Zuuk t mar uut - Wim Janssen

Uit het Nimweegs verleden 27

03-12-80

De kolonialen 1
Het meeste geld dat de kasteleins van de vele Nijmeegse kroegjes binnen kregen, ontvingen zij van de vele toevallige en vaste bezoekers die hun gelegenheden bezochten. De meest opvallende bezoekers waren de kolonialen. Kolonialen waren de jonge mannen die vrijwillig in dienst traden van het Nederlands-Indische Leger om uit gezonden te worden naar onze overzeese gebiedsdelen.

Zij tekenden voor zes jaar, waarbij zij konden kiezen voor de oost of voor de west. Deze diensttijd moesten zij in één ruk uitdienen, tussentijds verlof was niet toegestaan, zelfs niet als zij heimwee kregen.
Zij droegen zwarte uniformen met voor Oost-Indië een oranje uitmonstering van biezen en strepen terwijl zij die naar West-Indië gingen een rode uitmonstering hadden. Verder droegen zij een kepi. Als beloning kregen zij die naar de Oost gingen vijfhonderd gulden en zij die naar de West gingen zeshonderd gulden. Vroeger was dat véél minder.
Op de dag dat zij voor de dienst tekenden kregen zij driehonderd gulden uitgekeerd, de rest ontvingen zij één dag voor zij per trein uit Nijmegen vertrokken om in Rotterdam scheep te gaan naar Indië. De dag dat zij vertrokken werden zij met een volledig muziekcorps en met geheven vaandels naar het station gebracht waar de trein op hen stond te wachten. Nadat de bevelvoerende officier, met stramme passen, nog een kleine laatste parade had afgenomen en de onderofficieren allen present gemeld hadden, konden zij het perron op gaan. Daar kregen zij dan enige tijd toegemeten om van eventuele familieleden, vrienden en kennissen afscheid te nemen. Er bevonden zich wel eens „bepaalde meisjes" onder de afscheidsneemsters, wat meestal de zogenaamde kolonialenhoertjes waren. Deze meisjes konden op zo'n hartstochtelijke wijze afscheid nemen dat men zou denken dat het de man of de verloofde was die wegging, maar 's avonds liepen zij weer in de stad op andere prooi te jagen.
Nijmegen was de voornaamste plaats wat de opvang en de opleiding van kolonialen betreft. Hier werden zij door beroepsofficieren van het Nederlandse leger tot „goede" kolonialen infanteristen opgeleid (de eigenlijke naam is: koloniale reservisten). De opleiding duurde ongeveer drie maanden, dan waren zij rijp om uitgezonden te worden. Het waren echt geen lieve zoete jongens die uit alle provincies van Nederland hier naar toe kwamen. 

De meesten waren losgeslagen elementen, het wrakhout van de maatschappij, anderen namen dienst omdat ze het niet meer zagen zitten. Weer anderen deden het uit liefdesverdriet of om met het verkregen huurgeld hun ouders een beter leven te bezorgen. Uit de laatste groepering kwamen meestal de allerbesten of de allerslechtsten soldaten. Want men moet niet denken, dat, wanneer men al deze verschillende elementen in een smeltkroes van het leger gooit dat men daar één gelijksoortig edel metaal uithaalt! Integendeel zelfs, de allerslechtsten werden soms de allerbesten en de allerbesten de allerslechtsten, met daar tussen in een mengeling van beide. Zoals ik al reeds eerder geschreven heb waren er drie compagnieën in Nijmegen. De eerste en de tweede compagnie waren ondergebracht in de Waalkazerne en de derde in de kazerne boven aan de Lindenberg. Deze kazerne is later verbouwd tot het hoofdburo van de Nijmeegse gemeente politie, dat was in 1923 toen de kolonialen naar de nieuw gebouwde kazerne op de Dommer van Poldersveldtweg verhuisden. De manschappen werden goed en hard getraind en opgeleid voor de zware tropen taak die hen te wachten stond.
Deze opleiding geschiedde door beroepsofficieren van ons Nederlandse leger die hun eigen veldgrauwe uniformen droegen. Deze officieren en onderofficieren hadden allen de scherm- en gymnastiekschool in Den Haag bezocht en het nodige van deze sporten geleerd. Zij brachten met ijzeren discipline de beginselen van de gymnastieksport over op de manschappen. Ook het marcheren werd niet vergeten. Men begon met gemakkelijke marsen over vlakke wegen zoals: naar Heumen en Malden op en neer. Daarna werd het uithoudingsvermogen op de proef gesteld door marsen te maken naar Beek, Berg en Dal en zo over Groesbeek terug. Vooral bij de laatste mars werd er alles uit de jongens gehaald wat er in zat, er is toen dan ook menig zweetdruppeltje en zware vloek gevallen. (Wordt vervolgd.)

Klik hier en reageer daarmee per email als u uw reactie hieronder wilt laten plaatsen

Bron (©) 1980 Wim Janssen - Nieuwsblad De Brug Nijmegen

terug

Reactiepagina

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: