Nieuwe pagina 1

© copyright Cees de Vos, Digitale bewerking; Henk Kersten/Stichting Noviomagus.nl

Het Vossennest.

In de avond (± 19.30 uur) van de achtste november 1934 zag ik het licht in een rijtjeshuis aan de Bilderdijkstraat in Nijmegen. De huisjes zijn afgebroken, er zijn modernere woningen voor in de plaats gekomen. Mijn moeder vertelde mij jaren later dat er in de ochtend van mijn geboorte een meisje aan de deur kwam met de vraag: “Of er nog een kamer te huur was?” Daar was ik lichtelijk verbaast over, dat mijn ouders in hun huurhuis onder verhuurde. Moeder moest het meisje teleurstellen, er was helaas geen kamer meer vrij. 

Als baby van vier maanden verhuisde het gezin C.N. de Vos/A.M. van Ottele met vier kinderen in het voorjaar van 1935 naar de wat ruimere middenwoning aan de Hatertscheveldweg 504. Het moet voor mijn ouders een enorme verbetering zijn geweest nu te leven en wonen in een nieuw wat groter huis met vrij uitzicht zowel aan de voor als aan de achterzijde van de woning. 

In 1934 ging de Gemeente van Nijmegen akkoord met het ontwerp ’parkplan’ van de heren J.H. Schmidt en D. Monshouwer. In het daaropvolgende jaar 1935 ging de eerste spade in de grond voor de aanleg van het Goffertpark wat voor de woonomgeving aan de Hatertscheveldweg een immense drukte moet hebben gegeven met het op en neer rijdend vrachtverkeer en het vele werkvolk in dienst van het “Werkverschaffingsproject”. 
In een tijdsbestek van vier jaar was het Goffertpark gereed en werd op zaterdag 08 juli 1939 feestelijk geopend door Z.K.H. de Prins der Nederlanden Prins Bernhard. 

Het was des te pijnlijker dat nog geen jaar later de laffe inval van de Duitsers plaats had en zij het prachtig aangelegde park als militair oefeningsterrein gebruikte. Ik zie mij als knaapje van zeven jaar vanuit de woonkamer nog de soldaten met losse flodders elkaar bestoken; twee moffen paffend bij de paaltjes van het Konijnenpad recht tegenover ons huis en drie gecamoufleerde soldaten zich verdekt opstellend achter de beukenbomen aan de Heideparkseweg terugschietend. Een paar uur ná het schijngevecht van de soldaten ging ik op zoek naar de lege patroonhulzen en vond er een paar, nog ruikend naar de kruitdamp. 

Ons huis aan de Hatertscheveldweg 504

Elk mens heeft zo zijn vroegste herinnering, de mijne betreft mijn kinderbedje. De boreling en het voorlaatst geboren kind in ons gezin brachten de eerste levensjaren wegens ruimtegebrek door op de toch al niet al te ruime slaapkamer van vader en moeder. Zo ook kleine Ceesje. Ik moet een jaar twee á drie geweest zijn; liggend in mijn houten vierzijdig hoog omsloten kinderledikantje sloeg ik slapend mijn babyhoofdje frequent tegen de zijkant van het bedje. Deze herinnering is toen ik ouder werd bevestigd door mijn moeder. Ze vertelde ook dat het vader onrustig maakte, het stoorde hem in zijn nachtrust en ‘voornachtelijke arbeid’. Mijn hoofd werd - als ik weer eens aan het bonken was - door mijn moeder wat naar het midden van het kussentje gelegd, wat soms hielp, maar veelal hervatte ik na een tijdje mijn nachtelijke capriolen. Het moeten vervelende nachten voor mijn ouders geweest zijn….! 

De indeling van ons middenhuis aan de Hatertscheveldweg 504 in de jaren ’30 en’40 

De voorkamer. 

Dit was de ‘mooie kamer’, hier huisden wij als gezin in het weekend. In deze woonruimte stond lux meubilair als: Een buffetkast voor het glaswerk, eetservies en tafellakens. Een rookstoel voor papa en een makkelijke leunstoel voor mama resp. links en rechts van de kolenhaard. Verder een theekastje en aan de muur hing een regulateur klok met een bimbam urenslagwerk. De zwarte antracietkolenhaard met micaruitjes aan de voorzijde zorgde voor zichtbare behaaglijke warmte en gezelligheid..! 
En gebruikelijk bij Katholieken: aan de muur hing een zwart houten kruisbeeld met een gekruiste Jezus.

De kleine achterkamer.

In deze woonruimte stond als warmtebron ons Salamanderkacheltje. Om de stookkosten tot een minimum te beperken speelde het huiselijk leven zich grotendeels af in deze kamer. Het kacheltje stond wat naar voren t.o.v. de schoorsteenmantel. Het was behaaglijk om je te verschuilen in de holle ruimte achter de kachel. Boven de schoorsteenmantel hing een gedrapeerd bruin geborduurd kleed met daarop een rond bord met de tekst: “Gemakkelijker dan werken is rijk worden door een erfenis” Deze tekst heeft mij als kind altijd geboeid…. 

In het midden van de kamer stond een uitschuifbare eettafel. Aan deze tafel werd gegeten en spelletjes gedaan als: puzzelen, mens-erger-je-niet, ganzenborden en kaartspelletjes als jokeren, liegen en pesten. Bij het nuttigen van het warme middageten - meestal stamppot, soms met worst…! - zaten we met z’n allen rondom de uitgeschoven tafel. Om voldoende zitplaatsen te krijgen werd er een plank op twee uit elkaar staande stoelen gelegd. Vader had de taak de warme maaltijd uit te delen waar hij zo nu en dan een spelletje van maakte: je diende je bord in zijn richting te reiken waarna papa met een welgemikte zwaai een hoeveelheid stamppot op je bord kwakte. Meestal ging dat goed, maar soms pakte dat verkeerd uit en gleed de hele zooi door en belande op tafel. Vader grote pret en moeder, die recht tegen over hem zat, zwaar de pest in. 

Om de drie á vier weken werden de jongens in het achterkamertje door vaders geknipt met behulp van een handtondeuse. Papa had zo zijn eigen modelering voor wat de ‘kapsels’ aangaat. Het hele hoofdterrein werd afgegraasd, enkel aan de voorkant liet meneer ‘een pluumke’ met rust. Het leek alsof je constant met een pluk haar in de vorm van een vlag door het leven ging. ‘Model pispot’ werd het wel genoemd. Mama schrok na elke knipoperatie en slaakte dan een kreet van: “Mien Got Cees…!, wa hedde dé kiend weer aangedaan, zo kan dat jong toch nie naar buten…!” In een lachsalvo antwoordde papa: “Geen zorg mam, dat groeit gedurende een paar weken wel weer aan..!”

Allemaal aan de lolly…! Cees is het tweede menneke van boven…. 

Hier is goed te zien hoe de jongens in het gezin de Vos in de jaren ’30 geknipt werden door ons Vaderke. In mijn verhaal “Het Vossennest” vertel ik hierover. Bij één knaapje schoot de tondeuse blijkbaar ietsje te ver door zo te zien, mogelijk dat papa plots een vuurvliegje achter zijne brillenglazen kreeg tijdens het knippen. Nu, zoveel jaren later, kunnen we hier slechts hartelijk om lachen en dat is gezond voor een mens. 

De twee mannekens in marinekleertjes zijn twee de neefjes van de familie, wat duidelijk te zien is aan hun ‘normale haardracht’. 

In een jaar met veel beukennootjes werden deze door ons verzameld. Er gaan verhalen dat bij een veelheid aan beukennootjes de daarop volgende winter streng kan zijn..? In het najaar gingen we in familieverband op zoek naar deze beukenvrucht onder de beuken langs de karakteristieke laan de Heideparkseweg. De verzamelde nootjes werden tegen ± tien cent per kilo verkocht, zo versierde we extra centjes voor de kermis op de Wedren in Nijmegen. Wij hadden een systeem ontwikkeld voor het snel verzamelen van beukennootjes: we veegden de bodem onder boom aan tot een bergje troep. Vervolgens zeefden we de rommel om aarde en ander klein spul te lozen. Wat overbleef in de zeef ging in een jutezak mee naar huis. Op de uitgeschoven eettafel werd de zak geleegd. Gezeten rondom de tafel schoof ieder voor zich een kleine hoeveelheid troep naar zich toe en viste daar de rijpe beukennootjes uit. Dat er allerlei beestjes en wormpjes over je handen kropen deerde je niet. 

De beukenbomen, ze staan er nog als in mijn kindertijd. Er was even spraken van dat Onverlaten in de Gemeente Nijmegen deze prachtige beukenbomen wilde kappen..! Er waren in 2001 plannen om het verkeer van de Muntweg over de Heideparkseweg naar een nieuwe rotonde ‘Jonkerbosplein’ te leiden. Daarvoor moest de weg worden verbreed. Die plannen zijn afgeblazen. Eind goed al goed…!

“Laat de beukenbomen aan de ‘Heideparkseweg’ een blijvende echo zijn uit het verleden en behouden blijven voor de toekomst!”

Soms diende er een beuk gekapt, mogelijk omdat ze na verloop van jaren te de dicht bij elkaar stonden. Dat gebeurde op ouderwetse wijze. Met een zware aksbijl hakte twee stoere kerels aan twee zijden dikke spaanders uit de boomstam even boven de grond. Vooraf werd er een dik touw hoog in de kruin vast gemaakt om de boom om te trekken als deze aan de onderzijde voldoende ingekerfd was. Na de hele kapoperatie verzamelde we de dikke houtspaanders voor ons Salamanderkacheltje in de kleine achterkamer. 
De verse beukspaanders, ze roken zo heerlijk …!

Op de plaats van de hoge flat - hier links net zichtbaar - stond een oude vervallen boerderij waarin een gezin woonde bestaande uit: vader, moeder, twee dochters en de labiele zoon Henk. De familie gebruikte voor de watervoorziening een ouderwetse waterput en een ‘poephuisje’ buiten met een hartje in de deur. De oprit rechts leidde naar de boerenhoeve van de familie Kersten. Deze hoeve zal nu wel verbouwd zijn.

Boerderijtje aan de Heideparkseweg - Anno 1913
Foto afkomstig uit: 'Op naar Nijmegen - met de electrische tram door Nijmegen en Omstreken.

Over de Heideparkseweg wordt in de analen opgemerkt: “Er staan een paar niet al te fraaie boerderijtjes aan de Heideparkseweg, waar deze boerderij er een van was.”

Zicht op de kruinen van de beukenbomen en de drie huizenblokken aan de Heideparkseweg
Foto gemaakt vanuit de Goffertvijver bij het Bruggetje. 
Foto: Regionaal Archief Nijmegen

Langs de Heideparkseweg staan nog steeds de drie rustieke ‘twee onder een kap huizen’. In het eerste hoekhuis runden de heer en mevrouw Kevie in de jaren ’40 hun kleine snoepwinkeltje in de voorkamer. Als op zondagmorgen na de kerkdienst een oom of tante bij ons op visite kwam kregen we altijd wel een paar rooie centen of heel soms een ‘zilveren stuiver’…!, om bij Kevie snoepgoed te kopen.

De beukenbomen aan de Heideparkseweg met de drie huizenblokken.
Kevie met zijn snoepwinkeltje woonde in het eerste huis, waar zo te zien het beddengoed uit het raam hangt.
Foto: Regionaal Archief Nijmegen. - Anno 1980

Ik zie ons kinderen weer met een paar ‘rooie centen’ stijf in de hand vanaf ons huis hier schuin de Hatertscheveldwegweg oversteken richting het snoepwinkeltje van Kevie voor het kopen van een zuurstok, zoethout, toverbal, zakje zwartwit, spekkies, lolly, ’n dropveter of toch maar een paar Verkade toffees.

Op de toonbank van Kevie’s winkeltje stonden ‘ in grijpstand ’ in rij schuin opgesteld een aantal met snoepgoed gevulde ‘stopflessen’ die je uitdagend toelachte bij het binnen komen. De verleiding voor ons kinderen was groot en de keuze o - zo - moeilijk…!

Op de achtergrond de Heideparkseweg met daarachter het Goffertpark in aanbouw. 
Gezicht op het “Halve Maantje” 
Eigen foto, voor ons huis gemaakt in 1937 - De eerste vijf vosjes…..! 
Ceesje, hier drie jaar is de tweede van rechts.

De keuken

Daar was ons mam altijd in de weer het dagelijks menu-tje te bereiden voor de hapgrage vossenmondjes op het gietijzeren kolen/houtfornuis waar middels diverse stalen ringen de diameter van het stookgat kon worden aangepast aan de grootte van de te gebruiken kookpan. 

In ons keukentje stond een piepklein houten keukentafeltje waaraan we elke ochtend voordat we naar school gingen de botterhammekes aten; sneetjes brood door mam besmeerd met Bleu Band margarine en belegd met rinse appelstroop, appelmoes, bruine of witte basterdsuiker.

Eens per week, op zaterdagmiddag gingen we in bad. Een luxe badkamer hebben we in onze jeugd niet gekend. De enige ‘koudwaterkraan’ bevond zich boven de gootsteen. (In de jaren ‘50 kwam er een Fasto keukengeiser.) De ovale zinken wasteil, waar twee kinderen tegelijk in gingen, werd geplaatst op de granieten vloer. Om een en ander in te schikken was het zaak dat het ene kind zijn beentjes buitenom en het andere kind z’n pootjes er tussenin frommelde, een variatie op ‘lepeltjesgewijs’. Het badwater werd in een ronde zinken ketel op het tweepits gaskomfoor in de keuken verwarmd. “Ik zie mijn ouders nog de loodzware met heet water gevulde teil van het komfoor tillen en de inhoud in de wasteil kieperen!” Al met al zijn de vosjes wonend aan de randweg van het Goffertpark gezond en wel opgegroeid en hebben van het slechts “een keer in de week op zaterdagmiddag” in een teiltje in bad gaan geen enkel nadeel ondervonden.

De kelder

In de kelder, daarin lagen de antraciet/eierkolen, een voorraad aardappelen onder de trap en verder stonden er een aantal Keulse inmaakpotten gevuld met gezouten sperziebonen, snijbonen en koolsoorten: groenten door vader in de zomermaanden verbouwd op een stukje gepacht grond achter ons huis. 

Ook bevond zich in deze ruimte de dubbeltjesgasmeter. Steeds diende er een hoeveelheid dubbeltjes in huis te zijn om niet de kans te lopen dat mam - tijdens het klaar maken van de warme maaltijd op het tweepits gaskomfoor - niet verder kon met het bereiden van het warme eten. Het komfoor werd combinatie met het kolen fornuis gebruikt. Het dubbeltje ging via een gleufje de gasmeter in en viel als een klinkende munt in een ijzeren afgesloten bakje eronder. Voor zo ver ik het mij herinner kwam de ‘gasmeteropnemer’ eens in de twee weken de dubbeltjes uit het bakje halen.

In de oorlogsjaren - inzonderheid het jaar 1944 - vonden we beschutting in onze kelder, o.a. tijdens het zo genoemde ‘Vergissingbombardement’ op dinsdag 22 februari - 13.28 uur door een Amerikaans bommeneskader: ‘Het 446ste Bomb Group 1ste Sectie.’ De grote familie Verheyen, wonend pal naast de Transformatorenfabriek Willem Smit aan de Groenestraat, hebben in de oorlogsjaren regelmatig een veilig heenkomen gevonden in onze kelder. De kans van een bombardement op de fabriek was gedurig aanwezig. Op de vloer van de kelder lagen de van de bedden gehaalde kapokmatrassen en dekens. Menige winterjas vochtig of niet, ging van de kapstok mee de kelder in als warmtebron. Ondanks de ellende hadden we de grootste lol daar beneden op de koude betonnen vloer. Met de familie Verheyen erbij moeten er zeker 20 mensen, jong en oud door elkaar hebben gelegen. Voor ons keldertje geen probleem, er was ruimte genoeg: “Nood breekt wet..!”

“Dinsdag 22 februari ‘44 is blijvend een zwarte dag in de geschiedenis van de oudste stad van Nederland".

De heer Joost Rosendaal heeft over het oorlogsjaar 1944 een boek het leven doen zien met als titel “Nijmegen ‘44 - Verwoesting, verdriet en verwerking” Van harte aanbevolen…! 

In de jaren ’50 ging ik nog al eens op stap met vrienden. Ik diende wel op tijd thuis te zijn, zo niet, dan vond ik de knip op de achterdeur. Maar ja, je bent jong en wil nog wel eens wat…. Wegens ‘omstandigheden’ die op je weg kwam, zondigde ik nog al eens tegen dit uitdrukkelijke gebod van vader en moeder en kwam ik tóch te laat thuis. Ik kwam dan voor een gesloten deur. De oplossing om toch je warme bedje te vinden was het kelderluik. We hadden er twee: een aan de voor en een aan de achterkant van het huis. Ik koos meestal voor het luik aan de achterzijde, dat liep niet zo in de gaten: mijn ouders sliepen aan de voorkant van het huis..! Het keldergat was afgedekt met een zwaar ijzeren rooster. Heel omzichtig nam ik het rooster van het keldergat en legde het naast mij neer. Vervolgens wurmde ik me via het gat de kelder in. (In de vooravond had ik zorg gedragen dat het raampje beneden in de kelder voor geopend stond.) Pech had je als ome Hein van Ottele onze kolenboer net een partij eierkolen had bezorgd; je gleed dan via de ronde eierkolen richting de vloer. Arme boks en arme jas, zo zwart als roet. Het zij zo… Via de keldertrap klauterde ik naar boven en droeg zorg dat het kelderrooster buiten weer veilig en wel op zijn plaats lag en de knip op de achterdeur. Welterusten Ceesje…!

De eerste verdieping

Op de eerste verdieping bevonden zich vier slaapkamers:

- De kamer van onze ouders aan de voorzijde
- De twee meisjeskamers: een kleine aan de voor en een aan de achterzijde 
- De grote slaapkamer - wat heet…! – de ’Jongenskamer’ aan de achterzijde

Van de kleine meisjeskamer aan de voorzijde werd in de jaren ’50 een badkamer gemaakt nadat een aantal vosjes een eigen territorium buiten de deur hadden geregeld. 
Dat was me toch een luxe voor de achterblijvers.….!

Ons kleine zolderke….

In de jaren ’50 werd de krappe zolderverdieping ‘ontdekt’….! Dit gaf meer armslag voor het opbergen van huisraad en dergelijke. Je diende wel uit te kijken je hoofd niet te stoten aan de zeer lage houten zoldering.

De Jongens kamer

Deze kamer werd bemand door vijf jongens. Er stonden twee tweepersoonsbedden en een eenpersoons ledikant. De oudste zoon in ons gezin had de eer het eenpersoonsbed te beslapen. 

Met mijn ruim een jaar jongere broertje deelde ik een tweepersoons ijzeren ledikant. Zo nu en dan was het voor het slapen gaan een ware veldslag in dat bed tot grote ergernis van ons vader. En als de lamp in het midden van het plafond in de woonkamer een slag van zo’n 20 cm maakte werd het tijd voor papa om zijn gezag te laten gelden en met doelbewuste tred naar boven te stevenen. Voordat wij - knaapjes van negen en tien jaar - vader te zien kregen moest vadertjelief voorshands de twaalf traptreden naar boven overbruggen wat gepaard ging met bijgeluiden: met het klimmen der jaren hadden vaders knieën een welluidende ‘krak’ in zich, bij elke tree die hij nam was het van “krak-krak….krak-krak…krak-krak…, hoe hoger hij kwam, hoe onheilspellender dat geluid voor ons werd. Wij volgde zijn tocht naar boven in angst en beven. Op het moment dat vader de trap en de overloop achter zich had gelaten en onze slaapkamerdeur met een brede zwaai opende doken we onder dekens voor zover we die hadden, in de winter werden jassen voor het slapen gaan mee naar boven genomen. Gezien ik de voor en mijn broer aan de muurzijde lag, was het logisch dat ik de eerste handmatige liefkozingen van ons vader in ontvangst mocht nemen. Door zich in allerlei bochten te wringen kreeg broertjelief het voor elkaar papa in het donker zo te misleiden met als gevolg dat ik nogmaals de volle laag kreeg! Na de afstraffing werd ons met barse stem geduid nu te gaan slapen en met een paar welgemeende verwensingen verdween papa naar beneden. We hoorden vader in de woonkamer hardop mopperen tegen ons mam: “Rotzakken zijn het..!” Even hielden we ons koest, nog onder de indruk van vaders gezag, maar na een stief kwartierke kwam van mijn kant het verwijt richting m’n bloedbroeder: hoe hij het voor elkaar kreeg om op zo’n laffe wijze zijn afstraffing te ontlopen en mij daarvoor als lijdend voorwerp te gebruiken. Het gevecht begon opnieuw, nu werd het menens, ik moest en zou wraak nemen. Het gevecht liep hoog op, links en rechts vielen er klappen met als gevolg dat we eenzijdig met een harde dreun door ons bed zakten en met matras en al onder een hoek op de vloer belandden. Zo bleven we hangen, noodgedwongen stijf tegen elkaar, angstig afwachtend wat er wel zou gaan gebeuren…? Het valt te begrijpen dat een en ander door ‘Vader Familias’ beneden was gehoord en dat het nu afgelopen moest zijn. Deze keer leek het of vader drie treden te gelijk nam en vijf vloeken in een woord spoog. Met een enorme dreun sloeg papa de slaapkamerdeur open en begon in een ras tempo zijn programma af te werken: het was de dekens terugslaan, onderboks naar beneden en vervolgens ging het van je “Rettikketetje op het ontblote kadetje” tot deze rood aankleurde. Mijn broertje probeerde zijn laffe stunt nogmaals uit te halen maar kreeg deze keer geen kans, papa was hem nu te vlug af. Met het commando: “En nu is het afgelopen, anders kom ik weer boven en kunnen jullie nog meer ‘smeer kriegen’ “, verdween vader Vos, twee luid snikkende deugnieten achter zich latend. 
* Schuldbewust spraken we af het hier bij te laten. Volmaakt lepeltjesgewijs trokken we dromenland binnen.

We weten zeker dat papa later op de avond nog even is gaan kijken naar zijn toch best ‘lieve jongens…!’

“Daar slapen zij beiden, schuldig en onschuldig de slaap der rechtvaardigen.”
Zin uit het jongensboek: ‘Aan de grote verkeersweg’ van Albert Loon. 

Cees de Vos
Januari 2010

Reactiepagina

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: