Lent lang vervlogen tijd

Economische groei aan de Veerdam door Grift en Griftdijk

Bij een krimpende economie van de stad groeide de behoefte aan betere verbindingen met het noorden. Twintig jaar na de verovering van Nijmegen werd de trekschuitenvaart de Grift voor het scheepvaartverkeer geopend en de brede Griftdijk voor het verkeer over land. Daarmede kwam er een einde aan de omslachtige omweg naar Arnhem via Bemmel, Huissen en Malburgen. Terwijl de economische groei in de Waalstad stagneerde groeide het dienstencentrum aan de Veerdam. Vooral na de verwoestende ijsramp van 1634 toen de sluizen van de Grift werden weggeslagen en werden vervangen door een doorgetrokken bandijk. Voortaan moesten alle goederen van en naar Nijmegen in Lent worden overgeslagen. Lent werd een klein distributiecentrum voor de Over-Betuwe waar kooplieden in de Lentse herbergen zoals De Swaen, In den Hollandschen Tuyn en De Fortuyn zaken deden, Nijmeegse kadesjouwers uit het zakkendragersgilde werk vonden, waar ambachtslieden mankementen aan de trekschuiten en de voertuigen repareerden en de stalhouderijen voor vrachtverkeer en personenvervoer goede zaken deden. In haast stadse perceeltjes groeide de Veerdam in lintbebouwing aan het dorp bij de kleine kerk. Toen in 1657 de gierpont de oude veerboten had vervangen werd het nog drukker aan de Veerdam. Tot in 1672 zo leert ons de Franse stafkaart van Le Cler alle bebouwing bij de Veerdam en onder aan de Griftdijk Zuid werd verwoest en de bevolking voor de naderende Fransen was gevlucht.Voor Knodsenburg leden de Fransen in een etmaal zware verliezen. Na die korte Franse periode herstelde Lent zich snel en groeide verder tot het grootste aaneengebouwd dorp van de Betuwe. Na 1708 toen het Pannerdense Kanaal was geopend stagneerde het goederentransport via de Grift en begon een periode van economische achteruitgang. In 1742 werd de Grift voor alle scheepvaartverkeer gesloten en werden grote delen verkocht. Lent bleef tot 1930 opgezadeld met een niet onderhouden vaarweg, door dammen in vakken verdeeld. Ondernemers die geen omzet meer hadden, schippers die brodeloos waren geworden en polderjongens die de Grift moesten onderhouden vertrokken uit Lent. De Griftdijk Zuid werd het domein van forensen die daar hun herenhuizen bouwden.

LL 3: In het rampjaar stond Turenne voor Knodsenburg. 

LL 3: Agrarisch bedrijf ruggengraat van Gelder's economie.
LL 18: De Grift technisch gezien. 
LL 18: Een brugge op masten. (1599) 
LL 25: Doornik en Ressen twee eeuwen in het schoutambt Bemmel. (1591-1811)
LL 25: Jan Hackfort failliet aan zijn dijkverplichtingen in Doornik (1689) De familie de Ranitz op de rand van een bankroet door loodzware onderhoudslasten aan de schaardijk.
AL 6: Gierpont van Hendrick Heuck.

Afb. 11a: De landkaart van voor 1700 laat zien hoe omslachtig het scheepvaartverkeer tussen Nijmegen en Arnhem functioneerde. Men moest toen naar Arnhem een lange omweg stroomopwaarts via Schenckenschans maken. De Grift betekende een aanzienlijke verkorting van die weg tussen beide steden met als nadeel dat de grote Rijnzeilers daarvan geen gebruik konden maken en de goederen twee keer moesten worden overgeslagen. 

Afb. 11b: Na de invasie van de Fransen in 1672 die door de lage waterstand van de Rijn zo de Betuwe konden binnenlopen ontwierp Menno van Coehoom een uitgebreid verdedigingsplan met daarin opgenomen het Pannerdense Kanaal als een defensiekanaal. Het werd een kortere weg voor de Rijnzeilers en na de vrijstelling voor de burgerscheepvaart in 1708 een geduchte concurrent voor de trekschuitenvaart op de Grift. Op de kaart is het tracé van het Pannerdense Kanaal en de daarmee parallel lopende Grift weergegeven.

Afb. 11c: De aanleg van de trekschuitenvaart de Grift betekende onteigening van cultuurgronden. De eigenaars hebben zich zonder succes hiertegen verzet. Het betekende een tolhuis in Elst waar de tolgelden volgens de sleutel 75% voor Nijmegen en 25% voor Arnhem werden geïnd. Omdat Nijmegen 75% van de investeringen in de vaart had gefinancierd.
De extreem strenge koude in januari 1634 bracht een rivier vol drijfijs en enorme ijsafzettingen tegen de bandijken. Tussen Lent en Nijmegen vormde zich een onwrikbare ijsdam waartegen het tegengehouden ijs hoog boven de bandijk uittorende en op de Waalkade grote vernielingen aanrichtte. Op 9 januari sloeg die enorme ijsmassa met donderend geweld door de Lentse bandijk alles verwoestend wat het op zijn weg tegenkwam. De solide gemetselde sluizen van de Grift werden weggeslagen. Hoeveel slachtoffers die ijsramp in Lent vergde werd in de bronnen niet vermeld. Hoe die mensen daarna de schade in hun dorp moesten herstellen al evenmin. De sluizen van de Grift werden niet hersteld. Met als gevolg dat voortaan alle goederen van en voor Nijmegen aan de Veerdam moesten worden overgeslagen. Kooplieden en horecaondernemers, kadesjouwers uit het Nijmeegse zakken-dragersgilde, ambachtslieden, polderjongens, stalhouderijen en voerlieden profiteerden van de strategische verkeersfunctie van Lent en vestigden zich binnen- en buitendijks in de schaduw van de bedreigende schans. Langs de Griftdijk groeide de bebouwing aan de Veerdam en de Betuwse Dijk in lintbebouwing aan het oude dorp. In die tijd werd Lent het grootste aaneengebouwde dorp van de Over-Betuwe. De boeren in de Over-Betuwe ten oosten van de Grift waren minder gelukkig met de Grift en de Griftdijk die de afwatering verstoorden. Al tijdens het graven van de Grift regende het klachten bij de dijkgraaf over de ontregelde water-lossingssystemen. De beide steden, Nijmegen en Arnhem, beloofden op de landdag voldoende duikers aan te brengen om de problemen van de boeren op te lossen. Maar het bleef volgens het archief van het Hof van Gelder bij die schone beloften. Er gebeurde niets. De heftig protesterende Over-Betuwse dijkgraaf kreeg steun van de dijkgraaf van Culemborg die de steden met sancties en processen dreigde wanneer omgaand de steden de gerezen problemen niet zouden oplossen Doornik had ernstig te lijden van deze wateroverlast. Dat leidde tot een conflict met de naburen in Lent. Eindelijk in 1628 en 1630 kwam de klachtenregen in de Gelderse landdag. Weer beloofden de steden plechtig beterschap en weer gebeurde er niets. Tot de getergde dijkgraaf Dirk van Lynden op 23 mei 1634 de Grift bij Zevenhuizen aan de Verloren Zeeg liet dempen. Toen kwam de jonge Nijmeegse burgemeester Pontiaen van Singendonck in actie. Met Nijmeegse schutters en een legertje polderjongens trok hij door Lent naar de gedempte Grift die hij liet leegbaggeren. Het geweld van de stad trok aan het langste eind. De boeren bleven met de overlast zitten tot in 1742 de Grift voor alle scheepvaartverkeer werd gesloten en over grote afstanden werd gedempt. Lent bleef met de restanten van de Grift, die onverkoopbaar bleken, zitten. Tot in 1930 begonnen werd met de aanleg van de nieuwe rijksweg die Lent in twee stukken hakte.

Afb. 11d: Grift en Griftdijk bij Lent bij een hoge waterstand.

Afb. 11e en 11f: Op de tekening rechts een impressie van de gevolgen van een watersnood waarbij Kleidijk en Griftdijk onder water kwamen te staan en de Griftdijk weer lange tijd onbegaanbaar was. Op de tekening links diezelfde Grift in de zomer toen de natuur zo vriendelijk leek en de vele natuurrampen die Lent teisterden even vergeten leken. De Griftdijk was de eerste dijk die werd gezand ten behoeve van het rijdende verkeer.

Afb. 11g: Trekschuit op de Grift bij Lent.

Afb. 11g1: Vrachtschip op de Grift

De Grift was een initiatief van Nijmegen, gesteund door Arnhem om scheepvaartvervoer van en naar Nijmegen de grote omweg via Schenckenschans te besparen. Een prettige bijkomstigheid was de mogelijkheid voor snel personenvervoer tussen de beide steden. De trekschuiten die tweemaal daags een dienst op Arnhem v.v. onderhielden mochten slechts beperkt vracht vervoeren. Dat vervoer was aan strenge voorschriften gebonden, zodat de passagiers daarvan geen last zouden ondervinden. Het vrachtvervoer vond plaats met lange brede schuiten met een redelijk laadvermogen, snelheid was ook hier een belangrijk gegeven. Zoals voor het transport van Zuiderzeevis naar de Nijmeegse vismarkt en verder. Voor de poldermensen was de aanvoer van b.v. turf en bier belangrijk. Door de mensen in de polder werd de Grift ook gebruikt voor het transport van oogstproducten en vee in platte schuiten die meestal geboomd werden. Het bevaarbaar houden van de Grift heeft Nijmegen en Arnhem die de trekschuitenvaart exploiteerden heel wat hoofdbrekens gekost omdat het regelmatige onderhoud om de Grift bevaarbaar te houden, d.w.z. leegbaggeren, veel geld vergde.

Afb. 11h: In het roefje van de trekschuit.

Afb. 11i: Detail uit een ingekleurde ets van Comelis Pronk (1691-1739, leerling van Arnold Boomen en Jan van Houten) met daarop de gierbrug en de gierpont in de zomer bij laag water. Na verkregen toestemming van de stadsregering op 28 februari 1657 had Hendrick Heuck de gierpont in de vaart gebracht. Hij was ook de eerste pachter. Heuck kreeg voor zijn uitvinding geen beloning van het stadsbestuur, er is niets bekend over proefnemingen met de gierpont en evenmin heeft Heuck octrooi aangevraagd. Volgens R.A. Muschart in 'Bijdragen en Mededeelingen van Gelre,' deel XXXIV 1931, is Heuck niet de uitvinder van de gierpont maar Pieter Gabriels Croon uit Zegwaard die, na gecontroleerde proefvaarten bij Bommel, van de Staten Generaal op 10 april 1600 octrooi op zijn vinding kreeg alsmede een fors bedrag als beloning. Dat verklaart waarschijnlijk waarom Heuck geen beloning kreeg van de stadsregering en waarom Heuck geen octrooi heeft aangevraagd.

Afb. 11j: In 1657 werd de eerste gierpont tussen Nijmegen en Lent in gebruik genomen en daarmede werd het overzetten over de Waal aanmerkelijk versneld op een pont die een veel groter opnamevermogen had. Op de tekening de twee naast elkaar liggende platte schuiten onderling door een breed plankier verbonden.

Afb. 11k: Toen de Franse troepen in het voorjaar van 1672 met steun van de bisschop van Keulen langs de Rijnoevers oprukten naar de jonge republiek en de Munstersen het oosten van ons land bedreigden werden in de wijde omgeving van schans Knodsenburg alle behuizingen platgebrand of gesloopt en alle boomgaarden gerooid om een vrij schootsveld te hebben. Waar de arme gedupeerde Lentse bewoners van die panden bleven vermeldden de bronnen niet. Evenmin welke militaire versterkingen tussen de schans en de Griftdijk Zuid werden aangelegd. Kapitein Verschoor moest met een handjevol geoefende artilleristen de schans verdedigen en de Franse opmars tot staan brengen. Daarbij geholpen door 300 ongeoefende 'Betuwse huismannen.' De Hollanders hadden al hun aandacht aan een sterke marine gewijd en de landmacht jaren schromelijk verwaarloosd. De verwaarloosde Staatse versterkingen langs de Rijn gaven zich na de val van Orsouw zonder slag of stoot over. De buffer Wesel, Rees, Burik en Rijnberk bestond niet meer. Op 7 juni werd Emmerik ingenomen en op 8 juni viel Doetinchem. De weg naar Arnhem lag open. Generaal Jean Barton de Montbas die de Betuwe moest verdedigen en een overtocht van de Fransen over de Rijn moest verijdelen wist niet waar de Fransen met hun hoofdmacht zouden aanvallen en trok met zijn legertje vermoeide troepen doelloos op en neer tussen Lobith en Nijmegen. Door een ongekend lage waterstand in de Rijn in die snikhete zomer konden de Fransen op aanwijzing van een Eltense boer, Jan Pietersz., bij Lobith door de Rijn waden. Veldmaarschalk Paul Wirtz kwam net op tijd om de Fransen aan te vallen en het geschut van Lobith maakte vele slachtoffers onder de Franse aanvallers. Niet opgewassen tegen de Franse legers moesten de Hollandse regimenten zich overgeven en de hoofdmacht marcheerde linea recta naar Arnhem dat de poorten opende toen de regenten in de verte de lanspunten van de Franse piekeniers zagen blinken en zij kochten de plundering van de stad af. De hoofdmacht marcheerde richting Amsterdam. De Franse maarschalk Condé raakte aan zijn hand gewond en moest het opperbevel overdragen. Zijn neef sneuvelde. Hollandse troepen onder d'Alvya werden in de pan gehakt. De Franse cavalerie en de tros van maarschalk Turenne reden, op weg naar Knodsenburg, de bandijken tussen Lobith en Lent aan flarden. De schans was niet in een zodanige staat van verdediging dat een beleg kon worden doorstaan. De wallen waren niet verdedigd door palissaden en stormpalen en het water in de grachten stond zo laag dat zij gemakkelijk doorwaadbaar waren. Verschoor beschikte over te weinig geschut en te weinig munitie. Op 14 juni was de schans geheel omsingeld. De Fransen werden vanaf vier uitleggers op de Waal, met geschut van Jan van Welderen vanuit Nijmegen en met geschut vanaf de schans bestookt. Zij hadden in het open veld geen dekking en er vielen vele slachtoffers. Schattingen lopen uiteen van 200 tot 800. Waarom Verschoor een etmaal later capituleerde en met vliegende vaandels, slaande trom en rokende lonten de schans mocht verlaten blijft voor altijd een raadsel. Gebrek aan munitie zal wel de belangrijkste reden zijn geweest. De Fransen begonnen aan het bombardement van Nijmegen vanaf de Lentse oever. Niet alleen vanaf Knodsenburg met Hollands en Frans geschut, maar ook vanaf batterijen bij het Molenpad en voorbij Knodsenburg stroomopwaarts. De Fransen trokken over twee schipbruggen over de Waal en omsingelden Nijmegen. Op 30 juni moest Jan van Welderen capituleren. De gravure van S. Le Cler geeft een beeld van het beleg van Nijmegen. Op die tekening zien wij het vuren vanuit Knodsenburg en uit een aantal batterijen stroomopwaarts. De dappere Jan van Welderen en de strijdbare Nijmeegse bevolking hield de belegering twee weken vol. Toen moest de in de steek gelaten van Welderen op 30 juni voor de Franse overmacht capituleren. Toen was de Lentse bevolking al twee weken op de vlucht voor de Fransen het dorp in hun macht hadden. Wat die mensen hebben meegemaakt, hoeveel burgerslachtoffers er zijn gevallen en welke schade het geschut van de belligerenten in het dorp heeft veroorzaakt vermelden de bronnen niet. Een enkele zinsnede uit die tijd in de verslaglegging spreekt boekdelen: '....alles moesten agterlaeten ofte wierden andersins noch moedemaeckt daartoe uitgekleedt......' Hoe na de Franse terugtocht het dorp zonder steun van wie dan ook weer werd opgebouwd vertelt de geschiedenis evenmin. De kerk van de hervormde gemeente werd met Nijmeegse steun gerestaureerd. Of de Lentse molen, waar Franse batterijen waren opgesteld, onbeschadigd uit de strijd is gekomen weten wij niet. Na de vrede van Nijmegen in 1678 werd de schans voorgoed verwaarloosd. In 1794 is de schans onbruikbaar voor de verdediging en in 1808 verkocht aan de familie Crijnen die de schans heeft geslecht.

Afb. 11l: De 'stafkaart' van Beaurain uit 1672 met aanduiding van de verdedigingswerken van Nijmegen incl. de 2e schans Knodsenburg (uit 1591) op de Lentse oever geeft een sterk vertekend beeld van de plattegrond van Lent. De grote en kleine Lentse kolk bij het Huis te Lent staan op deze kaart niet aangegeven. De gierbrug met de aanduiding 'pont' ligt in de smalle uiterwaarden en de bandijken staan sterk afwijkend van de werkelijke ligging aangeduid. Uit deze plattegrond blijkt wel dat tussen de schans en de Griftdijk Zuid en aan de Veerdam alle bebouwing zo goed als verdwenen is en alle bomen zijn gerooid. Verschillende bronnen bevestigen ons dat de in paniek geraakte militaire bevelhebbers bij de nadering van de Fransen opdracht hebben gegeven om alle bebouwing te verwoesten en alle bomen te rooien en met man en macht, dus met de hulp van de arbeidsplichtige poldermensen, de schans zo goed en zo kwaad als het kon in redelijke staat van verdediging te brengen om de oprukkende Fransen de overtocht over de Waal te beletten. Er werd gegraven en gemetseld, bomen werden tot palissaden verzaagd en mondvoorraad, munitie en geschut binnen de schans gebracht. Toch kon Verschoor tenslotte met slechts 8 stukken geschut en veel te weinig kruit niet anders dan voor de Fransen buigen. Na de capitulatie van kapitein Verschoor werd Nijmegen door de Fransen met buitgemaakt Staats geschut en met eigen vuurmonden vanuit Knodsenburg en vanaf batterijen op de Lentse oever veertien dagen lang met 12, 24 en 26 ponders en met vuurpotten die brand moesten veroorzaken onophoudelijk gebombardeerd wat in de stad een enorme schade veroorzaakte. Op de kaart zien wij tussen Knodsenburg en de Grift en ten oosten van de Grift batterijen aangegeven. De Fransen versleepten de gierpont die aan de gierbrug lag afgemeerd naar de uiterwaarden van Gendt en daar sloegen zij een provisorische schipbrug over de brede Waal om Nijmegen van Waaloever tot Waaloever te omsingelen. De vesting werd fanatiek verdedigd met actieve steun van de burgerij, katholiek en protestant, maar de toestand werd onhoudbaar toen op 8 juli het geschut onbruikbaar werd omdat door enorme hoosbuien lonten en kruit kletsnat waren geworden. Op 9 juli vertrokken gouverneur Jan van Welderen, burgemeester Johan van Gendt, schepen Coenraedt Singendonck en drie hoofdofficieren naar het kwartier van Turenne waar men het zonder poespas eens werd over de capitulatievoorwaarden. Krijgsgevangenen moesten worden vrijgekocht, cavaleristen 6 rijksdaalders en infanteristen 3 rijksdaalders de man. Plundering van de stad moest worden afgekocht, de torenklokken die oorlogsbuit waren moesten worden teruggekocht en de Stevenskerk moest aan de katholieken worden terug gegeven. Enkele dagen later zagen de mensen in Lent karossen met een Nijmeegse delegatie en een vertegenwoordiging van de kwartierlijke academie over de Betuwse Dijk naar Huis Waayenstein in Oosterhout rijden om zijne allerchristelijkste majesteit Lodwijk XIV de onderdanigheidsbetuigingen van de stedelijke magistraat aan te bieden. De regenten werden wel ontvangen, de professoren konden onverrichter zake naar de Waalstad terugkeren. Op 14 juli 1672 werd de Stevenskerk plechtig door Emmanuel kardinaal Bouillon, neef van Turenne, geconsacreerd. Wel werd de protestanten godsdienstvrijheid gegarandeerd. Of die godsdienstvrijheid voor de katholieken voor de vele gelovigen in Lent enig verschil betekende weten wij niet. In Lent had de hervormde kerk veel oorlogsschade opgelopen zodat er weinig te naasten viel. Op Paasmaandag 1674 vertrokken de Fransen uit Nijmegen omdat na de verovering van Bonn door Willem III hun toestand hachelijk werd. De gierpont was een dag tevoren onder het gewicht van Frans geschut gezonken. Het afscheidscadeautje voor Lent dat in die twee jaar Franse bezetting, evenals Nijmegen, genoeg had moeten verduren van de graaizucht van de Franse bezetters.

Afb. 11m: Detail uit een gravure van Samuel Cholet voorstellende de belegering en het bombardement van Nijmegen door maarschalk Turenne. Op de voorgrond houdt Turenne een bespreking met zijn stafofficieren. Met 60.000 man had hij de stad omsingeld die de weerstand van 2500 manschappen en de fanatieke burgerij moesten breken. Willem III had zich met zijn handjevol Staatse regimenten achter de Hollandse waterlinie teruggetrokken. Nijmegen kon van niemand nog enige hulp verwachten.

Afb. 11n: Deze tekening van Jan Luyken in Museum Het Valkhof geeft een beeld van de ondertekening van het laatste vredesverdrag in Nijmegen op 5 februari 1679 in de Nijmeegse Trèveszaal tussen de Duitse keizer Ferdinand en de Zonnekoning. Toen waren de meeste ambassadeurs met hun gevolg van lakeien, stal- en keukenpersoneel, klerken en secretarissen al uit de Waalstad verdwenen waar zij sinds het midden van 1676 in langdurige en moeizame onderhandelingen, afgewisseld met uitbundige festiviteiten vrede in Europa hadden bereikt. Nijmegen lag in de jonge republiek maar was tot neutrale stad verklaard met een neutrale zone van een uur gaans rondom de stad. In de stad en in alle bezette gebieden gold vrijheid van godsdienst. De gebieden ten noorden van de Waal, dus Lent, hoorden niet tot deze zone. Met de vrede tussen de republiek en Frankrijk op 11 augustus 1678 in de tijdelijke Franse ambassade in de Burchtstraat waren de grootste hobbels genomen en vertrokken de meeste gezanten en ambassadeurs met hun gevolg Stadsbestuurders, huizenbezitters en neringdoenden hadden flink kunnen profiteren van het royale uitgavenpatroon van de vele 'buitenlanders' in de stad. De mensen in Lent zullen daarvan minder hebben geprofiteerd. Berooid na het vertrek van de Fransen hadden zij handen vol te doen met de wederopbouw van hun gehavend dorp en zij werden na de uitzonderlijk strenge winter van 1677/78 met misoogsten geconfronteerd.