Zuuk t mar uut - Wim Janssen

Uit het Nimweegs verleden 20

1979

De werkverschaffing op zich hoeft niet onterend te zijn, maar de manier waarop de overheid de werkverruimende maatregelingen uitvoerde, was wel onterend. Vooral als men nagaat dat Nederland voor de oorlog een van de rijkste landen van de wereld was, ook al had men deze rijkdom niet helemaal op eervolle wijze uit Oost en Westindië verkregen.

Wanneer de werkverruimende maatregelen hadden bestaan uit het slopen van de bouwvallige huizen en andere gebouwen, en men had er nieuwe voor neergezet, dan zou daar voor alle voor te zeggen zijn geweest. De arbeiders zouden deze plannen juichend begroet hebben en met plezier aan het werk zijn gegaan. Niet alleen dat de arbeiders in hun eigen beroep de kost hadden kunnen verdienen, maar het had ook ten goede gekomen aan de toeleveringsbedrijven zoals; de steen-, cement-, en verffabrieken, de glas-, grind en zandhandel. Zo zou ik er nog meer op kunnen noemen maar het zal wel duidelijk zijn wat ik bedoel. Misschien stel ik het te eenvoudig voor om hetgeen ik opgesomd heb uit te voeren, maar er is nooit iets op dat gebied geprobeerd laat staan dat er iets gebeurd is. Alle werklozen moesten in de werkverschaffing grondwerk verrichten, ongeacht wat hun beroep ook was. Binnen korte tijd werd de werkverschaffing door de werklozen gehaat. Niet omdat zij moesten werken, maar omdat zij als moderne slaven ingezet werden en daardoor bloot kwamen te staan aan willekeur en uitbuiting. Iedere werkloze die een kaart van de arbeidsbeurs kreeg voor de werkverschaffing, moest aan die oproep gehoor geven anders werd hij gestraft met stopzetting van zijn steunuitkering. Het was zelfs zo, dat wanneer later bleek dat hij minder verdiende dan de steunuitkering, hij niet eens verhaal kon halen, want men ging er vanuit dat iedere arbeider minstens zijn steunbedrag kon verdienen. Dat deze stelregel niet klopte, wisten de heren heel goed, daarom was het zo gemeen en onrechtvaardig om aan die regel vast te houden. Het was namelijk zo, dat de lonen gebaseerd waren op een geoefende, grondwerker en daar kon men een schilder, timmerman of steigermaker niet mee vergelijken. Vooral omdat er niet in uurloon gewerkt werd maar in accoord. Dat wil zeggen, een ploeg mensen, samengesteld uit arbeiders van verschillende beroepen, werd een geldbedrag in het vooruitzicht gesteld om daarvoor een bepaalde hoeveelheid grondwerk te verrichten. De werkobjecten konden heel verschillend zijn en bestonden o.a. uit het verzwaren van rivierdijken, sloten graven, herverkaveling en egaliseren. 

Zo zijn ook de „Beerse Overlaat" en het Goffertpark in de werkverschaffing klaar gemaakt. Uit zo'n willekeurig samengestelde groep arbeiders werd eerst een „Putter" gekozen. Dat was een voorman die naast zijn gewone werk op moest treden als verbindingsman tussen zijn ploeg en de opzichter. Hij moest niet alleen goed van zich af kunnen spreken maar ook nog kijk hebben op de te verrichten werkzaamheden. Ook moest hij nauwlettend toe zien dat de opzichter geen bedrog met de aantallen kubieke meters pleegde, wat maar al te vaak voor kwam. Omdat niet iedere putter over die kwaliteiten beschikte kunt u wel nagaan dat er door de mensen geen droog brood te verdienen viel. Het was dan ook erg droevig wanneer zij, na 'n week van hard werken, minder loon ontvingen dan de wekelijkse steunuitkering. Niet alle objecten waren even moeilijk, op bepaalde plaatsen kon men, omdat het werk niet zo zwaar en lastig was, een goed weekloon verdienen. Dat was echter niet welgevallig in de ogen van de overheid en daarom had die zelfde overheid wéér een pracht regeling achter de hand. De werklozen die naar zo'n werk moesten werden nauwkeurig op gezinsgrootte en uitkeringsbedrag gesorteerd. Een steuntrekker met vrouw en twee kinderen die een ondersteuning van acht gulden in de week genoot, kon op zo'n object wel vijftien gulden per week verdienen. Een fantastisch bedrag zult u wel zeggen. Dat was het inderdaad, maar nu komt de aap uit de mouw. Die zelfde arbeider mocht dan maar twee weken werken de derde week moest hij een „wandelweek" nemen. In die week kreeg hij geen steun en geen loon! Het geld dat hij in die twee weken verdiend had moest hij met zijn gezin drie weken rond komen. Een steuntrekker met een uitkering van tien gulden in de week mocht dan vier weken werken en moest de vijfde week een wandelweek nemen. Deze mensen hadden dan twee gulden per week meer maar werden meteen met de grote verantwoording opgezadeld om zelf te zorgen dat zij wat voor wandelweek overhielden. (wordt vervolgd)

Klik hier en reageer daarmee per email als u uw reactie hieronder wilt laten plaatsen

Bron (©) 1979 Wim Janssen - Nieuwsblad De Brug Nijmegen

terug

Reactiepagina

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: