Zuuk 't mar uut - Wim Janssen

Nimweegse liedjes 8

31-01-1979

Nog een kleine maand en het is weer zover. Dan breekt het carnavalsgewoel weer los. Carnavalsverenigingen houden nu al hun zittingen en er worden wedstrijden gehouden voor de carnavalskraker van dit jaar. Doe je een greep uit de hits van de afgelopen jaren, dan zijn er een paar dingen die opvallen. In de meeste teksten komen stadsbezienswaardigheden voor; de Waal, de St. Stevenskerk, Mariken, de Waag, de Kerkboog, etc. Deze zijn uiteraard de moeite van het noemen waard, wat echter stoort is dat het steeds vaker niet meer dan clichés zijn geworden, het hoort er nu eenmaal bij. De strekking van de meeste liedjes is, dat er met carnaval lol gemaakt moet worden. Ook daar is uiteraard weinig tegen in te brengen. Maar als alléén daarop de nadruk gelegd wordt dan blijven deze teksten nietszeggend. Als er maar gedronken wordt, je je kieltje maar aan hebt en je zorgen maar vergeet, al is het met een stuk in je kraag, dan is volgens veel van deze liedjes de carnaval weer best geweest. Dat het ook anders kan, bleek uit een reaktie van een Bruglezer die ons een carnavalslied uit 1906 toestuurde. We bedanken dhr. Rietveld uit de Johannes Vijghstraat daarvoor.

Het was een lied dat verkocht werd voor een dubbeltje per tekst ten bate van de Vereeniging voor Kindervoeding en -kleeding. Door de man met de harmonica werden in cafe's en op de vele bal masqués in Nijmegen hiervan tijdens de carnaval 1906 voor ƒ 27,87 aan teksten verkocht. 

Wat de inhoud van het lied betreft, het houdt zich niet zozeer met Nijmeegse bezienswaardigheden bezig als wel met Nijmeegse gebeurtenissen uit het afgelopen jaar. Niet zozeer de lol en het plezier staan centraal, maar juist worden situaties aan de kaak gesteld en personen gehekeld. Vooral het gemeentebestuur moet een veer laten. We laten Hein en Kee zelf aan het woord.

Rene van Hoften, Franc Jansen, Wim Janssen

Wijze: O, wat een parel, is toch mijn Karel. 

Wij komen als twee straatmuzikanten
Op Nijmeegsch groot Carnaval-feest. 
Wij zijn een paar vroolijke klanten,
Wij zijn nooit anders geweest. 
Wij komen u hier amuseeren,
Dat moeten wij doen voor ons brood. 
Want geloof ons dames en heeren,
In dee'z stad is de armoe groot.

Refrein:

Dat zien wij nog steeds vermeeren
Door die groote heeren 
Zijn ze goed met schulden belaan
Dan gaan ze per automobiel naar de maan. 
Bezitters van groote ruiten
Straal vrij uw licht naar buiten 
Al gaan uw zaken nog zoo slecht
Failliet gaan brengt alles terecht.

Politie ziet men steeds versterken
Tot bescherming van mensch en van dier. 
't Is nuttig om daarvoor te werken
Dat bekennen wij openlijk hier 
Maar toch moest 't laatst nog passeeren,
Dat door wilde, edele sport 
Van een klein getal groote heeren,
Onze Meerwijk gesloten wordt.

Refrein:

Veel moeten we reeds lijden,
Wat was te vermijden. 
Feesten missen we heelemaal
Voor onze stad een waar schandaal; 
Want als men gaat verlangen
Wilt ons officieel ontvangen 
Dan is 't bij ons dagelijksch bestuur niet pluis
En den Burgervader van huis.

Een commissie van drie vroede vaderen,
Gaat naar den minister heen 
Om 't brugplan voor hem te ontvouwen
En vragen subsidie meteen. 
De minister zal hun alles beloven,
Omdat 't voor hem niets beduidt; 
Want tegen dat hij moet gaan geven,
Is hij er al lang tusschen uit.

Refrein:

Toch is 't maar te hopen,
Dat wij spoedig loopen 
Op de brug al over de Waal
Waarover men schrijft met veel kabaal 
Zou 't ons zijn gegeven,
Dat wij 't nog beleven. 
Eindig dat schrijven zonder zin;
Maar maak met den bouw een begin.

Wat worden de wetten steeds zwaarder
Voor houders van kroeg of café. 
In plaats van hun last te verlichten
Doet de gemeente er lustig aan mee. 
De carnaval gaat men bekorten,
Dat wordt voor de zeden gedaan 
En kon men de pachtgelden missen,
Ook de kermis was ras naar de maan.

Refrein:

Edelachtbare heeren,
Wilt u toch bekeeren 
Gedenk toch eens uw jongen tijd
Dat zoo'n feest u steeds heeft verblijd 
Dan zullen wij de lasten
Waar gij ons mee verrasten, 
Dragen met 't grootst geduld,
Want uw verkiezing was ons eigen schuld.

Wat we hebben en krijgen in ons stadje,
Is niet zoo gemakkelijk gezegd. 
Rioleering daar is toe besloten,
Electrice tram wordt aangelegd, 
De straten die gaat men plavijen,
Onze plantsoenen zijn waarlijk schoon; 
En om de kroon op 't werk te zetten,
Hebben we ook nog een pracht telephoon

Refrein:

Een standbeeld kwam men ons schenken,
Waarvan er vele denken: 
Wat deed die man voor stad of land,
Dat zijn beeld'nis hier wordt geplant.
Men maakte ook standbeeld-plannen
Voor drie groote mannen. 
Had men toen alhier geen geld,
Of was men er niet op gesteld.

auteur: anoniem

Klik hier en reageer daarmee per email als u uw reactie hieronder wilt laten plaatsen

Bron (©) 1979 - Nieuwsblad De Brug Nijmegen

terug

Reactiepagina

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: