Nieuwe pagina 1

© copyright Wil Schackman, Digitale bewerking; Henk Kersten/Stichting Noviomagus.nl

Geen blixem op mij te zeggen
Nijmegenaren in de proefkolonie


door Wil Schackmann

Het was zo'n rustig stukje Drenthe. Heide, zandverstuivingen, slechts af en toe een eenzame boerderij met bosjes eromheen.
Nu wordt de laatste hand gelegd aan nieuwbouw. Er zijn tweeënvijftig eenvoudige huisjes, met steeds een flinke afstand ertussen, verrezen. Sinds 29 oktober stromen gezinnen uit het hele land toe, van Amersfoort tot Goes, van Groningen tot Broek in Waterland. En op woensdag 4 november 1818 vestigt zich hier ook de Nijmeegse vertegenwoordiger, Lucas Lucassen met echtgenote en zes kinderen.


De armoede in het koninkrijk der Nederlanden is anno 1818 intens. Enkele eeuwen eerder waren we – de Gouden Eeuw – verreweg het rijkste land van de hele wereld. Maar nu is het niks meer. De beter gesitueerden in de steden moeten de armenkassen van diaconieën en parochies spekken om regelmatige soepbedelingen te laten plaatsvinden en dan nog worden ze de hele tijd lastig gevallen door paupers die vragen om een betaald karweitje of om een aalmoes. Op het platteland zwerven groepen 'nachtbidders' die half-bedelend, half-dreigend, de afgelegen boerderijen afgaan. Er moet wat gebeuren.
De Maatschappij van Weldadigheid vraagt de burgers een stuiver per week opzij te leggen. Met het zo gevormde kapitaal kunnen arme gezinnen worden overgebracht naar het nog onontgonnen Drenthe om daar te leren de eigen kost te verdienen. Het initiatief slaat geweldig aan, wat de Maatschappij ook wel verwacht had gezien het 'algemeen erkend weldadig karakter onzer natie'. Alle kranten maken juichend melding van deze ‘verbroedering', vanaf kansels worden oproepen gedaan, sympathiserende notabelen laten plakkaten verspreiden, in de betere buurten gaat men van deur tot deur, heel Nederland wil dat dit dorp geopend wordt.
Van sommige hele gulle gevers wordt melding gemaakt in de Staatscourant: 'Onder veelvuldige blijken van belangstelling, welke de Commissie van Weldadigheid, dagelijks, van alle kanten ontvangt, meent zij inzonderheid dankbaar te moeten erkennen de aanzienlijke geschenken van één duizend guldens, van den heer P. baron Straalman, Burgemeester te Nijmegen (...)'.
Er wordt besloten nog dit jaar ‘over te gaan tot het nemen eener proeve'. In elke stad of dorp wordt een subcommissie van weldadigheid opgericht om de contributies te innen en alvast armen te selecteren die naar Drenthe gestuurd kunnen worden. Op 24 juli 1818 ontvangt de landelijke leiding een brief dat ook de subcommissie van weldadigheid Nijmegen haar werkzaamheden is begonnen. En de stad mag een van de eerste 52 huisjes vullen met een Nijmeegs gezin. Ze doorzoeken hun bestand op mensen die zowel arm als vlijtig als netjes zijn en de keus valt op de 44-jarige Lucassen.

Rijk archief

Het leuke is dat de Maatschappij van Weldadigheid vanaf de eerste dagen van haar bestaan een geweldig goed archief heeft bijgehouden. Dankzij dat archief zijn de gebeurtenissen op en rond de kolonie bijna van dag tot dag te volgen en dat is ook wat ik geprobeerd heb te doen in mijn boek De proefkolonie. Ook op basis van die archiefgegevens heeft de Onstwedder landschapsschilder Geert Schreuder een schildering van de proefkolonie gemaakt, zie hiernaast. Nakomelingen van kolonisten hebben een goede kans in de Maatschappijpapieren iets leuks over hun voorouder te vinden. Het archief berust, met inventarisnummer 0186, in Assen bij het Drents Archief.

 

 

 

 

Als de familie Lucassen uit Nijmegen vertrekt krijgen ze van de subcommissie tien gulden reisgeld, 1 roggebrood en 5 pond kaas mee. Het Nederlandse wegennet is dusdanig abominabel dat Drenthe makkelijker over de Zuiderzee dan binnendoor te bereiken valt en daarom reizen ze via Amsterdam. Zaterdag 31 oktober komen ze daar aan en worden ze met hun toekomstige dorpsgenoten opgevangen in een kazerne ‘aan de Utrechtsepoort’. 
Twee keer per week gaat een groep weg. Op dinsdag- en zaterdagavond vertrekt het beurtschip dat de geregelde verbinding onderhoudt tussen Amsterdam en het aan de andere kant van de Zuiderzee gelegen Blokzijl. Als de vijftienjarige Wilhelmus Lucassen uit Nijmegen met broers en zussen en ouders in Amsterdam aankomt, vertrekt daar net met haar familie de in de kazerne veertien geworden Henrica de Wals. Onmogelijk kunnen de twee tieners bevroeden dat ze later samen negen kinderen groot zullen brengen. (De Proefkolonie blz. 33)
Dinsdag nemen de Lucassens gelijk met de kolonistengezinnen uit Weesp, Vlaardingen, Tholen, Axel, Gouda, Tiel en Wijk bij Duurstede het beurtschip. In Blokzijl stappen ze over op een plat vaartuig dat hen door het Steenwijker Diep naar Steenwijk voert. Vandaar is het nog twee uur op ossenwagens over een ongelijk zandpad voor ze bij de kolonie zijn. Die heeft inmiddels een naam: Frederiks-oord, naar de jongste zoon van koning Willem I.

 

Ik ben nimmer besluiteloos

Direct bij aankomst worden ze in de kleren gestoken. Alle kolonisten lopen in blauwe, uniforme kleding. Daar zitten twee gedachten achter. Als mensen nette spulletje hebben, zullen ze zich automatisch netjes gaan gedragen. Maar ook: ‘De desertie wordt door eene herkenbaare soort van kleding moeijelijk gemaakt.’
De Lucassens komen in hoeve 24, middenin de kolonie. Het zijn eenvoudige huisjes, niet groot, maar onvergelijkbaar beter dan de armenhuisvesting in de steden. Wie heden ten dage door Frederiksoord loopt kan nog een boel van die huisjes in hun oorspronkelijke staat zien. Nouja, als je het dubbelglas wegdenkt en de centrale verwarming...

En prompt begint ook het werk. Het is hier geen vakantiekamp, de bedoeling is dat iedereen met zijn werk niet alleen de kost bij elkaar scharrelt maar ook de gedane investeringen terugverdient, zodat met dat oorspronkelijke geld een volgende kolonie gesticht kan worden en nog een en nog een. De man achter die ambitieuze plannen is generaal-majoor Johannes van den Bosch. Achtendertig jaar, een self-made man, weduwnaar, een charmeur, maar vooral een doener, een aanpakker, een wervelwind: 'Ik ben nimmer besluiteloos en draal nog minder'.

Een lezeres noemt hem op haar website 'een negentiende eeuwse variant op wat we tegenwoordig een ADHD-er zouden noemen'. Dat is misschien wel een beetje waar. Maar de Volkskrant schreef: 'Op de keper beschouwd verdient die man een monument'. En daar ben ik het ook mee eens, het ging niet altijd fijntjes maar Johannes van den Bosch probeerde tenminste wat tegen de armoede te doen.
Vader Lucassen en de oudste zoons verrichten landarbeid, echtgenote Mechtilda Mulder en de andere kinderen spinnen wol en vlas. Dat gaat best goed. Als de directeur diverse gezinnen met elkaar vergelijkt, schrijft hij: 'Er zijn huisgezinnen als bijvoorbeeld van Lucas Lucassen die 10 pond per week spinnen kunnen'. En ze komen voor op een lijst van de ‘vlijtigste of talrijkste spinnende huisgezinnen' in het maandblad van de Maatschappij.

Ondeugend

De directie is wel tevreden over de Lucassens al ziet ze één minpuntje aan het gezin. Als de kolonisten voor het eerst beoordeeld worden – goud, zilver, koper of helemaal niks – schrijft de directeur dat letterlijk: 'Een zeer goed huisgezin maar ondeugende kinderen'. Als gevolg van dat laatste reiken de Lucassens niet hoger dan koper.
Het betreft vooral de oudste zoon, Gerardus of Gradus. Na zeven maanden kolonisatie raakt hij in de problemen:

‘Niet tegenstaande het strengste verbod’ vernielen drie opgeschoten jongens moedwillig ‘de jonge dennen bomen te getallen van 20’ langs de grote kruisweg in de kolonie. Stephanus Molewijk, zeventien jaar, Gradus Lucassen van achttien en Sent Vergeer van negentien worden acht dagen opgesloten met ‘om de anderen dag water en brood’. (De proefkolonie blz. 166)

Twee jaar later wordt hij nog ‘een oproerigen en stouten jongen’ genoemd.

Als hij met enkele kameraden al te luidruchtig de avondschool verlaat, komen de onderwijzers achter hen aan en manen hen tot stilte. ‘De een verontschuldigde zich, een tweede maakte stilletjes voort te komen, maar de derde, namentlijk Gradus Lucassen, zeide: As ik uit de school ben, dan heb jij geen blixem op mij te zeggen.’ 
Die opvatting wordt niet gedeeld, het kost hem twee dagen cel.
(De proefkolonie blz. 320)

Hij heeft dat niet van zijn vader, die is tamelijk gedwee.

Bestoppassend

Dat doet het goed bij zowel de leiding op de kolonie als bij de landelijke leiding als bij de Nijmeegse subcommissie. Want het is goed om goed te doen, maar dan moeten de mensen die goed 'aangedaan' wordt wel een beetje dankbaar zijn en niet ook nog eens gaan lopen mopperen. En na een jaar proefkolonie zijn er de nodige die dat mopperen wél doen, veel kolonisten voelen zich tekortgedaan, vinden dat zij onderbetaald worden voor het werk dat ze verrichten, er wordt soms werk geweigerd, er worden plannen gesmeed, er wordt gepraat over opstand.
Lucas Lucassen doet daar niet aan mee en is daar open over, zoals de directeur schrijft: 'Lucasse heeft mij gezegd, dat Vos met Rausch en Hogenbirk bij hem waren geweest, om hem in het bekende complot te doen deelneemen.' De samenzweerders wilden 'een rekwest opstellen en door alle getekend, aan een Heer doen toekomen die beij Prins Frederik daar van zou gebruik maken'. Uiteindelijk krijgen ze te weinig steun en als de grootste oproerkraaiers van de kolonie zijn weggestuurd is de opstand in de kiem gesmoord.
Het draagt er wel toe bij dat de touwtjes strakker worden aangehaald. Het wordt mogelijk kolonisten op te sluiten in de strafkolonie Ommerschans, alle sterke drank wordt van het terrein geweerd, het is verboden andere dan koloniale kleding te dragen. Als een meisje ongehuwd zwanger raakt moet ze naar de strafkolonie, evenals mensen die in de ogen van de directie lui zijn. 
Inmiddels is de Maatschappij doorgegroeid. In 1820 is Willemsoord gesticht, in 1821 Wilhelminaoord. Lucas Lucassen wordt beloond voor zijn stille werken. In het Doldersumsche veld bij Wateren is land aangekocht waar boerderijtjes opstaan. Het is de bedoeling om later tussen die boerderijtjes een volgende kolonie aan te leggen en dan ziet de Maatschappij ze liever bewoond door ‘menschen over welke zij een strikter toezigt uitoefenen kan dan over vreemden’. Het enigszins krom geformuleerde argument is ‘ter voorkoming dat aan de kolonisten geen sterke drank verkocht worde’.
Lucas Lucassen behoort met acht anderen tot de 'bestoppassende kolonisten' die op zo'n boerderijtje geplaatst worden. 

Blijvertjes

Het gezin blijft er negen jaar wonen. In die tijd gaat het met de Maatschappij bergafwaarts. De stichting van Veenhuizen in 1823 en de gedwongen verplaatsing van wezen daar naartoe kost haar veel goodwill. Bovendien is het 'algemeen erkend weldadig karakter onzer natie' een kortademige aangelegenheid: we willen wel geven, maar dan moet het ook klaar zijn. En tot overmaat van ramp is de krachtpatser van het geheel, Johannes van den Bosch, als gouverneur-generaal naar de Oost gezonden waar hij - en dat had hij volgens Multatuli en anderen beter niet kunnen doen - het Cultuurstelsel bedenkt.
In 1831 is duidelijk dat er op het Doldersumsche veld nooit een kolonie zal komen en keren de Lucassens terug naar Frederiksoord. Als vader Lucas te oud wordt voor het landwerk, wordt hij opgenomen in het huis van een dochter die met een kolonistenzoon is getrouwd en die zelf ook een koloniehoeve heeft gekregen.
Gradus verliest zijn wilde haren, hij trouwt in 1832 met een dochter van de kolonist uit Tiel die tot voor een jaar ook op het Doldersumsche veld woonde en hij wordt ook geplaatst als kolonist. De tweede zoon, Wilhelmus, trouwt dus - zie eerder op de pagina - met een dochter van de kolonist uit Geertruidenberg en wordt eerst kolonist en later schaapherder in dienst van de Maatschappij. Zo blijven de kinderen van Lucas en Mechtilda bijna allemaal op de kolonie. Twee dochters trouwen met kolonistenzonen uit Goes en Bergen op Zoom, de jongste zoon met een kolonistendochter uit Schiedam en hij schopt het zelfs tot wijkmeester. Het zal tientallen jaren duren eer de laatste Lucassen van de kolonie verdwenen is.

Tenslotte

Het is natuurlijk speculeren of het de Lucassens nu beter of slechter vergaan zou zijn als ze in Nijmegen gebleven waren. Ik denk dat het een goede keus was naar de kolonie te gaan. De kinderen kregen goed onderwijs - qua invoering van de leerplicht liep de Maatschappij van Weldadigheid een eeuw voor op de rest van Nederland -, de gezondheidszorg was relatief goed zoals in een proefschrift recentelijk nog is vastgesteld, en in tegenstelling tot de gewone maatschappij was er voor kolonisten een gegarandeerde verstrekking van werk en eten. Je moest alleen wel een beetje gehoorzaam zijn, maar dat kostte blijkbaar niet zo'n moeite.

Helemaal tenslotte

Na het uitkomen van het boek hoorde ik van weer zo'n verrassing die de geschiedenis soms voor ons in petto heeft. In 1818 woonde een paar huizen van Lucassen vandaan, op hoeve nummer 26, het gezin van Bodenstaff, gezonden door de subcommissie van Oosterbeek bij Arnhem met als gezinshoofd een voormalig timmerman. Na een tijdje verliezen de gezinnen elkaar uit het oog, de Lucassens gaan naar het Doldersumsche veld en Bodenstaff gaat als aannemer hoeves bouwen en repareren. Bijna tweehonderd jaar erna word ik gebeld door een mevrouw Bodenstaff uit Assen die in het boek over haar voorvader gelezen had. Ze vertelde mij dat haar dochter getrouwd was met een man die bleek te zijn... een nazaat van Lucas Lucassen.


Voor meer informatie:

Er is een site van de nog steeds bestaande Maatschappij van Weldadigheid. In Frederiksoord is ook een museum gewijd aan de kolonie, De Koloniehof en in Veenhuizen is het gevangenismuseum.
Er is een hele fraaie genealogische site van de familie Lu(c)kassen, om bij Lucas te komen ==> kies 'Vanwaar komen wij' en dan staat hij bij generatie 7.
Om via internet de inventaris van het archief van de Maatschappij van Weldadigheid te raadplegen: Drents archief ==> kies 'Onderzoekers' ==> kies 'Archievenoverzicht' en dan zijn er verschillende eenvoudige manieren om bij de inventaris te geraken.
Op de bij De proefkolonie horende site kan men hier gegevens & archiefstukken over de Maatschappij vinden en hier over alle proefkolonisten, met rechtstreekse toegang via deze link tot de gegevens van Lucassen.
Na Lucassen heeft de subcommissie van weldadigheid Nijmegen nog de nodige andere gezinnen, en ook weeskinderen, naar de koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid gestuurd. Namen daarvan worden door Leo van der Linden genoemd in Zoeklicht 2005, genealogisch heraldische bundel, uitgave van de Stichting Zoeklicht Nijmegen, Nijmegen 2005. 

Wil Schackmann
De proefkolonie
vaderlijke tucht en het weldadig karakter onzer natie
uitgeverij Mouria
392 bladzijden
€ 18,50
ISBN 9789045848549 .

www.deproefkolonie.nl

Reactiepagina
REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's meesturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Layout kan wel, bv Dit is <b>dik</b>, dit <i>schuin</i>. geeft Dit is dik, dit schuin.
 
  Uw naam:   en e-mailadres: