© copyright Cees de Vos, Digitale bewerking; Henk Kersten/Stichting Noviomagus.nl

Buurtspelletjes in de jaren ’30 en ’40 aan de Hatertscheveldweg 

In de jaren ’30 en ’40 speelden de kinderen uit vaak grote gezinnen na schooltijd en in het weekend buiten op straat. Van enig ‘druk verkeer’ op de nog onverharde Hatertscheveldweg was geen sprake. Eens in de week kwam de gemotoriseerde vuilniswagen langs om de stalen vuilnisbak te ledigen. (zie foto) De kolenboer, groenteboer, schillenboer en voddenman vervoerde hun waar met paard en wagen en de bakker en melkboer bezorgde hun klanten per bakfiets. 
Een personenauto, vrachtwagen of autobus was een bezienswaardigheid in onze straat.

Dr. Nuver onze huisarts was een van de weinige die zo nu en dan met zijn personenauto door de straat reed voor een kort bezoekje aan zijn patiënten. Bij de vosjes op nr. 504 was dokter Nuver kind aan huis: er was een kindje op komst, de mazelen of roodvonk sloeg hard toe of een kleuter had een ongelukje gehad. Ik heb mijzelf tijdens een noodlottige beweging eens een kersenpit diep in mijn neusholte gefrommeld. Als schrikreactie snoof ik het kreng steeds dieper mijn huilend hoofd binnen. In het Canisiusziekenhuis is de ‘verstoppertje spelende kersenpit’ brullend en wel verwijderd uit mijn neus. 

Eigen foto: Vuilnisbak uit jaren ’40. Het is een mirakel dat de vosjes (mogelijk hadden wij er twee..?) en anderen in ons buurtje genoeg hadden aan één zo’n vuilnisbak.

 

Het ‘Knikkerspel’ was bij elk kind zeer geliefd. Als een broertje of zusje even geen zin had om het spelletje te spelen vond je altijd wel een vriend of vriendinnetje in de buurt om een potje mee te knikkeren. Vooraf draaide je met de hak van je schoen een rond kuiltje in de grond. Met het knikkerzakje in je hand gevuld met glazen stuiters groot en klein, stalen looiers en de surrogaat kalkknikkers kon het spel beginnen. Het was altijd weer een sport om met een zware looier de stuiters van je knikkermaatje te splijten. 

 

Foto: Google-StreetView
Muntweg (in onze tijd Hatertscheveldweg) met de lindebomen gezien vanaf ons huizenblok links.
De zijstraat links is de “Leo de XIII straat”, in de jaren ’40 genoemd ‘Spadestraat’.

Een leuk spel voor de kinderen in ons gezellige buurtje was zeker ook: ‘Boomverwisseltje’
De Hatertscheveldweg met zijn prachtige lindebomen aan weerzijde van de weg leende zich perfect voor dit spel. Ook ‘Tikkertje’ om de bomen heen was spannend om te doen. De lindebomen geplant in de jaren ’30 ze staan er nog, menige familie aan de Hatertscheveldweg hebben zij zien komen en gaan. 
De componist Franz Schubert (1797-1829) schreef het prachtige lied ‘Der Lindenbaum’
Is bij YouTube te beluisteren…! Mijn vader zaliger was er weg van en zong het lied ook. 

‘Verstoppertje’ Ook een spel dat veel werd gespeeld door de kinderen. Achter de tuinmuurtjes en in het groen van de voortuintjes en niet te vergeten het struikgewas aan de rand van het Goffertpark was er volop gelegenheid om je te verstoppen. Spannend werd het als er een leuk buurmeisje zich verstopte op een plek waar ‘heel toevallig’ jij je ook verborg...!

Tijdens het verstoppertje spelen vond ik als achtjarige aan de rand van het Goffertpark eens een gouden dameshorloge, mogelijk kwijtgeraakt door een jonge vrouw tijdens innig liefdesspel. Een buurvrouw die vanuit haar voortuin het kinderspel gadesloeg had wel oren naar het glanzende uurwerkje. Ze bood mij er één gulden voor. Als kind van acht ging ik meteen akkoord…! Toen mijn vader in de avond van het verhaal hoorde ging hij met de gulden in zijn hand ‘verhaal halen’ bij de buurvrouw. Demonstratief legde hij de munt op de keukentafel en eiste het horloge op. “Mevrouw koos eerlijkheid boven hebzucht en gaf het uurwerk terug.” Wat er verder met het horloge is gebeurd weet ik niet meer. Vader heeft het vast bij de politie aangegeven. 
Of toch ons lieve Moeder geschonken..?

Info: Schilderijen.nu
Schilderij “Kinderspelen” uit 1559 van ‘Pieter Bruegel de Oude’. (1525 -1569) - Afm. 160x120 cm
Op dit schilderij zijn een groot aantal kinderspelen uit lang vervlogen tijden waar te nemen. 
O.a.: Knikkeren, bok bok bok hoeveel horens, hoepelen, haasje over, rekstokken, enz, enz… 
En nu maar weer lekker puzzelen met de bril voor op de je neus. 
Deze mooie prent eerder geplaatst in mijn verhaal: St. Jansschool en Meester Van Steen

 

Een typisch spel voor jongens was: ‘Hoepelen’. Men gebruikte luxe en minder fraaie exemplaren. De luxe stalen hoepel met een diameter van een meter was gemaakt van rondprofiel met een dwarsdoorsnede van 1 cm. De stalen aandrijfstok was middels een eveneens stalen ring permanent bevestigd aan de hoepel. Deze wijze van hoepelen vereiste goede stuurtechniek; je diende de stok beneden het middelpunt van de cirkel te houden. ( Zie schets..)

 

De wat mindere hoepel was een oud fietswiel waar de naaf (en spaken) uit verwijderd was. Met een losse aandrijfstok in je hand dreef je de hoepel over de weg. Als je een beetje handig was schoof je de stok tussen het profiel van het fietswiel waarna je schuivend de hoepel voort liet draaien. Je kon zo de hoepel richting geven.

De sterke grote jongens speelde: ‘Bok,bok,bok,hoeveel horens…?’ Een jongen was de bok en moest gebogen tegen de muur staan met twee (of meer…) gebogen jongens in volgorde daarachter. Een vierde jongen sprong dan over de rij van de drie gebogen jongens en werkte zich moeizaam naar voren tot op de rug van de eerste jongen. De vijfde en zesde sprongen resp. op de tweede en derde bok. De voorste van de drie zittende jongens stak een aantal vingers op en vroeg dan aan de jongen (bok) onder hem: “Bok, bok, bok, hoeveel horens (vingers) steek ik op…?” Als de bok het raadde diende de zittende jongens ‘bok’ te worden. Maar er kon ook mee gesjoemeld worden als omstanders in het complot zaten; de gebogen bokken bleven dan langer dan nodig ‘voor bok’ staan. 
Herschreven, eerder geplaatst in mijn verhaal: St. Jansschool en Meester Van Steen 

 

Dan was er nog: ‘Steltlopen’. Dat deed je met een stok waar aan de onderzijde, zo’n 30 cm boven de grond, een houten opstapblok verantwoord was bevestigd. (Brak nog wel eens af…) Op dat blok ging je staan en probeerde je, na wat geoefend te hebben, (als bij leren fietsen…) op een nu wat hoger niveau met twee stokken te stappen. De houten stelten knutselde ik zelf in elkaar..! 
Een wat simpeler manier van steltlopen deed je met twee conservenblikken aan een touwtje. Met in elke hand een touwtje stapte je voort. Reuze pret…, maar minder leuk als je met de blikken en al struikelde en op je smoel viel. 

 

De spelen voor de meisjes in de buurt waren : ‘Touwtjespringen’,’Kaatsballen’ en ‘Hinken’. 
Argwanend en vooral goed omkijkend – je vriendjes mochten het onder geen enkele voorwaarde zien – huppelde en hinkte ik soms een sprongetje mee en gooide ook een kaatsballetje op.

Op 27 februari 2006 werd het wereldrecord touwtjespringen verbroken in het Nederlandse Etten- Leur toen 3426 mensen tegelijkertijd sprongen.

Info links: WikipediA –Touwtje springen Info rechts: ‘ Search & Win’ - Hinken

Een meer behendigheidsspel was: ‘Tollen’. Je had twee soorten tollen; de ‘zweeptol’ en de ‘haktol’. De zweeptol had de vorm van een paddenstoel met een rondkoppige stalen spijker in zijn steel. Het andere model de ‘haktol’, ook met spijker in zijn onderste, leek een beetje op een wat stompe suikerbiet waar het loof van afgeknipt is. De zweeptol kreeg je aan’t draaien door het koortje van het bijbehorend zweepje om het steeltje van de tol te winden. Vervolgens wierp je het tolletje zonder zweepje van je af richting de stoep. Om het speeltuig draaiende te houden gebruikte je het zweepje. Dat ‘zwepen’ vergde wel wat oefening; het was hier duidelijk een kwestie van ‘oefening baat kunst’. De haktol kreeg je aan het draaien door een los koortje beginnend vanaf de spijker naar boven om de tol te winden. Ook hier werp je de tol van je af. Om het koordje niet met de haktol weg te gooien (zoals het kind met het badwater….!) zat het andere eind van het koordje middels een lus om je vinger. De grap en kunst was om met jouw tol de tol van je vriend of vriendinnetje doormidden te ‘hakken’. Vervelend was het als de tol tussen de scheiding van twee stoeptegels terecht kwam, dan raakte het speeltje de draai kwijt en was het spelletje uit. Derhalve was een regelmatig vlakke ondergrond de beste plek om te tollen.

Eigen schets: De zweeptol en haktol

Het oude spel ‘Meetje gooien’ werd gespeeld door de wat grotere jongens en meisjes. Er zijn twee manieren (met wat fantasie meer..) om dit spel te spelen: je kunt een cirkel krijten op de stoep met een horizontale streep er doorheen of een horizontale streep begrenst door twee verticale streepjes aan de uiteinde. (zie schets) De streep heet ‘de meet’. Om beurten werpt een speler een muntje richting de meet. Diegene die het muntje het dichts bij de meet gooit is de winnaar. Nadat alle spelers hun muntjes hebben geworpen mag de winnaar de muntjes oprapen. De winnaar schut de verzamelde munten in zijn gesloten handen en werpt ze in de lucht. Alle gevallen ‘kopmunten’ mag hij houden, de rest geeft hij door aan de tweede beste werper. Deze gooit op zijn beurt, na geschut te hebben de munten omhoog en mag wederom de kopmunten houden. Dit ritueel herhaald zich totdat alle munten verdeeld zijn en kan het spel opnieuw beginnen. 
Wij gebruikte voor het spel de munten:
- ½ cent 
- Cent 
- 2 ½ cent
- Zilveren stuiver 
- En een enkel zilveren dubbeltje. Hoger gingen we niet. Hadden wij gelukkige sloebers niet..!

Autokentekenplaten opschrijven’ In de tweede helft van de jaren ’40 reden er wat meer auto’s door de Hatertscheveldweg. Zittend op de zwart geverfde ronde buizen van het tuinhek in ons voortuintje, met een schoolschriftje en potlood bij de hand, noteerden wij kinderen de kentekenplaten van de voorbij rijdende auto’s en vrachtwagens. Je moest wel snel zijn en als je er onverhoopt toch een miste had je altijd nog kans dat je broertje of zusje het nummer wél had opgeschreven. Het was in de tijd dat de autokentekenplaat nog een blauwe achtergrond had en je aan de letter(s) en cijfers kon zien uit welke provincie de wagen afkomstig was. Als er een auto uit het Buitenland voorbij kwam rijden was dat extra spannend, het nummer van deze kentekenplaat werd dan vol trots getoond aan de kinderen in de buurt.

Kentekenplaat voor Groningen

Beknopte geschiedenis van de kentekenplaat (bron:Kentekenplaten - InfoNu.nl)
In 1896 maakte ‘de auto’ zijn eerste ‘slow motion rit’ op de Nederlandse wegen. De blauwe ‘nationale kentekenplaat’ met letters en cijfers werd in 1898 ingevoerd. Het persoonlijke rijbewijs en nummerbewijs van de auto volgde in 1906. De kenmerken van de kentekenplaten: 
M gevolgd door een getal van vier of vijf cijfers was voor Gelderland 
G en GZ voor Noord Holland 
D voor Drenthe 
B voor Friesland 
H en HZ voor Zuid Holland 
E voor Overijssel 
A voor Groningen 
K voor Zeeland 
N voor Noord Brabant 
L voor Utrecht 
P voor Limburg
R voor Departementen
Na het jaar 1951 verdwijnen de letters op de kentekenplaat. 
De kleur blauw wordt reflecterend geel in het jaar 1978. 

Het spel ‘Landjepik’ werd veelal gespeeld door de wat oudere jongens. In Moeder Aarde werd een stuk grond uitgelijnd van ± een vierkante meter. Om een stuk grond te veroveren gooide je met de punt ( ‘de arend’ genoemd…) van een versleten ijzervijl binnen het omlijnde stuk grond. Vanaf de plaats van de inslag trok je twee lijnen naar de zijkanten. Het stuk wat hierdoor werd afgescheiden van de vierkante meter was het door jou veroverde stuk grond. Vervolgens mocht de tweede speler gooien om zijn stuk grond op te eisen. De grap was om te mikken binnen het stuk grond van je tegenstander. Lukte dit, dan mocht jij dat stuk er bij nemen. Praktisch was om je eigen stuk grond te vergroten door er vlak naast te prikken.

 

Vliegeren’ Als jochie van 12-15 jaar maakte ik supervliegers met een grootte van ± 130 cm. Als ik met mijn bouw en plakwerk in ons achtertuintje bezig was keek mijn moeder altijd vol bewondering toe. Op de speelweide in het Goffertpark kreeg ik de ruimte om mijn reuze veelal rode vlieger op te laten. Via het vliegertouw naar boven stuurde ik met hulp van de wind briefjes naar de vlieger. Vervolgens was het de kunst om mijn speeltje hoog in de lucht thuis te brengen, wat een hele toer was om het vliegertouw tijdens mijn loopje via het Konijnenpad naar huis om de hoge bomen te laveren. Als ik het dan weer eens had gered was mijn moeder net zo trots als ik. Zie mij staan in ons voortuintje met mijn vlieger aan de hemel. Soms leek het alsof mijn maatje mij prevelend toelachte vanuit de hoogte met: “Goed gedaan jochie..!” 
( Eerder beschreven in mijn verhaal: Wandeling door het Goffertpark)\

Foto: Google-StreetView - De Heideparkseweg gezien vanaf ons huizenblok.

Voetballen’ Op dit graspuntje voetbalde wij als opgroeiende vlegels. Het is verbazingwekkend dat er in 2011 nog een klein gedeelte overgebleven is naast de lommerrijke Heideparkseweg. 

Als het u belieft Eerbiedwaardige Gemeente Nijmegen; 
>> Laat dit piepkleine stukske Nimweegsgroen met de prachtige beukenbomen in eeuwige rust <<

Het fietspad en het struikgewas was er in onze tijd niet, het veldje was daardoor groter dan op deze foto. Twee wat dicht bij elkaar staande beukenbomen fungeerde als doelpalen. In de buurt van het fietspad werden twee jassen of truien neergelegd voor het andere doel. Jantje Bartels wonend aan de Weg door het Jonkerbos, waarmee ik op zaterdagavond altijd naar de Corso-bioscoop in het Aloysius-gebouw ging om de zingende cowboy Roy Rogers en zijn paard Trigger met de blonde manen te bewonderen, was de voetballende Johan Cruijff onder ons. 
Ik bakte als voetballer er niets van. Ieder heeft zo zijn/haar kwaliteiten….!

* Mocht ik een buurtspelletje vergeten zijn - zou zomaar kunnen - merk/lees ik dat nog wel....?

Cees de Vos 
Soest