| 176 dere merkwaardigheden der oudheid, gevonden een Romeinsche (n) Lamp, met de afbeelding van Mercurius, en het onderschrift (o) FORTIS. Ook is ter dezer tijd binnen de Stad gevonden een zilvere penning van Keiser (p) Otho, hebbende op de voorzijde tot opschrift IMP M OTHO CAESAR AVG TR P, op de keerzijde PAX ORBIS TERRARUM.
1633. In Januarii was 'er een zeer hoog water zonder ijskropping, waar door de Dijken den 19 Januarii op twee plaatzen onder Beuningen in het Rijk van Nijmegen, en te Leeuwen in het Ampt tusschen Maas en Waal (q), doorbraken. (o) Nomina Figulorum et Officinarum collegit Smetius in Antiq. Neom. pag. 164. Confer quoque, quae notavi ad Epistolas de Columna Milliaria Trajani pag. 4. et de Lucernis veterum reconditis pag. 14. (p) Vide Epistolas de Lucernis pag. 31. Kopere penningen van Otho zijn alhier nooit gevonden. (q) Raadsign. van den 2, 4 en 6 maart 1633. |
| 177 kwam Prins Frederik Hendrik van Arnhem, en trok vervolgens naar het Staten Leger. Den 15 October kwam de Prins alhier, en wierd met de Palts-Graaf Keurvorst, den Franschen Ambassadeur en andere hooge persoonen door de Magistraat ter maaltijd onthaald, de Ruiterije trok des morgens door de Stad, en eenige Regimenten gingen van hier te scheep. Daags daar na bezichtigde de Prins, neffens den Palts-graaf Keurvorst en den Ambassadeur van Vrankrijk (r), de onschatbaare meenigte der Romeinsche en Batavische oudheden, die van tijd tot tijd, alhier en in den omtrek, onder den grond gevonden waren; en vertrok den 17 met een klein gevolg naar Zeeland en Vlaanderen. In November is de (s) Vischmarkt na bij de Kraanpoort aangelegd.
1634. In Januarii had men in de Waal zo hoog water, als in het voorige Jaar, waar door de Dijk aan de Over-Betuwsche zijde te Lent den 9 doorbrak, en de groote steene Sluis aan de zijde van de Waal voor de Grift leggende (t) den 14 daar aanvolgende weird weggespoeld. (s) Raadsign. van den 26, 27 Sept. 1633. 9. April 1634. (t) Raadsign. van den 13, 14 Januar. 1634. (v) Van den 5 en 30 Maart 1634. 30 Sept. 1646. 13 Mai 1650. 20 Sept. 1652. 23 Febr. 1655. Zie ook de Ordonnantie op het Borgerschap der Stad Arnhem artic. XIV. |
| 178 zijn verstooken, en daar door het zelve zullen verwerkt hebben. Den 28 Mai is 's morgens vroeg uit Nijmegen getrokken de jongste Burgermeester Pontiaan Singendonk aan het hoofd van vier Burger-Compagnien met vliegende vaandels, van de Broeder-straat, Hesel-straat, Smit-straat en Laage-Markt, welke, met toedoen van de Burgers van Arnhem, den Dam door den Amptman van Over-Betuwe omtrent de Brug op deeze zijde van Elst door de Grift doen leggen, hebben (x) uitgeworpen, zijnde des namiddags wederom gekeert. Den 1 Julii kwam sijne Prinselijke Excellentie alhier, en wierd door de Magistraat ter maaltijd onthaald (ij); vervolgens den 21 uit den Haag te rug gekomen zijnde bezichtigde hij de Ruiterije en het Staatsche Leger, op de Mookerheide vergaderd, in tegenwoordigheid van Heeren Gecommitteerden, den Prins van Bohemen, en andere Prinsen, en vertrok van daar naar Breda. Den 25 September heeft men des avonds een ongemeen verschijnzel van weerlicht gezien (z). Ook is 'er in de nazomer en herfst met kleine wateren eene buitengewoone droogte geweest, hoedanige niemand wist beleefd te hebben.
1635. Is de Waal met ijs bezet geweest van den 11 Januarii tot den 3 Februarii. (ij) MS. Aantekeningen van dien tijd. (z) Chronicon MS Johannis Smetii. |
| 179 Den 10 Mai kwam sijne Prinselijke Excellentie, en brak den 13 met het Staten Leger op, 't welk, gelijk in den voorigen Jaare, (a) op de Mookerheide verzamelt was. Ook trok de Prins in het laatst van Julii door Nijmegen over de Waal, om Schenkenschans, waarvan de Spaanschen zich bij verrassing hadden meester gemaakt, zo mogelijk, te herwinnen. Den 7 Julii is aangebragt het lijk van Engelbert Charles, welke meer dan veertig wonden bekomen had; met den zelven wierd de geslagt-naam en het wapen van Charles begraaven. Den 11 Augustus lagen rondom de Stad omtrent tien duisend man Voetvolk in de Buiten-werken; onder deezen bevonden zig zeer veele zieken, meerendeels Franschen en Italianen: het weder was in het voorjaar laauw en vogtig geweest, in de zomer zeer heet en droog; en men was gekweld met eene verbazende meenigte van vliegen en andere bloedelooze diertjens: Reeds in Julii begonnen te heerschen koortsen, boven alle voorbeeld verderflijk, en andere kwaadaartige ziektens: in November openbaarde zich de (b) Pest, allereerst in een huis aan de Paulstraat.
1636. In het laatste van April begon de (b) Chronicon MS. Joh. Smetii, Isbr. de Diemerbroek de Peste Neomagensi lib. I. cap. 3. lib. IV. in not. Raadsign. van den 16 Aug. 1635. |
| 180 Pest allerhevigst te woeden, en heeft in die ijszelijke woede blijven aanhouden tot het einde van October: den 5 April had men twee en sestig lijken op eenen dag begraven, en onder deeze drie bruidegoms: 's wekelijks stierven een hondert agt en zeventig, twee honderd, en twee honderd en zeventig menschen; staande de Lijk-baaren door alle straaten geplaatst; ook wierden dikwils (c) drie of vier lijken teffens uit een en het zelfde huis gedragen; zijnde doenmaals de besmetting algemeen verspreid, en bijna (d) geen een huis van de Pest bevrijd. In den tijd van ses dagen (e) stierven drie Praeceptoren van het Latijnsche School: De Schoolen waren geslooten, en over de honderd en tachentig leerlingen begraven. Als het lijk van zeker persoon, aan de Pest gestorven, in de Regulieren kerk ter begravinge gebragt was, waaren eenige Vrouwspersonen om (f) de Lijk-baar te hebben handgemeen tot bloedens toe. (c) Diemerbroek de Peste Noviomagensi lib. I. cap. 3. 5. 6. lib. II. cap. 3. per tot. J.H. Degner de Dysenteria Prooem. pag. 1. Zie ook het Raadsign. der Stad Nijmegen van den 22, 28 Apr. 9 Mai 1636 (d) Diemerbroeck de Peste lib. I. cap. 3. lib. II. cap. 12. (e) MS. Aantekeningen van dien tijd. (f) Principium et vigorem hujus pestis ita descripsit tritavus meus Joh. Smetius in Chronico MS. |
| 181 Alzoo de Kerkhoven met lijken waren op- Vim primae sensere luis florentia Galli Corpora, sed lenta detenuata fame. Succedunt Batavi, morbo mortique dabantur: Quae sine tabe foret vix erat una domus. Saeviit autumnus, nivibusque extinguere flammas Nec toto potuit turbida bruma gelu. Vere calor rediit novus, et philomela sub umbra Qua cecinit, foedus tristia bubo gemit. Pro Flora Libitina ruit. Non Pleias amicum Conspecta est terris expediisse caput. Non alius Majo mensis mage lethifer: ipsi Tyndaridae fratres flumina pestis erant. Vecta catervatim manantia corpora tabo Frigida communi cespite clausit humus. Vidimus (et meminisse piget) certamina tristi Pro feretro, et laceris ora cruenta genis: Funera funeribus densari, mortua vivis Corpora corporibus mista jacere toris. Waar van de zin bijkans hier op uit koomt: 'k Heb onlangs van 't verderf der pest ook Batoos stad 't Rouw-baarend treurgevoel en wreed geweld zien smaaken. Toen reeds de kreeft en leeuw zijn' razernij vergat, En Titan niet zoo fel als kortlings scheen te blaaken, Trekt straks een magtig heïr van Tongren op ons erf: Men ziet voor Ceres halm alom de helmen blinken. De gallen strekken 't eerst het doel aan dit verderf, Wier frisse leden door den schraalen honger flinken. Voords dringt ook dit venijn den Batavier in 't bloed, Geen huis of 't is met pest besmet, terwijl intusschen De vochte herfst gelijk de heete zomer woedt, Ja zelfs noch kille sneeuw noch ijs dien brand kan blussen. De warme lente daagt op nieuws, maar Filomeel Ruimt thans haar' zang-zaal in, voor 's nachts uitsgillend klaagen; De Lijkgodes vervangt ook Floraas plaats geheel, Geen vocht Star schaft ons hulp door malse regenvlaagen. De Meimaand boven al wordt doodlijk, Ledaas kroost Zwaait zelfs het pest vuur met een blixemend vermogen. Het gulzig graf verslindt de lijken, zonder troost, Die men nu dag aan dag tot heuvels op ziet hoogen. |
| 182 gevuld, is de opene ruimte op (g) Marienberg, en de plaats bij de Observanten mede geschikt tot het begraven der doodens; Doch de reuk der begravene meenigte in de kerken is aan veele bezmettend en (h) doodelijk geweest. Volgens de aantekeningen is bevonden, dat zedert den laatsten Julii des jaars 1635 tot den 1 Augusti 1636 binnen de Stad (i) gestorven zijn ses duizend en negen menschen, behalven die door verzuim der Kosters zijn vergeeten. Wegens deze woedende pest en sterfte was men in Augustus en September zeer verlegen om Maajers te vinden, het (k) gras wierd voor de helfte gehooijd, en een Maajer ver- 'k Zag zelf (en ijsde er van) het vrouwelijk geslacht Elkandren om 't bezit der baar de wangen scheuren; 'k Zag lijk naast lijk gepakt, op 't doodbed t'zaam gebragt, En op dat zelfde bed den matten zieken treuren. (g) Raadsign. van den 22, 28 Apr. 9 Mai 1636. (h) Multarum semina rerum Esse supra docui quae sint vitalia nobis: Et contra, quae sint morbo mortique, necesse est Multa volare. Ea quum casu sunt forte coorta, Et perturbarunt coelum, sit morbidus aër. Lucretius lib. VI. v. 1091. Adde Isb. de Diemerbroeck de Peste Noviomagensi lib. II. cap. 3. pag. 117. (i) Ex Chronico MS. Johannis Smetii. Zie ook het Raadsign. van den 3 Julii en 1 Aug. 1636. (k) MS. Aantekeningen van dien tijd. In Februarii had men een buitengewoon hoog water gehad, waar na, vier maanden lang, zulk eene droogte volgde, dat men in Mai bekommerd was om gras voor het Vhee te vinden, in het midden van Mai kwam eene onverwagte verandering. |
| 183 diende een Rijksdaler des daags, behalven den drank. De Vergaderingen der Gedeputeerde Staaten des Quartiers waaren ook ter deezer tijd (l) naar Bommel verlegd.
1637. In het begin van Maart begon de verschrikkelijke plaag der Pest (m) op te houden. Omtrent dezen tijd is eene Stads Bibliotheek opgericht, en tot inkoop van Boeken eene (n) jaarlijksche somme vast gesteld. Ook is aangaande het recht van Veer over de Waal nadere voorzieninge gemaakt, en goedgevonden het Privilegie van Hertog Carel aan deeze Stad gegeven, dat van den Bijland af tot Dodenwaard toe geene andere Vheerstad, dan (o) alhier voor de Stad over de Waal mag zijn, tegens een ieder te handhaven. (m) Diemerbroek de Peste lib. I. cap. 3. (n) Raadsign. van den 14 Dec. 1636. 16 Febr. 1701. (o) Raadsign. van den 11 en 19 Julii 1592. 22 April 1601. 18 Januarii 1637. 23 Januarii 1659. Bij het project accoort met de Maltheser Ordre van den 18 Mai 1700 was onder anderen bedongen, dat aan de Stad zoude verblijven 't gedeelte van 't Vheer, 't geen de Commanderije praetendeerde haar toe te behooren. Aangaande de 30 Malder Haver de Domeinen jaarlijks uit het Veer aankomende zie 't Raadsign. van den 6 Maart 1709. (p) Smetius in Antiq. Neomag. pag. 96. Jo. Ant. Astorius de Deo Brotonte in Thes. Sallengr. Tom. II. pag. 775. Sponius in Miscell. erud. antiq. pag. 78. n. |
| 184
Iovi Optimo Maximo En omtrent dezelfde tijd eene andere Altaar met het (q) opschrift FORTUNAE RegINAe. 1638. Na het overlijden van den Commandeur van St. Jans ordening, in Januarii voorgevallen, heeft de Magistraat de goederen van de Commanderije den 26 Februarii (r) aanvaard, tot onderhoud der Schoolen, Kerken, en Kerken-Dienaars. (q) Smetius in Antiq. Neomag. pag. 64. Adde not. ad Epistolas de Columna Milliaria Trajani pag. 5. (r) Zie de Verandwoording voor Burgermeesteren Schepenen en Raad der Stad Nijmegen, dienende tot Justificatie van het aanvaarden der Commanderije van St. Jan. gedr. 1639. en de Remonstrantie aangaande de onwettelijkheid van der Johanniters verzoek; gedr. 1643. Aitzema Zak. van Staat en Oorl. III. D. XXIX. B. bl. 283. mitsgaders de Raadsignaten van den 6, 7, 22, 23 Januar. 18 Mai, 4 Dec. 1638. Dit Convent had drie Priesters en een Koster met tafel en Salaris tot dienst der Kerk, neffens Orgelist en Zangers, en deed weekelijks drie uitspeindingen voor der Armen onderhoud. MS. Aantekeningen van dien tijd. |
| 185 In Maart wierd eene Aardbevinge gevoeld. Vermits door de tweejaarige Pest in 1635 en 1636 de Stad een groot gedeelte van haare Burgeren en Inwooneren verloren had, zulks dat zeer veele huizen ledig en onbewoond stonden, is goedgevonden aan de Geloofs-genooten uit Aken, Gulik en Limburg, welke ter zake van de Hervormde Godsdienst genooddrongen wierden te vertrekken, zoo ze zich alhier met goede getuigschriften aangaven, het (s) Burgerrecht te vereeren. Den 11 April is een (t) gedeelte van het Clooster op den Hessenberg geschikt tot een wooning ter opvoeding van kinderen, nagelaten bij schamele ouderen, geene Burgeren dezer Stad geweest zijnde, als meede van Ruiteren en Soldaaten der Bezetting, die in het Burgeren-Weeshuis niet mogten aangenomen worden. 1639. Is binnen de Stad een gedeelte van eene kopere plaat opgedolven, vermeldende dat Aurelius Victorinus ten tijde van Gallienus, Nijmegen met de naam van STAD verheerlijkt heeft (v), met dit opschrift. … ET DE …….. (s) Raadsign. van den 18 Apr. 1638. (t) Raadsign. van den 30 Nov. 1636. 11. Apr. 1638. 9 Jan. 13 Febr. 1639. en de Ordonnantie van Fundatie van den 30 Dec. 1640. (v) Smetii Oppid. Bat. cap. V. pag. 55. cap. XI. pag. 135. |
| 186 Midsgaders eene steene Altaar (x), aan Minerva gewijd, met het opschrift DEAE In Junii is door een Schipper in de Waal, even boven de Stad, opgehaald (ij) een been, gaande van de heup tot de knie, lang 4½ voet en 1 duim; hebbende in den omloop, daar het op het dunste was, twee derde van een el. Ook is eenige weeken te voren in de Waal gevonden een Kaakebeen van een wanstaltige gedaante, in het welk eenige tanden zaten van de groote eener vuist.
1640. Den 25 Maart (a), ten vier uuren in den morgenstond, gevoelde men eene Aardbeeving. (ij) MS. Aantekeningen van dien tijd. (z) J. van de Sande Ned. Hist. bl. 556. (a) Ex Chronico MS. Johannis Smetii. L. Gorisii Farrag. carmin. abort. pag. 9. (b) Raadsign. van den 13 Mai 1640. 20 Januar. 1641. 27 Sept. 1644. 27 Dec. 1737. |
| 187 zeer hooge Rivier, waar door veele Landerijen overstroomd wierden: ook was het water den 1 October zeer hoog. In October zijn aan een huis in de Burgstraat, over het Stadhuis, op den hoek van de Nieuwstraat, bij het graven van een Bak-Oven en Kelder, (c) twee zeer oude Kelken, en eenige Romeinsche munt-stukken gevonden. Ook is ter dezer tijd gevonden een langwerpig stuk koper, in de gedaante van een hart (d), met het beeldtenis van den Keiser Lucius Verus, en het opschrift IMP. CAES. L. AVREL. VERVS AVG.
1641. Den 27 Januarii zijn de eerste Buiten-moeders over het (e) Burgeren-kinderen Weeshuis aangesteld. (d) Smetii Antiq. Neomag. pag. 18. (e) Raadsign. van den 27. Januar. 1641. (f) MS. Aantekeningen van dien tijd. (g) Vergelijk de Brief over de zogenaamde Jacobaes Kannetjes bl. 20. (h) J. van den Sande Ned. Hist. bl. 619. (i) Raadsign. van den 1 Oct. 1641. |
| 188 Den 21 Octob. is een dankdag (k) gehouden en vreugde bedreven met het speelen op de klokken, en het betoonen van andere tekenen van blijdschap, alzo het als toen vijftig jaaren geleden was, dat de Stad uit de vertrapping van haare privilegien, en het geweld van Spanje was verlost, onder de Unie gereduceert, en tot nog toe voorspoedig verbleven. Den 10 November is het (l) Valkhof met alle die daar opwoonen in des Stads Quohier gesteld, en getaxeert.
1643. Den 9 Januarii is het water zeer hoog geweest, stroomende op veele plaatzen over de Dijken in het Ampt tusschen Maas en Waal.
1644. Den 21 Januarii heeft zich de Waal met ijs vast gezet; den 25 is het zelve losgeraakt (n), kruiende op veele plaatzen huis hoogte op een, en tot boven op de Dijken. (l) Raadsign. van den 10 Nov. 1641. zie ook GuedesdagB. 5ta post Petri et Paulli Apostol. 1569. Raadsign. 2 Novemb. 1591. 14 Oct. 1618. 29. Sept. 1629. 12 Januarii 1724. (m) Raadsign. van den 22 Febr. 1643. 26 Maart 27 Aug. 1645. (n) MS. aantekeningen van dien tijd. Gedenkschiften van A. van der Capellen II. Deel bl. 63. |
| 189 1645. Den 13 Februarii is aan de west zijde van de Stad op de kant van de Stads gragt, ter plaatze, welke hedendaags nog de Roomsche Voet genoemd word, behalven eene meenigte andere oudheden, een (o) Grafsteede van duifsteen opgegraven, omtrent vier voeten lang, waar bij vier glaze Vlesschen nevens malkanderen stonden, drie aan de zijde en een aan de voeten, van welken twee op de grond geletterd waren: Een was boven de helft vol zoutagtig nat, toen, door de beweeging en inwerping der aarde, wel troebel en ontroerd, dog na weinige dagen geheel zuiver en klaar geworden. In deeze doodkist wierden gevonden een (p) vergulde bagge in de gedaante van een hart; een Lamp van pot-aarde, en een staale Spiegel, wiens regte diameter vijf Romeinsche duimen groot was, en wiens keerzijde een weinig was uitgehold en verzilverd: Daarenboven twee glaze Vlesschen met enge buiken en lange halzen, waar van eene in zich hadden aschagtige, en de andere rosagtige stof, misschien overblijfzels van opo balsamum, nevens nog eenige andere kleinigheden. In de maand Augustus is, omtrent op dezelfde plaats, tusschen eenige aarde Vaatjens en andere Romeinsche en Batavische over- (o) Ex chronico MS. Johannis Smetii. Vide quoque Fortunium Licetum de recond. Antiquor. lucernis lib. VI. cap. 93. 95. Smetii Antiq. Neomag. pag. 116. Epistolas de Lucernis veterum recondit pag. 24. et de Monument. sepulcralib. pag. 20. ibique in notis. (p) Licerns lib. VI. cap. 93. Fr. Ficcoroni delle Bolla d'Oro de Nobil. Roman. pag. 6. et 54. Con. Middleton in Monum. erud. antiq. Tab. III et VIII. |
| 190 blijfzels, opgedolven een loode kist, van een mans lengte, en omtrent een halve vinger dik; de vier dwarze ijzeren, die onder het dekzel, om die op te houden, waaren gelegd, wierden met slooten of schroeven bij een geschroeft. Het doodsgeraamte was bijna nog geheel, dog viel tot asche; wederzijds stond een aarde pot, die omtrent eene geheele maat en een vierendeel inhield, en een glaze vlesje van een vierendeel (q) nats aan het hoofd. Den 24 September zijn de arbeiders (r) gelast de Romeinsche munten en andere merkwaardigheeden der oudheid, in het graaven aan den Roomschen voet meenigvuldig onder den grond gevonden, op het Raadhuis te brengen. In October en vervolgens is door de Ampten en Gilden ieder een kopere Kroon van honderd ponden of meerder (s) in de Groote Kerk vereerd.
1646. Is de Galderije in de gedaante van een kleine Beurs, aan de Waal gebouwd. (r) Raadsign. van den 24. Septemb. 1645. MS. aantekeningen van dien tijd. (s) Raadsign. van den 9. Julii 1645. (t) Quam Batavi legere Patres, quo regia starent Moenia vicinis suspicienda locis. Confer J. Smetii Centon. Virgilan. in Belvedere Noviomagense pag. 2. L. Gorisii Carm. in Noviom. Belvedere pag. 497. Raadsig. van den 5 Julii 1646. 18 Aug. 1647. en Slichtenhorst I. B. bl. 35. |
| 191 den Hertog van Parma de naam van Bellevedere, dat is aangenaam uitzicht, was toegelegd, een hoog Speelhuis gesticht, van waar men vier verscheide stroomen, als Waal, Rhijn, IJssel, en Maas kan beschouwen; verschaffende te gelijk een vermakelijkst uitzicht over de Betuwe naar Arnhem en de omleggende Steeden en Dorpen. Den 17 April zijn Beurtschippers op Amsterdam aangesteld (v). 1647. Den 13 Maart bveond zich alhier den Keurvorst van Brandenburg.
1648. Alzo de Vreede den 5 Junii was gepubliceert, heeft de Raad met de Gemeenslieden vermeend, dat de provisionele bestelling van de Magistraat, aan sijn Excellentie bij de Capitulatie alleenlijk gedurende den doenmaligen Spaanschen Oorlog gedefereert, en onverkort niet te min haare privilegien, kwam op te houden; En dat aan haar eene vrije Burgerlijke Regeering en eigen bestelling volgens haare privilegien toekwam; hebbende overzulks den 20 Mai een project (x) Reglement over de Keur van den Raad doen opstellen, waar bij is bepaald, dat de Magistraat de nominatie van de vacante Raadsplaatzen, en de Gemeenslieden uit een dubbeld getal de electie zouden hebben. Daar tegens sustineerde Prins Willem de tweede, dat hem (x) Raadisgn. van den 2, 3 Januar. 19, 20, 22, 24 Mai 11 en 16 Aug. 1648. Memorie van de Constitutie van de oude Rijks-Stad Nijmegen bl. 22, 33. |
| 192 als Stadhouder dezer Provinicie, zo wel in tijd van vreede als oorlog, toekwam de bestelling van de Magistraat dezer Stad. En als de Landschap, te Nijmegen vergaderd, ook (ij) verstond, dat sijn Hoogheid, gedurende sijn leven, zoude continueren bij de electie van de Leden der Magistraat uit een dubbeld getal, heeft de Raad en Gemeente door den Sijndicus Goris (z) daar tegens doen protesteren. Den 24 Mai is voorzieninge gedaan omtrent het recht der (a) Burgers ten aanzien van de bedieningen staande ter begeving van den Raad. Den 20 October is nader verklaart, dat de Burgers van Nijmegen, volgens Privilegien, in hunne personen en gereede goederen binnen het Rijk van Nijmegen (b) bij Arrest niet mogen bekommerd worden.
1649. Den 31 December 1648 heeft de (z) Raadsign. van den 2 Jun. 11, 16, 18 Aug. 1648. Quartiers Rec. 7 en 8 Aug. 1648. Aitzema zak. van Staat en Oorl. III. Deel XXIX. B. bl. 295. Leven van Prins Willem de tweede IV. B. bl. 388. Van der Capellen Gedenkschriften II. D. bl. 241. (a) Raadisgn. van den 24 Mai 1648. vergeleken met Smetius in Opp. Bat. cap. IX. pag. 119. Zoo beloofde Hertog Arnold den 8 Junii 1423. geene Ampten te zullen vergeven, als aan inboorlingen, of aan Inwooners, die in Gelderland waren geërft. (b) Overdracht in profesto decollat. Johannis 1500. in 't Overdracht-Boek Fol. 43. verso. Raadsign. van den 20 Oct. 1648. MS de Judicio Imperii. vergeleken met de Hollandsche Advijsen I.D. cons. 238. |
| 193. Prins met een aanzienlijk gevolg van Hoofd-Officieren zig naar Nijmegen begeven, de dienende Magistraat den 2 Januarii bedankt, en een andere, met drie nieuwe Leeden versterkt (c), aangesteld: Zijnde den 4 daar aan volgende, na een keer naar Cleef gedaan te hebben, de Waal af over Rotterdam en Delft, wederom naar den Haag vertrokken. Den 19 Maart is een Reglement (d) aangaande de Latijnsche Schoolen gemaakt. Ook is verstaan, dat alle Magistraats personen, Sijndicus en Secretarien, en derzelver successeuren in officio, met het aanvangen hunner bedieningen, de (e) groote Burgerschap, en het recht van dien, verkregen hebben; zulks, dat dezelve en alle hunne wettige nakomelingen ten allen tijden Burger-brieven, zonder eenige ontgeltenis, zullen mogen ligten en genieten.
1650. Den 2 Januarii heeft sijn Hoogheid, ter Vergadering verschenen zijnde, de Leeden van de Magistraat voor hunne aangewende en gedane diensten in het bestieren van de Stad, en het bezorgen van de Justitie en Politie bedankt, van den (f) eed ontslagen, en wederom (d) Zie ook 't Raadsign. van den 14 Sept. 1592, 8 Jan. 1652. 9 Aug. 1724. 30 Jan. 1737 en 5 Maart 1739. (e) Raadsign. van den 1 Aug. 1649. 16 Mai 1660. (f) Raadsign. den 2 Januarii 1650. |
| 194 aangenomen, verzoekende dezelve voor 't jaar 1650 gelijke moeite en dienst aan de Stad te willen doen. Na het overlijden van Willem de tweede, Stadhouder dezer Provincie, op den 6 November, zijn de Gemeenslieden, als repraesenterende de gansche Burgerije, te zamen gekomen, en hebben van de Magistraat de herstelling van de Oude en vrije Burgerlijke Regeering der Stad verzogt. Hier over verscheide bijeenkomsten tusschen de beide Collegien gehouden zijnde, heeft de Magistraat, na voorgaande onderzoek van zaken en rijpe overweging den 29 Octob. 1651. de tien articulen, den 20 Mai 1648 met de Gemeenslieden beraamd (g), vastgesteld en aangenomen, volgens welke de nominatie van de Raadspersonen aan de Magistraat, en de electie aan de Gemeentslieden; en wederkeerig de nominatie van de Gemeenslieden aan dezelver Collegie, en de electie aan de Magistraat is overgelaten. In 1648, 1649 en 1650 zijn 'er in de zomers en herfsten zwaare stortregens geweest, waar door op veele plaatzen het gras bedorven, het hooij verdronken, en de graanen op het veld verrot zijn.
1651. In dezen jaare heeft het water in de Waal, zonder opstopping van ijs, anderhalf handbreed hoger, dan voormaals gestaan, doorbreekende de Dijken te Bislik, in de Hettert, in de Duffel, en Lijmers; Het Rijk, |
| 195 Maas en Waal, Over- en Neder-Betuwe, Thielre- en Bommelre-waarden en de verdere beneden leggende landen tot den Diefdijk liepen door eene geweldige overstrooming (h) onder. Een gedenkteken van dezen watervloed vind men in de muur van de Kraan gemetzeld. Den 26 Maart zijn verscheide (i) voorzieningen beraamd aangaande het uitgeeven van het Wacht-woord, bewaaren van de Stadssleutelen, openen en sluiten der Stads poorten enz. Den 20 Junius is tot grooten rouw van die van Nijmegen zeer schielijk gestorven de beroemde Sijndicus Lambertus Goris (k), wanneer naauwlijks een maand te voren de alom vermaarde Oudheidkundige Johannes Smetius overleden was. 1652. Den 17 November is vast gesteld, dat geen Leeden van de Magistraat zullen mogen wezen (l) in eed of dienst van eenige Heeren, Graven, Prinsen of Republiquen, of andere, 't zij inheemsch of uitheemsch.
1653. Is de St. Jans markt (m) tot een Kooren-markt bekwaam gemaakt. (i) Raadsign. van den 26 Maart 6 Apr. 1651. (k) Smetii Antiq. Neomag. pag. 265 et 266. Epitaphium Smetii in templo majori. Slichtenhorst Geld. Gesch. I. B. bl. 99. n. 160. J. Fransc. Foppens Biblioth. Belg. Tom. II. pag. 732. C.V. Vonck Voorred. voor de Beschr. van Doesburg bl. 78. (l) Raadsign. van den 17 Nov 1652. Adde Smetii Oppid. Batav. cap. VI. pag. 71. (m) Van den 15 Mai 1653. |
| 196 1654. In Mai is de vreede met Engeland afgekondigd.
1655. Den 14 Februarii is Johan van Someren tot dezer Stads Sijndicus aangenomen. Ook is in diezelfde maand het St. Anthonis Kerkhof met Lindenboomen bepoot.
Iovi Optimo Maximo Op den 3 Mai geschiede de (o) inwijinge der illustre School; welke op den zelfden (o) Van den toestel tot de inwijinge, als anderzins, zie de Raadsignaten van den 23 Dec. 1653. 4 Jan. 22 en 26 Junii 7 Julii 13 Sept. 17 Oct. 1654. 7 Maart 18, 22, 25, 29 Apr. 2, 6 Mai 4 Julii 1655. De Heeren Staten des Quartiers hadden reeds vier jaaren te vooren in de Landschaps Vergadering verklaart, dat sij niet gezind waren om langer het gewoon subsidie tot de Academie van Harderwijk te geeven, als welke toenmaals zeer aan het vervallen was. Van die gelegenheid bediende zig de Magistraat van Nijmegen, en sij verwierf |
| 197 dag van het volgende jaar, te weeten den 3 Mai 1656, tot eene (p) Quartierlijke Academie wierd verheven.
1656. In Mai wierd de gedagtenis van de (q) eerste promotie van een Leeraar in de Rechten door goude penningen vereeuwigd. Voor al wierd 'er omgezien na de (r) beroemste Mannen, om aan deze nieuw-opgerichte Academie luister bij te zetten.
1657. Den 1 October is met instemming der Gemeenslieden vastgesteld, dat voortaan geen Sijndicus, Stads Secretaris of Rentmeester der Geestelijke goederen tot Raad zal aangenomen worden, ten waare hij eerst sijn (p) Raadsign. van den 3 en 6 Mai 1656. (q) Raadsign. van den 9 Apr. 28 Mai 1656. MS. Aantekeningen van dien tijd. (r) Raadsign. van den 6 Jul. 18 Oct. 15 Nov. 6 Dec. 1654. 21 Jan. 12 Sept. 1655. 5 en 19 febr. 1656. Confer quoque Joh. Barbeijraccium in vita Gerh. Noodtii ejusd. operib. praemiss. et Th. Leon. Roukens Orat. de Academia Noviomagensi pag. 11, 12 et seqq. (s) Raadsign. van den 12 Nov. 1656. 23 Maart 1659. 11 Sept. 1661. Quart. Rec. van den 20 Oct. 1659. |
| 198 dienst kwame afteleggen (t). En dat meede geen Raad tot Sijndicus, Stads Secretaris of Rentmeester zal mogen worden verkoren, ten waare hij eerst van sijn Raads-plaats kwame te renuncieren, en daar van afstand te doen.
1658. Is het water met ijsgang bij menschen geheugen nooit hoger geweest, alle andere verre overtreffende (v), waar door aan veele oorden de Dijken overliepen, en in Over-Betuwe de Griftdijk, en de Dijken aan de Waal en Rhijn-kant doorbraken. ::: QVE EORVM op de keerzijde S.P.L.L. als meede een stuk koper, in den omtrek (v) Raadsign. van den 16, 22, 24, 27 Febr. 8 Maart 1658. 19 Jan. 1659. (x) Raadsign. van den 13 Aug. 1658. (ij) Vide Smetii Antiq. Neomag. pag. 90. et H. Cannegiterum in Postumo cap. XIV. pag. 157. Similes ta- |
| 199 met deeze woorden TR. POT. III. COS. II. en FORT.RED. 1659 Is even buiten de Stad in het beploegen van bouwland opgehaald een steen, met het (z) opschrift ……. 1660. Den 9 December was 'er eene allerhevigste wind, welke huizen, daken en boomen, met de wortels uit de grond gerukt, wijd en zijd nederwierp.
1661. In dit en het volgende jaar was 'er eene ongemeene duurte, en steigering van den prijs van graanen (a); zijnde de politie van den Rog gesteld geweest op 17 guldens 15 stuivers.
1662. Den 10 Augustus is besloten, dat bij het zingen der Psalmen op het Orgel zal werden (c) gespeeld, om de gemoederen tot het loven en danken van God Almachtig te meerder op te wekken. (z) Smetii Antiq. Neom. pag. 97. vide quoque Epist. de Monument. sepulcr. pag. 15. ibique in notis. (a) Raadsign. van den 4 Nov. 1661 en 21 Apr. 1662. (b) Volgens de uitrekeninge van Edm. Halleij Synops. of the Astron. of Comets moet deze Staart-star wederom verschijnen in 1789. (c) Raadsign. van den 10 Aug. 1662. |
| 200 Omtrent deze tijd is gevonden een gebroken kopere plaat (d) met de letters M. ANTON En in de Over-Betuwe een Altaar met het opschrift HERCVLI MA 1663. Den 23 Maart is de Burggraaf verzogt tot het bekleeden der Gerichtsbanken van Wichen en Beuningen in het Rijk van Nijmegen, volgens den Landbrief, mede te verschrijven eenige der (e) treffelijke Geerfdens. (e) Zie Geld. Pl. B. II. D. 1. app.col. 3 en 5. Smetii Oppid. Batav. cap. VII. pag. 92. Raadsign. van den 30 Junii 3 en 17 Aug. 1631. (f) Dat is het grondgebied der Stad Aken, Imperium en Regnum Aquisgranense genoemd: het Certificaat berust in den Blok Laade No.2. En wederkeerig aan de Burgeren van Aken in het Rijk van Nijmegen. De naam van Imperium of Rijk van Nijmegen vind men reeds in de Compromissoriale uitspraak van Henrik Bisschop van Utrecht, Willem Grave van Gulik en Goswin Heere van Burne van den jaare 1266 over het disput, 't geen de Burgers van Nijmegen over haare Tolvrijheid bij den Grave van Cleve wierd gemoveert, en in fa- |