|
© copyright Yana van Tienen, Internetbewerking; Henk Kersten/Stichting Noviomagus.nl Roman over Donjon op komst
Yana liet zich inspireren door de jarenlang gekoesterde wens van Nijmegenaren om de donjon weer op te bouwen. Tegelijkertijd putte ze ook inspiratie uit het verzet tegen die plannen van een ander deel van de Nijmeegse bevolking. Yana werkte een kleine vijf jaar bij de gemeente Nijmegen en maakte de discussies van dichtbij mee. De auteur kent Nijmegen op haar duimpje en houdt van de stad met z’n bijzondere geschiedenis. “Inwisselbaar verleden” is haar eerste roman en ze hoopt van ganser harte dat deze inderdaad op korte termijn kan verschijnen. Ú kunt haar daarbij helpen door één of meer aandelen van de roman te kopen. Op deze plek maakt u kennis met het boek, maar op de website http://www.tenpages.com kunt u nog meer lezen uit het manuscript. Daar kunt u ook zien hoe u een bijdrage kunt leveren. Voor € 5,00 heeft u al een aandeel en als het benodigde aantal aandelen niet binnen de gestelde termijn zijn verkocht, dan krijgt u daar weer gegarandeerd € 4,00 van terug. Uw risico is dus uiterst gering. Neem een kijkje en steun het initiatief!
Roman “Inwisselbaar verleden” Hoofdstuk 1 – DE VONDST “Het is er toch nog van gekomen, hè. Had jij dat ooit gedacht?” “Ach Mark, de mensen weten van gekkigheid niet wat ze moeten doen”, antwoordt de ander. “Ik verbaas me nergens meer over. Dat moet jij ook niet al teveel doen.” Mark legt zijn vondst voorzichtig op de binnenkant van zijn hand en wiegt ‘m heen en weer als om de waarde van het kleinood te schatten. Zijn aandacht gaat uit naar de man naast hem. Paul, rond de zestig en gesierd met een flinke baard, kijkt niet op of om. Zijn gezicht toont de sporen van een leven lang werken in de buitenlucht. Mager is hij allerminst, maar de groeven staan bij de mond en langs de neus. Hier en daar zit een geelgrauwe leemkorrel die schijnbaar vastbesloten is zich tot in lengte van dagen aan zijn gezicht te hechten en mee te reizen waar hij gaat en staat. “Vertel nu eens eerlijk hoe het zit”, dringt Mark aan. “Had jij echt verwacht dat die toren er ooit zou komen? Je doet nu wel zo laconiek, maar het heeft er toch heel lang om gespannen?” Paul geeft geen antwoord en gaat onverstoorbaar door met zijn werk. Voortdurend knijpt hij zijn ogen dicht alsof hij het zonlicht niet verdraagt. Bij iedere oneffenheid onder zijn troffel wijken de wimpers en komen de pupillen even tevoorschijn. Met een flinke dosis beroepsnieuwsgierigheid speurt hij dan naar kleurafwijkingen en materiaalverschillen. Aanwijzingen die hem op een spoor kunnen zetten van iets wat hem meer kan vertellen over de zeden en gewoonten van de mensen die hier eeuwen geleden vertoefden. Zijn jonge stagiair wrijft ondertussen zachtjes met de duim over het gevonden voorwerp in zijn hand. Daarna duwt hij harder en harder en het voorwerp wordt steeds kleiner. Aan alle kanten vallen de korreltjes zand en leem eraf. De contouren verschijnen van iets wat ooit onderdeel van een glas moet zijn geweest. Voordat het in deze kuil terecht kwam zal het hebben gefonkeld door zijn kleurenpracht. De glans is er nu af, maar Mark glundert des te meer. Het is zijn tweede scherf van betekenis. “Alweer één …”, roept hij net iets te hard. “En alweer zo’n prachtexemplaar... Het waren rijke Bataven, de mannen die uit dit glas hebben gedronken.” Zijn baas kijkt op en wijst hem terecht. “Reken er maar niet teveel op dat het Bataven waren. Wat dacht je van Karel de Grote? Mag het zijn glas ook zijn? Qua datering zit je dan in elk geval meer in de goede richting. ” Mark kijkt even beteuterd, maar heeft snel de grijns op zijn gezicht terug. Hij respecteert de oude archeoloog. Paul zwijgt. Mark dringt aan. “Kom op, vertel me iets meer. Voor mij kwam het besluit van de minister echt als een donderslag bij heldere hemel. Ik had nooit verwacht dat Nijmegen toestemming zou krijgen voor deze reconstructie. Boven op een archeologisch monument, midden in een historisch park…” “Het oudste stadspark van Nederland”, bromt Paul, “maar daar hebben ze in Den Haag kennelijk maling aan.” Paul klinkt bitser dan hij tegen de jongen wil zijn, maar hij is al het gevraag over de donjon spuugzat. Hij wordt er thuis mee lastig gevallen, heeft het met zijn collega’s over niets anders, moet af en toe nog journalisten en politici te woord staan en nu begint Mark ook al te zeuren over dat ding. Mark laat zich niet afschepen en gooit het over een andere boeg. “Er wordt al tientallen jaren over de herbouw van de donjon gesproken, maar het aantal tegenstanders is ook gegroeid. Dat weet jij toch ook Paul ? Op deze plek hebben minstens twintig verschillende torens gestaan en niemand weet welke van die twintig herbouwd moet worden, wil je het resultaat een historisch verantwoorde reconstructie kunnen noemen.” Net van plan om niet langer te luisteren, schrikt Paul op door deze laatste woorden. “Hoe bedoel je, vals spel gespeeld? Je luistert toch niet naar al die roddels? Als er iets van die onzin waar is, dan betekent het dat ik al mijn medewerkers moet verdenken van het schenden van de integriteitcodes. Ondanks de korte tijd dat je hier bent, moet je toch ook weten dat niemand hier de tijd heeft voor dat soort streken. Mijn mensen werken keihard. Het zijn de meest gewetensvolle werknemers die er bestaan”. Paul weet dat er gekletst wordt, maar weigert zich zelfs af te vragen of de geruchten waar zouden kunnen zijn. Hij rilt alleen al bij de gedachte, gedreven door een onnavolgbare trouw aan zijn werkgever, de gemeente. Mark schrikt van de felle reactie van zijn leermeester. In zijn opwinding heeft hij zomaar iets geroepen, maar het was kennelijk raak. De oude man is al weer aan het werk alsof er geen woordenwisseling is geweest. Behoedzaam legt Mark zijn glasscherf in één van de houten kistjes die bestemd zijn voor de vondsten. Hij vult het label in zoals hij dat van Paul heeft geleerd en schuift de strip weer terug in het plastic hoesje. Trots bekijkt hij het pakketje. Vondstnummer tweehonderd drieëndertig, 17 maart 2010, Nijmegen. Het aantal sporen en voorwerpen van deze opgraving is niet gering voor anderhalve week werk en hij kijkt er naar uit om ze straks verder te mogen bestuderen. Hij is razend benieuwd of zijn vondst echt een glas van Karel de Grote betreft. Samen met Paul zal hij stukje bij beetje reconstrueren wat er precies op deze bijzondere plek is gebeurd. Wie er heeft gegeten, geslapen, gevreeën, geleefd. “Blijf je daar lang dromen of kom je me nog helpen?” De boodschap klinkt plagerig. Paul heeft zijn irritaties kennelijk weggeslikt. Mark laat de gespannen schouders zakken. Opgelucht. “Ik kom zo, maar ik breng mijn glasscherf nog even naar de tent”, roept hij. Wie er ook uit het glas heeft gedronken, het kostbare kleinood is hem al dierbaar geworden. Kordaat zet hij beide handen op de rand van de werkput en drukt zich op. Eén voet steunt op een uitbolling langs de lemige wand en daar zwaait hij het andere been al omhoog om resoluut het park in te stappen en de vondst weg te bergen. “Kom je nou nog”, hoort hij Paul uit de kuil roepen. “Ik geloof dat ik iets gevonden heb.” Mark draait zich om en zet het kistje met de scherf van het glas snel in de tent. Hij maakt een paar huppelpassen in de richting van de kuil en vergeet de toren. “Een mooier leven dan het werken aan een opgraving in het vrije veld bestaat niet,” denkt hij. “Kijk”, zegt Paul met een donkere stem. “De grondkleur verandert hier plotseling alsof dit deel van de kuil flink verstoord is. Alles ligt door elkaar en het grijs heeft de overhand. Daar is geen fatsoenlijk verhaal meer van te maken. Veel gekker nog is de enorme weerstand die ik hier voel. Leg je hand er maar plat op en probeer eens te knijpen. Er zit geen beweging in. Alsof er een hard voorwerp achter deze grondwal ligt. Wat zeggen de tekeningen van de grondradar (*1) over deze plek?” Mark grijpt naar de harde klapper op het maaiveld en vindt de bewuste plek snel. Hij wijst met de vinger naar een donkerrode kring op de tekening. De kleur voor fundamenten en vermeende resten van de donjon. “Wacht even, ik heb er iets bijgeschreven. Ik kan mijn eigen handschrift nauwelijks meer lezen, de inkt is een beetje uitgevloeid.” Kan ook een rioolbuis of ander inferieur materiaal zijn. “De grondradar kon er kennelijk ook al geen chocola van maken”, zegt Paul. “We zullen er zelf achter moeten komen waar het hier om gaat”. “We hebben slechts een vergunning om binnen deze kuil te graven”, zegt Paul, “maar daar trek ik me voor één keer niets van aan. Als afgesproken, duiken de twee mannen tegelijk naar beneden en grijpen links en rechts om zich heen. Met spatels in de broek, krabbers tussen de tanden en mesjes op de borst beginnen ze gretig, maar voorzichtig aan de klus. Ze zwijgen en werken. Met handen, voeten en ogen. Heel het lichaam doet mee terwijl ze zich centimeter voor centimeter verplaatsen. De één ligt op de knieën en de ander staat met een gebogen rug. Zo bewegen ze zich door de kuil, van links naar rechts en weer terug. Te midden van de steenverbanden is een rond gat uitgespaard van een meter doorsnede. Het gat is gevuld met een grote zwerfkei, het begin van een hunebed, zo lijkt het. Een hunebed bovenop de Valkhofheuvel. Het kan haast niet, maar de zwerfkei is echt. Paul rekt zich en komt nog net met zijn krullen boven de rand van de kuil uit. “Theoretisch is dit onmogelijk,” zegt hij, ijzig kalm, bedachtzaam en streng. Op het voorhoofd van Paul verschijnen zweetdruppels. Van het gestage werk of van de zenuwen. Ineens weer de meester tegenover de leerling zegt hij: “Jij denkt vast dat dit soort stenen alleen in Drenthe voorkomen, maar dan heb je het mis. Die keien zijn in de ijstijd deze kant opgerold. Ze horen wel veel dieper te liggen. In elk geval dieper dan de bovenste grondlaag van een heuvel van dit formaat. Ineens weer energiek pakt hij zijn stagiair met beide handen bij de schouders. “We moeten hem van de plaats zien te krijgen. Achter deze kei ligt een onderaardse gang”. Mark voelt de krachtige handen en zwijgt. Hij lijkt zich nergens over te verbazen. “Help me dan verdomme. Ik moet het nu weten,”roept hij en Mark komt in beweging. Het duurt nog geen tien minuten of de mannen zijn door de kuilwand heen. Rondom de kei hebben ze zo’n veertig centimeter muur los kunnen maken en de grond is daar verwijderd. Daarachter ligt een donkere holte met grijzig gele wanden. Een vlechtwerk van boomtakken volgt de bocht van de gang. “Eindelijk, eindelijk, eindelijk… Ze zullen me nu moeten geloven”. 1 De grondradar (groundtracer) brengt ondergrondse objecten en structuren in beeld zonder het bodemarchief aan te tasten. Graven is niet nodig omdat de gegevens worden verzameld via elektromagnetische golven en daarna met toegepaste software worden geanalyseerd.
Wilt u weten hoe het verder gaat? Lees verder op http://www.tenpages.com |