De stedenbouwkundige geschiedenis van Nijmegen  1

Stedenbouwkundige geschiedenis

tekst: Hylke Roodenburg - NOVIOMAGUS.NL

 

De Romeinse tijd

De geschiedenis van Nijmegen begint ongeveer in het midden van de eerste eeuw voor Christus, als de Bataven neerstrijken op de hoogvlakte, die in de voorlaatste Saale-IJstijd was ontstaan, zo'n 150.000 jaar geleden. Rond 15 voor Christus stichten zij op het meest westelijke uiteinde van deze hoogvlakte, op en rond het huidige Valkhof, het 'Oppidum Batavorum': de stad van de Bataven. Vanaf hier heeft men een goed uitzicht over een groot deel van het rivierengebied, wat belangrijk is vanuit militair oogpunt.
In dezelfde periode bouwden de Romeinen hun legerkampen op de strategisch hoog gelegen spoelzandwaaier-hoogvlakte van Nijmegen, met name het Kops Plateau en het Hunnerplateau. Op dit Hunnerplateau realiseerden zij een groot legerkamp voor zo'n 10.000 soldaten. De 'castra', met een grootte van ongeveer 40 hectare, krijgt een rechthoekig stratenpatroon en wordt omringd met een aarden wal.
De Bataven en Romeinen leven vrij vredig naast elkaar, tot in 69 na Christus, wanneer de Bataafse opstand uitbreekt. De Romeinen slaan deze opstand neer, verjagen de Bataven van het Valkhof en beginnen in 70 met het versterken van hun castra. Houten gebouwen maken plaats voor stenen, en rond het legerkamp komen een stenen vestingmuur en een diepe gracht. De oppervlakte van het kamp is echter gehalveerd en biedt nog plaats aan vijf- tot zesduizend soldaten. Rond het kamp ontstaat een kampdorp, waar ongeveer 2.500 mensen wonen. De verjaagde Bataven bouwen ondertussen - met hulp van Romeinse soldaten - een nieuwe stad even ten westen van het vernielde oppidum. De stad krijgt een 'Romeinse' vorm, met het typische dambordpatroon.
Omstreeks het jaar 105 verleent keizer Marcus Ulpius Traianus marktrecht aan deze nog jonge Bataafse stad, die de naam 'Ulpia Noviomagus Batavorum' krijgt. In de tweede helft van de tweede eeuw krijgt de stad daadwerkelijk Romeinse stadsrechten, en wordt ze ommuurd. Er wonen dan ongeveer 5.000 mensen. De stad beleeft een ware bloeiperiode. Onderaan het Valkhof, langs de rivier, ontstaat een nieuwe handelsnederzetting. Zo wonen er in een strook van vijf kilometer langs de Waal ongeveer 10.000 tot 15.000 mensen. Er zijn goede verbindingen met steden als Xanten en Keulen en er wordt een brug aangelegd over de Waal (ongeveer op dezelfde plaats waar de huidige spoorbrug ligt).
Rond 104 heeft het Tiende Legioen de castra op de Hunerberg al verlaten. Het legerkamp biedt nog wel plaats aan enkele kleinere legereenheden, maar na 175 wordt het kamp voorgoed door de Romeinen verlaten.
De bloeiperiode van Noviomagus duurt tot ongeveer 200. Daarna gaat het bergafwaarts: door onrust binnen het grote Rijk verslapte de bewaking van de grenzen, en geregeld drongen Germaanse stammen het gebied binnen. Mogelijk mede door stijging van het waterpeil van de Waal werd Noviomagus rond 270 verlaten en trokken de burgerbevolking en de legioensoldaten zich terug op en rond de Valkhofheuvel, daar waar vroeger het Oppidum Batavorum lag. Het Romeinse gezag is weer hersteld, maar rond 400 was het gedaan met de Romeinse aanwezigheid in deze streken .

De middeleeuwen: Nijmegen binnen de stadsmuren

Nadat de Romeinen uit deze streken weg zijn getrokken, breekt de Frankische periode aan. Over de ontwikkeling van Nijmegen in deze periode is vrij weinig bekend, maar waarschijnlijk is de plaats wel spaarzaam bewoond gebleven.
Vanaf het midden van de achtste eeuw maakt Nijmegen - dan Numaga genoemd - opnieuw deel uit van een groot rijk: het Frankische Rijk. Aan het eind van deze eeuw maakt Keizer Karel de Grote Numaga tot zijn meest noordelijk gelegen verblijfplaats en hij laat een paleis of 'palts' bouwen op de Valkhofheuvel. In 880 wordt de palts ingenomen door plunderende Noormannen, die het een jaar later bij hun vertrek in brand steken. De palts wordt herbouwd, gaat in 1047 in vlammen op en wordt hersteld. Deze derde palts maakt uiteindelijk plaats voor een grote burcht, die keizer Frederik Barbarossa tussen 1152 en 1155 laat bouwen.

Numaga als handelsnederzetting ontstaat - waarschijnlijk al voor het jaar 1000 - tussen de huidige Grotestraat, Priemstraat en Nonnenstraat, ten westen van de Valkhofheuvel en op korte afstand van de Waal. Aanvankelijk heeft de nederzetting slechts weinig betekenis, maar in de twaalfde eeuw groeit de welvaart en breidt de Numaga zich uit in de richting van de rivier en later richting de Valkhofheuvel. Onderaan deze heuvel ligt de aanlegplaats voor de veerpont, die dan nog steeds de verbinding met de Over-Betuwe vormt.
In de 13de en 14de eeuw groeit 'Nieumeghen', dat in 1230 stadsrechten krijgt, steeds verder in zuidelijke richting. Burcht- en Broerstraat worden bebouwd, en op de kruising van deze twee wegen, vlakbij de in 1273 ingewijde Sint-Stevenskerk op de Hundisburg, ontstaat het nieuwe hart van de stad. Tussen de Waalkade en dit nieuwe centrum, aan de Grotestraat, vestigen zich de rijke kooplieden. Daarachter ontstaat een netwerk van nauwe straatjes, waar de minder welvarende burgers hun onderkomen vinden.
Met de verwerving van stadsrechten krijgt Nieumeghen onder andere het recht om stadsmuren aan te leggen. Waarschijnlijk komt aan het eind van de 13de eeuw een eerste aarden omwalling tot stand, waarbinnen de Valkhofburcht nog niet is opgenomen. Ongeveer een eeuw later wordt een tweede omwalling in steen uitgevoerd. Deze stadsmuur begint onderaan de Lindenberg en loopt via de Hoogstraat, Oude Stadsgracht, Pauwelstraat, Oude Varkensmarkt, Doddendaal, Parkweg en Nieuwe Markt terug naar de Waaloever. Mogelijk ligt nu ook de burcht binnen de stadsgrenzen.
Binnen de ommuring groeit de stad organisch: niet of nauwelijks gecontroleerd. Rond 1450 is de stad nog lang niet volgebouwd, maar buiten de ommuring zijn dan al twee voorsteden ontstaan: de Nieuwstad ten oosten en de Voorstad ten zuiden van de stad. Langs de Molenstraat, Ziekerstraat, Hertogstraat en Sint-Jorisstraat, is al sprake van gesloten bebouwing. De behoefte ontstaat om deze voorsteden bij de verdediging van de stad te betrekken en daarop besluit men een extra aarden wal aan te leggen. Deze volgt de loop van de huidige Derde en Tweede Walstraat en een deel van de Eerste Walstraat. Ter hoogte van de huidige Bloemerstraat buigt de wal abrupt af, om met een rechte hoek aan te sluiten op de bestaande muur . Zo is de meeste bebouwing rondom de stad 'veilig' opgenomen in de nieuwe omwalling. De middeleeuwen lopen geleidelijk ten einde, maar na deze tijd zal er nog veel aan de stadswallen worden gesleuteld.

Bekneld binnen de wallen

De bloeiperiode van de stad, begonnen in de 12de eeuw, duurt maar voort. De welvaart zal pas afnemen tegen het einde van de 16de eeuw, wanneer er belangrijke politieke en godsdienstige veranderingen optreden.
In de jaren twintig van de 16de eeuw wordt de dan al zwaar beschadigde aarden wal, die om de twee voorsteden was gelegd, vervangen door een nieuwe. Rondom de stad wordt een brede, aarden wal gelegd, aan de buitenkant afgewerkt met een zware, enigszins naar achteren hellende muur . Tegelijkertijd wordt de knik in de stadsmuur tussen de Molenpoort en de Hezelpoort rechtgetrokken en wordt de vroegste ommuring van de stad grotendeels gesloopt. In de tweede helft van de eeuw wordt de verdedigingsgordel verder versterkt met bastions.
Gedurende ruim drie eeuwen blijft Nijmegen bekneld tussen de stadsmuren. Rondom de stad ontstaat, door veranderingen en verbeteringen aan de verdedigingswerken, een waar maanlandschap van lunetten, bastions en forten. Het inwoneraantal loopt ondertussen sterk op: eind 18de eeuw telt de stad nog ongeveer 10.000 inwoners, in 1870 wonen er al 23.000 Nijmegenaren op nog geen vierkante kilometer. De bevolkingsgroei gaat gepaard met een enorme verdichting van de bebouwing in de stad. Achter de statige huizen aan bijvoorbeeld  de Grotestraat en de Molenstraat liggen vele smalle straatjes - 'gasjes' - waar onvoorstelbare armoede heerst. In de 19de eeuw worden verschillende verzoeken tot opheffing van de vesting ingediend, maar telkens worden deze afgewezen door het Ministerie van Oorlog, dat de vestinggronden bezit. De vesting Nijmegen is van groot belang voor de landsverdediging, zo wordt in Den Haag gesteld. In 1861 worden zelfs extra versterkingen aangebracht, zodat de vesting nog belangrijker wordt.
Binnen de wallen is slechts plaats voor kleinschalige bedrijvigheid en daardoor kan de stad niet plukken van de vruchten van de eerste industrialisatiegolf. Ook kan de stad door de vestingstatus niet aan worden gesloten op het landelijk spoorwegennet. Wel komt er in 1865 een spoorwegverbinding met het Duitse Kleef tot stand.

Uit de wallen bevrijd

In 1874 komt er eindelijk goed nieuws uit Den Haag. Op 18 april van dat jaar krijgt de stad toestemming om zich te ontdoen van de zo gehate stadsmuren.  In hetzelfde jaar wordt door de gemeente een raadscommissie benoemd, 'teneinde de belangen van de Gemeente met betrekking tot de Spoorweg- en Vestingaangelegenheden voor te staan' . Deze Commissie van Uitleg, bestaande uit de wethouders H.L. Terwindt, W. Francken en het gemeenteraadslid J.H. Graadt van Roggen, moet leiding geven aan de uitbreiding van de stad. Het staat het Driemanschap - zo wordt de commissie ook wel genoemd - voor ogen om van Nijmegen een groene, ruime stad te maken, met brede boulevards, parken, villa's, en chique sociŽteiten. Een stad die welvarende bewoners naar zich toe zou moeten trekken, oud-IndiŽgangers, die zich zouden moeten kunnen vestigen in een omgeving die de overgang van de weldadige tropen naar het koude moederland draaglijk zou maken .

Plannen voor de stadsuitleg

Voor het zover is, is er nog een lange weg te gaan. Allereerst moeten de vestinggronden buiten de stad, die inmiddels zijn overgedragen aan het Departement der Domeinen, aan de gemeente Nijmegen worden verkocht. Om een idee van de kosten te geven, presenteert ir. F.W. van Gendt, architect van de Dienst der Domeinen, in 1877 een eerste plan van uitleg voor de stad. Dit plan is er vooral op gericht een overzicht te geven van kosten en baten die de gemeente zou kunnen verwachten en is niet zozeer bedoeld om te worden uitgevoerd.
Al in het eerste plan wordt rekening gehouden met de toekomstige aanleg van een spoorlijn naar Arnhem en met een station aan de westkant van de stad. Uitbreidingen zullen voornamelijk ten zuiden en oosten van de oude binnenstad plaatsvinden, en niet achter de spoordijk.
Hetzelfde jaar nog wordt de Maastrichtse stadsingenieur W.J. Brender ŗ Brandis door de Commissie van Uitleg benaderd om een plan te maken voor de stadsuitleg. In november 1877 levert Brender ŗ Brandis zijn eerste rapport, waarin een structuur van brede singels en pleinen al duidelijk is. In het rapport levert hij veel kritiek op het eerste plan van Van Gendt: er wordt teveel aandacht besteed aan de kosten en te weinig aan de kwaliteit van de nieuwe stadsuitleg. Straten en singels vindt de Maastrichtenaar bijvoorbeeld veel te smal in het plan van Van Gendt. Ook merkt hij op dat een verdubbeling van het bebouwd oppervlak binnen twaalf jaar, wat de commissie beoogt, vrijwel onmogelijk is.
Het volgend jaar wordt Brender ŗ Brandis andermaal gevraagd een uitbreidingsplan te maken, waarin de transactie die met het Rijk was afgesloten nu wel het uitgangspunt moet vormen . Dat levert de nodige beperkingen op, maar in augustus 1878 legt hij de commissie zijn tweede plan voor. De commissie laat het plan zien aan architect-ingenieur L.A. Brouwer, die een uitbreidingsplan voor Groningen had gemaakt. Brouwer brengt enkele aanpassingen  aan in het plan. Zo vervangt hij twee gelijkwaardige parallel lopende wegen in ťťn zeer brede boulevard (Sint Canisiussingel/Oranjesingel) en ťťn niet beplante straat (Gerard Noodtstraat/Van Broeckhuysenstraat/Van Welderenstraat) . Ook geeft hij het latere Keizer Karelplein zijn ronde vorm.
De commissie is enthousiast over het ontwerp en na een aantal aanpassingen kan worden begonnen met de uitvoering. In februari 1879 begint de openbare verkoop van de grond die de gemeente had aangekocht van de Domeinen.

 

Uitvoering van de plannen

Terwijl hard wordt gewerkt aan een plan van uitleg, worden tussen 1876 en 1882 in de sloopwoede alle stadspoorten - op twee na - genadeloos afgebroken. Van de walmuren, die  de afgelopen eeuw elke ontwikkeling van de stad hebben tegengehouden, blijven slechts enkele fragmenten gespaard, die tot op heden de achtergrond vormen van respectievelijk het Kronenburgerpark en het Hunnerpark. Ook de overige verdedigingswerken worden opgeruimd. Alleen in straatnamen als Oranjesingel, Bottendaal (nu de Van Oldenbarneveldtstraat) en Fort Kijk in de Potstraat zal de herinnering aan de vestingwerken levend worden gehouden.

 

 

 

Er belooft een nieuwe tijd aan te breken voor Nijmegen. In 1879 wordt Nijmegen als laatste stad met meer dan 20.000 inwoners aangesloten op het nationale spoorwegnet. In dat jaar komt de verbinding met Arnhem tot stand. Hiermee is tevens de eerste vaste brugverbinding met de overzijde van de Waal een feit. Het station, dat aanvankelijk stond ter plaatse van de huidige Vereeniging, wordt verplaatst naar de huidige locatie. In 1881 wordt de spoorlijn Nijmegen-'s-Hertogenbosch geopend en twee jaar later tenslotte volgt de opening van de lijn Nijmegen-Venlo. De stad moet nog tot 1894 wachten op een volwaardig stationsgebouw.
Mei 1880: in de In de Betouwstraat worden de eerste drie huizen van de stadsuitleg voltooid. Het is het begin van een bouwexplosie met een omvang die de stad nog nooit gekend had. Langs de brede, groene singels en uitvalswegen verrijzen dure, statige herenhuizen en villa's. De stadsuitbreiding verloopt echter niet zo snel als werd gehoopt. Nadat de voltooiing van de ontmanteling in augustus 1886 twee dagen lang wordt gevierd, komt de bouw in de nieuwe wijken bijna tien jaar lang stil te liggen. Voornaamste oorzaak is dat architect Brouwer (eigenaar van grote oppervlakten bouwgrond) in financiŽle problemen komt en niet aan door de gemeente opgestelde voorwaarden kan voldoen. Pas na 1894 komt er weer schot in de bouw. Drie jaar na Brouwers overlijden in 1891 krijgt de gemeente grote stukken grond in handen, gelegen op de plaats van Nederlands eerste wielerbaan. Daarnaast wordt eind 1894 het allerlaatste fort afgebroken, Kijk in de Pot. De vrijgekomen gronden worden gevuld met bebouwing aan 31 nieuwe straten. Uiteindelijk wordt het bebouwd oppervlak van de stad tussen 1878 en 1910 verdrievoudigd.
De verwachtingen die de gemeente had van de stadsuitbreiding komen uit. De stad, die nu meer het imago heeft van ruim, groen en schoon (industrie is er nauwelijks), krijgt grote aantrekkingskracht op mensen 'van buiten', en dan vooral welgestelde oud-IndiŽgangers en gepensioneerden. Nijmegen wordt een soort 'pensionopolis'. Tussen 1878 en 1900 stijgt het aantal inwoners van 24.000 naar 44.000 .
Voor lang niet iedereen breken er met de stadsuitleg betere tijden aan. In de oude binnenstad verandert eigenlijk nauwelijks iets, behalve dat de rijkere bewoners er vertrekken. Vooral in de benedenstad heerst grote armoede. Mensen hebben geen geld om in de dure buitenwijken te gaan wonen. Pas vanaf 1900 wordt begonnen met de bouw van volkswoningcomplexen buiten de oude stad. Langs de Graafseweg en in de wijken Bottendaal en Altrade, achter de kapitale herenhuizen aan de singels, worden vele arbeidershuisjes van slechte kwaliteit gebouwd. Fabrieken als de zeepfabriek Dobbelmann en drukkerij Thieme staan midden in deze arbeiderswijken en zorgen voor ongezonde situaties.
Grofweg kan worden gezegd dat de eerste stadsuitbreiding rond 1910 wordt voltooid. In de '19de eeuwse schil' is sprake van een harmonisch geheel, zowel in stedenbouwkundig als in architectonisch opzicht: straatprofielen zijn nauwkeurig bepaald, er is een duidelijke groenstructuur, maar ondanks de vaste ordening in de aanleg is er nergens sprake van een eentonig straatbeeld . Wel steken de ruim opgezette wijken schril af tegen de nog steeds propvolle binnenstad, waar licht en lucht soms nauwelijks de huizen binnen kunnen dringen.

Ontwikkeling van de industrie

Zoals al eerder werd vermeld, is de eerste industrialisatiegolf vrijwel geheel aan Nijmegen voorbijgegaan omdat er in de overvolle vestingstad geen ruimte is voor nieuwe industriŽle activiteiten. Na het slopen van de vesting is er meer ruimte voor industrie, maar men is van mening dat de achterstand die Nijmegen heeft opgelopen nu niet geforceerd moet worden ingehaald. Bovendien moet de stad haar nieuwe karakter van groene en schone stad waarmaken.
Hoewel zich aan het eind van de 19de eeuw wel enige bedrijvigheid ontwikkelt in Bottendaal, wordt de meeste industrie ten westen van de spoordijk geconcentreerd, rondom de in 1853 gegraven Nieuwe Haven. Het blijft bij traditionele, kleinschalige industrieŽn die zich hier vestigen, op enkele uitzonderingen na. De stad weet nauwelijks belangrijke industrieŽn aan te trekken en zal hierdoor in economisch opzicht nog tientallen jaren achterop blijven liggen.

Uitbreidingen tussen 1910 en 1940

In 1901 wordt de Woningwet ingevoerd. Door deze wet worden gemeenten onder meer verplicht om uitbreidingsplannen vast te stellen. Het eerste uitbreidingsplan van Nijmegen dat onder de Woningwet valt, is het plan Galgenveld uit 1908 . Hierin is een wegenstructuur te herkennen, die goed aan zou sluiten bij de al bestaande singelstructuur. Pas in de jaren '20 en '30 zal het plan in een flink gewijzigde vorm worden gerealiseerd.
Tijdens en na de voltooiing van de eerste stadsuitleg blijft Nijmegen verder groeien. Het bosrijke stuwwallengebied ten oosten van Nijmegen blijkt aan het begin van de eeuw zeer in de smaak te vallen bij de meest welgestelde burgers. In de buurgemeenten Beek-Ubbergen en Groesbeek schieten de kapitale villa's uit de grond. De gemeente Nijmegen besluit het meest oostelijke gedeelte van haar grondgebied, de Kwakkenberg, de bestemming van villawijk te geven. In 1906 wordt de eerste villa hier gebouwd, vele zullen volgen. De gemeente speelt hierop in door in 1915 een bosgebied van de gemeente Groesbeek over te nemen.
Ook begint de stad uit te breiden ten westen van de spoordijk bij het station. Hier worden kleine arbeiderswoningen gebouwd, die veelal nog steeds van slechte kwaliteit zijn. Vanaf 1910 zal hier iets aan veranderen: in dat jaar worden de eerste vijftien woningwetwoningen aan de Weurtseweg opgeleverd , vlakbij het industrieterrein - woon- en werkplek liggen nog dicht bij elkaar. Doordat er bepaalde eisen aan de woningen worden gesteld, treedt enige verbetering op in de woonomstandigheden van arbeiders. Her en der in Nijmegen worden later nog meer woningwetwoningen gebouwd.
Pas vanaf 1915 maken de Nijmeegse woningbouwverenigingen voor het eerst gebruik van architecten bij de bouw van arbeiderswoningen. Deze laten zich voornamelijk inspireren door het tuinstadidee. Dit van oorsprong Britse idee wordt vanaf 1906 in Nederland voornamelijk op wijkniveau toegepast. Een tuinstad of -wijk wordt gekenmerkt door een ruime opzet met veel groen, waarbij de bebouwing uit laagbouw bestaat en een landelijke uitstraling heeft. De wijk ligt vaak geÔsoleerd van de rest van de stad en vertoont een zelfstandig karakter, dat zich onder andere uit in een centraal gelegen plein . In Nijmegen worden in de jaren '20 enkele wijken gebouwd waarin kenmerken van een tuinstad te vinden zijn. Rondom het Maasplein in het Waterkwartier worden in 1920-1921 314 arbeiderswoningen volgens het tuinstadidee gebouwd. Een sprekender voorbeeld is het Willemskwartier, waarvan de bouw begint in 1922. Ook in de zogenaamde Spoorbuurt ten zuiden van de Van 't Santstraat (1924) en in het Rode Dorp (1923-1930) - beide in Nijmegen-Oost - wordt het tuinstadidee toegepast. 
Naast deze tuinwijken worden in de jaren '10 en '20 nog enkele andere projecten gerealiseerd. In 1923 worden op het terrein van de gesloopte Waalkazerne in de benedenstad zo'n 80 woningen gebouwd. In het westen zijn enkele uitbreidingen langs de Wolfskuilseweg en rondom het Nachtegaalplein en in het oosten wordt het gebied tussen Berg en Dalseweg en Tooropstraat verder met woningen ingevuld. Tussen 1923 en 1926 verrijst het grootschalige Canisiusziekenhuis vlak naast het kleine Sint-Anna. Inmiddels stijgt het aantal inwoners flink: van 56.000 in 1910 tot 81.000 in 1930.
In 1920 wordt begonnen met de aanleg van het Maas-Waalkanaal. Ruim zeven jaar lang wordt eraan gegraven. Het doorbreekt de eeuwenoude landschapsstructuren van polders en 'broeken', en het dorp Neerbosch wordt in tweeŽn verdeeld. Het kanaal, dat op 27 oktober 1927 wordt geopend, is niet alleen van belang voor de scheepvaart, maar zal ook voor Nijmegen grote betekenis krijgen. De crisisjaren breken echter aan, en de komende jaren zal er nauwelijks sprake zijn van industriŽle ontwikkeling. Alleen de kunstzijdespinnerij Nyma, opgericht in 1929 en gelegen aan de Waalbandijk, kan in deze zware tijd uitgroeien tot een bloeiend bedrijf.

Stad in magere tijden 

In de woningbouw treedt een vertraging op, hoewel enkele uitvalswegen steeds verder verstedelijken. Dit is vooral het geval ten westen van Nijmegen en rondom Sint Anna, het eerste dorp dat dreigt op te gaan in de almaar groter wordende stad.
In 1930 krijgt stedenbouwkundige ir. A. Siebers van de gemeente de opdracht om een stadsuitbreidingsplan te ontwerpen. In 1934 wordt het plan gepresenteerd. Het geraamte ervan wordt gevormd door een netwerk van uitvals- en ringwegen . Opvallend is de strikte scheiding die Siebers aanbrengt tussen woon-, werk- en recreatiegebieden. Langs het Maas-Waalkanaal wordt een haven- en industriegebied gepland, niet ver daarvandaan de nieuwe woonwijken voor arbeiders. De gebieden in het zuiden en oosten van de stad zijn voornamelijk bestemd voor woningbouw voor middenstanders en welgestelden. In zekere zin is er dus zelfs sprake van een scheiding tussen arm en rijk. Siebers' ideeŽn van scheiding van verschillende functies in ruimtelijk opzicht zijn een weerspiegeling van het denken van de CIAM-beweging, dat in de jaren '30 een hoogtepunt bereikt. Hoewel het plan van Siebers al vrij snel wordt aangepast, zal het van grote invloed zijn op de stedenbouwkundige ontwikkeling van Nijmegen in de komende decennia.
In de tweede helft van de jaren '30 krabbelt Nijmegen weer enigszins op uit het crisisdal. Met de ontwikkeling van de industriŽle bedrijvigheid en de werkgelegenheid wil het echter nog steeds niet vlotten. Nabij het punt waar het Maas-Waalkanaal de Waal instroomt, wordt tussen 1934 en 1936 de (inmiddels gesloopte) Elektrische Centrale Gelderland gebouwd. De ontwikkeling van een haven- en industriegebied langs het Maas-Waalkanaal, waarvoor de eerste concrete plannen al in 1918 op tafel liggen, is voorlopig echter niet in zicht.
In de dertiger jaren worden, in het kader van de werkverschaffing, enkele grotere en kleinere projecten gerealiseerd. Het belangrijkste voorbeeld in Nijmegen is de aanleg van het Goffertpark (1935-1939), waarin onder meer een stadion en een openluchttheater zijn opgenomen. Ook de vergroting van de Nieuwe Haven (nabij de Nieuwe Hezelpoort) in 1934 en de verbetering van de verkeersweg Nijmegen-'s-Hertogenbosch in datzelfde jaar behoren tot de werkverschaffingsprojecten.


In 1928, net een jaar vůůr het begin van de wereldwijde economische crisis, is begonnen met de bouw van een omstreden verkeersbrug over de Waal. De opening van de brug in  juni 1936 heeft grote gevolgen voor de stad. Het gebied waar de zuidelijke oprit van de brug wordt aangelegd, moet geheel worden geherstructureerd. Verder is een indirect gevolg dat de meeste winkeliers in de benedenstad verkassen naar de bovenstad waar zij, na het verdwijnen van de gierpontverbinding, beter bereikbaar zijn voor (potentiŽle) klanten.
De aandacht van de gemeente inzake de volkshuisvesting is voornamelijk gericht op stadsuitbreidingen en niet zozeer op de bestaande bebouwing. Om de grote woningnood het hoofd te bieden, wordt in de tweede helft van de jaren '30 gebouwd in het Waterkwartier, Hengstdal, de Hazenkamp en Hatertse Hei en wordt de Landbouwbuurt gebouwd. Daarnaast komt er een kleine villawijk tussen de Groesbeekse- en Driehuizerweg (nu Heyendaalseweg) en worden plannen ontwikkeld om een nog braakliggend deel van Galgenveld te bebouwen.
De situatie in de bestaande stad lijkt te worden vergeten. In 1938 richt een aantal Nijmegenaren, verontrust door de erbarmelijke situatie in de benedenstad, de Stichting Sanering Oude Stad (SOS) op. De stichting laat enkele saneringsplannen ontwikkelen en biedt in 1940 het 'Groene Balkonplan' aan de gemeente aan. Een groot deel van de bebouwing in de oostelijke benedenstad zal volgens deze plannen worden gesloopt, de hoogteverschillen op het terrein zullen worden opgevangen door een hoge keermuur en er zal een nieuw, schoon stadsdeel worden ontwikkeld. De gemeente is enthousiast over het plan en de voorbereidingen beginnen snel. Maar het plan belandt in de ijskast nadat de Duitse bezetter in 1942 een bouwstop afkondigt .

Verwoesting en wederopbouw van de binnenstad

Op 10 mei 1940 vallen Duitse troepen Nederland binnen en als een van de eerste steden wordt Nijmegen veroverd. De Nederlandse genie blaast de spoor- en verkeersbruggen over de Waal en het Maas-Waalkanaal op, maar verder verloopt de overname van de stad vrij rustig. De bruggen over rivier en kanaal worden hersteld, zodat de stad weer bereikbaar wordt. Terwijl het aantal inwoners blijft stijgen - in 1943 wordt de 100.000ste Nijmegenaar geboren - wordt de woningbouw nog verder afgeremd. Alleen in Hengstdal wordt een begin gemaakt met de aanleg van een nieuwe woonwijk. In 1942 wordt echter een algehele bouwstop afgekondigd. Veel schade loopt Nijmegen in de eerste jaren van de oorlog niet op. 'Slechts' een klein aantal woningen wordt beschadigd of geheel verwoest, waarbij overigens ook wel dodelijke slachtoffers vallen.
Op 22 februari 1944 krijgt Nijmegen een  enorme klap te verduren. Amerikaanse bommenwerpers laten hun bommen vallen op het stadscentrum en de stationsbuurt. Er zijn 800 doden te betreuren en honderden mensen raken gewond. De materiŽle schade is enorm: vrijwel de gehele binnenstad is verwoest. In september 1944 wordt Nijmegen door de geallieerden bevrijd. Nogmaals verandert een deel van het stadscentrum in een vuurzee als Duitse soldaten in hun vlucht verschillende gebouwen in brand steken.

 

 

De wederopbouw van het stadscentrum

Al in maart '44 zoekt de gemeente contact met de eerder genoemde architect Siebers en de ingenieurs P. Verhagen en B. Fokkinga, om tot plannen voor de wederopbouw van het centrum te komen . In augustus 1944 ligt een eerste plan klaar. Volgens dit plan zou de binnenstad zijn intimiteit van vůůr het bombardement terugkrijgen.
In de periode 1945-1947 ontwerpt de Stedenbouwkundige Dienst, door Siebers in het leven geroepen, drie alternatieve plannen voor de herinrichting van het stadscentrum: plan A, B en C. In plan A (september 1945), dat veel lijkt op het in 1944 gepresenteerde plan, wordt het gebied rondom de Grote Markt in historiserende architectuur herbouwd. Op een binnenstad met een middeleeuws karakter zit men echter niet te wachten. Het tweede plan, gepresenteerd in december 1945, is veel moderner van opzet. In dit ontwerp komt voor het eerst een 'ruimtelijke strook' voor tussen het Kronenburgerpark en het Hertogplein . In de strook zouden (in volgorde van west naar oost) een geestelijk centrum, een amusementscentrum, een bestuurscentrum en een zakelijk centrum worden opgenomen. Het plan krijgt een hoop kritiek van de bevolking, onder andere omdat deze de vooroorlogse situatie te weinig in het plan herkent. Daarop wordt een derde plan ontwikkeld. Plan C, dat in november 1946 wordt gepresenteerd, houdt meer vast aan het vooroorlogse stratenpatroon in het centrum. In het compromis wordt nog wel het in plan B ontworpen centrumplein - het latere Plein 1944 - overgenomen.
Plan C wordt na enkele kleine aanpassingen in mei 1947 door de gemeenteraad goedgekeurd. De daadwerkelijke wederopbouw gaat maar langzaam van start: pas in de loop van 1948 worden de eerste panden van 'het nieuwe centrum' opgeleverd. Vanaf het begin van de jaren '50 komt er meer voortgang in de bouw. Op 17 september 1956 wordt de officiŽle voltooiing van de wederopbouw gevierd. 
Het nieuw ontstane stadshart kenmerkt zich door (ver)brede gecombineerde winkel- en verkeersstraten, die het verkeer beter kunnen afwikkelen dan de smalle straten en gassen in het vooroorlogse centrum. Boven alles moet het winkelcentrum immers goed bereikbaar zijn voor zowel toeleveranciers als voor de consument. De bebouwing bestaat uit gesloten blokken met daarbinnen bevoorradingserven.

Afbraak in de benedenstad

Was men in 1938 al voorzichtig begonnen met afbraak van krotten in de benedenstad, na de oorlog worden de zaken groter aangepakt. Aangezien de benedenstad vrijwel geen oorlogsschade heeft opgelopen, wordt in de wederopbouwplannen nauwelijks aandacht besteed aan de wijk. Wel wordt het Groene Balkonplan weer uit de kast getrokken. In 1953 wordt het eerste deel van het aangepaste plan gerealiseerd: de bouw van een acht meter hoge muur
In 1956 presenteert B. Fokkinga het Vijf Heuvelen Plan. Dit plan behelst de sloop van alle bestaande bebouwing in de oostelijke benedenstad en de bouw van een ruim opgezette woonwijk. Tot het einde van de zestiger jaren houdt de gemeente vast aan het Vijf Heuvelenplan als uitgangspunt voor de sanering . In de praktijk wordt echter alleen de eerste fase, de sloop, uitgevoerd. De kaalgeslagen heuvels die overblijven, dienen als parkeerterrein.
In de jaren '60 en '70 wordt het westelijk deel van de benedenstad onder handen genomen. Hoewel men opnieuw vele tientallen woningen afbreekt, streeft men hier beduidend meer naar het behoud van historische panden: de meest waardevolle gebouwen worden gerestaureerd. Dit gebeurt mede onder druk van de bevolking, die zich in toenemende mate bewust is geworden van het feit dat een uniek, middeleeuws stadsdeel aan het verdwijnen is.

 

Opvang van de woningnood

Wanneer Nijmegen en de rest van Nederland zijn bevrijd, kan de trieste balans worden opgemaakt: er zijn 2.200 doden, 5.500 gewonden en 12.000 daklozen. Ruim 10% van de bebouwing is totaal verwoest (om en nabij 5.000 panden), meer dan 12% van de huizen is zwaar en 58% licht beschadigd. Slechts 19% blijkt onbeschadigd . Om de enorme woningnood te kunnen verlichten, worden grootschalige uitbreidingen voorbereid. Uitgangspunt hierbij is de wijkgedachte, die in 1946 door de studiegroep Bos wordt geformuleerd . Er zal een nieuwe schil van wijken rondom het vooroorlogse Nijmegen worden gebouwd. Maatstaf voor de omvang van die nieuwe wijken worden de parochies, die maximaal 5.000 zielen tellen. Kerken zullen het middelpunt van de wijken vormen . De Wolfskuil, die eind jaren '40, begin jaren '50 wordt volgebouwd, is het oudste voorbeeld waarin de wijkgedachte te herkennen is.
In het door Siebers en Fokkinga ontworpen Structuurplan 1951 wordt een nieuwe blik geworpen op de toekomstige ontwikkelingen van de stad. Grootschalige uitbreidingen staan gepland aan de rand van de bestaande stad, in de zogenaamde uitstralingsgebieden. De anno 1950 nog vrijliggende dorpen Brakkenstein, Hatert en Neerbosch-Oost verworden in de plannen tot satellieten, zelfstandige wijken net buiten de stad.
Met de grootschalige woningbouw is voor 1951 overigens al lang begonnen. Een overzicht: in 1950 begint men met de bouw van de Kolpingbuurt (aan de huidige Muntweg), tussen 1950 en 1957 worden de Afrika- en Bouwmeesterbuurt en woonwijk Jerusalem in Heseveld gebouwd, op de Hazenkamp worden woningen gebouwd (vooral etagebouw), Hatertse Hei wordt ingevuld met woonblokken, men begint met de bouw van Grootstal, op het Galgenveld wordt de Professorenbuurt gebouwd en het Hengstdal wordt vanaf 1953 helemaal volgebouwd.
In 1958 begint de bouw van een woonwijk vlak tegen Brakkenstein aan, waarmee het dorp tot niet meer dan een buitenwijk van Nijmegen verwordt, ondanks de enigszins afgelegen locatie. Volgens de heersende opvattingen wordt etagebouw aan de rand van de wijk geconcentreerd.
Het moge duidelijk zijn dat er flink wordt uitgebreid. Tussen 1950 en 1960 worden zo'n 10.000 woningen gebouwd. De enorme bevolkingsgroei die na de sloop van de vestingwerken begon, duurt echter voort, waardoor er ook begin jaren '60 nog sprake is van een woningtekort. Ter verduidelijking: tussen 1950 en 1960 groeit de Nijmeegse bevolking van bijna 111.000 naar bijna 130.000 inwoners. Volgens prognoses zal er ook in de komende jaren nog geen eind aan die groei komen. Een prognose uit 1958 wijst op een groei van de bevolking tot 164.000 inwoners in 1974.

Industrie na de oorlog

Bij de wederopbouw wordt prioriteit gegeven aan het herstel van de industrie. De Nijmeegse industrie bloeit in de eerste jaren na de oorlog nůg meer op dan in de rest van het land al het geval is. In 1948-1949 wordt de eerste havenarm aan het Maas-Waalkanaal gegraven en in de volgende jaren wordt rondom deze haven het eerste 'natte' industrieterrein van Nijmegen aangelegd. Het wordt in 1952 opgeleverd en al binnen ťťn jaar is alle grond uitgegeven. Dit geeft aanleiding voor de aanleg van een tweede havenarm, die nog in 1953 gereed komt.
Eind jaren '50 wordt iets zuidelijker aan het Maas-Waalkanaal, tussen de spoorlijn Nijmegen-'s-Hertogenbosch en de Nieuwe Dukenburgseweg, nog een industriegebied ingericht, te weten Industrieterrein Winkelsteeg .

Universiteit en Sint Radboudziekenhuis

De Rooms-Katholieke Universiteit, opgericht in 1923, wordt in 1944 zwaar getroffen: op de aula na worden alle universiteitsgebouwen - die in de binnenstad liggen - verwoest. Tussen 1947 en 1949 wordt in opdracht van de Sint Radboudstichting een plan ontworpen voor de bouw van een campus op het Galgenveld en op landgoed Heyendaal.
In december 1950 wordt op Heyendaal begonnen met de bouw van het Sint Radboudziekenhuis en de eerste gebouwen van de medische faculteit. Ziekenhuis en universiteit groeien in de jaren '50 snel. In 1960 blijkt dat de universiteit heel Heyendaal mag gaan bebouwen en men besluit dan ook alle faculteiten op het vroegere landgoed te concentreren. Op het Galgenveld worden alleen enkele voorzieningen voor studenten gerealiseerd. Tot het begin van de jaren '80 wordt het grootste deel van het eens bosrijke Heyendaal volgebouwd.

Nog meer grootschalige stadsuitbreidingen 

Aan het begin van de jaren '60 bestaat er nog steeds een tekort aan woningen. In 1959 al wordt een eerste ontwerp gemaakt voor een grootschalige uitbreiding van het dan 200 woningen tellende Hatert. Tussen 1961 en 1965 worden zo'n 3.600 nieuwe woningen gebouwd, waarmee Hatert op dat moment de grootste naoorlogse woonwijk is. De meeste woningen zijn eengezinswoningen, flatwoningen zijn weer vooral aan de rand van de wijk te vinden. De wijk heeft een rationeel, rechthoekig, stratenpatroon dat zich steeds herhaalt.
 Het volgende plan dat op stapel staat, is het uitbreidingsplan Neerbosch-Oost. Voorwaarde voor de uitvoering ervan is de realisatie van de stationstunnel, zodat de wijk verzekerd is van een goede verbinding met de binnenstad. De nieuwe wijken in het westen van de stad komen namelijk steeds verder van die binnenstad te liggen. In 1964 wordt begonnen met de bouw van Neerbosch-Oost. Hoogbouw neemt in deze wijk een belangrijke plaats in: 45% van de ongeveer 2.200 woningen bestaat uit etagewoningen . Ook hier is een rechthoekig stratenplan, maar ditmaal komt het patroon voort uit de oorspronkelijke verkaveling van het gebied.

 

Dukenburg

De eerste helft van de jaren '60 bereikt de Nijmeegse bebouwing de oevers van het Maas-Waalkanaal. Er zijn echter nog steeds woningen nodig, want de bevolking groeit nog steeds. Het Structuuronderzoek 1963 voorspelt voor 1980 een bevolking van 183.000 en van 240.000 in 2000 . De vraag rijst of men het kanaal over zal steken en in de weilanden van het Hatertse Broek en de Dukenburg gaat bouwen. Er is daar weliswaar een heleboel ruimte, maar men vreest dat een uitbreiding aan de overzijde van het kanaal een scheefgroei van de stad veroorzaakt. Het nieuwe stadsdeel zal immers - hemelsbreed - op 4Ĺ tot 7 kilometer zuidwestelijk van de binnenstad komen te liggen.
De gemeente komt met het plan om, als tegenhanger van Dukenburg, in de Ooijpolder een nog groter stadsdeel te bouwen. Dit plan, dat al in 1951 was opgenomen in het Structuurplan en toentertijd werd afgewezen, voorziet in de bouw van 17.000 woningen in het landschappelijk zeer waardevolle gebied. Er steekt een storm van protest op en in 1970, als de bouw van Dukenburg al is begonnen, is het plan definitief van de baan. Een bittere tegenvaller voor de gemeente, die voor toekomstige uitbreidingen steeds meer lijkt aangewezen op annexatie van delen van buurgemeenten. Binnen de gemeentegrenzen is alleen nog ruimte in de Lindenholt.
Bij de ontwikkeling van Dukenburg wordt afgestapt van de traditionele wijkgedachte: wijken worden kleiner en er is nog maar plaats voor ťťn kerkgebouw. In 1966 wordt begonnen met de bouw van de eerste van de in totaal 10.000 woningen die Dukenburg zal tellen. In tegenstelling tot wat na de Tweede Wereldoorlog gebruikelijk is geworden, wordt het nieuwe stadsdeel niet in een keer uit de grond gestampt. Dukenburg wordt in verschillende fasen gebouwd, waardoor tussen wijken onderling opmerkelijke verschillen bestaan in de structuur. De Aldenhof is de eerste wijk waaraan wordt begonnen, daarna volgen de Meijhorst, Malvert en Lankforst. Deze vier jaren '60-wijken hebben nog een rechthoekig stratenpatroon. Opvallend in de Aldenhof en Malvert zijn de rondwegen, waarmee beide wijken worden ontsloten. De Weezenhof en Tolhuis, waaraan in 1970 wordt begonnen, hebben een totaal andere opbouw. Deze wijken krijgen een boomstructuur, wat er op neer komt dat bijna alle wegen doodlopen. Zwanenveld tenslotte, gebouwd tussen 1973 en 1979, heeft weer een wat andere structuur. In deze wijk wordt het stadsdeelcentrum opgenomen, dat al snel een concurrent wordt voor de oude binnenstad.
Dukenburg als geheel heeft een apart karakter binnen de stad. Het is een ruime wijk met veel water en groen. In de stedenbouwkundige opzet van het stadsdeel komen de ideeŽn van de eerder genoemde CIAM-beweging - scheiding van onder andere wonen, werken en verkeer - duidelijk naar voren. Afgezien van het feit dat het stadsdeel - doordat de werkfunctie in de wijk grotendeels ontbreekt - in zekere zin tot een slaapstad verwordt, kan Dukenburg in stedenbouwkundig opzicht als een zeer geslaagde stadsuitbreiding worden beschouwd.

Lindenholt

Wanneer de Ooijpolder in 1970 als woningbouwlocatie vervalt, besluit de gemeente vrij snel om dan maar in de Lindenholt te gaan uitbreiden. Hier zullen in totaal ongeveer 6.000 woningen worden gebouwd. In de Lindenholt wordt - niet alleen om economische redenen - een hogere bebouwingsdichtheid dan in Dukenburg nagestreefd. Men wil hier een echt stedelijk klimaat creŽren, waarin ook plaats is voor kleinschalige bedrijvigheid. Er worden bouwvlekken aangewezen, waar in verschillende fasen zal worden gebouwd.
In 1977 gaat de eerste schop de grond in voor de Voorstenkamp en de Gildekamp, beiden gelegen in het oosten van het nieuw te ontwikkelen stadsdeel. Rondom deze twee wijken in De Kamp worden later nog vier wijken gebouwd (allen eindigen op -kamp). De Kamp krijgt een vrij hoge bebouwingsdichtheid, conform de doelstellingen. Iets verderop wordt tussen 1980 en 1984 't Acker gerealiseerd, bestaande uit zes wijken met samen zo'n tweeduizend woningen. De realisatie van Drieskensacker in het uiterste noordwesten van de Lindenholt maakt 't Acker begin jaren '90 tot de grootste wijk van Lindenholt. In 1983 begint men in het zuidwesten van het stadsdeel met de bouw van de Hegdam- en Wedesteinbroek. Eind jaren '80 volgt de bouw van Leuvensbroek, Holtgesbroek wordt pas in de eerste helft van de jaren '90 gerealiseerd.
Het grootste deel van de bewoners van Lindenholt woont in eengezinswoningen. Omdat er nauwelijks hoogbouw is en er daarnaast veel groen tussen de wijken in Lindenholt ligt, wordt de woningdichtheid van Dukenburg bijlangenaniet geŽvenaard. Verder kreeg de bedrijvigheid, door tegenwerking van woningbouwverenigingen, niet zoveel ruimte als vooraf was gepland .

Herbouw van de benedenstad

Bij de ongeveer veertig jaar lang durende kaalslag in de benedenstad vallen vele eeuwenoude gebouwen aan de slopershamer ten prooi. Er komt lange tijd echter niets voor in de plaats, op parkeerplaatsen na. Na een jarenlange discussie over de nieuwe bestemming van het gebied, besluit men in 1972 dat de benedenstad zijn woonfunctie zal behouden. De sociale woningbouw neemt hierbij een belangrijke plaats in. Voor kleinschalige bedrijvigheid, die hier vůůr de bouw van de Waalbrug nog volop aanwezig was, is nauwelijks meer plaats.
Van 1978 tot 1983 worden in de in 1975 tot Beschermd Stadsgezicht uitgeroepen benedenstad zo'n 650 woningen gebouwd. Het stratenpatroon van vůůr de sloop blijft grotendeels gehandhaafd.

Bevolkingsontwikkeling en vraag naar woningen

Al voordat met de bouw van Lindenholt wordt begonnen, doet zich een opvallende ontwikkeling van de bevolking voor. In de tweede helft van de jaren '60 komt na ruim 80 jaar een einde aan de sterke bevolkingsgroei in Nijmegen. Wordt in 1971 nog de 150.000ste burger in Nijmegen ingeschreven, het jaar daarop constateert men voor het eerst in honderd jaar - afgezien van de bevolkingsafname in 1944, ten gevolge van het Amerikaanse bombardement - zelfs een afname van de bevolking.
Hiermee komt echter geen eind aan het woningtekort. De vraag naar woningen blijft onder andere doordat er meer huishoudens bijkomen: de gemiddelde gezinsgrote daalt, terwijl de bevolking ongeveer gelijk blijft. Bovendien neemt de vraag naar vooral eengezinswoningen sterk toe. Mensen die de ruimte zoeken en toch in de stad willen (blijven) wonen, verhuizen naar het rustige Dukenburg en Lindenholt. Wegens het woningtekort in Nijmegen wijken veel mensen uit naar buurgemeenten als Wijchen, Beuningen en Malden. Omdat Nijmegen nauwelijks nog uitbreidingsmogelijkheden heeft, gaat de gemeente op zoek naar andere mogelijkheden om nieuwe woningen te bouwen.

Nijmegen als compacte stad

Stadsinbreiding vanaf de jaren '80

In de jaren '80 doet de compacte stadgedachte zijn intrede in Nijmegen. Uitgangspunt is dat er, door open ruimten in de stad te bebouwen, minder uitbreidingen nodig zijn en dat het verkeer tussen randgemeenten en centrale stad kan worden ingeperkt. Het blijft niet enkel bij een gedachte: in de jaren '80 en '90 vinden verschillende grotere en kleinere inbreidingen plaats in de stad. Eind jaren '80 worden woningen gebouwd in Tolhuis en Hees en op vroegere fabrieksterreinen aan de Muntweg en op de hoek Postweg-Groesbeekseweg. Tussen 1990 en 1992 is er een kleine uitbreiding van Neerbosch-Oost en wordt de Emancipatiebuurt in het Jonkerbosch gebouwd. In het midden van de negentiger jaren wordt nabij het Kops Plateau in Nijmegen-Oost een villawijk gebouwd en vindt woningbouw plaats aan de Vossendijk in Hatert en op het terrein van het vroegere Sint Dominicuscollege aan de Dennenstraat. Eind jaren '90 wordt aan de Weurtseweg een nieuwe wijk gebouwd.
Grootschalig van opzet is de bouw, midden jaren '90, van een complete woonwijk op het terrein van het in 1992-1993 gesloopte Canisius-Wilhelmina Ziekenhuis. Dezelfde bestemming is weggelegd voor de grond van het vroegere Canisiuscollege op de Hunerberg: die wordt in de negentiger jaren vrijwel helemaal volgebouwd. In de tweede helft van de jaren '90 maakt sportpark Grootstal plaats voor nog eens 650 woningen.
Een bijzonder project is de realisatie van de Brabantse Poort, gelegen tussen Dukenburg en Lindenholt. De brede groenstrook met de  Wijchenseweg tussen deze wijken wordt vanaf 1990 ingevuld met appartementencomplexen, kantoren en een woonboulevard. Hiermee wordt de ruimtelijke 'kloof' tussen Dukenburg en Lindenholt voor een belangrijk deel opgeheven.
Naast stadsinbreiding vindt vanaf de jaren '80 ook stadsvernieuwing plaats. In de Bottendaal maken eind 19de eeuwse panden plaats voor nieuwe appartementen en begin jaren '90 wordt een groot deel van de bebouwing in het Willemskwartier ten westen van de Willemsweg afgebroken ten behoeve van nieuwbouw. Momenteel gebeurt hetzelfde in het Rode Dorp.

 

Bedrijventerreinen

De bloeiende ontwikkeling van de industrie in de jaren '50 zet zich in het volgende decennium voort. Vele bedrijven vestigen zich op de industrieterreinen Noord- en Oostkanaalhaven, die rond 1970 helemaal vol zijn. Ook op de Winkelsteeg strijken verschillende bedrijven neer. Eind jaren '60 is er sprake van een stagnatie van de industrie en ook van de vestiging van nieuwe bedrijven. Pas in de jaren '80 vindt er een nieuwe opleving plaats. Het toenemende belang van transport over de weg leidt overal in Nederland tot de inrichting van nieuwe bedrijfscomplexen langs autowegen. Zo ook in Nijmegen, waar zich vele ondernemingen op het - al rond 1975 aangelegde - Industrieterrein Westkanaaldijk vestigen, vlakbij de A73 .
Er worden enkele kleinere bedrijfsterreinen aangelegd, zoals begin jaren '80 aan de Van Rosenburgweg in Dukenburg en vanaf 1989 in Kerkenbos aan de zuidkant van Lindenholt. Dit laatste bedrijventerrein is voornamelijk bedoeld voor kantoorontwikkeling.
In 1997 wordt begonnen met de aanleg van bedrijventerrein Bijsterhuizen, in het uiterste westen van de gemeente. Hiermee creŽert men weer ruimte voor grootschalige bedrijvigheid.

De Waalsprong

Op 1 januari 1995 telt Nijmegen 147.561 inwoners en 65.020 woningen. Er is nog steeds een grote vraag naar woningen, maar een oplossing is in zicht: Nijmegen gaat uitbreiden in de Over-Betuwe. Op 1 januari 1996 wordt 417 hectare grond van de gemeente Valburg geannexeerd, precies een jaar later staat Bemmel 234 hectare af en in 1998 is de stad nog eens 716 hectare grond - inclusief het 3.200 zielen tellende dorp Lent - rijker, wanneer Elst zijn deel overdraagt. Waalsprong is de naam voor het stadsdeel, dat tussen 1998 en 2020 in de Over-Betuwe zal verrijzen. Met de bouw van 12.000 woningen voor de boeg wordt het de grootste uitbreiding in de ruim 2000-jarige historie van de stad. Momenteel wordt de eerste fase van het uitbreidingsplan gerealiseerd: de bouw van Woonpark Oosterhout, bestemd voor ongeveer 5.000 mensen.
Hoewel de uitbreiding ten noorden van Nijmegen in het kader van het compacte stadbeleid wordt uitgevoerd, is de compacte stadgedachte in een deel van de plannen ver te zoeken. Weliswaar zullen rondom het huidige dorp Lent ruim 8.000 woningen in hoge dichtheden worden gebouwd, enkele woonwijken komen op drie tot vier kilometer van het stadscentrum te liggen.

© copyright 2001: NOVIOMAGUS.NL/Hylke Roodenburg/Henk Kersten

Geraadpleegde bronnen zie pagina Bronvermelding.

terug

Reactiepagina

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: