort noodwendig tot de vermelding van de indrukken van de brandweer opdat het ieder duidelijk wordt, in welke situatie en onder welke omstandigheden een brandweer in de vuurlinie soms moet werken.

De weeë flauwte, die een brandweerman onder zulk een aanblik dreigde te bevangen, moest worden overwonnen en de walging moest worden onderdrukt. Elke situatie moest het hoofd worden geboden, want er moest gewerkt worden en hard gewerkt.

Dreiging van vijandelijke vliegtuigen tijdens het blusschingswerk. "Jongens, maar even dekking zoeken in den kelder". Trouwens zij waren niet de eenigen die dekking zochten. Amerikaansche soldaten, overigens toch voor geen klein geruchtje vervaard, slopen langs de muren, angstvallig omhoog turend, den kelderingang zoekend. Als de brandweerman dat ziet, behoeft hij verder niets te vragen, want als de frontsoldaat zich in veiligheid gaat stellen, is het gevaar niet denkbeeldig. Gelukkig loopt het ditmaal zonder verdere ongelukken af.
Even later een sinister geratel door de lucht. Angstig omhoog staren. Wat is dit? Men weet het nog niet. Een vliegtuig is het niet, daarvoor is het geluid te vreemd. Het blijkt later, dat dit de eerste kennismaking met de vliegende bommen is geweest, het beruchte, lugubere V wapen, dat later op verschillende plaatsen zooveel ontzetting en vernieling zou veroorzaken.

Langzamerhand wordt de brand gedoofd en de hongerige brandweerlieden worden in het Amerikaansche kokhuis ruimschoots van wittebrood met kaas of cornedbeef voorzien. Een groot gedeelte van de half geblakerde bussen met levensmiddelen worden door het Amerikaansche commando ten behoeve van de geheele brandweer uitgedeeld. Het welkome geschenk wordt bij het inrukken naar de hoofdpost meegevoerd. Een welbestede dag is weer achter de rug.

Groote goedheid, wat een verkeer op de wegen. Wat een geweldig machtsvertoon. Onafzienbare colonnes van legerwagens van allerlei typen. Zelfs groote aantallen voertuigen in den vorm van schepen, die bestemd zijn om zoowel te water als te land zich voort te bewegen. Om de mof te overwinnen en te verdrijven moet elke hindernis overwonnen kunnen worden. De enorme krachtprestatie van heel Engeland met zijn dominions en gansch Amerika wordt in de weegschaal geworpen om deze ten gunste van de geallieerden te doen overslaan.

Nacht en dag hoort men het geratel van de machtige tanks op de wegen, die met hun rupsbanden het plaveisel van de straten omwoelen.

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

31.


De overigens toch sterke bruggen sidderen en buigen onder de enorme last, die over hun ruggen heen ratelt, en dat aanhoudend door. Die tanks zijn monsters van staal. Uit de geschuttorens steken dreigend de loopen van de kanonnen. Door de kijkgaten ziet men de gezichten van de overigens geheel in het staal schuilgaande bestuurders, terwijl boven uit de draaibare geschuttoren de zwart berookte en met olie en vet besmeerde koppen van de observeerders te zien zijn, dikwijls de oren bedekt met de gehoorapparaten om de draadloze seinen en bevelen op te vangen. Trouwens bijna alle voertuigen zijn voorzien van radio ontvangtoestellen. De lange, metalen, doch buigzame sprieten, dienst doende als antenne, steken boven de voertuigen uit.

Waar al die voertuigen zich heen bewegen? Niemand weet het; men gist slechts. Men hoopt op een doorbraak bij Arnhem of in de richting Kleef, van welke kant uit het z.g. Reichswald zooveel granaten op Nijmegen worden afgevuurd. Reeds maanden heeft men nu al deze ellende moeten doorstaan. Tenslotte wordt het een lijdelijk berusten in de omstandigheden.
Het geheele machtige beweeg van oorlogstuig blijkt een samentrekking te zijn, een opeenhooping van zooveel mogelijk oorlogstuig, om straks met zekere kans op succes de krachtige stoot naar het hart van Duitschland te kunnen doen.

De gansche stad wordt volgepropt. Nog nimmer is zooiets aanschouwd. Men houdt zijn hart vast, want als de vijand dit zou ontdekken, is het leed niet meer te overzien.

Het blijkt echter weldra, dat de kracht van de Duitsche Luftwaffe is gebroken en dat deze zich niet meer de weelde kan veroorloven, aanvallen op de verzamelplaatsen der geallieerden te gaan doen. Zij toch hebben in het Oosten een andere machtige kolos, Sovjet Rusland, te keeren. Gelukkig voor de frontstad Nijmegen. De brandweer moet enkele malen onder ernstig gevaar optreden als munitiewagens door granaatinslag in brand zijn geraakt. Eenmaal bij de Meisjes H.B.S. waren bijna slachtoffers gevallen, als de brandweerlieden bij een geweldige ontploffing niet achter de grondmuur van het hekwerk hadden gelegen.


In het laatst van November 1944 leek het of het gevaar voor Nijmegen eenigszins was geluwd. In ongeveer een week tijd waren er vrijwel geen granaten in de stad gevallen.

De brandmeester v. Mameren besloot daarom zijn gezin, dat nog steeds op de Weesinrichting Neerbosch vertoefde, nu al twee en een halve maand, weer naar hun woning in de stad te laten komen. De maatregelen daartoe werden genomen. Een vergunning om de Graafsche brug over de Maas en Waal kanaal te passeren wordt verkregen. Nauwelijks is het zoover, dat zij naar de stad zullen trekken, of ook in de omgeving van de v. Nispenstraat beginnen de granaten weer te vallen. De brandmeester verzoekt nu, om voorloopig met zijn gezin een der dienstvertrekken in de hoofdpost te mogen betrekken, hetgeen door den commandant wordt toegestaan.

De tijd, dat zij daar wonen, wordt door vrouw en dochters benut, zoo nu en dan naar hun huis te gaan om dit weer bewoonbaar te maken. Het is een primitief leven daar aan de hoofdpost, doch betrekkelijk veilig en overigens ook niet van gezelligheid ontbloot. Vriendschap wordt gesloten met Engelsche militairen vooral van de R.E.M.E. die ook hun kwartier in de aangrenzende gebouwen hebben en zoo nu en dan een uurtje in den familiekring doorbrengen.

Een St. Nicolaasfeest voor de brandweer wordt gehouden. De brandwacht Prinsenberg, groeps- en postcommandant van de nevenpost Hees, treedt op als St. Nicolaas.

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

32.


Bij die gelegenheid worden de mannen, die in de Septemberdagen in De Betouwstraat blusschingswerk hebben verricht, door een commissie uit de burgerij bij monde van Dr. Parmet gehuldigd, waarbij hun tevens een stoffelijk blijk van waardering wordt aangeboden.

De brandmeester organiseert met de commissie voor ontwikkeling en ontspanning in samenwerking met de Engelsche militairen van de R.E.M.E. een Kerstfeest voor een honderdtal kinderen van de brandweerlieden en schuilkelderbewoners, voor welke gelegenheid door de brandweermannen in hun vrijen tijd, zelfs des nachts honderden stuks speelgoed worden vervaardigd. De militairen zorgen voor de versnaperingen en onthalen de kinderen overvloedig op wittebrood, vruchtenvla, soep met vleesch, chocolade, vruchten en wat niet al. Een prachtige versierde kerstboom en een groote kerststal met kribbe, herdertjes, engelen en wat daar meer bij behoort, vervaardigd onder leiding van den ploegchef Reintjes, versierden de cantine.

Buiten bulderen onophoudelijk de kanonschoten, doch binnen klinken de kerstliederen, waarbij Annie v. Mameren dapper begeleidt. Meerdere ontspanningsavonden worden door O. en O. georganiseerd, waarbij altijd een warm medeleven en medewerking van den commandant en zijn familie wordt ondervonden, b.v. zijn dochter en zoon geven bij die gelegenheid meerdere malen ter opluistering een schermdemonstratie. De krachten, die optreden, komen bijkans allen uit het corps voort of bestaan uit familieleden van deze.

Uitbundige vreugde wordt, gezien de algemeene toestand, als ook de nood van de medelandgenooten in het nog bezette gebied, verre gehouden. Toch kenmerken zich deze avonden meestal door een prettige en gezellige sfeer en hebben tot doel, ontwikkeling bij te brengen en onderlinge saamhoorigheid te bevorderen.

Verschillende verkeerde begrippen, die nog onder de menschen schuilen, moeten eruit gewerkt, de vaderlandsliefde moet worden aangekweekt. Door de leiding wordt niets onbeproefd gelaten om tot dit gevarieerde doel te geraken.
Na zooveel jaren van oorlog en bezetting zijn de menschen uit het lood geslagen. Men heeft te lang gesaboteerd. Het begrip van mijn en dijn is door het gebrek aan allerlei te zeer vervaagd. In een corps van honderden personen van allerlei mentaliteit, kan dus de opvoedende factor niet worden verwaarloosd. Dit is terdege ingezien, en het moet gezegd, dat in dien geest de commissie van O. en O. verdienstelijk werk heeft verricht.

De vroolijke humoristische noot kan hierbij natuurlijk niet worden gemist. Toon Prinsenberg had o.a. met een groep brandweermannen en enkele dames een revue ingestudeerd, die enkele malen met groot succes is opgevoerd. Sprekende over O. en O. mag ook de kleine accordeoniste Beppy Goosen, een zusje van een brandweerman, niet worden vergeten. Zij was degene, die op lieftallige wijze aan bijkans al deze avonden haar medewerking verleende en zoo populair bij de Nijmeegsche brandweer is geworden, dat zij zeker nimmer zal worden vergeten.

In het vroege voorjaar van 1945 echter, als de dreiging op de stad nog steeds voortduurt en de zorg om de nood van de familieleden in het nog bezette gebied, waar men o, zooveel door honger en schrikbewind moet lijden, kan men er niet meer toe komen om avonden te organiseeren, die ook maar iets met feestelijkheid te maken hebben. Men wacht, men hoopt, maar toch, het duurt zoo lang. Wachter, wat is er van den nacht? De morgenstond is gekomen, maar nog is het nacht.

 

-----------------------------------

 

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

33.
 

Het is aardig volk, die Engelschen en Canadeezen, doch nogal nonchalant, met munitie, olie en benzine en stoken dat ze kunnen! Kampvuurtjes aanleggen, koken op installaties, een soort benzinevergassers, waarin blaasvlammen den heele dag razen en brommen. Allemaal op zich zelf niet zoo erg. Doch dat zij dit doen in achterhuizen van boerderijen, vol brandbare artikelen, in de nabijheid van hooibergen en strooopslagplaatsen, als ook op zolderkamertjes, is uit een oogpunt van brandveiligheid zeer te veroordeelen. Verschillende boerderijen gaan zoodoende in vlammen op, en dat nu, terwijl er toch al zooveel is verloren gegaan. De brandweer springt dus maar weer in de bres en tracht alsmaar te behouden wat er nog te behouden is.

Vooral over het Maas en Waal kanaal komt het nog al eens voor dat een boerderij het moet ontgelden. Op 17 Nov 1944 in de Winkelsteeg, op 24 Dec. aan de Nieuwstadsweg. Later nog een boerderijbrand vlak bij het kanaal, waarbij de brandmeester Huls door een vallend stuk hout zoodanig werd getroffen, dat hem dit een gescheurde longtop op leverde, en hij wekenlang in het ziekenhuis moest liggen.

Verder op 30 Dec. door bovengenoemde oorzaak een groote uitslaande brand in het koetshuis van het groote landgoed Heijendaal.

In den nacht van eerste op tweede Kerstdag een groote brand in de garage van Crommert aan de Groenestraat, waarbij vele munitieontploffingen plaats grepen, zoodat extra voorzichtigheid geboden was. De meeste dezer branden moesten bij vriezend weer worden gebluscht terwijl tevens een dikke sneeuwlaag wekenlang het rijden en ook het blusschingswerk zeer bemoeilijkte.

Al met al voor de brandweer een goede leerschool, het verkrijgen van routine en het leeren overwinnen van elke moeilijke situatie, wordt er zeer zeker mee in de hand gewerkt.

Kinderen vinden blikken met resten van benzine, gaan daarmee vuurtje stoken, explosies met de daaraan verbonden ongelukken blijven niet uit. Hierdoor en ook door het demonteeren van projectielen, patronen handgranaten landmijnen en meer dergelijk fraais dat in tuinen, boschjes en landwegen worden gevonden, worden meerdere malen slachtoffers gemaakt. Zoo worden maandenlang in deze stad slachtoffers geëischt en wordt het aantal ruines met den dag grooter, terwijl het einde maar niet in zicht komt. De bevrijding moet duur worden betaald.

Wat ziet die Hertogstraat er uit; nog maar enkele panden staan overeind en dan nog zwaar gehavend. Alleen de Twentsche Bank is nog voor een groot deel intact. De hoofdpost van de brandweer, die precies tegenover de Wilhelminalinde was gelegen, is totaal verdwenen. Alleen de garages ernaast met de daarbij behoorende bovenwoningen, waarvan in een ervan de brandmeester Huls heeft gewoond, staan nog met granaten doorboord overeind.

De riante heerenhuizen op de Batavierenweg op de rand van de hooge heuvelrug gelegen, zijn totaal verdwenen. De nog overgebleven steenbrokken zijn door groote tractors der Engelschen, voorzien van machtige schuivers, opgeruimd. Waar eens de woningen stonden is nu een groot vlak plateau gemaakt, dat dienst doet als opslagplaats voor allerlei oorlogsbenoodigdheden. Alle mogelijke denkbare en ondenkbare, bekende en nog nooit geziene machines, ploegen, kranen en dergelijke hebben de geallieerden bij zich. Bruggen en haveninstallaties, locomotieven, wagons, alles over zee aangevoerd. Vandaar dat in zoo korte tijd alle obstakels kunnen worden opgeruimd.

De groote oliebrand aan den Weurtschen weg [Weurtseweg] kan door militairen worden gebluscht, door het vuur eenvoudig door middel van een groote grondverschuiving in enkele minuten te begraven.

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

34.
 

Het is opmerkelijk dat de benedenstad met zijn vele havelooze, bouwvallige woningen, die in de hellende straten en gassen als het ware tegen elkander aanhangen en feitelijk reeds al jaren onbewoonbaar waren, in deze oorlogsdagen voor het grootste deel zijn gespaard gebleven. Wel zijn er vele granaten in terecht gekomen en is de bouwvalligheid door gebroken ruiten en gaten in de muren nog grooter geworden, doch, zooals gezegd, staan de meesten nog overeind en zijn nog bewoond.

Toch heeft hier op een nacht een ernstige brand gewoed, veroorzaakt door granaatinslag. Het was in den Krommen Elleboog [Kromme Elleboog]. De brandmeester v. Mameren rukt uit met ladderwagen en autospuit. De heer Wesker was ook van de partij. Hij had juist de nachtdienst en wilde zich dit buitenkansje niet laten ontgaan.

Snel werden de slangen uitgelegd aan weerskanten van den brand door de zijstraten. Op enkele armzalige woningen na stond de geheele Kromme Elleboog in brand. De heer Werker en twee brandwachts stonden op den hoek van de straat, toen plotseling met een donderend geraas een hooge muur instortte. Door snel terugspringen konden de heer Wesker en de brandwachts zich in veiligheid stellen. De brandmeester, dacht dat er weer een granaat was ingeslagen. Het is mogelijk, doch kan ook gebeurd zijn, dat de muur op een gegeven moment door het doorbranden van de daarin aangebrachte balken zijn steun had verloren.

Vlug werd het blusschingswerk voortgezet. De ladder werd op een beschutte plaats in een parallel loopende straat uitgedraaid, een slang naar boven gebracht en de brand daarmee ook van boven aangetast. De commandant, ter plaatse gekomen, constateerde, dat de brand was ingesloten, en kon zijn tevredenheid betuigen. Nog dagen lang moest hier nablussching worden verricht aangezien er veel brandbaar materiaal onder de stukken muur was terecht gekomen, en moeilijk kon worden bereikt. Er moest ook altijd voor worden gezorgd, dat er vooral des nachts geen vuur oplaaide, omdat dit allicht de aandacht van vijandelijke vliegtuigen zou kunnen trekken.

Zoo moest nu hier, dan daar worden opgetreden. Alles te vermelden zou eentonig worden, doch een feit is om de bijzonderheid van het geval toch nog vermeldenswaard. Een der groote gashouders van de gasfabriek bij het station gelegen was in reparatie. Op zekeren middag was er in die omgeving weer granatenregen. In den gashouder bevond zich waarschijnlijk een met lucht verdund gasmengsel. Of deze gashouder door een granaat werd getroffen of dat een blaasvlam, in gebruik bij de werklieden, de oorzaak was,weet niemand, doch plotseling ontstaat een geweldige explosie. Groote lappen ijzer van den houder vliegen door de lucht en komen verderop met enorm gekletter neer. Groote consternatie. Dooden en gewonden. De teer op de bodem van de put onder een gashouder staat in brand. Alarm! De brandweer rukt met groot materieel uit, doch het geheele geval was vrijwel gelijk met de explosie ook afgeloopen. Het vuur onder in de groote put was spoedig gebluscht. Aangezien het in deze omgeving door het vijandelijk vuur erg gevaarlijk bleef, rukte men zoo spoedig mogelijk in.


Meest in den avond en 's morgens vroeg komen de vliegende bommen, die verschrikkelijke en beruchte V. wapenen over Nijmegen ronken, meest van de richting N.O. en gaande naar Z.W. vermoedelijk op Antwerpen gericht. Soms houdt plotseling het ronken op. Men houdt zijn hart vast, want dan zal hij op aarde neerkomen. Soms neemt men dan in de verte een doffe klap waar. Soms bij Druten, soms in of bij een dorp over de Maas, komt dan zoo'n duivels monster zijn verwoestingen aanrichten.

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

35.
 

Eens op een morgen wordt Nijmegen door een V. bom getroffen. Achter de Biezenstraat komt hij in de tuintjes achter de huizen terecht. Een twintigtal panden in puin; zoo'n projectiel veroorzaakt zulk een luchtledige ruimte, dat alles in de omgeving daar naar toe wordt gezogen. De ruïne was verschrikkelijk. In de geheele omgeving zijn de pannen van de daken. Op grooten afstand zijn de muren van de woningen gescheurd en scheef getrokken. Een kerk in de nabijheid is zwaar beschadigd; vijf dooden zijn te betreuren. Dit geringe aantal was te danken aan de betrekkelijk gunstige val van het projectiel.

Toch wordt de situatie in de stad langzamerhand wat beter. Bij tusschenpoozen blijven de granaten weg. de menschen zijn getraind op het onderkennen van het geluid. Wel dondert onophoudelijk het geschut, doch dit noemt men "uitgaande post" d.w.z. dit wordt over de hoofden heen vanuit de stad naar den vijand afgezonden. Dit kon soms zoo zwaar zijn, dat muren trilden en de weinig overgebleven ruiten sprongen, doch het verontrustte niemand; men was er nu al gedurende een half jaar aan gewoon. Doch als men gefluit hoorde, gevolgd door een korte harde slag, zag men de menschen langs de huizen naar huis snellen. Doch zooals gezegd, dit wordt minder en zoo langzamerhand trekken vele geëvacueerden naar hun oude haardsteden terug, voor zoover die haardsteden nog aanwezig zijn en eenigszins bewoonbaar. Ook de brandmeester v. Mameren trekt weer met zijn gezin van de hoofdpost naar de v. Nispenstraat terug.

Maar nog steeds is Nijmegen frontstad en de brandweer werkt nog steeds in de vuurlinie. Men snakt naar verruiming voor zichzelf, doch niet het minst voor de medelandgenooten in het nog bezette gebied.

Dan, op een nacht, onverwachts, artillerievuur, zoo hevig en zoo langdurig als nog niet is vernomen. Wat is het geval? De groote aanval op het Reichswald is begonnen. Eerst gaat het nog langzaam, doch als Kleef veroverd is, gaat het sneller. Toch blijft men nog voor Arnhem steken. De moffen keeren zelfs in de Betuwe terug, zoodat men vanaf de Belvedère te Nijmegen het vuren kan waarnemen, de behuizingen zien branden, hoewel alles zooveel mogelijk door een nevelgordijn aan het oog worden onttrokken.

Doch ook hier wordt tenslotte door een hevig artilleriebeschieting de groote aanval geopend, met het gevolg, dat na enkele dagen Arnhem vrij komt en de verruiming zich over de Veluwe en Achterhoek begint uit te strekken. Ook de vliegende bommen worden nu niet meer waargenomen.

Een zucht van verlichting wordt geslaakt en God wordt gedankt. Na een half jaar van beschieting is Nijmegen geen frontstad meer. Men kan zich nu 's avonds rustig te slapen leggen en als in de gezinnen de kindertjes worden toegedekt, hoeft voor deze geen bange zorg het ouderhart meer te vervullen. Doch die nog ouders, broers, zusters, kinderen of vrienden hebben, die verblijven in de Hollandsche steden, zooals onze brandmeester en velen met hem, kunnen nog niet verblijd zijn, want onrustbarend zijn de geruchten, die van over de groote rivieren tot hen komen.
 

 

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

36.
 

Geen frontstad meer. Nog eenmaal een gevaarlijk karweitje. Een enkel Duitsch vliegtuig, waarschijnlijk een van het laatste restje van de eenmaal zoo machtige Luftwaffe, bestaat het op zekeren avond een groote voorraad benzine, opgeslagen op een heideveld bij de Heilige Landstichting, in brand te schieten. De onderbrandmeester Peters rukt het eerst uit en weet op voorbeeldige wijze deze verschrikkelijke vlammenzee te omsingelen en mede met de Army Fire Service, die een groote hoeveelheid schuim kan produceeren, de schade tot een minimum te beperken.

De commandant Peijster maakt met een gezelschap Nederlandsche brandweerautoriteiten een studiereis naar Engeland, een reis, die ongeveer zes weken in beslag neemt. Bij zijn terugkomst is de vuurlinie verplaatst, doch de brandweer zoekt nu de vuurlinie weer op.
De door den commandant op last van het militair gezag georganiseerde hulpactie voor het Noorden des lands wordt nu in actie gezet. De mobiele colonne van de brandweer wordt ingezet. Eerst in de buurt van Roermond; dit is nog ten Zuiden van Nijmegen, doch na de bevrijding van de Achterhoek volgen de secties van de Nijmeegsche brandweer, voorzien van Engelsche motorspuiten, het zegevierende leger op den voet en trekken steden en dorpen binnen, wanneer de Duitschers deze nauwelijks hebben verlaten en dooven onmiddellijk het vuur, dat de alles verwoestende horden bij hun vertrek hebben aangelegd. Zevenaar-Doetichem-Zutfen-Deventer-Zwolle-Assen-Groningen-Arnhem-Apeldoorn-Barneveld en Ede zien de Nijmeegsche brandweer in hun straten verschijnen en optreden. Steeds in de vuurlinie.

De commandant is een reizend commandant geworden. De adjunct Brouwer, normaal belast met de preventieve brandweerdienst, regelt met v. Mameren, die inmiddels ook tot Adjunct-hoofdbrandmeester is bevorderd, de zaken en den dienst aan de hoofdpost. De overige kaderleden voeren het bevel over de verschillende uitgezonden secties.

Adjunct v. Mameren maakt nieuwe secties voor uitzending gereed, en hoopt erop om straks zelf in Z. Holland hulp te kunnen gaan bieden, om te midden van zijn in hooge nood verkeerende familieleden en oude vrienden te kunnen gaan optreden. Zal het spoedig zijn? De berichten zijn goed! Het is nu 29 April 1945. De radio spreekt reeds van op handen zijnde capitulatie van Duitschland. Berlijn is reeds voor twee derden in Russchische handen. Engelschen en Amerikanen hebben in het hart van Duitschland reeds contact met de Russen. Hitler zou stervend zijn. Het radiotoestel op de hoofdpost van de brandweer staat doorloopend aangesloten om geen enkel bericht te verliezen. Heden is door Engelsche vliegtuigen voedsel afgeworpen boven Holland. Gelukkig, de nood was hoog gerezen.

 


 

De gebeurtenissen, in dit geschrift vastgelegd, zijn meer speciaal die welke persoonlijk door den Adjunct hoofdbrandmeester Chr.L. v. Mameren zijn gemaakt. Hopenlijk zal niemand de schrijver kwalijk nemen, dat hij niet meerdere personen en feiten heeft genoemd. Uit hetgeen is beschreven, kan ieder een indruk krijgen van de voornaamste belevenissen bij de brandweer te Nijmegen tijdens de verschrikkelijke laatste oorlogsdagen. Hij heeft getracht het zoo te beschrijven dat iedereen met interesse tot het einde zal kunnen lezen. Daartoe heeft hij het niet op brandweertechnische wijze naar vooren gebracht, doch getracht, het op een meer populaire wijze weer te geven. In eerste instantie is het geschrift bedoeld als herinnering aan een gevaarvolle, doch leerzame tijd voor den schrijver zelf. Mogelijk dat na jaren andere menschen hieruit ook eens iets in hun gedachten kunnen terugroepen.
 

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

37.
 

Over het meer interne dienstleven in dezen tijd bij het zelfde brandweercorps heeft de heer x.J. Fiege een en ander geschreven, hetgeen als een apart geheel aan dit werk zal worden toegevoegd.

Beide geschriften staan op zichzelf en dragen ieder een afzonderlijk karakter. Fiege heeft echter meest gefingeerde namen voor de ten tooneel gevoerde personen gebezigd, hoewel de door hem beschreven gebeurtenissen authentiek zijn terwijl schrijver dezes de personen bij hun werkelijk namen heeft genoemd.

Deze Fiege heeft ook in de oorlogsjaren bij de brandweer dienst gedaan, is een tijdlang als tolk opgetreden bij de Army Fire Service en heeft tenslotte den telefoondienst aan de hoofdpost "Drija" der Nijmeegsche Brandweer verzorgd. Ook hij heeft dus uit eigen belevenissen geput.

Wat de toekomst ook voor de brandweer zal brengen? De tijd zal het leeren. Schrijver dezes krijgt misschien nog de gelegenheid meerder werk voor de brandweer te doen. De brandweertaak wordt meer en meer staatszaak en het ligt voor de hand, dat het met routine en ondervinding toegeruste beroepspersoneel in de komende jaren aan gewezen zal zijn over het geheele land de brandveiligheid te dienen en op steeds hooger peil te brengen.

De banden, die gesmeed zijn tijdens het gevaarlijke werk in het laatste oorlogsjaar zullen ongetwijfeld blijken hecht te zijn. Als ze elkander misschien na vele jaren ontmoeten zullen ze herinneringen ophalen uit den tijd, dat de brandweer moest werken in de vuurlinie.
 

 

------------

 

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37


Brandrapport 22-2-1944 (klik op een afbeelding voor een grotere weergave)

terug

Reactiepagina
Reactie 1:

Ed Melis, 10-04-2014: Met respect uw rapportering gelezen.
Vraagje : u noemt de opperluitenants Dennink - van Schendel en een
Inspecteur die zijn taak moest overdragen aan de opperluitenant Berkhout.
I.v.m mijn studie over de foute rol van de Nijmeegse politie, kunt
u wellicht uit uw toch expertise aangeven of genoemden ook in relatie stonden met de 'NSB - danwel Germaanse SS' - status?

Redactie: Helaas, de schrijver van het verslag is reeds jaren overleden.
Ed: Jammer, dank en vriendelijke groet Ed Melis

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: