Herinneringen Oorlog

Dolle Dinsdag (5 september 1944)

Ingezonden op 07-06-2011 door Wim Benda

 

Onderduiken
In 1943 kreeg mijn oudste broer, op bevel van de Deutsche Wehrmacht, een oproep om zich te melden voor de Arbeitseinsatz. Hetzelfde overkwam ook zijn vriend en collega. Geen van beiden kon de aantrekkelijkheid inzien van het draaiende houden van de Duitse oorlogsmachine door een gedwongen tewerkstelling in Duitsland. Dus zij besloten om aan de oproep geen gevolg te geven en te gaan onderduiken


...melden voor de Arbeitseinsatz...

Na een jammerlijk mislukte poging om via Frankrijk en Spanje uit te wijken naar Engeland, zijn ze na veel omzwervingen uiteindelijk, via een contactpersoon van het verzet, in de Achterhoek terechtgekomen. Daar op het platteland waren nog boeren te vinden die uit het goede hout gesneden waren en die belangeloos en met gevaar voor eigen leven bereid waren onderduikers op te nemen. Mijn broer vond een geschikte schuilplaats op een boerderij in Harreveld.


Mijn broer (l) met Bobby, medeonderduiker (m), boerenknecht (r)

De zoon des huizes - die ook van de meldplichtige leeftijd was en eveneens geen animo had om voor de bezetter te gaan werken - had op de boerderij reeds de nodige voorzieningen aangebracht voor het huisvesten van onderduikers. Zo had hij op de zolder boven de deel in het hooi met latten en kippengaas een ruimte uitgespaard. Deze schuilplaats was bereikbaar via een goed gecamoufleerd luik in de zoldering van de paardenstal. In geval van razzia’s en ander onheil konden zij zich in die verborgen kamer schuilhouden. De waakse boerderijhond, Bobby, speelde daarbij een belangrijke rol en waarschuwde bijtijds als er vreemd en verdacht volk in de buurt was.

Schoolvakanties
In de zomervakantie van 1944 mochten wij, mijn jongere zus (9) en ikzelf (10), op die boerderij in Harreveld logeren. In het boerengezin zijn we liefdevol opgenomen en al gauw werden we betrokken bij de talloze werkjes die in en om de boerderij gedaan moesten worden. Onze stadse outfit was daarvoor echter niet helemaal geschikt. En om toch “volwaardig” mee te kunnen doen, werden we al vrij snel naar de klompenmaker in het dorp gestuurd om een paar mooie, uit peppelhout gesneden, stappers te laten aanmeten. Dat schoeisel hebben we de hele vakantie gedragen en ook nog lang daarna.


...stadse bleekneusjes...

Het verblijf in Harreveld was voor ons een verrijkende en leerzame ervaring. We maakten kennis met de op het Achterhoekse platteland heersende zeden en gewoonten, die in menig opzicht verschilden met die in de stad. De jongste zoon van de boer, die van mijn leeftijd was, werd mijn maatje en zijn vriendjes werden als vanzelf ook míjn vriendjes. Spelenderwijs raakte ik vertrouwd met hun Saksische dialect en al redelijk snel kon ik een aardig mondje mit proat’n.
Het was ook een hele belevenis dat ze op de boerderij een hond hadden. Thuis, in Nijmegen, had ik altijd graag een hondje willen hebben om mee te kunnen spelen en ravotten. Maar, als we om een hondje zeurden zei vader altijd dat een hond net zoveel kost als een kind en dat we er daar al vijf van hebben. Wat er nog wel af kon was een kaalgeknuffelde hond van de lusemert, eentje die gevuld was met zeegras en die op één hoek een poot miste. Op die kunsthond was ik snel uitgekeken. En hier op de boerderij hadden ze een echte; een die gevuld was met hond. Bobby werd al gauw mijn onafscheidelijk speelkameraadje. Als we in de woonkeuken met de familie en de knechts aan de ronde eettafel geschaard zaten, dan kwam hij altijd onder de tafel door naar mij toe geslopen. Hij wrong dan net zolang met zijn snuit tussen mijn blote knieën tot hij zijn kop tussen mijn benen op de stoelzitting kon vleien. Zo bleef hij gedurende de hele maaltijd staan met zijn trouwe, maar alerte, zwarte ogen steeds omhoog loerend in de wetenschap dat er af en toe “per ongeluk” wat van mijn vork viel.

Met volle teugen genoten we van het leven op het platteland; een leven vol verrassingen en uitdagingen. Zoals het verzorgen van het vee; het mennen van paarden; het maaien van het graan; garven binden en schoven opzetten. Als uiteindelijk al het graan naar de boerderij was afgevoerd gingen we aren lezen. In een rieten mand verzamelden we dan de korenaren die op de lege akker tussen de stoppels waren achtergebleven. Want er mocht niets verloren gaan. Na het werken op het land zochten we nog wel eens verkoeling in de bekke om dan lek geprikt te worden door de steekvliegen.
Met vallen en opstaan heb ik er ook nog leren fietsen en ben er al doende achter gekomen waarom brandnetels heten zoals ze heten.

We hebben dat allemaal mogen doen daar in Harreveld. Het boerenleven beviel ons zo goed dat het niet bij deze ene vakantie gebleven is, want daarna hebben we elke schoolvakantie op deze boerderij mogen doorbrengen. De mooiste tijd van onze jeugd hebben we in Harreveld beleefd. Tot op de dag van vandaag ben ik de mensen dankbaar voor wat ze allemaal voor ons gedaan en betekend hebben.

Huiswaarts
Het zal geweest zijn op of rond de dag die later de geschiedenisboeken is ingegaan onder de naam Dolle Dinsdag, dat de eerste vakantie bij de boer ten einde liep en dat vader en moeder naar Harreveld waren gereisd om ons weer mee naar huis te nemen. Voordat we die terugreis aanvaardden werden we door de boerin en haar dochters overladen met van alles wat een boerenbedrijf aan eetbaars voortbrengt. Want zij vonden dat die stadse bleekneusjes wel wat versterkende middelen konden gebruiken. Maar het was vooral ook vanwege mijn moeder, die niet al te sterk van gestel was, dat ze extra royaal waren met het inpakken van al dat kostelijke spul.

Goed voorzien van proviand reisden we met de trein, vanaf het naburige station in Varsseveld, terug naar Nijmegen. Het eerste stuk verliep voorspoedig. In Arnhem moesten we overstappen op een trein die naar het zuiden zou gaan. Terwijl we op zoek waren naar het juiste perron kwam er een dienstmededeling uit de luidsprekers. Een krakende stem galmde over de perrons dat er geen treinen meer zouden rijden en dat alle passagiers zo snel mogelijk het station moesten verlaten.
Met nog vers in het geheugen de gebeurtenissen op 22 februari van dat jaar in Nijmegen, waarbij zich dramatische taferelen hadden afgespeeld en met name ook op een station, kwamen de laatste woorden van de dienstmededeling erg onheilspellend op ons over. Vader zag in dat hij geen andere keus had dan te doen wat die rafelige stem bij herhaling bevolen had.

Daar stonden we dan buiten voor het station. Er was geen openbaar vervoer meer, dus zat er niets anders op dan het hele stuk naar Nijmegen lopend af te leggen. We boften dat het mooi nazomerweer was, een beetje warm zelfs. Uit veiligheidsoverwegingen wilde vader zo snel mogelijk de stad uit zien te komen en gidste ons via de kortste weg naar de Rijnoever. Gelukkig waren onze klompen gedurende de hele vakantie nauwelijks van onze voeten geweken en waren ze dus goed ingelopen zodat we het tempo gemakkelijk konden bijhouden. Toen we de Rijn over waren en op de Rijksweg in zuidelijke richting kuierden, werd het geklepper van onze Harreveldse klompen op de straatklinkers overstemd door het geklikklak van paardenhoeven. Een voerman met een platte, vierwielige wagen reed ons voorbij. Midden achterop zat een jonge vrouw. Haar benen hingen over de rand en schommelden speels heen en weer. Een eindje voor ons stopte de voerman. Hij vroeg waar we naar toe moesten. Nee, naar Nijmegen ging hij niet, maar we konden wel meerijden tot Elden, als we dat tenminste wilden. Nou, dat wilden we natuurlijk wel. Vooral voor mijn moeder was dit aanbod een geschenk uit de hemel. Vader hielp ons aan de voorkant de wagen op en hijzelf ging met moeder bij de vrouw zitten. De voerman klakte met zijn tong en even later had het paard de cadans van zijn drafje weer te pakken. Achterop keuvelden de ouderen wat met elkaar en voorop lieten wij ons met de neuzen in de verkoelende rijwind, het uitzonderlijke ritje welgevallen.

Terugtrekkende beweging

In Elden kwam een eind aan de pret; we moesten weer te voet verder. Vader ging met het grootste deel van de bagage voorop en wij volgden in zijn voetsporen. Toen we goed en wel Elst gepasseerd waren werd het geleidelijk aan drukker op de weg. Duitse motorordonnansen reden af en aan.


...motorordonnansen...

Op de Griftdijk, een kilometer of vier vóór Lent, werd ons duidelijk waarom er in Arnhem geen treinen meer beschikbaar waren. Want vóór ons, in een bocht van de weg, zagen we Duitse voertuigen opdoemen. De Duitse weermacht had klaarblijkelijk al het beschikbare rollend materieel nodig om massaal een veilig heenkomen te zoeken. Ordonnansen op motoren reden met hoge snelheid langs de colonne heen en weer. Het leek erop alsof in Nijmegen de poorten van de hel waren opengezet.


beladen tanks

Met donderend geraas en nietsontziend kwamen de met schreeuwende manschappen beladen tanks en vrachtwagens in onze richting. Je voelde je klein en nietig tussen al dat geweld. Dat intimiderende gevoel werd versterkt door een tankcommandant die vanuit de hoogte van de geschutskoepel op ons neerkeek.


...intimiderend...


De volle breedte van de vrij smalle rijweg hadden ze nodig en de motorrijders reden soms dreigend op ons af om ruim baan te maken en ons de berm in te jagen. Moeder sloeg dan haar armen beschermend om ons heen en met angst in haar ogen geleidde ze ons naar een plek zo ver mogelijk van het gevaar vandaan. Soms was die plek gelegen in een met bramenstruiken overgroeide greppel. Deze terugtocht van de Duitsers zag er nogal chaotisch en paniekerig uit; kennelijk hadden ze erg veel haast en zaten de geallieerden al dicht op hun hielen.

Thuiskomst
Na een hele maand te hebben vertoefd op de ruime boerderij en in de weidsheid van het platteland, was het een claustrofobische ervaring om weer terug te zijn in de bekrompenheid van ons ‘smalle’ straatje en ‘kleine’ huisje in het Willemskwartier. Maar na een paar dagen had mijn leefomgeving haar normale proporties weer teruggekregen. En gaandeweg ebde ook het terugverlangen naar Harreveld weg en daarmee ook de neiging om plat te praot’n.

Kort na thuiskomst had vader verslag uitgebracht aan het thuisfront. In geuren en kleuren verhaalde hij over de belevenissen tijdens die enerverende voettocht. Zo hoorde ik hem over onze medereizigster op de boerenwagen, zeggen dat ze zeven maanden ver was geweest. Stante pede kreeg ik met terugwerkende kracht medelijden met die jonge vrouw. Want in mijn kinderlijke onschuld dacht ik dat zij, voordat ze door de voerman werd opgepikt, al zeven maanden aan het lopen was geweest. Zeven maanden lang had ze gelopen…!

Inmiddels weet ik beter. Ik vraag me dan ook af of de persoon nog terug te vinden is die - wellicht in Elden of omgeving - een paar maanden na Dolle Dinsdag (dus in de laatste maanden van 1944) geboren is en die in zijn of haar prenatale stadium dat ritje van Arnhem naar Elden heeft meegemaakt.
Ik ben zéér benieuwd.
W. Benda, 07062011

Foto’s zijn afkomstig uit privé-archief en deels ontleend aan “BERICHT van de TWEEDE WERELD OORLOG”

terug

Reactiepagina

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: