JAAR 1819

Vervolg

der

KRONIJK van NIJMEGEN

tot den jare 1818

 

te Nijmegen

bij C. J. van GOOR & Zoon

1818.

 

Digitale- en internetbewerking: Henk Kersten 2004

 

Bij deze digitale bewerking is zoveel mogelijk uitgegaan van de originele typografie. Deze digitale versie van de Kronijk van Nijmegen is voor studiedoeleinden vrijelijk te gebruiken. 

Bronvermelding wordt zeer op prijs gesteld; www.noviomagus.nl

 

Ter info: De maandaanduiding in deze kroniek is als volgt: Louwmaand (jan), Sprokkelmaand (feb), Lentemaand (mrt), Grasmaand (apr), Bloeimaand (mei), Zomermaand (jun), Hooimaand (jul), Oogstmaand (aug), Herfstmaand (sep), Wijnmaand (okt), Slagtmaand (nov), Wintermaand (dec). (HK)

Het voorgevallene binnen de Stad Nijmegen en in derzelver omtrek, voor zoo verre zulks uit de geschiedenissen, en andere overblijfsels der oudheid, van de vroegste tijden af, immers van den tijd der Romeinsche heerschappij, konde worden opgemaakt, is door Johannes Smetius, weleer Theologiae et Philosopjiae Professor te Sedan in Frankrijk, daarna Helder en Leeraar bij de Hervormde Gemeente te Nijmegen, op het aanhoudend verzoek zijner stadgenooten, die van zijn doorwrocht Latijnsch werk, het Oppidum Batavorum, geen gebruik konden maken, bij korte aanteekeningen in het Nederduitsch gesteld tot het jaar 1300; en door zijnen zoon, van dezelfden naam, en dezelfde bediening, te Nijmegen, bij wijze van een Jaarboekje of Krtonijkje, uitgegeven tot 11 October 1591, den dag der verlossing van de stad Nijmegen uit de Spaansche dienstbaarheid, naar de schrijfwijze, welke in die eeuwe plaats greep. Dit werkje, zeer zeldzaam geworden zijnde, is in dezelfde eenvoudige schrijfwijze, en met behoud van zulke bastaardwoorden, welke door de lezers beter verstaan worden, dan wanneer dezelve in het Nederduitsch worden overgezet, met aanteekeningen herdrukt tot 1784, en alnu vervolgd tot het jaar 1818 .
Het te beknopte in hetzelve kan worden opgehelderd uit de Annales Noviomagi; het bijvoegsel uit de Guedes-dagboeken; de Handvesten en andere door mij uitgegevene stukjes, de Stad Nijmegen betreffende.

NIJMEGEN den 21. Junij 1818.

JOH. JN DE BETOUW, aetatis 87.

VERVOLG 
DER 
KRONIJK VAN NIJMEGEN

1785. Den 25 van Lentemaand was het Water in de rivier de Waal ter laagte van zeven en een halve duim aan het peil.

Den 6 van Slagtmaand werd aan de Ordinaris Gedeputeerden des Kwartiers territoir verleend tot het uitoefenen van een lijfstraffelijk vonnis tegen eenige smokkelaars.

1786. Den 22 van Sprokkelmaand werd aan het Gerigt van Ubbergen het vermogen gegeven, om, bij voorkomende gevallen van apprehensie van delinquanten, tegen welken het vonnis van bannissement uit de Heerlijkheid zoude behooren te worden uitgesproken, hetzelve bannissement te kunnen uitbreiden tot de stad Nijmegen en Schependom van dien, mits melding makende van het daartoe verleende Raadsbesluit, en na pronunciatie van het vonnis overgevende copie authentic aan Burgemeesteren, ten fine van registratie ter Secretarie der stad. (a) 

Den 7 van Slagtmaand werd de stad Nijmegen, en bijzonderlijk 's Furstendoms Burgt, vereerd met het verblijf en inwoning van het Stadhouderlijk Hof tot den 23 van Herfstmaand 1787.

In Wintermaand werden drie Romeinsche grafsteenen, welker een was van Domitia Albina, de ander van Sextus Secundus Felix, en de derde van M. Anicius, mitsgaders een gelofte-steen van Blesio Burgionis Filius, op 's Furstendoms Burgt in het laatste der zeventiende eeuw uitgegraven, bij de overige monumenten op het Raadhuis geplaatst. (b)

(a) Raadsign. 22 Febr. 1786. 10 Aug. 1793

(b) Zijnde een aangenaam geschenk van den Heere Jacob Adolph Baron van Heeckeren tot Enghuizen en Beurse, uit de nagelatene verzameling van den Heere Everhard Baron van Heeckeren tot Nettelhorst, Enghuizen en Barlham, Landdrost der Graafschap Zutphen. Raads. 20 en 22 Decemb. 1786. Zie derzelver beschrijving in mijne uitlegging van de opschriften op altaren en gedenksteenen te Nijmegen, bl. 59, 63, 75 en 95, en de Monumentis Sepuleralibus pag. 20.

1787. Werd de aanzienlijke, doch bouwvallige, opgang naar het Raadhuis, langs den geheelen voorgevel, afgebroken, en vervangen door eenen ingang met weinige breede trappen.

In Louwmaand werd besloten, dat de wegen in het Schependom aan beide zijden met opgaande eikenboomen zullen worden bepoot; bijzonderlijk in de Nederbossche straat.

1788. In Bloeimaand werd buiten de Hezelpoort, nabij de oude haven, eene Romeinsche aschkruik of urne, en een beker, beide ongeschonden, en van fijne roode of Samische aarde, gevallig opgedolven.
1789. In Bloeimaand en Zomermaand rees het water in de rivier de Waal tot boven de achttien voet aan het peil.
1790. Werd tusschen de steden Nijmegen en Wageningen, als eigenaren van het Lexkes veer met de daartoe behoorende veendammen, eene conventie gemaakt met de geërfdens van den Randwijkschen buiten-polder. (c)

(c) Raads. 12 Mei 1790.

1793. Den 10 van Herfstmaand werd bepaald, dat het verleenen van vrijdom op het veer over de rivier de Waal alleen aan den Raad verblijven zal.
1794. In Herfstmaand werd, bij het zetten van pallissaden of stormpalen aan de vestingwerken op den Hunenberg, opgedolven een Denarius, of zilveren penning, op de voorzijde hebbende de hoofden van Nero en Agrippina, met het omschrift

AGRIP. AVG. DIVI CLAVD. NERONIS CAES. MATER. 

Op de keerzijde

NERONI CLAVD. DIVI F. CAES. AVG. GERM. IMP. TR. P.

In het midden eene eikenkrans met

EX S. C (d)

Den 9 van Wijnmaand rukte het noordelijk krijgsleger der Franschen, onder den Opperbevelhebber Pichegru, in de landen van tusschen Maas en Waal, strekkende hunne voorposten uit van Ewijk tot Kranenburg. Na een gevegt tusschen de Engelschen, die zich in Maas en Waal geworpen hadden om Nijmegen te dekken, en de Franschen, genoegzaam aan elkanderen gelijk in magt, den 19 of 20 van Wijnmaand omtrent Druten, ten nadeele der Engelschen uitgevallen (e), vreesde men te Nijmegen het beleg. De Stad en het nabij gelegen Fort Knodsenburg werden in eenen geduchten staat van tegenweer gesteld. Men hakte zelfs omver de schoone lanen, en wandeldreven rondom de stad, ter wijdte van een half uur gaans. Op den 24 van Wijnmaand openden de Franschen hunne batterijen boven en beneden de stad, in de Ooij, en buiten de Hezelpoort, om de liggende schipbrug over den Waalstroom te beschieten.

Den 3 van Slagtmaand werd de stad opgeeischt, en, bij weigering van overgave, den 6 van die maand, met gloeijende kogels en hauwitsers hevig beschoten, waardoor op vele plaatsen brand ontstond. De Broederkerk, en het bijgelegen woonhuis van den Predikant, werden tot den grond toe in de assche gelegd, en door het nederstorten van den toren, en door de gloeijende kogels, de meeste gebouwen der stad zeer beschadigd. (f)

In den nacht tusschen den 7 en 8 van Slagtmaand, wanneer men zag, dat het niet mogelijk was de stad langer te behouden, en dat men voor het geweld der Fransche wapenen zoude moeten bukken, nam H. Balneavis, een stoutmoedig krijgsman, volgens zijnen rang, het opperbevel van de stad over, en was terstond werkzaam om te beproeven, of het niet mogelijk zoude zijn eenig beding met den Franschen Generaal Souham, bevelvoerende over het beleg voor Nijmegen, in te gaan. Dit gelukte; en bij het 3de artikel der kapitulatie werd toegestaan, dat alle inwoners der stad bij het vrij genot van hunne privilegien zouden blijven. (g)
Na het inkomen der Franschen onder den misbruikten naam van Broederschap, en onder schijn van vrijheid, leden de burgers en inwoneren der stad zeer veel door de aanhoudende requisitien of afvorderingen, en inlegeringen, maar vooral door de hindernissen, die aan den koophandel werden toegebragt.

(d) Iets betreffende de gevondene oudheden. aan de Winseling, Lennepe-kamer, en den Roomschen voet, bl. 5.

(e) C. Rogge, Geschieden. der omwenteling, bl. 49-53.

(f) C. ROGGE, Geschiedenis der omwenteling bl. 52-60. Europische Staats-Secretaris van Novemb. 1794, bl. 531.

(g) Europische Staats-Sekretaris van de maand November 1794, bladz.531, 537. Raads. 8 Novemb. 1794. C. ROGGE, Geschiedenis der omwenteling bl. 57.

1795. In Grasmaand bij het toewerpen der loopgraven, welke de Franschen buiten de Hezelpoort gemaakt hadden, werd door de arbeiders, onder de opgeworpene aarde, een uitmuntende gouden penning van Antoninus Pius ontdekt, hebbende op de voorzijde

IMP. T. AEL. CAES. HADRI. ANTONINVS.

Op de keerzijde 

AVG. PIVS P. M. TR. P. COS. DES. II. (h)

In Bloeimaand geschiedde afkondiging der onafhankelijkheid van het Bataafsch Gemeenebest, tegens opoffering van een aanzienlijk gedeelte grondgebieds, en geldprijs van honderd millioenen guldens, ter vergoeding en schadeloosstelling voor de kosten van den oorlog. (i)

Den 13 van Herfstmaand werd ter Staatsvergaderinge voorgesteld om het Hofgebouw, of 's Furstendoms Burgt, door het Fransch geschut eenigzins beschadigd, ten voordeele der Domeinen te doen afbreken; en deze voorslag werd vervolgens, niettegenstaande de billijkste protesten van de stad Nijmegen, en van het Rijk van Nijmegen, mitsgaders van het Ambt van tusschen Maas en Waal, en de verklaringe van het Ambt Over-Betuwe van ongelast te zijn met meerderheid van stemmen besloten. (k)

(h) Zie iets betreffende de gevondene oudheden op de Winseling en Lennepe-kamer, bl. 9. .

(i) Zie Art. 13 en 21 van het Traktaat van Vrede en Alliantie, in de Vaderlandsche Historie LV. Deel, bl. 12, en bii C. Rogge, Geschied. der omwenteling bl. 518-543.

(k) Namelijk der Kwartieren van ZUTPHEN en van VELUWE; bij welker stemmen zich voegden TIEL, BOMMEL, Neder-Betuw, Tieler- en Bommeler-waarden, Beest en Rhenoij. Land.- Rec. 30 Oct. 1795. Kwart. Rec. vau Nijmegen 21 Aug., 15 Sept. 1795 10, 16 Febr. 1796 

1796. Den 9 van Sprokkelmaand werd dit eerwaardig, en door den alles verslindenden tijd zelven zoo lang geëerbiedigd Rijks-paleis van KAREL den Grooten, om te sloopen, opentlijk verkocht voor negentig duizend en vier honderd gulden. (l)

In Oogstmaand bij het ontblooten der grondslagen van het Paleis, werd ontdekt een grafsteen, hoog 26, breed 19, en dik 10 duimen, opgerigt ter gedachtenisse van den krijgsman L. Cornelius Licinius, gediend hebbende onder het twintigste legioen, hebbende het volgend opschrift

L. CORNELIV
L. F. POL. LICINIV,
MVT. VET. EX LEG
XX. ANN. L,XV
H. S. E.
PRIMA CON. (m)

Onder vele ontdekte Romeinsche penningen waren de oudste een Denarius of zilveren penning, Gentis Platitiae, op de keerzijde vertoonende Castor en Pollux, met ROMA, en Gentis Juliae, op de voorzijde hebbende het hoofd van Venus; op de keerzijde twee huilende Galli, zittende onder een zegeteeken, beneden CAESAR, een Quinarius Gentis Tituriae; koperen van de drie mannen, opzieners der munten ten tijde van Augustus; en een gouden van Valentinianus, op de keerzijde hebbende RESTITVTOR REIPVBLICAE, beneden KONST. (n)

(l) Hoe zal de kunstminnende nakomelingschap geloven dat het sloopen door Nederlandsche handen is verrigt, vraagt de Heer H. van WJJN, Huiszittend leven, I. Deel, 1 Stuk, bl. 29. En de Heer E. M. ENGELBERTS meent zulks te moeten toeschrijven aan den nijd, en aan de afgunst, dat Nijmegen ook door zulk een onvergelijkelijk stuk van oudheid boven de andere steden uitblonk. Zie deszelfs alouden staat der Nederlanden, IV. Deel, bl. 332 en volgende, en den Rijks-Vrijheer W. A. VAN SPAEN, inleiding tot de Hist.van Gelderland, III. D., bl. 50, vergeleken met de Histor. van Gelderland, I. D., bl. 211.

(m) Kwartiers-Rec. 27 Mei 1796. De uitlegging en beschrijving van dit opschrift zie in de Lotgevallen van den Burgt, bl. 6, en in Iets betreffende de gevondene oudheden, bl. 32-39

(n) Lotgevallen van den Burgt bl. 11, 12, 13.E. M. ENGELBERTS, aloude Staat, bl. 321-334. Iu 1804 beloofde de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden eenen gouden Eerepenning, ter waarde van 150 guldens voor den geenen, door wien de vroegste oudheid van het Valkhof nog duidelijker, dan tot dus verre geschiedde, opgespoord zoude mogen worden. Zie het Programma in de Letter-Bode 28 April 1804, No. 41, en G. VAN HASSELT, Bijdrag tot den Burg, bl. 3.

1797. De tijd, welke tot het afbreken werd doorgebragt en de handen, die er bij aanhoudenheid aan werkten, van honderd en honderd vijftig man, bewijzen, dat dit gebouw zulk eene vastheid had, dat het nog eeuwen lang den tijd had kunnen verduren. (o)

In Wintermaand werd de ledige opperrvlakte, met insluiting der overblijfselen van de twee Afgods-tempels (p), met opgaande boomen beplant.

(o) Lotgevallen van den Burgt bl. 77. E. M. ENGELBERTS, aloude Staat, W.D., bl. 325, 336. Eene afbeelding van dit Keizerlijk Rijks-paleis, door J. VAN GOOIJEN geschilderd, is nog aanwezig op het Raadhuis; en eene uitmuntende afteekening van hetzelve door H. HOOGERS is in plaat gebragt.

(p) Lotgevallen van den Burgt, bl. 78. Bijvoegsel tot de Lotgevallen, bl. 10 en volgende. E. J. B. SCHONCK, Nijmeegs Altzigt, bl. 8. Geen gedenkteeken der oude bouwkunst is goed bij ons overgebleven, want geen gebouw Kan eene zoo hoogen ouderdom bereiken, dan mogelijk de TWEE KAPELLEN, het eenigste overblijfsel van den Burgt te Nijmegen, zegt de Rijks-Vrijheer W. A. VAN SPAEK, Hist. van Gelderland, I. D., bl. 182.

1798. Na hevige twisten over het nut of schadelijkheid van het bijeenroepen eener Vergadering, magt hebbende over de geheele Republiek, kwam op den 1 van Lentemaand 1796 de eerste Nationale Vergadering tot stand. Deze werd in Herfstmaand 1797 vervangen door eene tweede, van welke een gedeelte op den 22 van Louwmaand 1798 zich veranderde in eene Constituerende Vergadering, en bewerkte de vernietiging van de Souvereiniteit der bijzondere Provincien; de ineensmelting der Staats-schulden; en de een- en ondeelbaarheid van het Gemeenebest; (q) waardoor niet alleen de Staten van deze Provincie werden vervangen (r) door een intermediair administerend Bestuur, ondergeschikt en verantwoordelijk aan de Constituerende Vergadering; maar waardoor ook de Regalia majora, (s) aan Nijmegen verleend door de Frankische Koningen, Roomsch-Koningen en Keizeren, met welke de stad boven de andere steden prijkte krachteloos gesteld werden.

In Wintermaand was de strengheid, der koude zeer vinnig, evenarende de scherpe koude van de jaren 1709 en 1740.

(q) Met het aannemen.van het beginsel van eenheid, had de staatkundige omwenteling van 1795, in derzelver gevolgen, het voormalig Staatsgebouw reeds om verre gerukt.

(r) Zie het Landdags-Rec. 29 Januarij 1798. Kort daarna, bij eene nieuwe omwenteling, werd deze Contituerende Vergadering, zijnde een geheel revolutionair Bestuur, ontbonden; en, in Zomermaand eene Wetgevende Vergadering bijeengeroepen, in twee kamers verdeeld; en uit derzelver midden een Uitvoerend Bewind benoemd.

(s) SMETH, Oppid. Batav. Cap. VI, VII, X, pag. 74, 85, 92, 129. Nijmegen.verdeeld in Wijken enz., bl. 58. Handvesten bl. 61. Vervolg der Handvesten bl, .14 en volgende. Nijmegen was de EERSTE der Geldersche hoofdsteden, en haar oorsprong was VERHEVENER, dan die der andere steden, dewijl zij denzelven aan de KEIZERS te danken had, volgens den Rijks-Vrijheer W. A. VAN SPAEN, Hist. van Gelderland, I. D,. bladz. 211, en Inleiding tot de Hist.van Gelderland, III. Deel, bl, 48 en volgende.

1799. Den 31 van Louwmaand geraakte deWaal voor de stad met een ontzettend geweld aan het werken. Het ijs stapelde zich bergen hoog in de rivier en op den Veerdam, en zettede zich spoedig wederom vast.

Den 2 van Sprokkelmaand brak de Waal. andermaal los; het ijs raakte op nieuws vast, waardoor het water tot 24 voet en 8 duim opliep. Het benedenste gedeelte van de stad stond onder water tot aan de eerste verdieping der huizen.

Den 20 van die maand dreef uit de Duffelt, over den Ooijschen dijk, voorbij de stad eene blanke schots, de oppervlakte hebbende van ruim een mergen, met rijen van willige boomen en struiken, gelijk als beplant; andere voerden daken van huizen met zich. Eene van dezelve, zich stierende op de stad, wierp de achterhuizen der Steenstraat omver, en beschadigde vele andere. Het water liep voorts op ter hoogte van 26 voet, waardoor de Over-Betuwsche Bandijk boven de Bemmelsche sluis doorbrak, overstroomende de Over- en Neder-Betuw. Twee doorbraken ontstonden onder Hees in den Rijkschen bandijk, nadat het Water aldaar twee voeten hoog over den dijk geloopen had.

Den 21, bezweek de Maasdijk te NederAsselt, en overstroomde geweldig het Rijk van Nijmegen, en het Ambt van tusschen Maas en Waal.
De stad werd opgepropt van menschen, welke met achterlatinge van hunne bezittingen, de woede des waters trachteden te ontvlugten, en door middel van schuiten uit hunne woningen waren gered. (t)

In Wijnmaand werd op de Winseling aan den Waaloever een zilveren penning gevonden van CAJUS CAESAR Caligula, hebbende tot omschrift op de voorzijde

C. CAESAR AVG. GERM. P.M. TR. POT. 

En op de keerzijde

GERMANICVS GAES. P. C. CAES. AVG. GERM. 

Met het hoofd zijns vaders Germanicus.

(t) Tot gedachtenisse der hoogte van dezen watervloed, de vorige vloeden overtreffende, is een teeken gesteld in den ringmuur der Kraan. Zie Raads.11 Maart 1799

1800. Den 9 van Slagtmaand werd door eenen woedenden storm groote verwoesting veroorzaakt. Een rukwind duurde den geheelen dag, en verhief zich des namiddags op eene geweldige wijze; zoo dat niet alleen zeer vele schoorsteenen, maar zelfs geveld werden omgeworpenen, vele boomen met hunne wortels uit den grond gerukt. De hoofdkerk der stad leed groote schade, en St. Stevens-torentje boven het koor werd verbrijzeld.
1802. Het voormalig gezag van de Magistraat, of van Burgemeesteren, Schepenen en Raad, met de Gemeenslieden der stad Nijmegen, door den inval der Franschen in 1794, door het aannemen van het beginsel van eenheid in 1795, en de vernietiging van alle Provinciale oppermagt in 1798, aan gedurige veranderingen onderhevig zijnde geweest, werd den 19 van Oogstmaand besloten, op hoedanige wijze de bestelling der stads-regering voortaan zoude behooren te geschieden. (u)

(u) Resol. van het Departem. Bestuur 19 Aug. 1802

1803. In Grasmaand kwam een aantal Fransche krijgsbenden in de stad ter bezetting. Deze bezetting groeide ras tot een klein leger, en veroorzaakte aan de burgeren, en aan de ingezetenen van het Schependom, eenen ondragelijken last, zich niet bepalende tot eene kortstondige overnachting van doortrekkende manschappen. Voerlieden en boeren met gepreste paarden, om tot voorspan te dienen bij het afhalen van geschut, zag men overal, zonder dat er iets van derzelver bestemming te vernemen was. De Generaal Mortier voerde het opperbevel en het leger stond, gedurende deszelfs verblijf alhier, onder de Generaals Montrichard, Drouet, Frere, Schinner en du Moulin. Vervolgens kwam Berthier, broeder van den Minister van oorlog: doch het doel van den optogt bleef onbekend, tot dat aller oogen gevestigd werden opWestphalen en het noordelijke Duitschland.
1804. Den 18 van Wintermaand schreef het Staats-Bewind der Bataafsche Republiek aan het Departementaal Bestuur van Gelderland, dat de vervulling der opengevallene plaatsen in de Stads-regering behoorde aan de keuze der burgeren. (v)

(v) Regist. Der Besl. van het Staats-Bewind 18 Dec. 1804.

1805. Den l van Sprokkelmaand, wanneer een ijsveld met boomen, te groot om voorbij de stad te drijven, tusschen den Lentschen dijk en den muur der Haven in de klem geraakt, was het geweld, waarmede die schots tegen den muur aandrong, zoo sterk, dat een stuk van het boven-Haven-hoofd verbrijzeld werd. De losbarsting verwoestte drie lootsen, staande ter zijde van den Waalwal, terwijl het ijs op de kade aan den Lentschen kant, en verder naar boven, tot bergen zich opeenstapelde.

Den 14 van die maand was het water in de Waal geklommen tot 25 voet en 6 duim aan het peil, en stroomde geweldiglijk op vele plaatsen over den Rijkschen bandijk, waardoor dezelver te Weurt bezweek.

In Lentemaand ontdekte men aldaar onder het ingeloopen zand het gebeente en kop van een zeer groot dier, naar gissing der kundigen, van een en Auer-Ox. (w)

In Grasmaand werd het ontwerp eener Monarchale regeringsvorm aangenomen, onder den Republikeinschen naam van Raadpensionaris, ten einde de vestiging van den troon voor te bereiden, en aan den volke kenbaar gemaakt. (x)

(w) G. VAN HASSELT, Bijdragen tot den Burgt te Nijmegen, bladz. 31, en de daarvan vervaardigde teekening.

(x) Zie den Heer H. BOSSCHA, Geschied. der omwentel. I. D. inleid. bl. 30-33.

1806. Den 9 van Louwmaand vertrok Prins Louis Buonaparte, die eenige dagen deze stad met zijn verblijf vereerd had, naar Utrecht. Niet lang daarna beklom die Prins den troon van Holland, Hem door eene Bataafsche Staats-Commissie aangeboden; ofte, om beter te spreken, door het onverzettelijk voornemen des Franschen Keizers, zijns broeders, tot Koning ingedrongen, onder den naam van LODEWIJK NAPOLEON, Koning van Holland. En alzoo verving eene bepaalde Monarchale regeringsvorm de meer of min Republikeinsche Staats-inrigtingen, welke zich sedert tien jaren verdrongen hadden. (ij)

In Grasmaand werd aan den oever van het Meer, onder Ubbergen, tusschen de twee eerste herbergen, een Denarius, of zilveren penning, van Nero gevonden, hebbende op de keerzijde het opschrift VESTA, met eene afbeelding van den tempel dezer Godinne te Rome, in eene ringronde gedaante: En kort daarna op een stuk bouwland buiten de Hertsteegspoort, nabij den Pelmolen, een van Otho, met het omschrift op de voorzijde

IMP. M. OTHO CAESAR AVG. TR. P.

Op de keerzijde

PAX ORBIS TERRARVM

In Hooimaand werden op den bovenweg naar Beek, voorbij den derden molen, ontdekt en uitgegraven drie van het fijnste zilver kunstig gewerkte kommetjes, wegende ieder 14 lood, van grijzen ouderdom, schijnende gebruikt te zijn geweest bij het verrigten van Godsdienstige plegtigheden ter eere van Cybele. (z)

In Oogstmaand werd de Constitutie van het Koningrijk, benevens de Constitutionele wetten, gegeven te Mentz den 7 Augustus 1806, alhier afgekondigd.

(ij) H. BOSSCHA, Gesehiedenis der omwenteling, I. D., inleid., bladz. 34-36. Aanteekeningen en bijlag. bladz. 14-29.

(z) Zie de beschrijving van dezelve in het Bijvoegsel tot Nijmegen verdeeld in Wijken enz.

1807. Den 23 van Wijnmaand werd eene nieuwe inrigting, meer geschikt naar den Monarchalen regeringsvorm, beraamd, zoo voor het Stads-Bestuur, als voor de uitoefening der Justitie, welke tot nog toe bij de Politie, of de Plaatselijke Administratie, was vereenigd geweest.
1808. Den 24 van Hooimaand kwam Koning LODEWYK over de Waal naar Nijmegen, onder het luiden der klokken, het spelen op het karillon, en het lossen van het geschut op de Gierbrug. De Schutterij was onder de wapenen; en het Stedelijk Bestuur bevond zich bij de rivier, om zijne Majesteit in te wachten, terwijl een gedeelte van de Schutterij bij de Gierbrug was geplaatst. Bij de aankomst werden de sleutels der stad, benevens de eerewijn, door den Burgemeester den Koning aangeboden. (a)
Zijne Majesteit bezigtigde vervolgens het aanmerkenswaardigste binnen de stad; inzonderheid op het Raadhuis de overblijfselen der oude Romeinsche gedenkstukken, en begeerde de oorzaak of reden te weten, waar door zoo vele gedenkteekenen van Romeinsche Krijgs-Oversten in de nabijheid dezer stad gevonden zijn. (b)

Den volgenden dag bezigtigde de Koning den omvang der stad, en den staat van der zelver vestingwerken, en nam het volgende besluit:
A compter de ce jour la ville de Nimègue ne sera plus considerée comme place de guerre. Nous cedons en toute proprieté a la ville de Nimègue les ouvrages exterieures de la ville ; le terrein sur Ie quel ils sont construits, et les materiaux, qui les forment, sous les conditions suivantes Etc. 
Voort betreffende de kerken:
L'Eglise des Frères avec tout ce qui y appartient ; le récepissé de trente cinq mille
Florins et les interets échus, est cédee en toute proprieté à la communion des Catholiques Romains Etc.
L'Eglise des Réguliers avec ce qui y appartient est cedeé en toute proprieté aux Catholiques Romains Etc.

Den 12 van Herfstmaand behaagde het den Koning, dat tot het verder nasporen van Romeinsche oudheden in deze streken de noodige opdelvingen zouden worden te werk gesteld: En hiertoe werd een streek lands in het Nederrijksche Walt, tot de dominiale goederen behoorende, genaamd: de Holle Doorn, het geschikst geoordeeld. (c)

In Slagtmaand werden aldaar, onder eene menigte van gebakken steenen met namen der
Legioenen, een gebakken steen uitgegraven, met het opschrift VEX. BRIT. (d) Een ander met SVB, DID. IVL. en met SVB. DID. IVL. COS. (e) Voorts een met meer dan dertigmaal LEG. XXX. V. V., benevens een groote pot, gebakken zonder bodem, (f) met een omschrift langs den rand; (g) welke aan het Koninklijk Museum werden overgezonden. En in Wintermaand beliefde het den Koning bij herhaling zijne tevredenheid te betuigen, wegens den ijver, moeite en zorge in het nasporen aangewend.

(a) Vergelijk het Vervolg tot de Annales uit de Guedes-dagsboeken enz., bl. 7, betrekkelijk de inhaling van Keizer KAKEL den V.

(b) De kort daarna gegevene reden bestond in het volgende:
La raison, à la quelle doit être attribuée la quantité d'antiquités Romaines, qui de temps en temps ont etés découvert, et ses découvrent encore par hazard actuellement le long de la rive gauche du Rhin, s'explique principalement par le séjour d'une armée Romaine dans la Germanie Gauloise, la quelle depuis le regne de Cesar Auguste jusqu'au temps de Honorius et Placidius Valentinianus, savoir durant les quatres premièrs siècles de notrè ere vulgaire, à tenue des positions sur cette même rive gauche du Rhin pour s'opposer aux invasions des Peuples Transrhenans.
Moguntiacum, Antunnacum, Ubiorum Oppidum, Bonna, Castra Vetera et d'autres ci devant places de guèrres en fournissent les preuves les plus certaines.
Des preuves de ce genre se sont trouvé dans ce Royaume, et se presentent encore quelque fois par hazard, sur tout dans la ville de Nimègue et ses environs, tant sur la hauteur, appellée Hunenberg, que le long de la rive gauche du Waal ; les objets, qu'on. a trouvé, ont consistés en monumens érigés en mémoire d'Officiers Commandans et autres militaires de l'armée Romaine ; en briques de terre cuite, ou se .voyent imprimés les noms des Légions avec celui de l'armée de la Germanie inférieure; des agraffes; des cruches; des images; des monnoyes; des urnes sépulcrales; des lampes sépulcrales; des ustensiles de guèrre et. de ménage, ainsi que des débris d'autres antiquités.
Mais il est à regretter, que dans des siècles antérieurs on ait été si peu attentif à l'égard de pareils monumens d'antiquité.
Des pièrres sur lesquelles se trouvoient des Inscriptions, ont été employées par des macons pour servir à elever des murs; des orfèvres, des chauderonniers et des serruriers ont refondus des monnoyes, et d'autres antiquités; ou les ont revendus à ceux, qui se sont presentés pour les acheter.
Et quoique dans des temps suivants il se soyent trouvés des hommes savans, peu d'entre ceux onc cependant temoignés avoir du gout pour les antiquites ; ni vouloir se donner la peine d'en decouvrir et de les recuillir.
Parmi les premiers entre ceux, qui jusqu'ici ont recuilli les objets négligés, se sont distingués Johannes Smetius le père, et sou fils connu sous le même nom ; lesquels sans avoir épargné ni peine ni dépense, se sont occupés durant l'espace de plu de quatre vingt années à rassambler et a decrire les restes d'antiquités deterrés, dont la collection interessante à même attire l'attention de differens Souverains de l'Europe ; qui sontc venus pour la voir.
Après la mort de Mr. Smetius le fils cette collection futvendue a Jean Guillaume Electeur Palatin, et forme actuellement une partie du Cabinet d'antiquité du Roi de Bavière à Munnich.
Depuis ce temps on a deterré des monumens d'antiqiuté Romaine, consistant en monnoyes et autres restes tronvés par hazard ; mais le nombre de ce qui s'est trouvé, est tres diminue en comparaison de ce qui se decouvroit durant des siecles précedens.

On ne doit néanmoins pas se representer les monumens avec les inscription, qui s'y trouvent, comme, des chefs d'oeuvres du travail des Romains : ces monumens n'ayant etés taillés et sculptés que par des artistes d'un. ordre inférieur, les quels probablement ont suivi l'armée Romaine dans la Germanie inférieure comme employés pour la fourniture des vivres, ou comme vivandiers de l'armee.
Cependant de pareils restes n'on sont pas moins précieux et respèctables, quand on songe a leur haut degré d'antiquité, et au jour qu'elles mettent a constater les faits d'histoire la plus reculée de ce Royaume.

(c) Zie het Financieel Verb. van den Landdroit van dit Departement 23 September 1808. Kunst en Letterbode December 1808, bl. 377. En aangaande de Holle Doorn, Nijmegen verdeeld in Wijken enz., bl. 53-56.

(d) Aangaande de Vexillationes Britannorum vel Britonum zie J. SMETH, Antiquït, Neomag., pag. 88, 89, 99, en H. CANNEGIETER, de Brittenb., pag. 17 en 59.

(e) Onder de regering van M. Aurel. Antoninus vielen de Cauchi in deze landen; doch werden door Didius Julianus, die toen Landvoogd was, en naderhand Keizer werd, gestuit.

(f) Over zoodanige potten, zonder bodem gemaakt, zie M. J. WINCKELMANN, Hist. de l'art chez les Anciens, Tom. 1, Chap. 1, Sect. 2, pag. 20 Chap. 3, Sect. 3, pag. 231.

(g) Gelijk, aan de pot bij L. BEGERUS, in Suppell. Antiq. Thesauri Brandenburg, Tom. III, fol. 455.

1809. Den 13 van Louwmaand zwol het water in de Waal, het welk het ijs los drong, en waarin eenige hapering of stoting bij den voortgang ontstond, tot bandijks hoogte op. Tusschen den 30 en 31 brak de Over-Betuwsche dijk te Loenen door. De Over-Betuw, Neder-Betuw en de Tïelerwaard werden door dezen verschrikkelijken watervloed overstroomd tot verwoesting van vele der schoonste dorpen; en welke ramp door het verdrinken van menschen en veel vee vermenigvuldigd werd.

Den 8 van Sprokkelmaand kwam Koning LODEWYK uit Holland te Nijmegen met levensgevaar, ten einde, na bezigtiging der overstromingen, gepaste middelen te beramen tot redding en verzagting der onberekenbare rampen, verzoekende bij zijne aankomst van alle eerbewijzingen te mogen blijven verschoond.

In Lentemaand werd te Loenen, nabij de inbrekinge des dijks, gevonden een heupbeen ,
benevens een kies van eenen Olifant. (h)

Het Crimineel Wetboek, den 31 van Wintermaand 1808, bij den Koning voor het Koningrijk Holland gearresteerd, werd, in plaats van de gewone aanplakking, op het Raadhuis voorgelegd, ten einde aan allen en een iegelijk gelegenheid te geven om hetzelve te kunnen lezen, en van den inhoud daarvan verwittigd te worden.

In Slagtmaand werd Koning LODEWYK door zijnen Keizerlijken broeder naar Parijs ontboden. Tegen zijnen wil moest Hij vertrekken; en gedurende 's Konings verblijf aldaar liet de Keizer Nijmegen, en het grondgebied aan de linkerzijde der Waal, door talrijke krijgsbenden overweldigen naar zijn welgevallen, en vermeend belang, alzoo het Frankrijk voegde deszelfs grenzen door eene hoofdrivier te doen afscheiden. (i)

(h) Zie de afteekening, gemaakt door H. HOOGERS.

(i) BOSSCHA, Geschied, der omwentel., inleid. bl. 54.

1810. Den 16 van Lentemaand werd Koning LODEWYK gedwongen bij verdrag afstand te doen, ten behoeve van den Keizer der Franschen, van Hollandsch-Braband, van geheel Zeeland, het Eiland Schouwen daarbij begrepen; van dat gedeelte van Gelderland, het geen op den linker-oever van de Waal gelegen is, zoodanig, dat voortaan de grensscheiding tusschen Frankrijk en Holland zoude wezen de Dalweg van de Waal, van Schenkenschans af, op den linker-oever latende Nijmegen, Bommel en Woudrichem, voorts de voornaamste strang van de Merwede, die zich in den Biesbosch werpt, door welken, als ook door het Hollandsch-Diep en het Volke-Rak, de grensscheiding zoude heen loopen, om vervolgens in zee te vallen bij de Bieningen ofte Grevelingen, ter linker-zijde latende het Eiland Schouwen. (k)

In Grasmaand noemden de afgestane landen, nu vereenigd met het Fransche Keizerrijk, eene plegtige Deputatie, om van wege dezelve, aanstonds na de bezitneming, aan den Keizer de verschuldigde hulde te bewijzen.

Den 14 van die maand deed Koning LODEWYK aan de inwoneren der landen, welke niet tot een der geheel afgestane Departementen behoorden, kennis geven, dat hunne getrouwheid aan den Koning hun het regt gaf op zijne erkentelijkheid, en dat Hij alle gelegenheid zoude waarnemen, om hun daarvan bewijs te geven, niettegenstaande de harde noodzakelijkheid, waardoor Hij gedrongen was geweest om zich van de inwoners dier landen af te scheuren.

Op den 1 van Zomermaand werd, bij een Keizerlijk besluit het Arrondissement van Nijmegen in zes kantons verdeeld, namelijk van Nijmegen, van Druten, van Wijchen, van Grave, van Boxmeer, en van Ravenstein.

Den 21 van die maand werd bij het organiseren van het Justitiewezen, op het Paleis de St. Cloud een Tribunal de première instance de l'Arrondissement de Nimègue aangesteld, met bijvoeging van eenen Keizerlijken Commissaris of Procureur Impérial, om het Tribunal de Justitiële pligten te leeren. Ook werd het Gemeente-Bestuur op de Fransche leest geschoeid.

Den 26 van Hooimaand werden der stads wetten, gewoonten, en de wijze van regtsvordering in burgerlijke en lijfstraffelijke zaken, welke reeds van ouds aan de burgers en ingezetenen dierbaar waren geworden, (l) vervangen door wetten, die dit land niet voegden, en door eene regtspleging in vele opzigten te vreemde, en, in vergelijking der voormalige, veel te omslagtig.
Ook werd de Nederduitsche moedertaal terstond uit de Regtbank verbannen, en, van dien dag af, moesten de pleitgedingen, en alle regtelijke zaken, akten en stukken in de Fransche taal, en naar de opgedrongene wetten ingesteld en behandeld worden, die de inwoneren niet konden verstaan.

(k) Art. 6 van het Verdrag, gestoten te Parijs den 16 Maart 1810. Bij BOSSCHA, I. D., Bijlagen, bl. 36. Kort na dit verdrag moest Koning LODEWYK zwichten voor de geweldige overheersching, en deed afstand van de Koninklijke waardigheid; waarop den 9 van Hooimaand bij een Keizerlijk besluit het Koningrijk Holland verklaard werd ingelijft te zijn in het Fransche Keizeirijk, als eene aanspoeling, een aanslibsel van Frankrijk.

(l) Zie G. C. IN DE BETOUW, de ordine procedendi eoram Neomagensium tribunalibus, et vetustissimis Civitatis Neomagensis consuetudinibus Cap. IV, pag. 33 et seq., en J. SCHRASSERT, Voorberigt voor den Cod. Gelro Zutph.

1811. Boven en behalven de zware onheilen, voor de inlijving in het Fransche Keizerrijk, aan Nijmegen overgekomen door de verwoesting des oorlogs in volle akeligheid; ondragelijke, en naauwelijks ter helfte toe vergoede, requisitien, en onophoudende inlegeringen, was het gevolg van die vereeniging of inlijving, ten opzigte der burgeren en ingezetenen, eene geweldige overheersching, gepaard met een tiercéring, of alleronregtvaardigste (m) onthouding van twee derden der inkomsten voor de Rentheffers of bezitters van schuldbrieven tot laste van den Staat; tiercéring der renten van schuldbrieven tot laste der stad Nijmegen; onthouding, voor het geheel, der vervallene renten over het Jaar 1810; ongehoorde belemmering in den koophandel, en onregtmatige opschrijving tot den krijgsdienst.
Voorts ten aanzien van de stad, eene krachteloosstelling van het gebruik der regalia majora aan Nijmegen van ouds verleend; het gemis van alle voorregten en voordeelen welke de stad voormaals in Politie, Jurisdiktie, Justitie en Financie genoten had. En bij welke zoo zware rampspoeden en verliezen nog gevoegd werd verstoring in het bestuur der Godshuizen, verwarring in derzelver financien; onthouding aan de stad der inkomsten van het regt van veer over de rivier de Waal, zijnde een bijzonder, en gedeeltelijk gekocht, eigendom; mitsgaders van de inkomsten van den Stads-Rijks-Tol. (n)

Den 10 van Zomermaand werden de houders van schuldbrieven tot laste van steden, ambten, en dorpen in het Departement der Rijnmonden opgeroepen om copien authentic van dezelve, in de Fransche taal overgezet, te zenden ter Sekretarie Generaal van het Departement, ten fine van registratie. 

In Hooimaand werd, tot verbijstering in de wijze van regtsvordering, de kennisneming en beslissing in zaken van koophandel, aan den eigentlijken en van ouds gewonen Regter onttrokken, en daartoe een Tribunal de Commerce benoemd.

Den 29 van Wijnmaand werd Keizer NAPOLEON, vergezeld van de Keizerin, onder de verschuldigde eerbewïjzingen, en vertooning van vreugde over het geluk van een zoo hoogaanzienlijk bezoek, binnen de muren dezer stad ontvangen. De Keizer verleende aanstonds gehoor aan den Prefekt van de Monden des Rijns, aan den Onder-Prefekt van Nijmegen, aan het Jutitie-wezen, Gemeente-Bestuur, Geestelijken enz., en zettede den volgenden dag zijne reize voort naar Frankrijk.

(m) Over de verpligting der tijdelijke overheerschers of bestuurders van eenen Staat tot voldoening der schulden, zie GROTIUS, de jur. bel. ac pac. lib, II. cap. 3, 8, No. 3. C. VAN BIJNKERSHOEK, quaest. jur. public lib. II. cap. 25, No. 1. J. D. MICHAËLIS, Mosaisch regt, III. D. bl. 242, en over deze tiercéring W. A. OCKERSE, Napoleontische redevoe. II. D. bl. 136. H. BOSSCHA, inleid. I D. bl. 60-66, en J. SCHELTEMA, geschiedk. Mengelwerk II stuk, bladz. 23-31.

(n) De Rijks-Tol is bijna vier eeuwen verpand, en vervolgens in pandschap geweest bij de stad Nijmegen zijnde een Tol, op zich zelven bestaande, geene gemeenschap, noch eenige betrekking hebbende met den grooten Gelderschen, of andere Provinciale Tollen. Zie het Reces des Kwartiers van Nijmegen van 4 Junij 1796, en het daarbij aangeteekende, betrekkelijk de Tollen in Gelderland wordende geheven.

1812. In Zomermaand werd aan de Winseling, nabij den Waalstroom, gevonden een kunstig gewerkt koperen beeldje van Cybele, gekroond met een torenhulsel, en rijdende op eenen leeuw; voorts met handtrommel, koren-airen, en andere tot haren eerdienst gebruikelijke eigenschappen, hoog twee en een halve duim, breed twee duim.
1813. In Slagtmaand en Wintermaand begon de toestand der Franschen in deze streken hoe langer zoo hagchelijker te worden door eene geduchtste, en verschrikkelijkste nederlaag in Rusland.

De Maarschalk Macdonald, Hertog van Taranto, die te Nijmegen het hoofdkwartier gevestigd had, trok den 24 van Slagtmaand met zijn gevolg, benevens twee divisien ruiterij, en veel geschut van hier naar Arnhem, voornemens zijnde het hoofdkwartier aldaar te nemen: Doch den staat van verdediging van Arnhem niet geschikt bevindende voor zijn hoofdkwartier, vertrok hij denzelfden dag wederom naar Nijmegen. (o) Arnhem den 30 van Slagtmaand door den Pruissischen Generaal Bulow stormenderhand zijnde ingenomen, sneden de wijkende Franschen alle gemeenschap af met den regter Waal-oever. (p)

Den 4 van Wintermaand verplaatste Macdonal zijn hoofdkwartier naar Kleef.
In den loop van deze maand schenen de Franschen niet gezind Nijmegen te verlaten. Zij voelden het gewigtige van derzelver ligging; en wisten, welk belang Keizer NAPOLEON in deze stad stelde, die op het Congres te Chatillon aan de Seine, onder de sterkten, welker voortdurend bezit hij aldaar voorsloeg, uitdrukkelijk de vesting Nijmegen noemde met een gedeelte der linie van de Waal.
Met het einde van het jaar zagen echter de Franschen duidelijk, dat zij door een langer verblijf zich alle hoop op redding van hunne personen en bezittingen zouden afsnijden, en besloten daarom Nijmegen aan haar lot over te laten.

(o) BOSSCHA, geschied. der omwenteling, I. D., bl. 237.

(p) I. D., bl. 241.

1814. Op den 4 van Louwmaand werd dit besluit den Franschen bekend. Des avonds te voren was een gedeelte der bezetting opgebroken naar Kranenburg: Ook vertrokken de Prefekt der Monden van den Rijn, en de Onder-Prefekt van Nijmegen.
De Generaal Exelmans, die toen het bevel voerde, gaf in den avond van den 4den aan het Gemeente-Bestuur te kennen, dat het krijgsvolk, dien nacht stond uit te trekken, en dat hij zelf, na de volkomene ontruiming der Stad, volgen zoude. (q) Omtrent drie uren van den 5den reed een Regiment Fransche Landsiers, 't welk in het kanton Druten gelegen had, in vollen ren de stad door, den weg nemende naar Kleef, en ter zelver ure werd de stad van alle de overige krijgsbenden, die, gelijk ook de Onder-Prefekt, zich alhier voorbeeldig gedragen hadden, met stille trom, en in de beste orde verlaten.
De burgers hier op de stads poorten hebbende bezet, en den Pruissischen Bevelhebber van het gebeurde kennisse gegeven zijnde, kwam eenige uren daarna een klein aantal Pruissische krijgsbenden over de Waal binnen de stad, onder het gejuich der ingezetenen. Maar onbeschrijfelijk werd de algemeene geestdrift en vreugde, toen men oogenblikkelijk daarna de verzekerde tijding uit Holland ontving, dat de Vorst, gesproten uit het bloed van den grondlegger van dezen staat, door den gemeenen wil des volks, niet alleen tot de oppermagt was ingeroepen; maar zelfs, dat die Vorst, door de volledigste overtuiging van 's volks begeerte, zich reeds hadde laten overhalen tot het aanvaarden van die hooge waardigheid, waartoe Hij, ter redding en herstelling van Nederlands vrijheid en onafhankelijkheid, ook bij de uitkomst bewezen is door de Voorzienigheid bestemd te zijn. (r)

Den 30 van Louwmaand kwam Monsieur, de Graaf van Artois, broeder van Koning LODEWYK den XVI, binnen Nijmegen, en vervolgde, na eenen dag aldaar vertoefd te hebben, zijne verdere reis naar het Fransche grondgebied.

Den 26 van Sprokkelmaand genoot de stad de eer Zijne Koninklijke Hoogheid den Erfprins van Oranje binnen hare muren te ontvangen, onder de zigtbaarste algemeene vreugde, komende van Wijchen, na aldaar de krijgsbenden en landstorm, niet zonder zich aan eigen levensgevaar bloot te stellen, nader bij de vesting Grave, onder het geschut des vijands, te hebben doen optrekken. Zijne Hoogheid nam alhier de provisionele Schutterij in oogenschouw, en vertrok den volgenden dag.

In Grasmaand werd de aanneming der Staatswet voor de Vereenigde Nederlanden, en de daarmede gepaard gaande huldiging van den Souvereinen Vorst; en in Zomermaand de algemeene Vrede, tusschen de verbondene Mogendheden en Frankrijk den 30 van Bloeimaand gesloten, door afkondiging van de Puije van het Raadhuis, door het spelen op het Carilon, en door het uilsteken der vlaggen van de torens en publieke gebouwen, kennelijk gemaakt. (s)

Den 16 derzelver maand kwamen de Groot-Hertogen Michaël en Nicolaus, broeders van den Keizer van Rusland, binnen deze stad, en vervolgden op denzelfden dag hunne reis naar Kleef. 

Den 6 van Hooimaand vereerde Zijne Keizerlijke Majesteit, de oppermagtige alleenheerscher aller Russen, ALEXANDER, de Gezegende, Bevrediger van Europa, deze stad met zijne hooge tegenwoordigheid.
Niet voor in den namiddag kwam Zijne Majesteit te Lent aan. Bij de Gierbrug gekomen zijnde, welke daartoe in gereedheid was gehouden, werd Hoogstdezelve door den Commissaris van het Kwartier, en aan deze zijde van de rivier door de Stadsregering verwelkomt, het welk Zijne Majesteit op het minzaamst beantwoordde, tevens verzoekende, gelijk op meer plaatsen door Zijne Majesteit geschied was, verschoond te mogen blijven van alle eerbewijzingen, dien zelfden avond zijne reis voortzettende.
Om dezen doorluchtigen Monarch, wiens naam de volgende geslachten niet anders dan met eerbied zullen noemen, de gevoelens van verpligting te kennen te geven, waren de voorgevels der huizen in de straten, door welke Zijne Majesteit passeren moest en van verscheidene huizen in andere straten, over het geheel met veel smaak door allerlei teekenen van vreugde opgesierd. Ook was van stadswege een sierlijke eereboog in de breede Burgtstraat opgerigt.
Het door Frankrijk overheerschte, en in Frankrijk ingelijfde Nederland, zich nu van Frankrijk hebbende losgescheurd, en zich eenen staat gevormd hebbende onder de regering van eenen Souvereinen Vorst, herrees, ook het gebruik der moedertaal bij de Regtbank, en werden alzoo de regtsvorderingen, regtshandelingen, vonnissenen en alle regtelijke aktens in de Nederduitsche taal gesteld en uitgegeven, doch naar het stelsel der Fransche wetten. (t)

Den 4 van Wijnmaand vond zich de stad vereerd met de aankomst en lang gewenscht bezoek van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins van Oranje en Nassau, Souverein Vorst van Nederland. Omtrent de grenzen dezer Provincie werd de Vorst door den Heer Gouverneur van Gelderland, door den Provincialen Kommandant van dit gewest, benevens den Kommissaris des Kwartiers verwelkomt. Op de dorpen, in den doortogt gelegen, bevonden zich de Landstormen onder de wapenen, en op den weg in het Schependom de gewapende Schutterij en het garnisoen der stad.
De Vorst, aan de Molenpoort genaderd zijnde, werd door den Burgemeester en leden der Regering verwelkomt; met aanbieding der sleutels van de stad, en, volgens het oud gebruik, van den eerewijn. De juichende en talrijke menigte, om hunne hoogachting en verpligting te kennen te geven, verzocht de paarden van 's Vorsten rijtuig te mogen afspannen, en den Vorst, ten bewijze zijner welkomst, tot aan het Hotel te brengen; het welk ook geschiedde, onder het losbranden van het geschut op de wallen, het vrolijk spelen op het Carillon, en alom met de zigtbaarste blijken van eerbied, algemeene vreugde, en innige liefde, welke de burgerij van Nijmegen den Vorst toedraagt.

(q) BOSSCHA, III. D., bl. 30, 31.

(r) BOSSCHA, Geschiedenis der omwenteling, III. D., bladz. 29 enz.

(s) Bij dit plegtig verbond werden de grenzen van Frankrijk naauwkeurig bepaald; de sedert 1792 overheerde landen weder van hetzelve gescheiden; de Prins van Oranje-Nassau als Souverein Vorst van Nederland erkend, en eene vergrooting van grondgebied uitdrukkelijk bedongen.

(t) Eenvormigheid van Bestuur des geheelen Rijks is reeds ingevoerd. Eene eenvormigheid van Wetgeving ontbreekt nog; zijnde het Koningrijk tot nu toe verdeeld tusschen het regtsgebied van drie op zich zelven staande Hoven van den Haag, Brussel, en Luik, alle regtsprekende naar hetzelfde stelsel van nog behoudene Fransche wetten, doch op verschillende manier gewijzigd.

1815. Den 5 van Louwmaand werd de verjaardag der gelukkige en geheel onverwachte verlossing van het overheerschte Nederland uit het geweld der ondragelijkste dwingelandij op de heuchelijkste wijze plegtig gevierd.

Den 11 van die maand verhief zich de wind uit het noordwesten in den morgenstond op eene geweldige wijze, voerende met zich eene ongemeen zware hagelbui en jagtsneeuw, te midden van welke twee donderslagen vielen. De bui woei spoedig over: Maar des namiddags werd deze door eene tweede gevolgd, die niet minder hevig was; sedert vernam men, dat een bliksemschicht, oogenblikkelijk gevolgd wordende van eenen sterke donderslag, de herberg Batavia, even beneden de stad aan de Waal, getroffen had, slaande de vrouw en den knecht des huizes, doch onverzeerd, op den grond, en doende eenige bij elkanderen staande, tinnen kannen en gewigten tot eenen klomp smelten.

In Lentemaand bevonden zich de vesting werken, die ten tijde der vorige Koninklijke regering onder zekere voorwaarden aan de stad geschonken waren, gedeeltelijk geslecht. Doch na de kommervolle inlijving in het Fransche Keizerrijk onderging het slechten eenige vertraging, en werd vervolgens door een Keizerlijk besluit geheel gestuit.

In Grasmaand werd de arbeid tot herstel der vestingwerken, en het aanleggen van nieuwe, door honderden van werklieden, opgeroepen uit de omliggende plaatsen, met den meesten ijver voortgezet en bespoedigd; inzonderheid der geenen, die op den Hunenberg en buiten de Hezelpoort waren ontworpen.
Bij het opdelven der aarde tot het aanleggen der vestingwerken op den Hunenberg werd onder vele aldaar ontdekte Romeinsche munten, gevonden een zeldzame gouden nummus consularis gentis Petroniae, hebbende op de voorzijde

P. PETRON. TVRPILIAN. IIIVIR.

op de keerzijde aan den bovenkant: CAESAR, beneden, AVGVSTVS, en in het midden van eene burgerkroon O. C. S., dat is: Ob Cives Servatos, tusschen twee lauriertakken. Een zilveren gentis Claudiae, hebbende op de voorzijde C. CLODIVS C. F. met het hoofd van Flora. Op de keerzijde VESTALIS. En een uitmuntende gouden penning van Augustus, met het omschrift op de voorzijde

AVGVSTVS DIVI F.

Op de keerzijde Diana, in de gedaante van eene Jagerin, met alle hare eigenschappen, en ter zijde van dezelve IMP. XII. beneden SICIL., zijnde gemunt, nadat Augustus de zonen van Pompejus in Sicilie overwonnen, en dat eiland aan zich onderworpen had.
Insgelijks werden bij het opwerpen der aarde bij de Vestingwerken buiten de Hezepooort, nevens vele munten, overblijfsels van Romeinsche ringen, oorsiersels, kleedergespen, naalden, beeldjes enz. gevonden. Twee ontdekte gouden penningen waren, zonder door eenen deskundigen bezigtigd te zijn reeds heimelijk versmolten.

Den 12 van Zomermaand, genoot de stad het gewenscht genoegen van WILLEM den I, Koning der Nederlanden, en Groot-Hertog van Luxemburg, (u) binnen hare muren andermaal te mogen ontvangen, en, als Redder van het vaderland met de opregtste gevoelens van dankbaarheid en liefde te begroeten, onder het gebulder van het geschut op de wallen; het lustig spelen op het Carillon, en alle verschuldigde eerbewijzingen. Zijne Majesteit nam in oogenschouw den omtrek der stad, en bijzonderlijk den gevorderden staat, der nieuw, aangelegde vestingwerken, welke meer en meer hare voltooijing naderden. Bij het vertrek ontving Zijne Majesteit de blijkbaarste bewijzen van de algemeene hartelijkheid en vreugde.

In Hooimaand werd aan Zijne Majesteit aangeboden het Ontwerp van eene nieuwe Grondwet, gewijzigd naar de veranderde omstandigheden, (v) vervolgens in de Staten-Generaal overwogen, en daar goedgekeurd zijnde, door den Koning zelven als Grondwet voor het Koningrijk der Nederlanden aangenomen.

Den 29 van Slagtmaand vereerde Zijne Koninklijke Hoogheid de Kroon-Prins der Nederlanden, vergezeld van den Russischen Generaal Czernichef, Nijmegen met een bezoek, de verdere reis naar Rusland voortzettende.

Den 5 van Slagtmaand werd het bestuur der stad bepaald op eenen Raad van vijftien leden, voor hun leven aangesteld, waarvan drie leden Burgemeesteren zijn. De Raad vergadert, als de zaken, die aan het bestuur des Raads zijn opgedragen, zulks vereischen, en de Raad daartoe door Burgemeesteren wordt opgeroepen. Ook kan geen vergadering van den Raad gehouden worden, ten zij de meerderheid der leden tegenwoordig is, zittende de President-Burgemeester, en bij afwezenheid de volgende Burgemeester, voor in den Raad. (w)

(u) Wegens de vereeniging van Belgie met den nieuwen Nederlandschen Staat had Zijne Koninklijke Hoogheid de Souverein Vorst der Vereenigde Nederlanden den 16 van Lentemaand den titel van Koning der Nederlanden, en Groot Hertog van Luxemburg aanvaard, ingevolge het besluit van het groot Congres der voornaamste Mogendheden van Europa, in 1814 te Weenen gehouden, en bij Traktaat den 18 van Zomermaand 1815 aldaar bevestigd.

(v) De vergrooting van het gebied maakte eene herziening van de eerste Grondwet noodzakelijk, waartoe door Zijne Majesteit benoemd werd eene Kommissie van vier en twintig leden; ten deele genomen uit de Zuidelijke, ten deele uit de Noordelijke gewesten van het Koningrijk.

(w) Bij het Reglement is het eigentlijk Justitiele van de Politie of Plaatselijke Administratie ten eenemaal gescheiden. Hoe zulks te voren plaats had, vindt men bij G. C. IN DE BETOUW, in Dissertatione de ordine procedendi coram Neomagensium tribunalibus, Cap. VI, VII, VIII, IX, X. laudata a SAXIO, Onomastici literarii part. VIII, pag. 425.

1816. Den 24 van Oogstmaand had de stad het geluk van met de hartelijkste eerbewijzingen, pligtplegingen, algemeene vreugde en blijdschap te mogen aanschouwen en te begroeten den Kroon-Prins der Nederlanden, benevens Hare Keizerlijke Koninklijke Hoogheid de Groot-Vorstin Anna Paulowna, Prinses van Rusland.
Het behaagde het Vorstelijk paar hunne voorgenomene reize des anderen daags voort te zetten naar het Loo, onder een hernieuwd vreugdegejuich.
1817. Bij het uitgraven van wortels van boomen en struiken op een stuk lands aan den Hunenberg, behoorende aan het huis Ubbergen, werden ontdekt verscheidene Romeinsche overblijfsels, en onder deze eene fraaije urne of lijkbus, eene schoone graflamp, en twee glazen traan-fleschjes.
Voorts buiten de Hezelpoort omtrent de Winseling, ten zuiden der voormalige Lennepe-kamer, nabij den Waaloever, eene groote, doch eenigzins geschondene, lijkbus, in de gedaante van het membrum genitale Mutini, en, tusschen de inliggende assche en gebeenten, twee koperen penningen, zijnde een der IIIviri monetales onder Augustus; de ander van Nero.

Ook in Slagtmaand, bij het planten van boomen langs den weg naar de Holledoorn, vond men een graflamp met den naam des makers STROBILIs.

1818. Den 22 van Bloeimaand klom het water in de rivier de Waal tot 18 voet en 7 duim, veroorzaakt door zware stortvloeden, plaats gehad hebbende in Zwitserland en Duitschland, en overstroomde alle buiten 's dijks gelegene bouw- en weidelanden.

Den 15 van Zomermaand kwam Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, verzeld van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Fredrik van Oranje-Nassau, over Huissen, Sevenaar en Elten, na den staat der verdeelingen van de rivieren, en van 's lands dijken waterwerken aan het Spijk, boven en in den mond van het Pannerdensche kanaal en te Millingen bezigtigd te hebben, (x) onder het gejuich der blijde ingezetenen, te Nijmegen aan, en werd aan de Waal door de Stedelijke regering opgewacht, en met alle verschuldigde eerbied en vreugde ontvangen. Zijne Majesteit verleende aan Civiele en Militaire Autoriteiten, aan de Geestelijkheid en andere partikulieren, gehoor; en vertrok den volgenden dag, na bevorens de uitgestrekte vestingwerken in naauwkeurige oogenschouw genomen te hebben, naar het Vorstelijk Loo terug.

Den 22 van Hooimaand werd de Walsche Hervormde Gemeente in bezit gesteld van een gedeelte van het gewezen Hospitaal der Johanniter Ridder-orde, (ij) naderhand geweest zijnde het groot Auditorium der Kwartierlijke Akademie te Nijmegen, met de daartoe behoorende woning, mitsgaders van eenige renten en cijnsen, onder eenige bepalingen. (z)

Den 24 en 25 daaraanvolgende was de warmte alhier op den thermometer tot 92 en 94 graden, naar de schaal van Fharenheit.

(x) Door welke Provincien, en tot welke eindens deze dijk-, aarde- en waterwerken zijn aangelegd en onderhouden worden, zie in mijn stukje de Rheni divortiis, Rhenique inferioris ac Isalae cura.

(ij) Zie het stukje Kwartierlijke Akademie bladz. 4, en Kerken en godsdienstige Gestichten te Nijmegen bl. 19, 24, 29, en de Annales Noviomagi pag. 66.

(z) Koninklijk besluit van 26 Mei 1818, genomen ten gevolge van vorige van 2 Augustus 1808, en 28 Maart 1810.

Ter opheldering der merkwaardige oude gedenkstukken van de Romeinen en Batavieren, binnen en in den omtrek van de Stad Nijmegen uit den grond gedolven, zijn bij de Drukkers dezes C. J. VAN GOOR en ZOON te Nijmegen nog voorhanden, gelijk mede de daarbij gestelde andere werken als:

Annales Noviomagi, Oppidi olim Batavorum. f 1

Kronijk van de Stad der Batavieren, waarin, nevens de Beschrijving van Nijmegen, de grijze oudheid dezer stad, de voortreffelijkheid van hare vrijheden en voorregten, en de gedenkwaardigste gebeurtenissen, van de vroegste tijden af, kortelijk aangetoond worden door J, SMETIUS, uit de eigenhandige aanteekeningen verbeterd en vermeerderd, voorts vervolgd tot den jare 1785. f 16

Bijvoegsel tot de Annales en Kronijk van Nijmegen, uit de Rekenboeken en Guedes-Dagboeken f 6

Handvesten en onuitgegevene Charters, behoorende tot de Beschrijving en Kronijk van Nijmegen; en vervattende eenige der edele voorregten en voortreffelijke vrijheden door de Roomsch-Keizeren en Koningen, mitsgaders Heeren, Graven en Hertogen aan de stad en burgerij van Nijmegen verleend. f 2

Vervolg der Handvesten van Nijmegen en. Andere onuitgegevene Charters, bij de opening van den Blok ontdekt. f 1

Opschriften op Altaren en Gedenksteenen der Romeinen, binnen en omtrent Nijmegen uitgegraven, en aldaar op het Raadhuis geplaatst. f 12

De Operculis pyxidum M. ULPII HERACLETIS Myropolae prope Noviomagum inventis. f 2

De Lucernis Veterum reconditis in agro Neomagensium suburbano et intra urbis pomoeria effossis.f 8

De Fibulis Antiquorum vestiarlis in agro Neomagensium suburbano ad Gallicam Vahalis ripam erutis f 7 

De Columnâ Milliariâ TRAJANI supra Neomagum in pago Beek effossa. f 4

De Castris Veteribus, Ulpiis sive Trajanis, Coloniâ Trajanâ, Burginacio, Harenacio, Batavorum Oppido. f 6

De Aris et Lapidibus votivis ad Noviomagum et Sanctenum effossis f 6

De Monumentis sepulcralibus Praesidiariorum Militum Romanorum Legionis X Geminae ad Neomagum conditorum. f 4

De Mercurii, Harpocratis aliisque Romanorum sigillis ad Neomagum erutis et inscriptionibus antiquis. f 7

De Gemmâ SMETIANA, de Sarda seu Carneola crucem et pisciculos referente. f 4

Kwartierlijke Akademie, en Apostolische of Latijnsche School te Nijmegen. f 4

Lotgevallen en eindelijke ondergang van den van ouds alom vermaarden Burgt binnen Nijmegen. f 10

Bijvoegsel tot de Lotgevallen van den gewezen Burgt te Nijmegen, betreffende de aloude Kapellen aldaar. f 5 

Kerken en godsdienstige Gestichten te Nijmegen. f 10

Het Slot van Duivenvoorde. f 2

Commentatiuncula in C. CORN. TACITI Hist. lib.V, cap. XIX, ubi bellum Batavicum narrat, a Cereale cum Claudio Civili gestum. f 6

Antiquitatum Romanarum et Batavicarum Neomagi et in agro Neomagensium suburbano erutarum indiculus: continens Numismata Romanorum antiquissima et rariora, et supellectilem antiquam. f 8

Iets betreffende de gevondene oudheden op den Winseling, Lennepe-kamer en den Roomschen voet. f 6

Bijvoegsel tot de gevondene oudheden. f 4

Nijmegen verdeeld in wijken en streken, boven en beneden de stad.f 14

De Rheni divortiis, Rhenique inferioris ac Isalae cura. f 14

Wandeling over het Valkhof, eersten October 1817. f 3

VOORTS:

Mr. E. J. B. SCHONCK, Lotgevallen van Nijmeegsch Burgt, gezegd het Valkhof, met de plaat f 16

Nijmeegsch Alzigt op den Hofberg, van ouds het Vafkhof genaamd. f 10

A. MOLL, Proeve eener Theorie van de werking der Contagia Acuta op het menschelijk. ligchaam, en de algemeene behandeling der daaruit voortvloeijende ziektens f 1-8

Mr. E. J. B. SCHONCK, Fabelen, Vertelsels, Hekeldichten en Mengelpoëzij, in 3 deelen, gegr. Vignet, tweede druk. f 3-10

Ook zijn bij dezelven onlangs van de pers gekomen 

DE KRIJGSZANGEN 

VAN JAKOB THEODOOR BÜSER,

EERSTEN LUITENANT BY HET BATAILLON JAGERS N.o 16,

In groot octavo, met gegrav. Titel en Vignet, in karton f 2-10

EN

KORTE INHOUD DER BIJBEL-GESCHIEDENIS,

EEN LEES- EN LEERBOEK VOOR DE JEUGD,

DOOR C. ENKLAAR,

In klein octavo, twee Stukjes, tweede druk.f 12

terug

Reactiepagina

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: