Zuuk t mar uut - Wim Janssen

Uit het Nimweegs verleden 12

1979

Kaaisjouwers waren over het algemeen sterke gespierde mannen die naast de kracht in hun ledematen over een geweldig doorzettings- en uithoudingsvermogen beschikten. Hun taal was een afspiegeling van hun werk; namelijk ruw en ruig maar ging gepaard met een welgemeende kameraadschap.

In feite waren er twee ploegen, waarvan de ene ploeg de schepen in de Nieuwe Haven loste en een andere ploeg die hetzelfde werk aan de kades en de Vluchthaven deed. Daar vandaan dan ook dat de ene de Haven- en de andere de Waalploeg genoemd werd. Wanneer een van de ploegen te veel werk had dan werd er een beroep op de andere ploeg gedaan. Liep de drukte helemaal uit de hand, dan werden familieleden of andere kennissen ingehuurd. In de ploeg waren een paar sjouwers aangewezen die bij de firma, waar de boot voor bestemd was, een goede prijs voor het lossen moesten bedingen. De losprijs was afhankelijk van de boottonna-ge, de waterstand en het produkt dat gelost moest worden. Het was natuurlijk een groot verschil of men de in de boot los gestorte kolen of graan eerst in zakken moest scheppen en naar het pakhuis moest dragen of dat men zakken cement of balen tabak zo van uit de boot op een wagen kon laden. Wanneer er vroeger een schuit met kolen, bestemd voor Giesbertz aan de Waalkade gelost moest worden dan ging dat als volgt: twee sjouwers schepten een zak vol en plaatsten die op de schouder van een andere sjouwer, deze liep met de zak kolen over de loopplank naar de wal, stak dan de losplaats en de Waalkade over (ongeveer tweehonderd meter) om de kolen dan in het pakhuis op een hoop te storten. Kwam er een schuit kolen voor Eekhoff, uit de Nonnenstraat aan, dan meerde deze tegenover de Grotestraat af. Ook hier weer de kolen in zakken scheppen, dan met de zak kolen op de schouder via de loopplank de Waalkade oversteken, de Grotestraat op, de Nonnenstraat in waar het pakhuis stond en waar de kolen ook weer op een berg gestort moesten worden. Een kolenschuit lossen voor brandstoffenhandel Glaser in de Nonnenstraat was nog zwaarder werk. De boten voor deze firma meerden af naast de gierpont. Weer dezelfde werkzaamheden maar een langere en zwaardere afstand om af te leggen met de zware zak op de schouder. Als men uit de schuit kwam moest men weer de Waalkade oversteken, dan rechts, om het voormalige politiepostje
heen, de Lage Markt over en dan links de Nonnenplaats op. Aan het einde van de Nonnenplaats moest men dan nog eens 28 hardstenen treden van de Nonnentrappen beklimmen. Na de smalle Nonnenstraat overgestoken te hebben kwam men in het kolenpakhuis waar men ook weer de kolen op een hoop moest gooien. 

Na deze uiteenzetting van het kolen lossen is het wel te begrijpen dat het zéér zwaar werk was vooral als men nagaat dat de zakken kolen gemiddeld 80 kilogram wogen.
Bij lage waterstand was het werk nóg zwaarder. Door de diepgang konden de schepen niet dicht genoeg bij de kade komen en meerden zij vaak 4 a 5 meter van uit de wal af. De sjouwers moesten dan met zware schragen en loopplanken de afstand tussen wal en schip overbruggen voor men met het lossen kon beginnen. Om hun schouders enigszins tegen de grove jute kolenzakken te beschermen droegen de sjouwers „draagpetten". Een draagpet was gemaakt van een oude vilthoed waarvan voor driekwart de rand was afgeknipt. Aan het resterende gedeelte van de rand was met pek-garen een stuk dekzeil vast genaaid.
Niettegenstaande deze bescherming gebeurde het toch regelmatig dat een sjouwer de huid van schouder en rug stuk droeg. Daarvoor had men een eenvoudig, deugdelijk maar zéér pijnlijk middel. Wanneer het dan zover was dan moest moeder de vrouw 's avonds met haar handen zachte groene zeep over de pijnlijke plaatsen smeren. Heel vaak stond haar man het dan uit te janken van de pijn, maar het moest gebeuren want de zeep verharde de huid.

Een ander pijnlijk ongemak was dat de sjouwers zich stuk liepen op de plaats waar de rug in de benen over gaat, men zei dan onder elkaar; ik heb mij de „bikkeers" gelopen. Dit ongemak ontstond door de transpiratie en het water dat uit de zakken over hun rug naar beneden liep. Men moet namelijk weten dat bij regenweer het lossen gewoon door ging. De regen had dan vrij spel op het geopende scheepsruim en de kolen werden dan nog zwaarder door het regenwater. Voor dat schrijnende ongemak had men ook een geneesmiddel, namelijk vetkaarsjes. Het waren geen gewone kaarsjes maar speciaal voor dat ongemak gemaakt. In diverse winkeltjes in de oude stad kon men die kaarsjes kopen. Met zo'n kaarsje werden dan de pijnlijke plaatsen tussen de bovenbenen ingewreven waardoor er gelijk een verzachting van de pijn ontstond omdat door het vet de rauw gelopen plaatsen niet meer geďrriteerd konden worden.

Volgende week het vervolg.

Klik hier en reageer daarmee per email als u uw reactie hieronder wilt laten plaatsen

Bron (©) 1979 Wim Janssen - Nieuwsblad De Brug Nijmegen

terug

Reactiepagina

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: