Zuuk t mar uut - Wim Janssen

Uit het Nimweegs verleden 19

1979

Het tweemaal per dag stempelen of tekenen, dat de steuntrekkers voor de oorlog moesten doen, was bedoeld om controle op hen uit te oefenen, zodat zij er niet stiekem wat bij konden verdienen om het schamele steunbedrag wat aan te vullen. Daarnaast liepen er nog burgercontroleurs in de stad rond om op iedere steuntrekker een wakend oog te houden. Een schrille tegenstelling met heden, nu werklozen hun briefje op kunnen sturen en het geld op de giro gestort wordt.

Eerlijkheidshalve moet er toegegeven worden dat menig steuntrekker dan ook wel eens probeerde om op een clandestiene manier wat meer inkomsten te verkrijgen. Het was die mensen echt niet kwalijk te nemen, want honger en ellende dreef hen ertoe om dat te doen.
De steunbedragen waren niet voor iedere steuntrekker het zelfde. Als ik mij nog goed herinner dan waren er vier verschillende regelingen nl. de crisis- of rijkssteun, de werklozensteun, de onderstand en de armenzorg. De hoogte van de uitkering was afhankelijk van het aantal kinderen en in welke regeling men ingedeeld werd. Daardoor kwam het voor dat iemand die een uitkering van de armenzorg kreeg, de helft ontving van iemand die in een hogere uitkeringsgroep ingedeeld was, terwijl de gezinssamenstellingen het zelfde waren. Dat waren natuurlijk schrijnende tegenstellingen. De indeling van bovengenoemde klasse van uitkeringen werd bepaald door de duur van de werkloosheid van de aanvrager. In de laagste uitkeringsklasse (de armenzorg) waren de langdurig werkloze, weduwen, invaliden en anderen, die niet zelf in hun onderhoud konden voorzien, ingedeeld. Om in een hogere klasse geplaatst te kunnen worden, moest men regelmatig een bepaald aantal werkdagen inleveren, wat in die tijd van grote werkloosheid natuurlijk niet meeviel. Een paartje dat wilde trouwen, en waarvan de jongeman geen werkdagen in kon leveren, kon hooguit aanspraak maken op een uitkering van f4.00 in de week. Wanneer er een kindje bijkwam dan kon het bedrag met
f l.00 per week worden verhoogd. Van dit bedrag moest dan voedsel, licht- en stookkosten, huur, kleding en verder alle andere dingen die voor het dagelijks leven nodig waren, worden bekostigd. Was het dan een wonder dat zo iemand probeerde er iets bij te verdienen? U moet natuurlijk de steunbedragen van toen niet gaan vergelijken met de prijzen van nu. Ter verduidelijking zal ik enige prijzen van toen opsommen. Eierkolen f2.50 per mud, huur voor een armoedig krotje f 1.50 per week, brood 20 ct. per mik, leverworst 17 ct. per pond (in de buurtwinkeltjes 6 ct. per ons), shagtabak 10 ct. per 50 gram en melk 6 ct. per liter. 

Ondanks deze, voor onze tijd, bespottelijk lage prijzen, werd er veel honger geleden. Karbonaden kwamen eigenlijk nooit op tafel, zij die een paar dubbeltjes te missen hadden gingen de slagers af om wat zg. „kurze fleisch" te bemachtigen. Dat waren stukjes vlees, spek en vet, welke de slager bij het afwegen hier en daar had afgesneden. Dat „korte vlees" werd dan gebraden, waardoor er een vette jus van afkwam, en apart bij het eten of door een hutspot gestampt werd. Voor broodbeleg probeerde men zg. „afsnijsel" bij de slager te kopen. Dat afsnijsel bestond uit de afsnit die op de snijmachine, in de vorm van hele of halve schijfjes of plakjes, achter bleef, aangevuld met stukjes en puntjes van diverse worstsoorten en ander broodbeleg. Diverse mensen wisten geen raad met hun noden en de zorgen om hun, naar voedsel hunkerende kinderen tevreden te stellen! Zij die de meeste armoe en honger hadden gingen op bedeltocht langs kloosters, kerken en andere grote instellingen om brood of aardappelen voor zichzelf en hun kinderen te vragen. Ook gegoede burgers en boeren werden in die bedeltocht opgenomen. Bij het bedelen moest men ook weer goed opletten dat men niet door een steuncontroleur gesnapt werd, want ook wat men in natura kreeg, diende opgegeven te worden. Het was ook zaak uit te kijken naar de politie, want bedelen was strafbaar.
Niet alle werklozen liepen in de ondersteuningsregelingen. Dat kwam omdat de overheid een plan had opgesteld dat de mooi klinkende naam van: „werkverruimende maatregelen," droeg! Een mooi Woord dat als een prachtige vlag de lading moest dekken van een modderschuit: ,,de werkverschaffing," geheten. Het was voor de overheid (zo zei men vroeger althans) niet gemakkelijk om het iedereen naar de zin te maken. In de jaren van midden 1930 liepen er, buiten de mensen die in de werkverschaffing werkten, zo'n 300.000 werklozen rond, terwijl het inwonersaantal van ons land (voor 45 jaar terug) lang niet zo hoog was als tegenwoordig. Hoe het zo ongeveer toe ging met die „werkverruimende maatregelen," zal ik u in een volgend stukje proberen uit te leggen. 

Klik hier en reageer daarmee per email als u uw reactie hieronder wilt laten plaatsen

Bron (©) 1979 Wim Janssen - Nieuwsblad De Brug Nijmegen

terug

Reactiepagina

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: