|
Chronijk |
|
IN |
| I VOORBERICHT De geleerdste Mannen van deze eeuw (schrijft de Heer Smetius in sijn Opdragt) hebben geduurig bij wijlen mijnen Vader (1) aangehouden, dat hij eenigen tijd buiten sijne openbaare bedieninge geliefde te besteeden tot het naspooren van de gedenkwaardigste Geschiedenissen, die van de oudste tijden af in deeze landen waren voorgevallen; 't welk hij met veel naauwkeurigheid heeft aanvaard, zonder eenige moeite of kosten te ontzien, opzoekende alle (2) Oudheden, die de eerste Volkeren, zoo voor als na de geboorte onzes Heeren, in deeze land-streeken, in koper, (1) Vide Nic. Heinsii et Const. Hugenii Epistolas ad Jo. Smetium, inter Epistolas de Castris Veteribus pag. 28, 34. (2) Thans uitmakende een aanzienlijk gedeelte van de Keur-Paltsische verzameling en schat der aloudheid. Eenige merkwaardige Gedagtenis-steenen zijn aan deeze Stad geschonken. Zie hier na bl. 204, 228. et G. Cuperi Epistolas de Mercurii aliisque Sigillis in Praesat. |
| II Zilver, goud, en anderzins, hadden nagelaten: Uit welke zo konstige als kostelijke overblijfzels, nevens andere stukken der Oudheid, van hem bij uitgezogte uuren onder anderen is bevonden, dat Nijmegen eertijds is geweest de oudste, en aanzienlijkste Stad van de landen tusschen Rhijn en Waal, of hier omtrent tot de Zee toe, gelegen; 't geen door hem betoogd is in sijn alom beroemde (3) Werk onder den titul van Oppidum Batavorum. En wanneer de Regeering dezer Stad daar op aanhield, dat hij in Stads dienst zoude verblijven, en geen ander (4) beroep aanneemen, niet tegenstaande aan hem verscheide herhaalde verzoeken wierden gedaan van de aanzienlijkste Gemeenten en Hooge Schoolen tot het Ampt van Hoogleeraar, dan in de Godgeleerdheid, dan in de Wijsbegeerte, gelijk hij die te vooren (3) Een laborious en deftig Werk, tot merkelijken dienste, luister en reputatie deezer Stad strekkende, volgens het Raadsignaat der Stad Nijmegen van den 1 en 8 Febr. 1643. 19 Mai 1644. Adde Epistolas de Castri Veteribus pag. 28,30,33,34,40. de Fibulis vestiariis pag. 39 en de Beschrijving van Batavia van den Syndicus der Stad Nijmegen. J. van Someren XIII. Hoofdst. (4) Raadsign. Van den 18 Januar. 1643. 15 en 19 Mai 1644. 3. Januar. 1650. vergeleken met 11 Apr. 2, 11, 15 Aug. 30 Sept. 18 Nov. 1618. 15 Dec. 1630. 21 Aug. 1646. en de Brieven van Spanhemius en Voetius inter Epistolas de Castris Veteribus pag. 29. et de Sigillis antiques in Praesat. |
| III In Vrankrijk hadde waargenomen, heeft evenwel het aanhouden der Regeering het meest bij hem vermogt om zig op te houden, tot het einde van sijn leven toe, in alles, wat zo tot eer en dienst dezer Stad, als tot der geode Ingezetenen tijdelijk en eeuwig welzijn mogte dienen; waar van het laatste werk, 't welk onder sijne handen weird bevonden, zoude hebben kunnen getuigen, behelzende uit de overgeblevene Oudheden en Schriften der Oud-Vaders, een klaar bewijs, dat het Christelijk Geloof reeds in de vierde eeuw in deeze landen bekend, en (5) hier ter Steede beleden was, waar toe hem aanleiding gaf een zeker langwerpig Kruis met twee Vischkens, in een edel gesteente oudtijds gesneeden, en in sijnen tijd alhier gevonden, zijnde een ongetwijfeld overblijfzel van het eerste Christendom in deeze landen. Gelijk dit Bewijs van het eerste Christendom hier ter Steede, en andere sijner schriften, zommige bijna geeindigd, andere ten halven voltrokken, en eenige slegts begon- (5) Willibrordus vond bij sijn aankomst Christenen hier te Lande. Doch hun getal was zeer gering, en veelen paarden den Afgodendienst met de belijdenis der waarheid. Men doopte na de wijze der Christenen, en offered in de Heilige Wouden enz. Vergelijk Bonifacii Epist. CXXXIV. Et CXL? Met Tacitus Hist. lib. IV. Cap. 22. lib. V. cap. 14, 19. |
| IV nen, onder sijne papieren gevonden zijn; zo heeft ook lang verborgen gelegen het kort begrip van de geschiedenissen dezer Stad onder de naam van Beschrijving en Chronijk van de Stad der Batavieren. De (6) Beschrijving van Nijmegen was in het Latijn gesteld, om de eerste plaats te hebben in het Toneel der Steden van de Vereenigde Nederlanden, en vervattede in zig zeker geschrift, voor deezen onder den naam van Commentariolus de Noviomago van hem gemaakt, en bij sijn leven door J. de Laet in Republica Belgii confoederati, onder den title van Regimen politicum et civile Urbis Noviomagensis, ingevoegd, voorts na sijn dood meede gesteld in de Descriptio totius Belgii, of de Latijnsche uitgave van L. Guicciardini Descrittione di tutti I Paesi Bassi. De Chronijk, of the Gedenk-Boek van de Stad der Batavieren, was tot het jaar 1300 toe in het rein gebragt; het overage van de volgende tijden, alleen in het ruuwe ontworpen zijnde, zoude door hem verbeterd en vermeerderd zijn geworden: maar voor het voltooijen van het werk wierd die geleerde en godvrug- (6) De Latijnsche Beschrijving van Nijmegen door Paullus Merula met eenige korte aantekeningen van den Syndicus Goris is door den Raad der Stad aan Pontanus meedegedeeld, en door hem gevoegd in sijne Geldersche Geschiedenissen lib. I. pag. 49. en volgende. |
| V tige Man uit de waereld tot zijn rust geroepen. Op het verzoek van verscheiden is de Chronijk vervolgd tot den jaare 1591, en in het licht gegeven door den Zoon, die den zelven voornaam voerde. Beide behelzen beknoptelijk den eersten oorsprong en grijzen ouderdom deezer Stad, de voortreffelijkheid van haare vrijheden en voorrechten, en de gedenkwaardigste gebeurtenissen. Voor de aankomst der Romeinen hier te lande zijn de geschiedenissen meestendeels onzeker, of wel geheel en al onbekend, alzo de (7) eerste Bewooneren dezes lands, welker geheugenis tot ons gekomen is, noch leezen noch schrijven verstonden; en naderhand onze Batavische Voorvaderen, van afkomst een Germanisch Volk, zig liever bemoeiden doorlugtige daaden te verrigten, dan te (8) verhaalen: zulks, dat de kennis van (7) Uit Dio Cassius lib. XXXIX. pag. 114. A. Edit. Leunclav. Hebben zommige opgemaakt, dat de oudste Bewooners Celten genaamd geweest zijn. De streek Lands alhier aan de zuidzijde der Waal, 't welk een klein gedeelte van het Belgisch Gallie was, is naderhand met het Eiland des Rhijns, van de Celten verlaten zijnde, door de Batavieren in bezit genomen. Tacitus Hist. lib. IV. cap. 12. et de Moribus Germanor. Cap. XXIX. (8) De Batavieren, Sicambers, Menapiers en Usipeten, hier omstreeks gewoond hebbende, waaren ervarener in het zwemmen en te paard rijden, ???t???? ?pe?e? (??) volgens Dio Cassius lib. LV. De Romeinen hebben hun naderhand in het |
| VI hunnen overouden staat en bedrijven niet bij inlandsche Schrijvers, maar bij Grieksche en Romeinsche, die of in het voorbijgaan, of opzettelijk, van de Batavieren gewaagd hebben, door de Nakomelingen te zoeken is. De oudste gedagtenis en wetenschap, welke wij van eenige bijzonderheden, gedurende de overmagt der Romeinen, hebben, word door Schrijvers van den eersten rang Julius Caesar en Tacitus verschaft. Uit de Gedenkboeken van Julius Caesar blijkt, dat de Batavieren, toen eerst bij de Romeinen bekend geworden, (9) lang voor sijnen tijd deeze streek bewoond hebben; en Tacitus, die groote Man der Oudheid, welke ons, ter gelegenheid van den oorlog tusschen de Batavieren onder het beleid van Claudius Civilis en de Romeinen, onze Batavische voorouders en hunne Helden, die getergd en verdrukt voor de vrijheid streeden, heeft leeren kennen, spreekt, omtrent honderd jaaren na onze gewoone tijdrekening, van de (10) ver- leezen en schrijven onderweezen. Vergelijk Tacitus Hist. lib. IV. Cap. 12. et de Mor. Germ. Cap. XIX. (9) Omtrent vier en vijftig jaaren voor de gemeene tijdrekening der Christenen heeft Julius Caesar zig in dit gedeelte van het Belgisch Gallie omtrent het Eiland des Rhijns of der Batavieren bevonden. Doch hij spreekt `er niet van, als onlangs bevolkt. Zie Caesar de Bello Gallico lib. IV. cap. I en 10. (10) Tacitus de Morib. Germanor. cap. XXIX. Hist. lib. IV. cap. 12. |
| VII huizing der Batavieren, als van eene oude gebeurtenis: Ook meld hij van het (11) Oppidum Batavorum, of de Stad der Batavieren, naar welke Claudius Civilis, na dat hij omtrent (12) Vetera tegens de Romeinen ongelukkiglijk had gestreeden, zich begeven heeft, en uit welke, als hij die met wapenen niet langer beschermen konde, alles, wat tilbaar was, meede slepende, en het overige verbrandende, hij naar het (13) Eiland der Batavieren gewe- (11) Deeze schijnt de eenigste Stad geweest te zijn, dien de Batavieren toen hadden, en daarom de Stad der Batavieren bij uitsteekenheid genoemd te worden, Hist. lib. V. cap. 19. gelijk Oppidum Ubiorem, de Stad der Ubien, Annal. lib. I. cap. 36. et lib. XII. cap. 27. Justus Rycquius in Animadv. ad Tacitum pag. 465 en 466. beweerd, in navolging van Lipsius, dat `er bij Tacitus niet Opidum, maar Opida moet geleezen worden, zo als zulks in twee oude handschriften gevonden wordt, en dat de naam van Nijmegen, van eenen Celtischen oorsprong, met de Stad even oud is, dien sij al voor de komst der Romeinen moet gehad hebben. Na de aankomst der Romeinen hebben de Batavieren meer Steeden gebouwd, als te zien bij Ptolemaeus lib. II. cap. 9. pag. 48, 49. Edit. Mercat. Zie ook het Itinerarium Antonini, en de Tabula Itineraria, een werk, zo men agt, van de vijfde eeuw, welke het eerst na Tacitus van deeze Stad gewag maken, en dezelve met de naam van Noviomagum en Novimagum benoemen. (12) De oude Standplaats van Vetera moet men zoeken op den Furstenberg en te Birten, eene hoogte en een Dorp aan aan de linkerzijde des Rhijns, even boven de Stad Sancten, alwaar men de gelegenheid deezer Legerplaats der Romeinen, zo als dezelve door Tacitus Hist. lib. IV. cap. 22. beschreven word, duidelijk bespeuren kan. Zie dit nader aangetoond in Epistolis illustrium Eruditorum de Castris Veteribus pag. 4-21. et in Praesat. (13) Dit Eiland der Batavieren was Julius Caesar reeds met |
| VIII ken is. Zo dra ons Tacitus begeeft, is de aloude geschiedenis deezer landen bijna geheel in het duister. Bij STRABO, POMPONIUS MELA, FLORUS, VELLEJUS PATERCULUS, PLINIUS, SUETONIUS, PLUTARCHUS, PTOLEMAEUS, en DIO CASSIUS, welke laatste de Krijgstogten van Drusus omstandigst beschreven heeft, en bij eenige Digters PEDO ALBINOVANUS, LUCANUS, SILIUS ITALICUS, JUVENALIS en MARTIALIS, vind men, nu en dan, maar enkele schaduwen. De Gedagtenis-Steenen en Altaaren op de hoogtens boven de Stad, aan den Gallischen oever der Waale beneden dezelve, en elders gevonden (welke merkwaardige overblijfzelen wij wegens haaren grijzen ouderdom met dien naam bekend; lib. IV. de Bello Gallico cap. 10. Het Oppidum lag in het gedeelte der vaste Kust van Gallie, 't welk de Batavieren bezaten tusschen de Waal en Maas. De regter arm des Rhijns scheidde Germanie van Gallie, en daarom heeft men het Batavisch Eiland, leggende tusschen Gallie en Germanie, niet duisterlijk tot de Gallien betrokken. Vergelijk Catullus carm. XI. v. II. Caesar de Bello Gallico lib. VII. cap. 65. Tacitus Hist. lib. II. cap. 17. IV. 17. 32. 73. V. 16. Plinius lib. IV. cap. 17. Ptolemaeus lib. II. cap. 9. IV. 15. Dit gedeelte van Gallie langs den linker Rhijns oever heeft vervolgens de naam van Germania cisrhenana aangenomen. Caesar de Bello Gallico lib. II. cap. 3. lib. VI. cap. 2. Dio Cassius lib. LIII. pag. 503. E. wordende onderscheiden in Opper- en Neder-Germanien. Zie dit bij Ammianus Marcellinus lib. XV. cap. 9. en hoe ver het Gallisch Neder-Germanie langs den Rhijnkant zich uitstrekte, bij Ptolemaeus lib. II. cap. 9. |
|
IX GENS Zie hier over Franc. Oudendorpii Descriptionem Legati Papenbroekiani sect. I. Een ander opschrift spreekt van CIV. BATAVI aangehaald bij M. Smetius in aeterno inscriptionum opera, en omstandiglijk bij St. Vin. Pighius in Hercule Prodicio pag. 12. zie ook hier na bl. 39. (15) Tacitus Hist. lib. V. cap. 24. Josephus de Bello Judaico lib. VII. cap. 4. pag. 410. Tom. Il. Edit. Haverkamp. |
| X der Batavieren, omtrent het einde der derde eeuw, wanneer het Romeinsche Rijk begon te verzwakken, en naar sijnen ondergang te hellen, treft men bij VOPISCUS, TREBELLIUS POLLIO, EUTROPIUS, AURELIUS VICTOR, MAMERTINUS, EUMENIUS, LATINUS PACATUS en andere Lofredenaars eenige dingen aan, die hier en hier omtrent zijn voorgevallen. Wat later doen de naauwkeurige Geschiedenisschrijver AMMIANUS MARCELLINUS, en de Grieksche ZOSIMUS ook eenig verslag. Van de vijfde, zesde en zevende eeuwen ontbreeken bijna gedenkstukken. De invallen der Gotische en andere onbeschaafde Volkeren veroorzaakten onweetenheid en barbaarsheid. PROCOPIUS, JORNANDES, CLAUDIANUS, AUSONIUS, SIDONIUS APOLLINARIS, VENANTIUS FORTUNATUS, OROSIUS, en andere latere Schrijvers, geeven van het geen alhier in hunne tijden doenmaals gebeurd is, nu en dan, een enkel voorval op. Onder het hoog gebied der FRANKISCHE VORSTEN, die na het vertrek der Romeinen deeze landen, als een gedeelte van het Rijk van Austrasien, hebben bezeten, en vervolgens, vind men bij AIMOINUS, EGINHARTUS den Geheimschrijver van Carolus Magnus, OTTO FRISINGENSIS, Astronomus Anonymus, GREGORIUS TURONENSIS, REGINO, LAMBERTUS ASCHAFNABURGENSIS, SIGEBERTUS GEMBLACEN- |
| XI SIS, ADELMUS, HERMANNUS CONTRACTUS, en in de Annales Francorum, hier en daar, eenige opheldering. Men heeft ook den Gedenksteen met Gotische letteren aangaande de herbouwing van het Hof van Nijmegen door Keiser Frederik Barbarossa, en eenige Stigting- en Gift-brieven der Roomsch Koningen en Keiseren; anderzins ontmoet men in die eeuwen veeltijds handtastelijke duisternis, tot dat door de Verpanding van Willem van Holland Roomsch-Koning aan Graaf Otto den derden van dien naam, in den jaare 1248, deeze aloude Rijkstad in Gelderland is ingelijfd. Met die eeuw beginnen de nevelen te verdwijnen. Ten tijde van Hertog Arnold en Adolph licht ons (16) WILHELMUS BERCHEMIUS toe, de eerste Geldersche Geschigtschrijver, welke mij met naame bekend is. Van sijn Chronyk de domo Geldriae et urbe Neomagense word een handschrift, met den Schrijver gelijktijdig, dat is van den jaare 1466, op het (16) Hij was (gelijk hij zelvs in sijn Chronijk getuigd) van Nijmegen geboortig, Protonotarius en Canonicus van de Collegiale St. Stephens-kerk aldaar, en Rector Parochialis van de Kerk van Nijel in de Duijffel. Onder de geheime papieren op het Raadhuis van Nijmegen wierd eertijds ook gevonden sijne Historia Captivitatis Arnoldi Gelriae Ducis. Vide G.J. Vossium de Historic. Latin. lib. III. cap. 6. P. Scriverium in Batav. illustr. pag. 199. Val. Andr. Desselium et Jo. Fr. Foppensium in Biblioth. Belgic. |
| XII Raadhuis bewaard. Verscheide Stukken deeze Stad rakende schijnen hem bekend geweest te zijn, die wij thans missen. Ook vind men zommige dingen, tot deeze Stad betrekkelijk, aangevoerd bij (17) GERARDUS GELDENHAURIUS; mitsgaders in het Chronicon Tilense, ophoudende met den jaare 1449, onder Hertog Arnold; en in de Keulsche Chronijk, gedrukt in den jaare 1499. Van andere, in de aanhaalingen vermeld, waar van eenige nooit (17) In sijne Historia Batavica et Lucubratiuncula de Batavorum insula. Na de Stad Nijmegen, waar uit hij in den Jaare 1482 gesprooten was, voerde hij de naam van Noviomagus. Op verscheide plaatzen in sijne schriften, en onder anderen meede in twee brieven aan Hertog Willem van Cleef, schrijft hij zich geheel uit, Gerardus Geldenhaurius Noviomagus. Vide Erasmum in Epistolis. L. Hortensium rer. Ultraj. lib. I. Adami vit. Theologor. Val. Andream Desselium in Bibl. Belgic. et Vossium de Histor. Latin. lib. III. cap. 10. Dat hij een zeer eerlijk en ongeveinsd man was, die voor de waarheid opentlijk uitkwam, en haar zonder omzwagteling voorstelde, blijkt uit sijn Opdragt voor sijn vita Philippi a Burgundia, Episcopi Ultrajectini, bij Anth. Matthaeus Tom. I. Analect. pag. 145. Zo schrijft hij ook onbewimpeld van Hertog Arnold en Carel van Egmond. Hic (Arnoldus) Noviomagis adnitentibus Gelriae Dux declaratus non admodum grato erga eos animo fuit. Jugum enim quod nepos (Carolus Egmundanus) Noviomago tandem imposuit, ille imponere non semel tentaverat. Per Tyrannidem voegd 'er bij Herm. Comes Nuenarius, in sijn brief aan Bilibald Pirckhaymer de Gallia Belgica, Neomagum Urbem Imperialem a Ducibus Gelricis Imperio Substractum. Egbertus Trichtius, Broeder van Gregorii Ordre, meede gebooren te Nijmegen, schreef ook iets bij wijze van een Compendium Chronici Gelrici et Neomagensis, ten tijde van Hertog Carel van Egmond, dog 't welk, voor zo veel mij bekend is, word vermist. Zie van hem Ad. Huijgen Beschrijving van Doesburg bl. 98 en 105. |
| XIII gedrukt zijn geweest, zal men geen gewag maaken. Meestendeels van Tijdgenooten, dat is van zulke, die in of naast aan de tijden geschreven hebben, in welke de zaaken zijn voorgevallen, of uit egte en onwraakbaare gedenkstukken, zijn alle waare en waarschijnlijke geschiedkundige aantekeningen beknoptelijk ontleend; naakte, onzekere, en met verdigtzelen omzwagtelde verhaalen zijn aan haare eigene schrijvers overgelaten. Wij mogen ons intusschen verheugen deze overoude Stad, na verloop van zo veele eeuwen, na verbrandingen, verwoestingen, invallen van vijanden, vervolgingen en verdere bezoekingen, waar aan dezelve zo veel deel heeft gehad, alnog te mogen zien staan en bloeijen bij haare Vrij- en Gerechtigheden en uitstekende Voorrechten, door de Voorouderen, welker naam in zegeninge zij, ten duursten met goed en bloed bewaard en vastgehouden. En om welke Voorrechten en Vrijheden na behooren te leeren kennen, voorts de gronden, waar na deeze Stad, Volks-regeering en Burgerije van ouds is bestierd, welke maatregelen daar in gevolgd zijn, na de verscheide bestellingen van tijden en zaaken, mitsgaders welke lotgevallen onze Voorouders zijn overgekomen, voor al nodig is geweest de Gedenkschriften der verledene eeuwen te raadplegen, en de allereerste beginzelen van Nijmegen, wel- |
| XIV ke zeer ver in de oudheid dringen, te onderzoeken. Dit Chronijkje dan (volgens het oordeel van geleerde Mannen veele zeldzaamheden behelzende, die elders te vergeefs gezocht worden) is, na dat het zelve met de eigenhandige bijvoegingen van mijnen Oud-over-grootvader Johannes Smetius den Zoon vergeleken, en na de aantekeningen van mijnen Vader uit oude Gedenkstukken dezer Stad, en andere bijzondere papieren, welke genoegzaam als verborgen zijn opgeslooten, eenigzints verbeterd, vermeerderd en vervolgd was, op aanhoudend verzoek ter drukpersse overgegeven. Daar nu in korte stellingen van geschiedkundige voorvallen meer op de naauwkeurigheid der zaaken, waar van de taal slegts een slavin is, als op de kiesheid en juiste schikking van woorden word gelet, zal de Schrijfstijl van Mannen, die voor ruim anderhalve eeuw geleeft hebben, en welke tot hunne geleerde schriften gewoon waaren eene zuivere, kragtige en bevallige Latijnsche taal en stijl te bezigen, de geenen, die op eene hedendaagsche sierlijkheid van spreekwijzen en nette spelling (ik spreek van de Nederlandsche taal) gezet zijn, gelijk ik volgens de bescheidenheid vertrouw, niet verstooren. Die zelve korte onopgepronkte schrijftrant is opzettelijk vervolgd, en met slegte taalkundi- |
| XV ge (quales ego vel (18) Cluvienus) zijn meede behouden alzulke bastaard-woorden, welke in de Griffien en bij de Rechts-Banken ingevoerd, veel klaarer worden verstaan, dan wanneer dezelve in het Neder-duitsch worden overgezet. Voor het overige zullen de drukfeilen, die hier of daar, zo ten aanzien der ongelijkheid van spellinge en buiging, uitlating of verkeerde plaatzing van zinsnijdingen en koppelingen, of verschillende letters, als anderzins, ingeslopen zijn met toegevenheid moeten worden aangezien. (18) Juvenalis Satyr. I. v. 80. |
|
Tot opheldering der merkwaardige oude Gedenkstukken van de Romeinen en Batavieren, om en aan de Stad Nijmegen uit den grond gedolven, zijn bij den Drukker dezes uitgegeven De Lucernis Veterum reconditis in agro Neomagensium suburbano et intra urbis pomoeria effossis: mitsgaders Antiquitatum Romanarum et Batavicarum Neomagi et in agro Neomagensium suburbano erutarum indiculus: continens Numismata Romanorum antiquissima et rariora, et supellectilem antiquam. En zal eerlang uitgegeven worden Commentatiuncula in C. Corn. Taciti Hist. lib. V. cap. XIX. ubi bellum Batavicum narrat, a Cereale cum Claudio Civili geslum. |