Lent lang vervlogen tijd

van Lent's in de late middeleeuwen

In 1167 verkocht camerarius Rainelmus in opdracht van abt Martinus de kloostergoederen in de Betuwe aan Diederik, graaf van Kleef. Die op zijn beurt die goederen in leen gaf aan het jonge Sint Marcusstift in Bedbur(g) bij Kleef. De monniken op hun beurt vertrouwden de dagelijkse gang van zaken toe aan meiers en uit deze ontwikkeling zijn de machtige grootgrondbezitters en 'heren' in de Betuwe voortgekomen. Zoals toen o.m. de van Ambe's, de van Homoets, de van Lent's, de Hackfort's, de van Lynden's  en de van Doirnick's. In die tijd kende Lent al zijn katholieke kerk zoals uit een oorkonde uit 1172 in het bisschoppelijk archief van Utrecht blijkt. (Patrocinium van St. Martinus) De grote adellijke familie van Lent kennen wij in de late middeleeuwen als stadsbestuurders die 2,5 eeuw lang onafgebroken in het Nijmeegse stadsbestuur functioneerden en als ministerialen van de landsheer van Gelder in de ambten van het kwartier van Nijmegen. De bekendste van Lent was Diederik van Lent, kasteelheer in Lent, geheim kamerheer van Reinald II en Reinald III (onse lieve neve ende rait) rentmeester in drie kwartieren van Gelder (niet in de Veluwe) en Heer van Rindern in het graafschap Kleef. De vader van Diederik van Lent, Jan van Lent, bezat in Lent alleen al 7 met name genoemde hoeven. Het Nijmeegs hospitium, voor het eerst genoemd in 1196, had drie hoeven in Lent die later bezit werden van de Nijmeegse Commanderie van Sint Jan. In 1505 bezat de steenrijke Gerardus van Lent, schepen in Nijmegen, alleen in Lent meer dan 80 morgen. In de burgeroorlog tussen de Bronckhorsten en de Hekerens stond Diederik aan de kant van de legitieme hertog Reinald III. Zijn versterking in Bunsward (in de uiterwaarden bij Beuningen) en zijn kasteel in Lent werden in die oorlog verwoest evenals het kasteel Doornik van zijn schoonzoon Barthold van Doirnick. Mede aan de hand van de gegevens in 'Quellen zu einer Geschichte der Familien van Lent ' van Dr. H. Lent en ObSR S. Lent konden wij de functies en de bezittingen van de van Lent's in onze cahiers nrs. 9 en 10 in kaart brengen. Lent is nooit een heerlijkheid geweest, Doornik (met Ressen) tot 1591 wel. De laatste van Lent's zijn op het einde van de 16e eeuw uit Lent vertrokken.

LL 9: Het adellijk geslacht van ministerialen en stadsbestuurders van Lent in de late middeleeuwen.
LL 10: Functies en bezittingen van de van Lent's in het kwartier van Nijmegen en het graafschap Kleef.
LL 18: Chronologische samenvatting met register van het geslacht van Lent.
SL 9: Tekst lezing over het adellijk geslacht van Lent.

SL 16: Van strategisch eiland in de uithoek van grote rijken tot de grootste en rijkste stad van Gelder in de late middeleeuwen.
SL 19: Onsen lieve neve ende rait.
SL 23A: Diederik van Lent, burggraaf in Nijmegen en kasteelheer in Lent.

SL 23C: De heerlijkheid Doornik onder de geslachten van Doirnic, Van Steenbergen en van Arenborch.
AL 7: Hildegart van Lent, kosteres van het Stift Bedbur, bevoordeelde haar familieleden met erfpachtgoederen.
SL 26: De familie van Lent in de Verenigde Staten.

Afb. 7a: Het adellijke geslacht van ministerialen van Lent leidde zijn wapen af van het oude geslacht Chatillon zoals tal van geslachten in het rivierengebied zoals b.v. de Cocq, Opijnen, Hemert, Weerdenburg, van Haeften en IJzendoorn. Het wapen bestaat uit drie palen van vair op een karmijnrood schild met een gouden schildhoofd met daarin een barensteel met vier hangers. Als helmteken twee rode vederkokers in omgekeerde kepervorm met goud beslag en goud aan de binnenzijde. De telgen uit de lijn van Baldekinus van Lent, stadsbestuurders in Nijmegen tussen 1242 en 1506, voerden in hun wapen de halve tweekoppige adelaar.

Afb. 7b: In bovenstaand overzicht een opsomming van alle van Lent's in het stadsbestuur van Nijmegen in de periode 1242-1506. Onder meer ontleend aan de chronologische naamlijst van schepenen en burgemeesters van Nijmegen van H.DJ. van Schevickhaven. In deze opsomming hebben wij steeds het eerste en het laatste jaartal genoemd dat in de bronnen werd aangegeven. Voor de vermelding van Baldekinus en Reymboldus van Lent in 1242 vinden wij in Nijmegen in 1233 al een Gysekinus van Lent. In 'Batouwe' Wigerus van Lent die cijnsplichtig was aan de stuiterij van Nijmegen. In lang niet alle gevallen is de vader-zoon relatie van de genoemde van Lent's met zekerheid of helemaal niet vast te stellen. De meeste schepenen kwamen uit de lijn van Baldekinus. Zij voerden in hun wapen en zegel de halve tweekoppige adelaar, soms ook een hele tweekoppige adelaar uit het Nijmeegse keizerlijk stadswapen waarin na 1247 ook de Gelderse leeuw was aangebracht. De telgen uit de lijnen van Diederik en Ysebrant voerden het Chatillonwapen met in veel gevallen een wisselend schildhoofd. Het overzicht geeft aan dat in een aantal gevallen twee of meer van Lent's tegelijk in het stadsbestuur zitting hadden. De invloed van de van Lent's moet in deze periode aanzienlijk zijn geweest. Immers schepenen in de stad waren voor het leven 'raedtsvrund.' Zij hadden nauwe contacten met de ambtsdragers in de ambten waarin in de 14e en 15e eeuw tal van van Lent's werkzaam waren. Zoals Rodolphus van Lent Baldekinusz. die in 1262 al burggraaf van Nijmegen was. Zijn zoon Baldekinus werd gerichtsman in het Rijk van Nijmegen. (1313-1369) Diederik van Lent, raadsman van Reinald II en Reinald III bekleedde een aantal functies: rentmeester in drie kwartieren van het hertogdom, burggraaf van Nijmegen en richter in de Duffelt. Gerrit Kebbe van Lent was richter in Niel van 1346 tot 1353. Ysebrant van Lent was richter in de Duffelt van 1341 tot 1374. Gerardus van Lent was richter in Kranenburg van 1351 tot 1358. De Nijmeegse burgemeester Baudecken van Lent was ambtman in het Land van Maas en Waal van 1400 tot 1440 en Reinalt van Lent was richter in de Ooi van 1451 tot 1458. Maar al te vaak speelden de heren in de uitgebreide familie van Lent elkaar de vette baantjes toe en bevoorrechtten zij de reders, kooplieden en ambachtslieden in hun familie. De 14e en 15e eeuw zijn de eeuwen van de verpachtingen. Toen voor goed geld alles te koop was. In oorkonden vinden wij dan ook vaak de aanduiding 'guede mannen' of 'guede vrunden'. Met guede werd dan bedoeld kapitaalkrachtig. In deze eeuwen speelt ook het erfelijk ambtmanschap in de ambten een rol. Zoals in de Over-Betuwe de van Homoeth's die dat recht pas in 1445 verspeelden. In de 16e eeuw waaierde de familie uit over Europa en in 1638 emigreerden van Lent's naar de nieuwe wereld. De dynastie van ambtsdragers werd een grote familie kleine luiden. De eerste van Lent vinden wij in Utrecht waaruit de Nijmeegse en de Utrechtse lijn is ontstaan. De Utrechtse lijn is waarschijnlijk uitgestorven. Een van de beruchtste van Lent's in Utrecht was Jan van Lent, commissaris des konings in de tijd van de beeldenstorm. Hij velde tal van doodvonnissen, verbeurdverklaringen van goederen

Afb. 7c: 1. Zegel van Ricoldus Reymboldsz. Van Lent. schepen van Nijmegen 1357-1382. Met de adelaar uit het stadswapen. 2. Zegel van Gerardus van Lent, richter in Kranenburg 1351-1361. Met het Chatillon wapen. 3. Zegel van Johan Dericksz. Van Lent, had huis en hof in 'Oisterhold.' Schepen van Nijmegen. Met het Chatillon wapen met helmteken: 4. Zegel van Henricus van Lent, schepen en burgemeester van Nijmegen 1394-1422. Met de halve tweekoppige adelaar.

Afb. 7d: Tekening van de korenmolen van Sonsbeck naar Corn. Pronk uit 1731. Met op de achtergrond het stadje met de Maria Magdalenakerk en de Evangelische kerk. In de Codex Diplomaticus Neerlandicus 2e. serie, 2e deel, 1e. afd. pag. 178 vinden wij een schenking van jaarlijks 30 malder haver uit de korenmolen van het Kleefse Sonsbeck aan Diederik van Lent en zijn erfgenamen door graaf Johann van Kleef in 1351. Al in 1342 wordt Diederik van Lent in de bronnen rentmeester van Opper Gelder en het kwartier van Nijmegen en raadsheer van de hertog genoemd, (onsen lieve neve ende raet.) Op 23 maart 1348 wordt hij ook rentmeester van het kwartier van Zutphen. Een aantal jaarverslagen van Diederik van Lent als rentmeester zijn bewaard gebleven zoals het verslag van Sint Margriet 1343 tot Sint Margriet 1344 van Theodericus de Lenth, reddituus excellentis principes ducis Gelrensis.' in het hertogelijk archief van het rijksarchief in Arnhem. In 1347 werd Diederik van Lent korte tijd burggraaf van Nijmegen en richter in de Duffelt. Hertog Reinald III noemt hem in oorkonden dan 'onsen man en raed.' De twisten tussen groepen adellijken die in de regeringsperiode van Reinald II al broeiden kwamen na zijn overlijden op 12 oktober 1343 tot uitbarsting in wat wij de burgeroorlog van de Bronckhorsten met de Hekerens noemen. Zijn oudste zoon Reinald is dan 10 jaar, zijn tweede zoon Eduard 7 jaar. Dr. W. Jappe Alberts vertelt ons in zijn "Geschiedenis van Gelderland" alle intriges tussen de groep edelen die in Reinald III de rechtmatige opvolger zag, de Hekerens, en de groep die met steun van de hertogin/moeder Eleonora van Engeland de hertogshoed aan Eduard wilde toebedelen, de Bronckhorsten. Diederik van Lent en zijn schoonzoons Bartold van Doemic en Sander van Apeltem waren getrouwen van de rechtmatige opvolger, Reinald III. De Hekerens konden rekenen op de steun van de Kleefse graaf Johann die met Mechteld van Gelder, de zus van Reinald II, was getrouwd. In Lent had Diederik een kasteel en in Doornik zijn schoonzoon Bartold van Doernic die ambtman was in het Kleefse deel van de Over-Betuwe. In de Beuningse uiterwaard Bunsward had Diederik een militaire versterking. Zo controleerde Diederik van Lent met andere Hekerens de scheepvaart op de Waal. Toen in 1354 de burgeroorlog in alle hevigheid losbarstte, was eerst Bunsward doelwit van de Bronckhorsten en daarna de kastelen in Lent en Doornik . Ook het kasteel van zijn schoonzoon Sander van Apeltern werd verwoest. Zo groot was de haat van de Bronckhorsten dat zij na de overrompeling van Bunsward de bezetting van 26 weerplichtige poldermensen (slechts een ontkwam) op de Hoofdberg in Nijmegen executeerde. Alsof het terroristen waren. Op 23 februari 1356 kwam er een vredesverdrag tot stand tussen de broers Reinald en Eduard en Johann van Kleef waarbij Diederik van Lent al zijn verloren bezittingen terug kreeg inclusief de 'Diederikse tol.' Diederik van Lent is ongetwijfeld de machtigste van Lent geweest. Na de zoen van 1356 vinden wij hem in de bronnen niet meer actief in de voortgaande burgeroorlog. Hij liet zich voor zijn diensten vorstelijk belonen zowel door Reinald III als door graaf Johann. Hij moet steenrijk zijn geweest. Hij werd beleend met de heerlijkheid Rindern, hij kreeg de 'kloosterhoeven' tussen Kleef en Asperden, hij verwierf landerijen bij Kevelaar en bij Goch. In Lent had hij zijn kasteel als allodiaal bezit en een erfpachthoeve van Bedbur en zijn zoons hadden de 7 erfpachthoeven van Bedbur en de uiterwaarden van Lent geŽrfd van hun grootvader, Jan van Lent. Diederik werd beleend met de waarden tussen Doornik en Haalderen, waarvoor hij tienden van de opbrengst moest afstaan aan het patrocinium van Sint Martinus in Lent, en aan de overkant van de rivier met waarden in de Ooi n.l. de Ooise waard van Rycout van Lent en de waarden ťtsant' en 'zelic.' Diederik verkreeg de novale tienden in ňlten en een erfpachthoeve in Nijmegen. In Nijmegen bezat hij een huis bij de Burchtpoort. Verder genoot hij de opbrengsten van de Diederikse tol waarvan wij niet weten wat die tol precies betekende. Wel dat de Klevenaren van die tol waren vrijgesteld. Zijn zoons behoorden tot de Betuwse ridderschap. Otto en Beernt zijn getuigen bij de zoen van 2 november 1376 waarmee een einde kwam aan de avonturen van Jan van Blois, tweede echtgenoot van Mechteld van Gelder, in Gelderland. Eerder, in 1371/72 had Otto van Lent met vijf glaviŽn (geharnaste ruiters) deelgenomen aan de Tocht van Jan van Blois om Gelder" wat op een debacle uitdraaide. Het zegt alles over de rijkdom van Otto van Lent: Vijf geharnaste ruiters en Otto zelf plus ondersteunend personeel kostte een smak geld. Het hele ambt Over-Betuwe moest voor de operatie van Jan van Blois 30 glaviŽn ophoesten. Heel opmerkelijk; de oudste zoon van Diederik van Lent, Dietrich, werd schepen van Nijmegen. In 1376 is Diederik van Lent overleden. Wat de burgeroorlog voor de gewone arbeidsplichtige en weerplichtige man in die tijd betekende vertaalt Arkstee voor ons: '......Gedurende
den tijd van zestien jaren dorst de landman zijn land niet bezaaijen; huijzen noch kerken wierden verschoont; men hoorde niet dan van moorden en branden, op de allerwreedste wijze der waereld....'
Wie overleefde was overgeleverd aan bittere armoede. Ook in de steden waar de aanvoer van levensmiddelen telkens stokte en de mensen aan een galopperende inflatie waren overgeleverd moet bittere armoede zijn geleden.

Afb. 7d2: Burchtpoort stadszijde. Volgens de bronnen bezat Diederik van Lent in Nijmegen een erfpachthoeve van het stift Graefenthal en een woning bij de Burchtpoort. Gemakkelijk dicht bij het Valkhof waar de raadsheer Diederik met zijn landsheer, eerst Reinald II, daarna Reinald III, kon beraadslagen. Na de 'staatsgreep' van de hertogin-moeder Eleonora die de hertogshoed voor haar tweede zoon Eduard opeiste resideerde Reinald III vaak in het kasteel Ooi.

Afb. 7d3: Ingangspartij van het Valkhof zoals Albert Cuyp die schetste.

Afb. 7d4: Impressie van Kasteel Ooi in zijn glorietijd

Afb. 7d5: Stamboom van de lijn van Diederik van Lent

Toelichting bij de lijn van Diederik van Lent

De geboortedata van de telgen uit de lijn van Diederik van Lent (de Oudere) zijn tot in het derde geslacht onbekend. Het jaar van overlijden is in een aantal gevallen wel bekend. Meestal omdat het testament aan de erfgenamen bekend werd gemaakt of omdat wij dat gegeven konden vinden in sommige grondtransacties. In dit overzicht hebben wij als regel de bezittingen en de mutaties in die bezittingen niet opgenomen. Omdat die gegevens wel iets vertellen over de vermogens van de verschillende nazaten maar niets over hun publieke functies. Wij hebben geprobeerd om in dit overzicht de betekenis van de telgen in beeld te brengen. De conclusie is dat de kinderen van Diederik van Lent niet het niveau van hun vader hebben bereikt. De zonen behoorden tot de ridderschap en speelden hun rol in het politieke leven van hun tijd. Maar alleen Dietrich werd schepen in Nijmegen. Diens twee zonen waren vooraanstaande figuren in Nijmegen. Zijn zoon Derick was knape en koorheer van St. Steven. Zijn zoon Johannes, achterkleinkind van Diederik, was schepen van Nijmegen evenals zijn zoon Gerardus vele jaren schepen van Nijmegen is geweest. Deze Gerardus van Lent woonde in Lent en hij is de vader (of de oom) van Alijdt van Lent die met de Lentse molenaar Henrick Waeterhaelen trouwde. In 1548 en 1576 wordt zij als de laatste van Lent in Lent genoemd. Onder de kinderen en de kleinkinderen van Otto en Beernt van Lent vinden wij enkele ambtsjonkers/gerichtsmannen in de Over-Betuwe. Wij hebben geen indicaties dat zij nog tot de ridderschap behoorden. De familie van Lent in het kwartier van Nijmegen is met de telgen uit de lijnen van Diederik, van Isebrandus en van Baldekinus een grote familie geworden van kooplieden, reders en schippers, ambachtslieden en boeren die langzaam afzakten tot het niveau van 'kleine luyden.' Heel wat telgen zijn uit het kwartier van Nijmegen, uit Gelder en zelfs uit Kleef verdwenen. Tijdens de reformatie kwamen van Lent's in Zevenaar die daar twee generaties schepen en burgemeester waren. Ook in die grote familie kreeg de reformatie aanhang en zo vinden wij in Duitsland tal van nazaten in de Evangelische kerk. In Herborn werd magister van Lent professor in de theologie en in de Oosterse talen. In Utrecht was ten tijde van de beeldenstorm Jan van Lent (uit de Utrechtse lijn) commissaris des konings en als richter sprak hij tal van verbanningen en verbeurdverklaringen van goederen uit. Daaronder vonnissen tegen eigen familieleden die de wijk namen naar Oss waar toen de protestantse Osse tak uit de Utrechtse lijn ontstond. Later, in 1638, emigreerde een familie van Lent onder leiding van Abraham Rijcken van Lent naar Amerika. Het waren presbyterianen

Jan van Lent, de Oudere, overleden in 1356 is de vader (of de vermoedelijke vader) van Diederik, Margaretha, Hildegart en Jan. In Lent had hij 7 hoeven in leen van het Sint Marcus Stift in Bedbur bij Kleef waar zijn dochter Hildegart in 1346 was ingetreden. Zijn pachters werden in zijn laatste wilsbeschikking met name genoemd en wel 1. Elzebe Herwich, 2. Gaetsten, 3. Ghese Wijnkens, 4. Gysebert Blijsken, 5. Ludeken, 6. Vrouw Bake, 7. Willem Voets. De Commanderie van St. Jan uit Nijmegen had toen in Lent drie hoeven en wel Het Laauwik, Het Visveld en de Broodkorf.. In 1500 had de Nijmeegse schepen Gerardus van Lent die in Lent woonde alleen in Lent meer dan 100 morgen.

Diederik van Lent, overleden in 1376 trouwde met Ott en na haar overlijden met Heylwig van Erkel uit het gelijknamige Wychense geslacht. Hij kreeg 6 kinderen; Dietrich, Geertruid, Heylwig, Otto, Beernt en Hendrica.

Margaretha van Lent. Van haar is alleen bekend dat zij met Theodericus van Kekerdom trouwde. Of zij kinderen heeft gekregen is onbekend.

Hildegart van Lent, overleden in 1402. Zij is voor die tijd stokoud geworden. In 1346 was zij ingetreden in het Sint Marcus Stift in Bedbur waar zij de functie van 'kosteres' vervulde. Zij heeft in haar functie haar uitgebreide familie bevoordeeld. Zij had eigen bezit zoals later uit de afhandeling van haar testament blijkt.

Jan van Lent. Van de jongste zoon van Jan van Lent de Oudere is alleen bekend dat hij bezittingen in Herwen en Aerdt had en dat hij twee zonen had: Otte en Frederik.

Kinderen van Diederik van Lent de Oudere

Dietrich van Lent, overleden in 1410. Oudste zoon van Diederik van Lent. Erfde met zijn broer Otto in 1356 de leengoederen van zijn grootvader Jan van Lent in Lent Trof met zijn broers Otto en Beernt in 1361 een afbetalingsregeling met Johan graaf van Kleef waarin deze zijn schuld van 4.185 pond kleine penningen die in Nijmegen gangbaar waren aan de erfgenamen van Diederik van Lent inloste. Het was de prijs voor de verkoop van de heerlijkheid Rindem door Diederik van Lent aan de graaf. Theodericus Theoderici van Lent was met onderbrekingen schepen van Nijmegen van 1385 tot zijn overlijden in 1410.

Geertruid van Lent. Trouwde met de Heer van Doornik, Barthold van Doemic en na diens overlijden met de Over-Betuwse edelman Alard van Sevenaer. Uit het eerste huwelijk kreeg zij een zoon, Wolter van Doernic die zijn vader in de heerlijkheid opvolgde. In 1417 sloot Geertruid een deal met het stift in Bedbur om de nalatenschap van haar oudtante, de non Hildegart van Lent, zus van haar vader, te regelen.

Heylwig van Lent. Deze dochter van Diederik van Lent komt alleen voor in een transactie van haar vader met het Stift Graefenthal in 1367.

Otto van Lent. 1356 en 1361 zie onder Dietrich. In 1371/72 neemt ridder Otto van Lent met vijf glaviŽn deel aan de tocht van Jan van Blois om Gelder.ln 1376 worden Otto van Lent en zijn broer Beernt opgevoerd in de zoen van Jan van Blois met Mechteld van Gelder. Ook in de landvrede van Jan van Blois en Mechteld van Gelder met de ridderschap van de Betuwe en de Veluwe en enige Gelderse steden in 1377 worden beide broers genoemd. In 1383 kreeg Otto van Lent 'de halve thiende tho Lent ende tho Doornik' en kreeg Steven van Lent, zoon van de richter in de Duffelt, Ysebrandus van Lent, de andere halve tienden. In 1400 bemiddelde Otto van Lent in het conflict van de broers Robert en Henric van Apeltern, zonen van zijn zus, Hendrica van Lent. Hij had vier kinderen: Geertruid, Beernt, Otth en Henric.

Beernt van Lent. In 1400 of daarvoor overleden. Zijn weduwe Nyese sloot toen een deal met de vicarie van Sint Walburg in Arnhem. Zie onder Otto van Lent 1376 en 1377. Trouwde in 1389 met Nyese. Wordt in 1390 opgevoerd in de stadsrekeningen van Arnhem. Hij had een zoon, Johannes.

Hendrica van Lent. Trouwde met Sander van Apeltem. Uit dit huwelijk kwamen twee zonen; Robert en Henric.

Kleinkinderen van Diederik van Lent de Oudere

Kleinzoon Johan van Lent Dietrichsz. In 1418 tekende Johan van Lent, zijn broer Derick, Johan van Steenbergen, de gebrs. Geryt en Diric van Steenbergen en de steden Nijmegen, Tiel, Grave, Ghent en Zaltbommel een verbondsbrief om elkaar te steunen en met eikaar te overleggen wanneer de hertog kinderloos zou overlijden. In 1429 hebben Jan van Lent, Deric en Geryt van Steenbergen in de Betuwe politieke tegenstanders lastig gevallen zoals blijkt uit de aantekening: 'omme Jan van Lent, Geryt en Deric van Steenbergen an syn hant te nemen, die gewalt an onsen burgeren ende oren gueden in Betu gedaen hebben...' In 1436 werd Johan van Lent in de tweede verbondsbrief van de ridders en knapen van Gelder met de steden opgevoerd. Johan van Lent trouwde met Meyne. Uit dat huwelijk kwamen twee zonen; Geryt en Bernt.

Kleinzoon Derick van Lent Dietrichsz. Voor 1418 zie onder Johan van Lent Dietrichsz. In 1428 brengt een stadsbode brieven naar Lent bestemd voor Derick van Lent en Geryt van Steenbergen. Derick woonde in die tijd in Lent. De van SteenbergerÔs in Ressen. De correspondentie zal wel te maken hebben gehad met de politieke spanningen tussen de stad en de heren in Lent, Ressen en Doornik. In de tweede verbondsbrief van 1436 (zie ook onder Johan van Lent Dietrichsz.) wordt Derick van Lent opgevoerd als koorheer van Sint Stephen. Hij had twee kinderen; Johan en Derick

Kleindochter Getrud van Lent Ottensd. Trouwde met Jan van Steenbergen, Heer van Ressen. Kreeg van hem in 1410 Huis Doornik als weduwgoed. Die schenking werd in 1414 door Dirk van Lynden, Heer van Hemmen bevestigd. Zij werd Vrouwe van Doornik genoemd.

Kleinzoon Beernt van Lent Ottensz. Werd in 1445 als ambtsjonker/gerichtsman in de Over-Betuwe genoemd. Hij ha twee kinderen; Bernt en Otth.

Kleinzoon Otth van Lent Ottensz. Werd in 1462 als ambtsjonker/gerichtsman in de Over-Betuwe genoemd. Hij had twee zonen; Derick en Jan.

Kleinzoon Henrick van Lent Ottensz. Hij had twee kinderen; Ott en Johan.

Kleinzoon Johannes van Lent Beerntsz. Wordt in de stadsrekeningen van Arnhem genoemd als 'Her Johan van Lent, onsen canonic' in de periode 1398-1448. Hij was (ook) kanunnik in Zutphen. Na 21 april maar voor 28 december 1448 overleden. Hij had een dochter; Johanna.

Niet opgevoerd werd de bastaard Derk van Lent, gen. Viervant, zoon van Otto Diederiksz. Of Beernt Diederiksz. Hij trouwde met Geertruid en kreeg een zoon, Heynrick van Lent gen. Viervant en een dochter, Geertruid van Lent. Deze Geertruid van Lent trouwde met Amt Visscher, de overgrootvader van Petrus Canisius. Het geslacht Kanis voerde evenals Geertruid van Lent het chatillon wapen van drie palen van vair met een gouden schildhoofd. In het schildhoofd heeft de familie Kanis een gestyleerde hond opgenomen. Wij vinden dit wapen terug bij onze Radboud Universiteit.

Aanvullend bronnenonderzoek heeft als resultaat gehad dat een aantal correcties in de stamboom moesten worden toegepast in eerdere publicaties in Lent lang vervlogen tijd nrs. 9 en 10.

Afb. 7e: Jacob Stellingwerff maakte in 1652 een tekening van "Domick te Ressen' waarvan bovenstaand een impressie. Voor zover wij weten is dit de enige afbeelding van het oude dorpje. Het dorpje is dan duidelijk in verval. Volgens schriftelijke bronnen zou het oude kerkje al in 1595 worden gesloopt. Toch zien wij op de tekening de ruÔne van het torentje. De oudste vermelding van de kerk van Doornik in het bisschoppelijk archief van Utrecht dateert uit 1395. Doornik en Haalderen vormden toen een patrocinium, een parochie. De Heren van Doornik bezaten het collatierecht, het recht om de pastoor te benoemen die dan door de bisschop in zijn ambt werd bevestigd. De laatste pastoors voor de reformatie waren Albert van Lynden in 1573 en Johan van Lent in 1575. Beide telgen uit bekende adellijke geslachten. Zeker na 1580 toen Jan van Nassau alle kerken in de Over-Betuwe had genaast voor de protestantse eredienst is de kerk in Doornik in verval geraakt. Protestanten moesten toen in Ressen kerken.

Afb. 7f: De zoektocht naar de locatie van het verdwenen oude dorp Doornik dat op het einde van de 16e eeuw in verval was geraakt omdat de inwoners, om welke reden dan ook, noordelijker nieuwe behuizingen en hoeven betrokken, en op 21 februari 1799 door de grote watersnood in rivierenland door de Waal werd verzwolgen, verliep in drie fases. De resultaten van het eerste onderzoek werden in 1991 verslagen in de RAAP-notitie nr. 35 van P. van der Gauw. Het tweede onderzoek werd in 1997 vastgelegd in RAAP-verslag nr. 173 van H. Haarhuis en het laatste onderzoek in 1999 in RAAP-notitie nr. 412 van C. Thanos. Op bovenstaande plattegrond werden de gevonden locaties geprojecteerd op de plattegrond uit 1995.

Afb. 7f1: Gedetailleerde weergave van de hypothetische reconstructie van de laatmiddeleeuwse plattegrond van Oud Doornik op pag. 28 van de RAAP-notitie nr. 412, 'Bemmelse Waard; een archeologische kartering en waardering' van C. Thanos . (14.01.1999) Volgens de gevonden gegevens lag het dorpje direct achter de toenmalige bandijk die in 1799 wegspoelde. Zoals ook Oud Oosterhout voor de verwoestende watersnoden van 1809 en 1820 achter de toen verdwenen bandijk lag. Voor de ramp van 1799 liep er een weg van Huis Doornik naar het oude dorp. Na de ramp werd de bandijk ver teruggelegd en lag Huis Doornik pal achter de nieuwe dijk.

Afb. 7g: In 1326 werd Jan van Doirnic beleend met de heerlijkheid Doornik. In 1355 werd het kasteel van Barthold van Doirnic, schoonzoon van Diederik van Lent, in de burgeroorlog verwoest. Na de van Doirnic's kwam het geslacht van Steenbergen in Doornik, bastaarden uit het Gelderse Huis. In 1507 werd Willem van Arenborch beleend met de heerlijkheid Doornik en Ressen. Hij liet (waarschijnlijk) het kleine kasteeltje bouwen dat op de tekening werd weergegeven. Na de laatste van Arenborch kwam Doornik in het schoutambt Bemmel.

Afb. 7g1: Zo heeft de achtergevel van het laatste Huis Doornik er mogelijk uit gezien. Van dit open huis is slechts een gestileerde afbeelding bekend. Dit laatste huis dat in 1824 of daaromtrent is gesloopt is waarschijnlijk door Willem van Arenborch gebouwd toen hij door Karel van Egmond was beleend met de nieuwe heerlijkheid Doornik en Ressen.. In de geschreven geschiedenis wordt Doornik voor de eerste keer genoemd in de goederenlijsten van Frater Richerius en Frater Henricus Capellanus van 1070 waarin ook Lent voor de eerste keer wordt genoemd. Doornik wordt aangeduid als Tomacum in palustrio, Doornik in het moeras, en Lent als Lino. Graaf Reinald II beleende in 1326 zijn ministerialis Jan van Dornic met de heerlijkheid Doornik met 80 morgen. Jan van Dornic was de zoon van Johannes, dictus de Dornic die in 1294 en 1296 ambtman in het Land van Maas en Waal was. Jan van Dornic was ministerialis bij graaf Reinald II, bijgenaamd de Zwarte. Hij werd in de geschreven bronnen van toen in 1322, 1324 en 1328 als burggraaf van het Rijk van Nijmegen genoemd. Willem Borre van Dornic was Heer van Hemmen en in 1344 ambtman van de Over-Betuwe. Hij overleed in 1361. Hij had een dochter die met Dirk van Lynden was getrouwd. Zo is Hemmen in handen van het invloedrijke geslacht van Lynden gekomen en werd Doornik een Hemmen's leen. Otto de Doemycke zou in 1334-1342 ambtman van de Over-Betuwe zijn geweest. Barthold van Doernic, de oudste zoon van Jan van Dornic trouwde met de oudste dochter van Diederik van Lent, Geertruid. Deze Barthold van Doernyck werd op 17 juli 1350 aangeduid als 'judex secularis' in Andelst. Hij was toen plaatsvervangend ambtman voor Johan van Homoet Jr. Op 17 februari 1354 werd hij als pandhouder van het ambt Over-Betuwe aangeduid. Hij behoorde, evenals zijn schoonvader Diederik van Lent en zijn zwager Sander van Apeltern tot de partij van de Hekerens in de burgeroorlog tussen de Bronckhorsten en de Hekerens waarin in 1355 het kasteel Lent, het Doornik en het kasteel Apeltern werden verwoest. Wij weten dat Diederik van Lent zich toen heeft teruggetrokken in het Kleefse land waar hij de bescherming genoot van Johan van Kleef en zijn echtgenote Mechteld van Gelder. Barthold van Doernyck is waarschijnlijk in gevangenschap geraakt van tegenhertog Eduard en de Bronckhorsten want op 5 mei 1361 wordt in een oorkonde vermeld dat hij zijn ambt niet kon uitoefenen omdat hij in gevangenschap verkeerde. In 1368 heeft Johan van Kleef Gherit van Steenbergen, bastaard uit de Gelderse familie, beleend met Ressen met hoog en laag rechtsgebied. Met de overwinning van de Bronckhorsten werd deze belening de facto ongedaan gemaakt. In 1385 heeft Gherit van Steenbergen Ressen overgedragen aan hertog Willem. In 1380 kreeg Nijmegen het bestuursrecht over de Lentse en Doornikse uiterwaarden en kregen Otto en Steven van Lent ieder de helft van de tienden uit deze groeiende uiterwaarden. In 1409 werd Jan van Steenbergen die met de kleindochter van Diederik van Lent, Geertruud, was getrouwd door Dirk van Lynden, Heer van Hemmen beleend met de heerlijkheid Doornik

........Ic Jan van Steenbergen, Gherits altsie soen van Steenbergen bekenne mits desen openen brieve, dat ie ontfangen hebbe tot enen Sutfenschen leen dat huys to Doomic, met tachtig mergen landts, dat dat voorsc. huys op steet, ende met allen sinen toebehueren, alst Bertout van Doernic, van heren Borren van Doernic, sinen brueder, te halden plach. In kennisse der waemeid so heb ic, Jan van Steenbergen voorsc. minen segel aen desen brief ghehangen. Ghegeven in 'tjaer ons Heeren dusent vierhondert en de negen op Sante Bartalameus avont des heylig apostels............

Wolterus van Doernic, oudste zoon van Barthold van Doernic en Geertruid van Lent, woonde toen al niet meer op Huis Doornik. In de oorkonden wordt vermeld dat Gherit van Steenbergen in Huis Doornik is overleden. De van Lent's hebben kennelijk bezittingen van de van Doernic's overgenomen. Zo had Sander van Doernic de Doornikse bezitting, de Borrencamp, overgedragen aan Vrederic den Jode uit Nijmegen. In 1388 is de Borrencamp in het bezit van Lysbeth van Lent gekomen. Op 21 februari 1410 schenkt Jan van Steenbergen het huis Doornik met 61 morgen aan zijn vrouw Geertruud van Lent als weduwegoed. In 1418 verkoopt Dirk van Lynden Ressen voor 10.300 kronen aan de jonge hertog Reinald IV. Hoe de van Lynden's in het feitelijke bezit van Ressen waren gekomen onttrekt zich aan onze waarneming. De van Doernic's en de van Steenbergen's komen steeds minder voor in officiŽle stukken. In 1456 dragen Johan van Steenbergen en zijn vrouw de Blijencamp en de Hoge Weerd in het kerspel Doornik over aan Derick en Margriet van Lent. Door erfenissen en delingen in de grote familie Lent was het geweldig grote familiebezit steeds verder versnipperd.

Afb. 7h: De keizer met de rosse baard, Frederik Barabarossa, bouwde rond 1155 de grimmige burcht 'Het Valkhof op de hoge heuvel waar de palts van Karel de Grote had gestaan die in 1047 door Godfried de Leenman was verwoest. (Of misschien al eerder in de winter van 880/881 toen de Vikingen in Nijmegen overwinterden.) Tot de sloop van de burcht in 1796 zagen de Lentse mensen eeuwenlang de burcht in zijn volle glorie vanaf de Lentse oever. Detail uit een ingekleurde ets van Cornelis Pronk.