Lent lang vervlogen tijd

Rampzalige Franse tijd

De nieuwe tijd begint voor Lent rampzalig. In 1781 was de bandijk bij Lent doorgebroken. In 1784 was het rivierenland getroffen door een van de grootste watersnoden die ook in Lent veel schade had aangericht. In het najaar van 1794 toen de Franse revolutionairen de generaliteitslanden onder de voet liepen en op mars waren naar Nijmegen werd in allerijl een verdedigingslinie langs de noordelijke Waaloever opgeworpen met Lent als speerpunt. Troepen uit Hannover werden in Lent gelegerd, geschut werd in de bandijken ingegraven. De troepen onder bevel van generaal von Walmoden en de Engelse generaal Abercombie gedroegen zich alsof zij in vijandelijk land waren. Inkwartiering zorgde voor veel overlast. Gebrek aan hout om te stoken in de bivaks in het veld (het was vroeg bitter koud dat najaar) betekende dat hele boomgaarden werden gerooid en schuren en achterhuizen werden gesloopt. Door onvoorzichtigheid van de bezetters braken branden uit. Zo werden o.m. Kriekenbeek, een deel van Sprokkelenburg en De Steenen Kamer verwoest. De Lentse kerk was veranderd in een lazaret voor de vele patiŰnten die getroffen werden door de dysenterie-epidemie en de kerk in Bemmel werd als paardenstal gebruikt. Tenslotte werd op 6 december de laatste Lentse inwoner verjaagd vertelt Mr. Wicherlinck, secretaris van de Staten van Overijssel, in zijn verslaglegging. Toen de Fransen die bij Gendt over de bevroren Waal waren getrokken via Bemmel in Lent kwamen troffen zij een spookdorp aan waar geen vrijheidsboom werd geplant; er woonde niemand meer. Langzaam druppelden de verjaagde inwoners weer in hun gehavend dorp terug om opnieuw aan een wederopbouw te beginnen. De eerste provisorische volkstelling in de Bataafse republiek in 1796 toont aan dat 603 inwoners inmiddels in hun dorp waren teruggekeerd. In 1808 was dat aantal tot 843 gestegen. Nog altijd minder dan voor de Franse invasie toen het aantal inwoners rond 1.000 bedroeg. In de bewaard gebleven correspondentie van Jhr. Johan B.S. de Ranitz van Huis Doornik met zijn dochter Amelia in Gouda (opgenomen in een studie van van Schevickhaven) vinden wij heel veel details over de rampzalige gevolgen van eerst de bezetting door de Hannoverianen en daarna door de Fransen. Andere dagboeken, b.v. van de pastoor van Kekerdom, vertellen over de wandaden van de Fransen. Nee, voor Lent was de Franse invasie geen fluwelen revolutie zoals de Hollanders die invasie betitelden. 

LL 1: De fluwelen revolutie werd voor Lent een grimmige oorlogswinter. 
LL 2: De eerste volkstellingen tonen een relatief groot Lent.
LL 19: De Watersnood van 1799.
LL 25: Achtergronden bij de watersnood van 1784.
AL 7: Lent werd een spookdorp.
AL 7: Oud Doornik weggespoeld door de Waal.

Afb. 14a0: Herenlogement aan de Veerdam in 1794

In de zomer van 1794 werd een nieuwe gierpont in gebruik genomen en werd de lange gierbrug van een leuning voorzien. De tekening van een anonieme kunstenaar (Museum Het Valkhof) geeft daarvan een beeld. Op de Lentse oever aan de Veerdam zien wij de herberg van de familie Crijnen. Het robuuste gebouw vertoont veel overeenkomsten met het heerenlogement van de familie Crijnen in de 19e eeuw. De familie verpachtte hun herberg en woonde in het Nieuw Huis te Lent. Op de gedenksteen boven de ingang van de kerk van de Hervormde Gemeente vinden wij C. Crijnen als diaken. In de nacht van 7 op 8 november 1794 schoten de Fransen de gierpont stuurloos en trokken hem daarna naar de Waalkade. Pas na de vorstperiode in januari 1795 toen ook Lent door de Fransen was bezet kwam de gierpont weer in de vaart. De familie Crijnen heeft veel schade ondervonden van de bezetting van Lent door de troepen uit Hannover in het najaar van 1794 vertelt Jhr. J.B.S. de Ranitz ons in zijn aantekeningen. In 1808 kocht de vermogende familie de restanten van het vervallen en verwaarloosde fort Knodsenburg.

Lent werd in de oorlogswinter van 1794 verwoest. De bevolking werd uitgeschud en verjaagd.

Relaas uit bewaard gebleven bronnen, in dagboeken en correspondentie.

In augustus 1794 al zat het dorp opgepropt vol met soldaten uit Hannover die overal werden ingekwartierd. Voor de vele onderkomens in het open veld werden schuren en achterhuizen afgebroken. De soldaten en hun officieren gedroegen zich als bezetters van een vijandelijk land. Vee dat nog buiten graasde werd in het veld geslacht. De boeren moesten hun oogsten aan de bezetters inleveren zonder daarvoor enige vergoeding te krijgen. Er werd op grote schaal geroofd. In de verslaglegging van Mr. Wicherlinck, secretaris van de Staten van Overijssel die als waarnemer in het gebied aanwezig was vinden wij vooral 'militaire' gegevens. Begin oktober werden alle buitendijkse opstallen gesloopt en alle hoge loofbomen geveld. Uit die bomen werden palissaden gezaagd. De lange gierbrug werd tot een schipbrug verlengd. Uitsluitend voor militair verkeer. Bij de Lentse kolk werd een provisorische gierbrug aangelegd en vandaar uit pendelde de pont naar de Waalkade. De Oosterhoutse en Bemmelse dijk waren voor alle burgerverkeer afgesloten. In de dijken werden artilleriestellingen gegraven waardoor die dijken gevaarlijk ondergraven werden. De bevolking vertrok eigener beweging of werd verjaagd. De laatste inwoner zou op 6 december het dorp verlaten hebben. Onderstaand een bloemlezing uit de correspondentie van J.B.S. de Ranitz betreffende Lent:

Op 1 oktober... Sedert veertien dagen is een heen en weer trekken van troupes en bagage, wagens en oorlogstuig, zoodat Lent altoos opgepropt is met volk. Verscheijden runderbeesten zijn door de soldaten op de weijden geslacht. Op 6 oktober... De huijzen in Lent buijtendijks moeten afgebrooken worden Men is reeds bezig binnendijks tegen de waay van den Heer van Randwijck batterijen op te werpen. (Bedoeld is de Lentse Kolk, van Randwijck woonde op het Nieuw Huis te Lent. Na de verovering van Nijmegen was hij naar Den Haag uitgeweken.) Het is hier omstreeks opgepropt met volk; de eene partij komt, de andere vertrekt en Lent moet verschrikkelijk aanhouden..........Op 12 oktober:....Op eenige plaatsen zijn batterijen in den dijk met grof geschut. Bij Sprokkelenburg staan 2 veltstukken. Op 29 oktober:....Ook hebben zij (de Fransen) verscheijden schoten gedaan na 2 schepen, die voor Sprokkelenburg lagen, alsmede in de batterij, zoodat er verscheijden kogels door Sprokkelenburg zijn gevloogen en de schepen zijn in den grond geschooten zoodat het op Sprokkelenburg niet heel best uijtziet. Op 4 november:...... O, wat ziet het er te
Lent uijt: Meest alle boomgaarden zijn omvergekapt en al wat maar brandbaar was is verbrand, tot de banken van Uw ooms huiis. Schuttingen en heyningen en alle jonge ypenboomen te Lent zijn omvergekapt. Daarbij rooven en steelen de husaren alles weg van het land.
Op 9 november......Lent is verlaten en alles werd doorschooten. In de Vossenpels zijn verscheijde huijzen doorschooten en de menschen zijn alles quit aan de husaren. Op 9 november:....Het huijs van Mej. Van Erp te Lent is ten eenenmale afgebrooken tot den grond toe en verscheijde meer huijzen hebben hetzelfde lot ondergaan zodat Lent een formeele verwoesting is. Het huijs van van Randwijck is ook schrikkelijk vernield. Op 2 januari:... .onze varkens zijn allen weg, ook deze nagt hebben zij nog een kalf weg-gestoolen en voor 3 en 4 dagen hebben zij 8 zakken aardappelen weggestoolen. De Engelschen maken het ook zeer slegt. Het huijs van Beijerinck werd ook al afgebrooken. Lent wordt een finale verwoesting. Het ziet er bedroefd uijt.

 

Afb. 14a en 14b: De bezetters uit Hannover hebben de Lentse bandijk door het ingraven van hun geschut gevaarlijk ondermijnd. Rechts een indruk van zo'n batterij bij Sprokkelenburg, Links paarden worden gedrenkt in de Lentse uiterwaarden.

Afb. 14b1: Verovering van Nijmegen door de Fransen in 1794

De ets van Nicoiaas Sonneberg geeft een indruk van de binnendringende Fransen in Nijmegen op 6 en 7 november 1794. Na de overwinning van de Fransen bij Fleuris vielen de Oostenrijkse Nederlanden in handen van de revolutionairen die vanuit 's-Hertogenbosch naar Nijmegen oprukten. Het verslagen Engelse hulpleger en de ongedisciplineerde stadhouderlijke troepen vluchtten voor de Franse legermacht uit naar Nijmegen dat vol liep met soldaten die voor het merendeel bij burgers werden ingekwartierd. De stad werd zo goed en zo kwaad als het kon in staat van verdediging gebracht Op 29 september 1794 was een brede schipbrug over de Waal tussen Lent en Nijmegen geslagen. Voor die tijd een staaltje vakmanschap van de genie. De schipbrug op zolderschuiten en beurtschepen was zo breed en zo solide dat twee rijtuigen gemakkelijk konden passeren en stukken zwaar geschut probleemloos gelijktijdig over de brug konden passeren. Voor de scheepvaart was die brug een onoverkomelijke hindernis. De scheepvaart lag stil, ook al omdat de Fransen vanuit het veroverde fort Crevecoeur alle bewegingen op de rivier controleerden De aanvoer van o.m. broodgraan stokte zodat binnen de Nijmeegse wallen gebrek aan brood en andere levensmiddelen ontstond waar vooral de gewone man de dupe van werd. Voor het burgerverkeer bleef de gierpont nog incidenteel functioneren. Niet voor de Lentse warmoezeniers die niet meer naar de Nijmeegse groenmarkten trokken. De Engelse bezetters en de troepen uit Hannover rekwireerden oogsten en vee of stalen dat. In oktober al waren de eerste Lentse gezinnen hun dorp ontvlucht. Nadat de Fransen bij Teeffelen over de Maas waren getrokken werd een ondoordringbare ring van Waaloever tot Waaloever om de stad geslagen en van daaruit drongen zij steeds dichter naar de stad. Afgemeerde schepen aan de Waalkade werden gedwongen om voor Lent voor anker te gaan. De grootste ellende voor het dorp en de stad moest nog komen. Eind oktober namen de voorpostengevechten bij de fortificaties in hevigheid toe. Omdat een finale aanval te verwachten viel vluchtte generaal Abercombie met de hoofdmacht van het Engelse leger en vele beladen legervoertuigen over de schipbrug via Lent naar het noorden. Troepen uit Hannover die in Lent waren ingekwartierd en Hessen, Hollanders en achtergebleven Engelsen moesten de stad verdedigen. Op 1 november werd nieuw geschut over de schipbrug in de stad gebracht in afwachting van het Oostenrijkse ontzettingsleger dat in aantocht zou zijn. Maar de 'keyserlycken' kwamen niet omdat zij in een Franse hinderlaag waren gelopen. Op 2 november verdwijnen 3000 manschappen met hun legervoertuigen via de schipbrug uit de stad. Met in hun kielzog burgemeesters, schepenen en raden uit Nijmegen die met schoonklinkende voorwendsels een goed heenkomen zochten. Op 3 november werd het geschut van de buitenwerken gehaald en werd de munitie in de Waal gedumpt. Op 5, 6 en 7 november werd de stad met zijn radeloze en machteloze burgerij meedogenloos gebombardeerd en op de schipbrug is het dringen voor de Engelsen die als eersten in Lent hun toevlucht zochten tussen de lange rijen voertuigen. Op 6 november werd de schipbrug door de Fransen aan flarden geschoten en, met enkele planken, provisorisch herstelt. Het was nog een vluchtweg voor in paniek geraakte soldaten en in het gedrang vielen er velen in het water en verdronken. In de nacht van 7 op 8 november hebben de Engelsen de schipbrug in brand gestoken en daarmee de vluchtweg voor de Hollanders en andere militairen afgesneden. De Hollanders werden gedwongen gebruik te maken van de gierpont. Die werd door de Fransen stuurloos geschoten en bleef midden op de stroom dobberen. Een aantal manschappen ontsnapte met kleine boten aan krijgsgevangenschap. De meeste mannen op de gierpont werden in de morgenuren door de Fransen gevangen genomen toen de gierpont naar de Waalkade was gesleept. Hoe chaotisch de toestand in Lent was met die duizenden vluchtelingen laat zich raden. Vele dorpelingen zochten elders een voorlopige woonstek. Volgens de verslaglegging van Wicherlinck werd de laatste Lentse inwoner op 6 december uit het dorp verjaagd.

Afb. 14c: Zonder al teveel tegenstand hadden de oprukkende Fransen op 7 november 1794 Nijmegen ingenomen. De Staatse troepen en de troepen van de bondgenoten vluchtten hals over kop, de Engelsen voorop, over de schipbrug naar de Lentse oever. De Fransen schoten de brug aan flarden en vuurden op de gierpont die stuurloos werd geschoten. Op de gravure van Cornelis Brouwer naar een ontwerp van Comelis Groenveld zien wij de volgepakte stuurloze gierpont op de Waal en kleine bootjes waarmee zoveel mogelijk soldaten naar de Lentse oever werden gebracht. Lent dat al overstroomd was met de troepen uit Hannover kreeg nu honderden vluchtelingen in het gehavende dorp. Jhr. J.B.S. de Ranitz van Huis Doornik heeft in zijn 'Ondervinderlijke noodlottigheden des Oorlogs in den gepasseerden winter Anno 1794 en 1795, na waarheid beschreven' de rampen voor de dorpelingen in kaart gebracht. Zijn 21jarige zoon Jacob Frans, de latere burgemeester van Bemmel, die als kapitein van het Staatse leger met zijn manschappen uit de stad was gevlucht en de Lentse oever had weten te bereiken heeft in een kort verslag zijn bevindingen vastgelegd. Lent werd een finale verwoesting schrijft J.B.S. de Ranitz. In de maanden november en december werden de achtergebleven dorpsbewoners door de gevluchte soldaten leeggeplunderd. Alles wat van hun gading was werd gestolen. De wintervoorraden in de boerderijen werden opgeŰist, vee gevorderd en paarden in beslag genomen. Huizen werden gebruikt voor inkwartiering. Niet alleen leegstaande huizen van gevluchte poldermensen maar ook bewoonde huizen waarbij op elke inwoner 4 soldaten werden ingekwartierd. Langs de dijk werden achtergebleven inwoners verjaagd en hun panden gesloopt, zoals het huis van Beijerink. Achterhuizen en schuren werden gesloopt en de boomgaarden werden gerooid voor de vele onderkomens in het open veld. Vanaf de zuidelijke Waaloever werden de troepen in Lent onder vuur genomen. Of en hoeveel doden en gewonden dat Franse vuur eiste vertelt de geschiedenis niet.Toen na de overtocht van de Fransen bij Gendt in januari 1795 de Fransen via Bemmel en Doornik in Lent kwamen werd er geen vrijheidsboom geplant; Lent was een spookdorp geworden. Langzaam druppelden na de invasie de gevluchte en verjaagde dorpelingen in hun gehavend dorp terug om aan een moeizame wederopbouw te beginnen zonder hulp van wie dan ook want het land verkeerde in een diepe malaise. Er volgden maanden van honger en ontbering in een strenge winter. Met veel zieken en sterfgevallen. Vijf jaar later werd het rivierenland door een van de rampzaligste watersnoden uit de historie getroffen. Oud Doornik werd door de Waal verzwolgen. Wat in Lent weer was opgebouwd kreeg waterschade. Tien jaar later verwoestte de Waal het Huis Oosterhout en verdween Huis Waayenstein in de Waal. Weer was de schade in Lent bijzonder groot. Dat alles in een tijdsbestek van 15 jaar. Hoe konden zij overleven.

Afb. 14c1: Franse artillerie beschiet Lent

Het leek zo onwaarschijnlijk, maar er vonden tussen de Fransen op de zuidelijke Waaloever en de troepen van de bondgenoten op de noordelijke Waaloever geen artillerieduels plaats. Omdat in Parijs Nederlandse gezanten antichambreerden om met de Fransen tot een wapenstilstand te komen. De Fransen evenwel vuurden van tijd tot tijd hun projectielen naar de vijand! Daarbij werden onder meer het achterhuis van Sprokkelenburg en de Stenen Kamer getroffen. De prent uit National Army Museum geeft een indruk van zwaar Frans geschut op de rivieroever.

Afb. 14c2: Generaal de Bussche sneuvelt bij Gendt

Mr. Wichertinck maakte in zijn verslaglegging een enkele keer gewag van mislukte strooptochten van de Fransen bij Hof van Holland. Omdat zij door de vele bezetters werden teruggedreven. Want Lent zat vol soldaten Op 12 december rapporteerde hij over een mislukte landing van de Fransen bij Gendt. Maar even later moest hij corrigeren. De Fransen hadden de bezetters overrompeld, hun 22 stukken geschut met munitie veroverd en met dat geschut de vijand op de vlucht geslagen waarbij de Engelse generaal de Bussche sneuvelde. Ongehinderd retireerden zij met 22 buitgemaakte stukken geschut naar de zuidelijke Waaloever. Slechts een stuk geschut belandde in de Waal. De prent van J.C. Huck geeft een beeld van het wegdragen van de zwaargewonde generaal.

Afb. 14d: Toen na een harde vorstperiode rond de feestdagen in januari 1795 plotseling de dooi inviel trok Pichegru met zijn sansculotten over de dichtgevroren Waal zonder noemenswaardige tegenstand naar Amsterdam, De troepen die bij Gendt overstaken achtervolgden via Arnhem de bezetters uit Hannover tot in hun thuisland. Na de verschrikkingen van de bezetting in het najaar van 1794 en de eerste angstige maanden met Fransen in huis verliep de 'fluwelen revolutie' in de Over-Betuwe zonder veel strubbelingen en langzaam kropen de oude regenten, nu ontdaan van hun adellijke voorrechten maar niet meer bevreesd voor een katholieke dominantie in de bestuursorganen, weer op hun vertrouwde kussens. Zie ook G. Mentink 'Geschiedenis van een polderland' pag. 130 e.v

Afb. 14d1 Schets van Huis Doornik

Huis Doornik werd na de Franse invasie korte tijd door de overweldigers in beslag genomen. Zonder veel tegenstand te ontmoeten waren de invasietroepen bij Gendt over de Waal getrokken en de Franse eenheden dreven de bondgenoten voor zich uit. Op andere plaatsen waren groepjes plunderaars de Waal over gestoken en nog voor de bezetting van Huis Doornik hadden die rovers daar huis gehouden. Jhr. De Ranitz vertelt daarover in zijn correspondentie om:

20 Januari 1795: Toen de Fransen de rivier overgekoomen zijn, dat boven Gendt is geschied, toen zijn er een troup marodegasten, die het meer op plunderen als vegten toeleggen, op een andere plaats over de rivier gekoomen, bij U ouders in huys gekoomen. U vader ontving ze met alle mogelijke vriendelijkheid. Eten en drinken werd hun gegeven, maar dat was niet genoeg. Kisten en kasten moesten worden opengemaakt en dat niet gaauw open was, wierd met geweld open gebrooken, alles door elkaar gesmeten. U vader, moeder enz. moesten alles afgeven, wat zij bij haar hadden, het goud, zilver, enfin alles. U moeder had haar knipbeursje, waarin twee ducaten en nog eenig zilvergeld, het familiecachet en nog een ander klijn. U vader mede alles wat hij in zijn sak had. Ook U broer. Daarbij de overbroeken, leersen en schoenen van de voeten en verscheijde andere saaken. Daarbij alle provisie van coffij, thee, suiker, rijs, zout, wijn, tot rood bessensap inkluis. Summa summarum ten minste voor de waarde van 150 gulden........

...........Vervolgens hebben wij inquartiering gekregen van een geheel bataljon, zoo officieren als gemeen, welke laatste in de buurd werd verdeeld. De meeste officieren waren landslieden; waren zoo vriendelijk. Wij hebben toen geen nadeel geleden. Deselve zijn van Zondag tot Donderdag gebleven, wanneer afgelost zijn van een ander bataljon, daar maar ÚÚn canonnier die Duyts sprak en gelijk U weet, dat U vader of U moeder en geen van 't huysgezin Frans kennen, zoo was dit een groote verlegenheid......

..........Alle officieren waren zamen in de eetzaal; daar wierd ook de pot klaargemaakt. Rijn, de knegt, was kok en U vader en U moeder en verder huysgezin moest zig in het achterkamertje behelpen, in die bittere koude. De zaal, geele kamer, voorkamertje, keuken enz. alles was vol van gemeenen en verscheijden kruytwagens stonden op de plaats, met andere karren en wagens, 's Avonds wierd de schoorsteen op de geele kamer in brand gestookt, hetwelk een gebulder maakte, alsof er een groote donder uytbrak. De vlam sloeg wel 10 a 12 voet hoog boven uyt, en geheele brokken met brandend roet sloeg over de plaats, op de kruytwagens, op en in de schuur, en de kamer lag vol met strooy. Alles liep na buyten en er was een schrikkelijke consternatie. Echter wierd de zaak gered zonder onheil. U vader hield met behulp een deeken voor de schoorsteen en men goot het vuur uyt, en binnen 10 minuten was het vuur uyt en alles raakte weder in de vorige positie..............

..............Vrijdag namen eenige gemeenen de kans waar om 's middags, dat men aan tafel was, na boven te gaan, na de bovenste zolder, braken het slot open en plunderden en stoolen alles, dat hun aanstond; het groote ronde koffer van U moeder, al hun kleeren, linnen enz. en inhoud is geheel uyt- en weggenomen. Ook alle de andere lieden hun goed, ook een kistje met oud porcelijn, van U moeder en het goed van de meid en knegt..............

..............En nu zijn U vader en moeder en broer genoegsaam van kleeren en linnen ontbloot, alsmede een goede partij tafelgoed en beddegoed. De waarde van een en ander kan wel duysent gulden geschat worden. Men segt dat er vergoeding voor gedaan zal worden, maar ik twijfel er aan. De knegt is ook voor 50 gulden kwijt en de meid voor 30 gulden. N.B. Als men nu de schade eens reekend, die U ouders geleden hebben bij de Hannoversche, dan bedraagt het een en ander wel 1.500 gulden......

............... 24 Januari 1795; De koude is hier schrikkelijk en wij hebben geen kooien, nog droog hout, dus bittere koude lijden. Hier is alles gebrek. Alles is in droefheid, verdriet en ellende. Men begraaft 4 a 5 menschen in een graft............

............4 Februari 1795; ...Vele menschen zijn geru´neerd en overal hoort men jammerklagten, de schadens die de menschen leyden is groot, voornamelijk de boeren, welke meestal hun koorn is verlooren, de voerage voor het vee is alles weg en de beesten zullen van honger moeten sterven. Wij hebben ook geen halm hooy voor onze beesten, dus moet deselve op strooy hun leven zien te behouden. Wij hebben maar twee meer. Geen kooien, geen turff en nat hout. Koude moeten wij leyde, tot wij swart worden. En God weet, hoe wij die bittere winter nog doorkoomen. Nu zitten wij in vrees voor het water.Vele zijn gestorven zoodat er een groote executie onder 't menschelijk geslacht komt, insgelijk onder alle levende schepselen.......

Afb. 14d2: De "Stenen Kamer" die in de correspondentie van Jhr. De Ranitz wordt genoemd was waarschijnlijk een kleine hallenboerderij met een voorhuis dat in baksteen was opgetrokken. De Over-Betuwe kende in de 19e eeuw tal van dit soort boerderijtjes of kleine T boerderijtjes waar het voorhuis haaks op het achterhuis was gebouwd. Een voorbeeld van een hallenboerderij met een uit baksteen opgetrokken voorhuis is in Ressen "Het Hamerstuk." Het voorhuis is later gebouwd dan de dagtekening op het voorhuis aangeeft. Zie tekening 14d3 hierna.

Afb. 14d4: Pieter Barbiers Pzn. schilderde in 1790 op glas haast fotografisch het Valkhof zoals de mensen in Lent de burcht 6,5 eeuw hebben gezien. Hendrik Hoogers vereeuwigde het Valkhof, gezien vanaf de Lentse oever, kort voor de sloop. Hendrik Hoogers heeft de burcht vanaf verschillende locaties getekend zodat wij ook nu nog een goed beeld van het Valkhof hebben. De Lentse mensen hebben in 1796 en 1797 gezien hoe de burcht werd gesloopt en hoe het kostbare tufsteen over de Waal werd afgevoerd om tenslotte in een Zaanse molen vermalen te worden.

Afb. 14d5: In 1796 werd het Valkhof gesloopt. Alleen de Barbarossaru´ne en de Sint Nicolaaskapel bleven voor de slopershamer gespaard. Het burchtterrein werd een wandelpark. Voortaan zagen de Lentse mensen vanaf de Lentse oever het park met daarin verscholen de kapel. In museum Het Valkhof hangt een schildering van Rudolphus Laauwerier uit 1850.

Afb. 14d6: Tekening van J.F. Christ van de Valkhofkapel na de sloop van de Valkhofburcht met op de achtergrond de gierpont die naar Lent pendelde.

Afb. 14d7: Het Valkhofpark in 1811

In het pas aangelegde Valkhofpark werd in mei 1811, na de geboorte van de 'koning van Rome' op 7 maart van dat jaar voor de Barbarossa-ru´ne een borstbeeld van Napoleon onthuld met het aanmatigende opschrift: "CÚsar et Charlemagne revivent en lui." Om het 'feest' luister bij te zetten werd de gierpont gepavoiseerd en met vetpotjes verlicht. In oktober 1811 bracht Napoleon met Marie Louise een bezoek aan de stad om via Lent door te reizen naar Den Haag.

Afb. 14e: Een impressie van de afschuwelijke watersnood in februari 1799 waarbij de restanten van de oude buurschap Doornik door de Waal werden verzwolgen.

Afb. 14e1: C. van Hardenberg probeerde de watersnood van 1799 in beeld te brengen in een tekening vanaf de Lentse oever. In Lent was de schade toen groot. Ook de Nijmeegse benedenstad werd hard getroffen.