Neptunus

© copyright Arjen W. Kuiken, Digitale bewerking; Henk Kersten/Stichting Noviomagus.nl

DE DRIJVENDE POMPINSTALLATIE "NEPTUNUS"

Dit is het verhaal van de pompboot “Neptunus”. Eigendom van de voormalige NV Provinciale Gelderse Electriciteits Maatschappij. Onbekend bij nagenoeg iedere Nijmegenaar. “Geboren” in het jaar 1950 als oplossing om bij een “te lage” waterstand van de Waal, de Centrale Gelderland I van voldoende koelwater te voorzien. Haar jaren werkeloos slijtend, gelegen in de kolenhaven van de Centrale. Tot . . . . voorjaar 1953 – WATERSNOODRAMP – zij haar kunnen kon tonen. En dat heeft zij gedaan. Haar gebalde vermogen heeft zij losgelaten op de enorme watermassa’s in de polders. Op drie verschillende plaatsen in Zuid-Holland en Zeeland is zij tekeer gegaan en heeft hierbij miljoenen kubieke meters water verpompt. Van de berooide bevolking kreeg zij vele bijnamen toen men het water bijna met de dag zag zakken. Maar de mooiste kwam als kop van een artikel in de Nieuwe Brielse Courant van 31 maart 1953. Hierin werd zij “DE ALLES VERSLINDENDE MOLOCH” genoemd. En dat was zij. Geen enkel andere ingezette pompinstallatie heeft de “Neptunus” kunnen evenaren wat betreft capaciteit en tijd. Na haar inzet waren vele dankbetuigingen haar deel: burgemeesters, dijkgraven en dijkraden, provincies en het Rijk. Maar . . . . na gedane arbeid is het goed rusten. Zo ook voor onze “Neptunus”. Wederom lag zij in de kolenhaven, haar jaren werkeloos slijtend. Hopend op een “te lage” waterstand in de Waal. Nieuwe Centrales werden erbij gebouwd. Nieuwe koelwatervoorzieningen ontstonden. Haar aanwezigheid werd overbodig. Op een gegeven moment was zij verdwenen. Verkocht? Gesloopt? Wie kan het zeggen . . . .


De gloednieuwe Centrale Gelderland I in 1936

Centrale Gelderland I
In 1930 was de capaciteit van de in 1908 nabij de spoorbrug aan de Waalkade gebouwde elektriciteitscentrale volledig benut. Als locatie voor een nieuwe centrale werd gekozen voor het punt waar het in 1927 voltooide Maas-Waalkanaal de Waal instroomt. Het kanaal zou door de Centrale gebruikt worden voor de aanvoer van Limburgse kolen en de rivier voor de koelwatervoorziening.
De nieuwe elektriciteitscentrale, later omgedoopt tot Centrale Gelderland I, werd in de jaren 1933 - 1936 gebouwd.

De Waal, een grillige rivier
De Waal was (en is nog) een rivier met zeer wisselende waterstanden. In de ontwerpfase van de Centrale Gelderland I werd de lay-out van de koelwatervoorziening van de installatie gebaseerd op waarnemingen van de waterstanden die terug gingen tot rond 1870. De hele periode in ogenschouw nemend, kon men er in Nijmegen vanuit gaan dat de hoogste bekende waterstand 12,50 m + NAP zou zijn en de laagste bekende waterstand 5,85 m + NAP. 

Moeilijkheden
Sinds de bouw van de Centrale werden in de nazomermaanden steeds lagere rivierwaterstanden waargenomen. Toen in de zomer van 1947 de waterstand in de Waal daalde tot 4,92 m + NAP, een stand lager dan ooit eerder was voorgekomen, kwam de koelwatervoorziening zo ernstig in gevaar dat men rekening moest houden met een totale stop van de elektriciteitsproductie.

Noodvoorziening
Om deze ernstige situatie het hoofd te bieden, huurde de PGEM van Rijkswaterstaat vier grote centrifugaalpompen, aangedreven door dieselmotoren. Deze pompen, voorzien van de nodige zuig- en persleidingen, werden nog dezelfde zomer aan de zuidzijde van de haven opgesteld. Met behulp van deze pompen was het mogelijk in het meest oostelijke gedeelte van de haven, door middel van een stalen damwand (dwars door de haven aangebracht) een bassin te vormen, waarvan de waterstand steeds op een niveau van 5,30 m + NAP gehouden kon worden.


Schematische opstelling noodvoorziening 1947


De opstelling in aanbouw. Men ziet de lage waterstand.
In de verte is de kerk van Weurt te zien.


Gezicht vanaf de dijk.
Het lage gebouw vooraan in het midden is het koelwater-filterhuis.

In het najaar van 1947 steeg echter tengevolge van zware regenval het water zo snel, dat de hele installatie in enkele dagen weer afgebroken moest worden om te voorkomen, dat de motoren onder water zouden komen te staan. Motoren en pompen werden wederom ter beschikking van de Rijkswaterstaat gesteld. In het jaar 1948 kwamen geen uitzonderlijk lage waterstanden voor. 

Weer laag water
In 1949 was het weer zo ver. De waterstand in de Waal maakte het noodzakelijk de pompinstallatie weer voor gebruik gereed te maken. Men benaderde Rijkswaterstaat opnieuw, maar deze weigerde de installatie te verhuren. Kopen kon wel. Er was geen andere keus op korte termijn, zodoende werd tot het kopen van de vier pompen met motoren besloten. Voor de tweede maal werd de installatie gemonteerd en zonder dienst gedaan te hebben moest opnieuw hals over kop alles afgebroken worden wegens het snel opkomende water. 

Een permanente oplossing
Dit was een onhoudbare toestand. Deze wijze van opstellen en weer afbreken was veel te tijdrovend en te kostbaar. Een permanente oplossing was noodzakelijk. Meerdere mogelijke alternatieven werden bekeken. Eén ervan had de meeste voordelen: de hele installatie plaatsen op een drijvende ponton. Door bemiddeling van de NV Scheepswerf Janssen te Druten werd een geschikte ponton aangekocht. Het ontwerp van de installatie werd door PGEM personeel uitgevoerd, terwijl de uitwerking van de details en de uiteindelijke realisatie werd gegund aan bovengenoemde scheepswerf. Intussen had de verantwoordelijke technisch hoofdambtenaar de pompinstallatie "Neptunus" gedoopt. Eind november 1950 werd deze als een keurig geheel aan de PGEM overgedragen.

De “Neptunus”
De drijvende pompinstallatie bestond uit vier 5-cilinder dieselmotoren met een vermogen van 150 pk elk en de bijbehorende pompaggregaten met een buisdiameter van 90 cm. De opbrengst per pomp was 7.500 m3 per uur bij een toerental van 235 omw/min en een opvoerhoogte van 5 m. Aangezien de werkelijke opvoerhoogte ongeveer 1 m. was, kon men er van uitgaan dat de opbrengst zou toenemen tot rond de 10.000 m3 per uur. De Centrale Gelderland, onder volle belasting, verbruikte een kleine 30.000 m3 rivierwater per uur als koelmiddel, zodat er altijd één pomp in reserve bleef.
Zowel dieselmotor als pomp was van het merk Worthington. Het geheel was geplaatst op een ponton uit Canadese oorlogsbestanden. Deze ponton had een lengte van 32 m, een breedte van 9 m en een romphoogte van 2,5 m. De diepgang in bedrijfsklare toestand was 1,4 m. De motoren, pompen, brandstof en alle verder hulpaggregaten en andere componenten bevonden zich binnen het op de ponton aangebrachte dekhuis. De installatie bezat een eigen verlichtings- en verwarmingssysteem.


Schematische opstelling (1950)


Gezicht op de persleidingen.


Interieur. In het midden de dieselmotoren, links de centrifugaalpompen.

Een rustig bestaan
Sindsdien lag de “Neptunus” rustig in de kolenhaven. Periodiek werd met motoren en pompen proef-gedraaid en werden de nodige kleine voorzieningen getroffen. De “Neptunus” moest te allen tijde bedrijfsklaar zijn. Merkwaardig is dat, hoewel in de jaren na 1947 herhaaldelijk lage en zeer lage waterstanden in de Waal optraden, soms gedurende vele maanden, de pompinstallatie nooit in bedrijf gesteld behoefde te worden. Tot die fatale nacht in februari 1953 . . . . .

De watersnoodramp
Tijdens de springvloed en storm van zaterdagnacht 1 februari 1953 braken de Nederlandse dijken. Nu meer dan vijftig jaar geleden. Eerst bij Oude Tonge in Zuid-Holland en bij Kruiningen en Kortgene in Zeeland. Later loopt bij Numansdorp, Strijen en 's-Gravendeel de Hoeksche Waard onder. Het gehucht Schuring wordt verzwolgen. Bij het Zeeuwse Stavenisse slaat het water een gat van 1.800 m. in de dijk. Uiteindelijk overstromen grote delen van Zeeland, Goeree-Overflakkee en de rest van Zuid-Holland. Er vallen in totaal 1.835 doden.
Het hele land was aangeslagen en iedereen leefde mee. Hulpacties werden gestart. Bij de directie van de PGEM kwam direct de gedachte op, de pompinstallatie in het rampgebied in te zetten. Al op maandag 2 februari werd de "Neptunus" in bruikleen aan de Rijkswaterstaat te Arnhem aangeboden en kort daarop bleek de Provinciale Waterstaat in Zuid-Holland, evenals later die in Zeeland, graag van het aanbod gebruik te willen maken. Op 4 februari kwam al het verzoek van de Provinciale Waterstaat voor Zuid-Holland om de "Neptunus" naar Rotterdam te brengen. 

Aan het werk
De technisch hoofdambtenaar van de PGEM nam de leiding op zich om de installatie te demonteren en te transporteren. Al op donderdag 5 februari was het drijvend gemaal, voorzien van brandstof voor een continu bedrijf van 14 dagen, getrokken door twee sleepboten via de Waal op weg naar Rotterdam. De zuig- en persleidingen en andere benodigdheden werden op vijf grote vrachtauto's geladen en eveneens naar Rotterdam gedirigeerd. 
De havenmeester van Rotterdam ontfermde zich over deze watergeweldenaar en gaf het konvooi een ligplaats in de Parkhaven. De grote scheepswerf Wilton-Feijenoord in Rotterdam, kreeg de opdracht de “Neptunus” bedrijfsklaar te maken. Om het drijvende gemaal in werking te kunnen stellen moest veel voorbereidend werk worden gedaan. De meegebrachte leidingen etc. uit Nijmegen bleken onvoldoende lengte te hebben om de vier pompinstallaties te verbinden met de achter de dijk gelegen polders. Nieuwe buisleidingen moesten worden vervaardigd. Ook moest men rekening houden met getijdenverschillen van wel 1,8 m. Hiervoor moesten tussen wal en schip beweegbare koppelingen, zgn. leren balgen, gemaakt worden. Dag en nacht is aan het vervaardigen van de buisleidingen doorgewerkt. Op woensdag 11 februari werd er vier uur proefgedraaid en alles bedrijfsklaar bevonden. Ondertussen hadden Rijks- en Provinciale waterstaat, aannemers, baggeraars en anderen niet stil gezeten. Vele gaten in de dijken waren provisorisch gedicht zodat met het droogmalen begonnen kon worden.
Op donderdag 12 februari vertrok de “Neptunus” naar haar eerste ligplaats in de provincie Zuid-Holland, de Dordtse Kil, om de bemaling van het oostelijk deel van de Hoekse waard te starten. De dag daarop kwam men aan bij ’s Gravendeel. De zuig- en persleidingen werden gemonteerd en om 02:30 uur in de morgen van 16 februari 1953 werd eerste pomp door de PGEM-ers gestart.

“This was her finest hour . . . .”
In het schijnsel van diverse schijnwerpers zag men de eerste kubieke meters over de dijk van de Hoekse Waard gepompt worden. Pomp 1, met haar capaciteit van 7.500 m3 per uur was in bedrijf. Gedurende de daarop volgende dagen werden opeenvolgend de pompen 2, 3 en 4 in bedrijf genomen, en na een week, was de capaciteit van de "Neptunus" opgevoerd tot haar maximum, ± 720.000 m3 per etmaal. Het te bemalen gebied was ruim 1.450 ha groot.
Bewoners uit de omgeving toonden zeer veel belangstelling. Waterstanden werden gemeten met duimen en handpalmen op deuren of vanaf vensterbanken. Men was hevig verontwaardigd toen ze hoorden, dat diverse binnendijken werden doorgebroken omdat de "Neptunus" gebrek aan water dreigde te krijgen. Vanaf 28 februari sloegen de pompen stuk voor stuk af, doordat er niet voldoende water meer aangevoerd werd. Dinsdag 3 maart gaf ook de laatste pomp het op. De bemaling kon beëindigd worden. De hoeveelheid water welke de "Neptunus" uit de Hoekse Waard had gepompt kon veilig op 10.000.000 m3 worden geschat. Op 4 maart vertrok de "Neptunus" weer uit ’s Gravendeel. De polders in het oostelijk deel van de Hoekse Waard waren droog!


Bij ’s Gravendeel in de Dordtse Kil. Links de polder.


Volle capaciteit. 720.000 m3 per etmaal.

De nieuwe ligplaats in Zuid-Holland was in het Voornse Kanaal tussen Heenvliet en Hellevoetsluis. De situatie was daar veel gunstiger dan bij 's Gravendeel, omdat het waterniveau in het kanaal vrijwel constant gehouden werd. Hier stonden ruim 2.800 ha polderland onder water. Er moest gemiddeld 1,6 m water weggepompt worden om het normale peil weer te bereiken. Een eenvoudige berekening leert ons dat hier in totaal ruim 44.000.000 m3 weggepompt moest worden. 
Na de ervaring opgedaan bij de montage in 's-Gravendeel ging het nu zeer vlot. De zuigbuisleidingen waren korter en de situatie eenvoudiger. Donderdagmorgen 5 maart gingen de transportschepen met buizen naar de plaats van bestemming. Vrijdagavond was alles gereed, draaiden de vier motoren en begon de "Neptunus" mee te werken aan de bemaling van de ondergelopen polders.
Onafgebroken malend kon de laatste pomp op 28 maart worden stilgezet. De “Neptunus” had ruim 16.000.000 m3 weggepompt en ook dat gedeelte van Voorne en Putten was droog. Na beëindiging van deze taak besloot de Provinciale Waterstaat van Zuid-Holland dat de “Neptunus” niet verder zou worden ingezet en werd de pompboot terug gesleept naar Nijmegen. Daar nam deze zijn oude taak weer op zich. 

Nog een keer ingezet
Schouwen en Duiveland in de provincie Zeeland was een van de meest getroffen eilanden. Eind juli 1953 waren de meeste gaten in de dijken provisorisch gedicht en kon men aan uitmalen van de watermassa gaan denken.
Weer werd de hulp van de “Neptunus” ingeroepen. En weer stelde de PGEM de pompboot kosteloos ter beschikking. Na drie weken voorbereiding werd op 18 augustus begonnen met het leggen van de zuig- en persleidingen in het havenkanaal van Zierikzee. Op 1 september werd proefgedraaid en vervolgens werd de “Neptunus” overgedragen aan de Provinciale Waterstaat van Zeeland.
Nog waren niet alle gaten gedicht. Hier en daar ontstonden moeilijkheden door de hevige eb-en-vloedwerking van de zee. Op 28 september was het zover. De “Neptunus” kon zijn werk beginnen. Het te bemalen gebied was ruim 10.000 ha groot. Na 43 dagen onafgebroken te hebben gewerkt, konden de pompen op 11 november worden gestopt. De installatie had een belangrijk deel van het droogmalen voor haar rekening genomen. Ruim 30.000.000 m3 zeewater was uit de polders verwijderd.


Originele kaart van het rampgebied. De rode pijltjes geven de plaatsen aan waar de dijken waren doorgebroken.
De "Neptunus" heeft een belangrijk aandeel gehad bij het droogmaken van:
1. De Hoekse Waard bij 's Gravendeel (ca. 1.450 ha)
2. Het gebied ten Oosten van het kanaal door Voorne en Putten (2.800 ha)
3. De polder van Schouwen (10.000 ha).

Na beëindiging van deze laatste taak werd de “Neptunus” niet verder ingezet en na reiniging en inspectie arriveerde de pompboot begin december in de haven van de Centrale Gelderland te Nijmegen, waar zij haar oude taak weer opnam. Kort daarna werd, op enigszins officiële wijze, de “Neptunus” door de Provinciale Waterstaat van Zeeland weer aan de PGEM overgedragen. 

Gedurende alle drie bemalingperioden werd de installatie bediend door technisch personeel van diverse Provinciale instanties. Deze werden geïnstrueerd en begeleid door technici van de PGEM.

Alle betrokken instanties spraken hun grote waardering en voldoening uit over de installatie die onafgebroken haar taak had verricht en brachten een eresaluut aan allen, die aan het behalen van dit resultaat hadden meegewerkt.
De PGEM was met recht trots op haar pompboot “Neptunus”. Nooit had men kunnen bedenken, dat zij, gebouwd om lage waterstanden te bestrijden, nu haar dienst aan het land had bewezen door het droogpompen van de eilanden, overspoeld en ondergelopen in de rampnacht van de eerste februari.

Weer een rustig bestaan
Sindsdien lag de “Neptunus” weer rustig in de kolenhaven. Haar jaren werkeloos slijtend. Hopend op een “te lage” waterstand in de Waal. Periodiek werd met motoren en pompen proefgedraaid en werden de nodige kleine voorzieningen getroffen. De “Neptunus” moest te allen tijde bedrijfsklaar zijn.

Wat is er van haar geworden?
In 1960 ligt de “Neptunus” nog in de kolenhaven. Nieuwe Centrales werden erbij gebouwd. Nieuwe koelwatervoorzieningen ontstonden. Haar aanwezigheid werd overbodig. Op een gegeven moment was zij verdwenen. Verkocht? Gesloopt? Wie kan het zeggen . . . .*1

© copyright Arjen W. Kuiken – Gennep 2007

Bronnen:
· Archief W. Kuiken, technisch hoofdambtenaar PGEM (1906-1977) 
· Gedenkboek PGEM 1940-1955
· NV Scheepswerf Janssen Druten
· Prelecta, personeelsorgaan PGEM
· De Ramp, Nationale uitgave 1953
· Polytechnisch Tijdschrift, uitgave 15 September 1954. 
· De Gelderlander
· http://www.electrabel.nl

Hoe werd stroom gemaakt?
De auteur wil de lezer niet vermoeien met ingewikkelde details. Toch kan een korte uitleg verhelderend werken. 
In de centrale werd elektriciteit opgewekt door generatoren aan te drijven met stoomturbines. De stoom voor deze stoomturbines werd geproduceerd door in enorme ketels water te verhitten tot stoom van hoge temperatuur en druk. De ketels werden gestookt met kolen waarvan de verbrandingsgassen via schoorstenen ontweken. De stoom ging vervolgens naar stoomturbine waarin de stoom uitzette naar bijna volledig vacuüm. Bij deze expansie gaf de stoom zijn energie af aan de bladen van de turbines. Deze gingen daardoor draaien. De gekoppelde generatoren zetten deze draaiende beweging om in elektrische energie. Nadat de stoom de turbines had verlaten, ging deze (uitgeputte) stoom naar de condensors. In deze grote warmtewisselaars werd de stoom met behulp van koelwater omgezet in water (condensaat), dat terug ging naar de ketel. Het warme koelwater werd in de Waal geloosd.

*1-De auteur is er niet in geslaagd het “einde” van de “Neptunus” te achterhalen. Misschien zijn er lezers die deze lacune kunnen invullen.

Reactie 1:

Geachte Arjen.
Ik heb het vermoeden dat het bewuste drijvend gemaal in Biddinghuizen ligt of gelegen heeft.
Een zelfde gemaal is lange tijd als noodgemaal achter de hand gehouden voor het gemaal in IJmuiden.
Op Google Earth zie je het liggen in de Harderhaven gelegen aan de N306 (Harderbosweg)
Het lijkt er sprekend op en mogelijk is het hetzelfde gemaal..mogelijk van naam veranderd maar toch..
Het betreffende steunpunt van Rijkswaterstaat is te bereiken via tel (xxx) (vragen kan altijd....)

Met vriendelijke groet,
Jaap van der Veen (Verkeersleider verkeerpost nijmegen)

Reactie 2:

Arjen W. Kuiken, 11-06-2009: Beste Jaap,
Bedankt voor je informatie. Inderdaad heeft de NEPTUNUS vele jaren in genoemde haven gelegen.
Ik heb contact gehad met de man die jaren lang het onderhoud aan de boot heeft verzorgd.
Hij zal me nog enige verder informatie toesturen.
Momenteel is hij door RWS verkocht. Het nieuwe adres wordt opgezocht.
Misschien was het een sloopbedrijf. Dat zou jammer zijn.
Nogmaals mijn dank voor de tip.

Reactie 3:

Arjen W. Kuiken, 08-10-2009: Dankzij de tip van Jaap van der Veen is het balletje aan het rollen gegaan. De auteur heeft de NEPTUNUS weer gevonden. Net op tijd, want de “sloophamers” lagen klaar.

De pompboot heeft, alles overziend toch een gevarieerd en nuttig bestaan gehad. Uiteindelijk heeft zij de respectabele leeftijd van 59 jaar bereikt.

De inzet en geschiedenis van de pompboot NEPTUNUS is als volgt:

  • 1950: Bouw bij de scheepswerf Janssen te Druten.
  • 1950 - 1953: Nijmegen
  • 1953 - 1954: Watersnoodramp in Zeeland.
  • 1954 - 1968: Nijmegen
  • 1968 - 1969: Amsterdam.
  • 1969 - 1973: Utrecht.
  • 1973 - 1975: Nijmegen.
  • 1975: overgegaan naar Rijkswaterstaat, toen nog Dienst Zuiderzeewerken geheten. De NEPTUNUS werd tijdelijk afgemeerd bij gemaal Wortman in Lelystadhaven. Daar is zij door het personeel van het gemaal opgeknapt en daarna opgeslagen bij het pompenbestand van de BWO (Bescherming Waterstaatswerken in Oorlogstijd) in Harderhaven.
  • 1992: In de wachtstand tijdens de reparatie van een gemaal in Spaarndam.
  • 1996 - 1997: IJmuiden. Continu gedraaid om het Noordzeekanaal op peil te houden door uitval van het gemaal.
  • 1998: Bemaling Randmeren bij spuisluis Nijkerk. Noodzakelijk omdat de waterstand op het IJsselmeer te hoog was. Reden: spuien niet mogelijk.
  • In 2007 heeft Rijkswaterstaat de NEPTUNUS te koop aangeboden. De uiteindelijke koper was het scheepvaartbedrijf Koehoorn & Zn te Franeker.
  • In het najaar van 2009 is zij daar gesloopt. De motoren en pompen zijn apart verkocht en de kale ponton is te huur bij het scheepvaartbedrijf. Deze gaat zijn tweede leven in als de KIESTERZIJL 28.

De auteur is dank verschuldigd aan Jaap van der Veen voor de tip, Koert van Elp voor de levensloop in de Rijkswaterstaat periode en Jan Koehoorn, die de auteur enthousiast ontving en het mogelijk maakte de laatste foto’s te maken en “afscheid” te nemen van de NEPTUNUS.


Foto 1: De Neptunus in de Harderhaven, Harderwijk


Foto 2: De typeplaat van de Neptunus. Deze is bewaard gebleven.


Foto 3: Klaar voor de sloop. Kiesterzijl – Franeker.

Reactie 4:

W. van Doorn, 04-02-2013: In de nacht van 4 op 5 Februari 1953 hebben een aantal PGEM werknemers, waaronder de schrijver van dit bericht, gewerkt aan het vaarklaar maken van van de Neptunus zodat deze naar het rampgebied gesleept kon worden. De buiten boord hangende leidingen werden daartoe gedemonteerd. De datum weet ik nog doordat één van de aanwezigen zijn vijfenvijftigste geboortedag herdacht, het was mijn schoonvader W.P. Hendrikse, een Zeeuw van geboorte die in 1935 voor de maatschappij De Schelde twee kleine eigen bedrijfsturbines plaatste en bij PGEM werknemer is geworden. Het werd een rondje koffie wat zeer aangenaam was, het weer was die nacht nogal fris. De jongste werknemer was ikzelf (1928), zouden er nog meer overlevenden zijn?

Reactie 5:

P.J.A. Peters, 04-04-2013: Prachtig ! Na lezing van de belevenissen van "Neptunus", denk ik met trots terug naar 1950, toen was het bouwen van de Neptunus een van mijn laatste karweien op de scheepswerf van Janssen in Druten. In mei 1951 ben ik vertrokken naar Vlissingen om gaan te werken bij KMS. Nogmaals prachtig !! P.J.A. Peters (14-11-1922) Pres.Rooseveltlaan 153, 4383 SB Vlissingen.

REAGEER

terug

Reactiepagina
Reactie 6:

M.C. van den Heuvel, 16-03-2014: vind het leuk om de geschiedenis van de neptunis te lezen ik was in 1998 1 van de 4 die daar 24u/p met de neptunis draaide ze heeft daar ongeveer een week gedraaid m.v.g. m v/d heuvel [22-08-1974]

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: