Zuuk t mar uut - Wim Janssen

Uit het Nimweegs verleden 10

1979

Er zijn nog wel bejaarde Nijmegenaren die het een en ander over het leven van vroeger in de oude stad kunnen vertellen. Jac Borgers, zelf een bejaarde Nijmegenaar van over de tachtig jaar, tracht deze mensen op te sporen om dan de gesprekken die hij met hen heeft op de geluidsband vast te leggen. Zo heeft hij een gesprek dat hij gevoerd heeft met Johan van Meteren, een van de Nijmeegse vlees-grossiers, ook vastgelegd. Met permissie van beide heren mag ik van deze band gebruik maken voor dit stukje.

Johan (zo mag ik hem met zijn toestemming noemen) is in 1895 geboren in het ouderlijk huis aan de Waalkade nr. 2, recht tegenover de gierpont. Hij was het vijfde kind in het gezin v. Meteren, zijn ouders hadden reeds twee zoons en twee dochters. De inkomsten om het gezin te onderhouden kwamen grotendeels uit het café dat zijn ouders in hetzelfde pand hadden. In hun café golden de gangbare prijzen van die tijd. De consumpties kostten één stuiver, of men nu 'n glas bier, 'n borrel, 'n broodje met boter en kaas of 'n kop koffie met suiker, melk en 'n beschuitje wilde hebben. Met die prijzen moest men natuurlijk heel wat omzetten om in het levensonderhoud te voorzien. Daarom had vader Van Meteren voor bijverdiensten gezorgd. 

Omdat er in de jeugdtijd van Johan nog geen vrachtauto's waren, laat staan dat er een Waalbrug was, geschiedde al de aan- en afvoer per boot over de Waal. Het vervoer over land ging met paard en wagen. De te vervoeren goederen moesten natuurlijk gehaald en gebracht worden op de losplaatsen van de boten of in de loodsen. De boeren uit de Betuwe zorgden voor een intens vervoer van hun landbouw- en fruitteelt-produkten. Daardoor ontstond er een grote vraag naar stallingsgelegenheid voor de paarden. Om aan deze vraag te voldoen beschikte vader Van Meteren over drie gelegenheden om paarden te stallen en wel een op de Nonnenplaats, een achter de Vismarkt en een op het Proosthof. Johan weet zich nog uit zijn jeugd te herinneren dat er 's maandags 60 tot 70 paarden in de stallen stonden. Eenmaal zelfs 15 ezels. De stallingskosten waren een dubbeltje per dier per dag. Dat bracht natuurlijk een hoop werk mee, maar het bracht ook geldelijk gewin op, vooral omdat men vroeger niet naar tijd of uren keek. 

Maar dat was nog niet alles, in de kersentijd die ongeveer zes weken duurde en samen viel met de „walbessen" en „stekbessen"-pluk werd het hele gezin ingeschakeld om wat bij te verdienen. De bessen werden tegen de avond aangevoerd en moesten dan overgepakt worden. De „stekbessen" moesten van hele grote manden over gedaan worden in Hampers, een kleinere mand, die bruto 109 kilo moesten wegen. De „walbessen", die uit Groesbeek kwamen, moesten in „siepkens", dat waren kleine rechthoekige van dun hout gevlochten mandjes met een beugeltje, verpakt en gewogen worden. 

Deze beide bessensoorten moesten 's morgens om zeven uur naar Rotterdam verscheept worden van waaruit zij naar Engeland uitgevoerd werden. Wanneer men daar 's nacht om half drie mee klaar was bleef er net even tijd over om een kop koffie met een boterham te nuttigen want om half vier werden de eerste kersen op de markt aan de Waalkade aangevoerd. Dan had het hele gezin weer de handen vol. 

Al was Johan als schooljongen nog te jong om aan de nachtelijke arbeid deel te nemen. in de kersentijd zat hij 's morgens voor dag en dauw met zijn weegschaal buiten klaar om de mensen van dienst te zijn. De kwestie was namelijk dat de boeren in die tijd niet in het bezit van een weegschaal waren maar de kersen toch afgewogen moesten worden en dat deed Johan dan. Voor iedere weging vroeg hij een cent vergoeding, zo kon het gebeuren dat hij, voor hij naar school ging, een pet vol centen aan zijn moeder kon geven. Zo hielp hij als jongen al mee om de inkomsten te verhogen. 

Ook voerlieden, sjouwers en andere arbeiders verdienden in de kersentijd een goede boterham. Er waren zelfs arbeiders die in die tijd ontslag namen om bij de boeren kersen te gaan plukken. Dat kwam omdat zij bij 'n baas één gulden per dag kregen.  Zij moesten dan wel 's morgens om zes uur beginnen tot 's avonds tien uur. De jongens die zich als spreeuwenjager verhuurde kregen een dubbeltje per dag. 

De fijnste kersen werden door  elitezaken   zoals Hendriks-Wouters, Popping en Van Heumen opgekocht om er hun welgestelde klanten mee te plezieren, natuurlijk tegen winstgevende prijzen. Verder werden de kersen opgekocht door diverse handelaren uit Nijmegen en omstreken. Zelfs Amsterdams handelaren kwamen hier zaken doen terwijl zij ook naar Duitsland uitgevoerd werden. Johan weet nog te herinneren, dat de kersentijd in 1902 tien weken duurde, van 31 mei tot 15 augustus. Het was voor het gezin Van Meteren, een goede tijd maar het hele gezin werkte er aan mee. Vader Van Meteren kreeg in die tijd maar een paar uur slaap per etmaal. Johan weet ook nog dat er een kersenboer uit Ewijk zulke prachtige kersen op de markt bracht, dat er maar 83 in een pond gingen, terwijl er normaal 120 kersen in zaten. In een volgend stukje laat ik Johan van Meteren meer vertellen, vooral hoe het vroeger bij de slagers toe ging.

Klik hier en reageer daarmee per email als u uw reactie hieronder wilt laten plaatsen

Bron (©) 1979 Wim Janssen - Nieuwsblad De Brug Nijmegen

terug

Reactiepagina

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: