Nieuwe pagina 1

© copyright André L.S. Kersten, Digitale bewerking; Henk Kersten/Stichting Noviomagus.nl

Een katholiek priester van wereldfaam in het Lentse.

Frederik Gerben Louis (Frits) van der Meer

Hij werd op 16 november 1904 in Bolsward geboren. Hij was de zoon van de wat afstandelijke, eigenzinnige, diep gelovige katholieke boekhouder en wethouder en loco-burgemeester A. van der Meer, en Minke Jorna, die hem op 9-jarige leeftijd ontviel. Het milieu waarin hij werd opgevoed, typeerde hij zelf eens als 'Wij waren thuis niet chic maar wel keurig'. 

Na de lagere school bezocht hij als enig katholiek het openbaar gymnasium in Sneek. Op 13-jarige leeftijd wist hij o.a. na lezing van de Russische roman 'De Idioot' van F.M. Dostojevski in de Franse vertaling van Melchoir de Vogué, dat hij priester wilde worden. In 1919 vertrok hij daarom, tegen de uitdrukkelijke wens van zijn vader, naar het kleinseminarie van het aartsbisdom Utrecht in Culemborg, vroeger Kuilenburg genoemd.

Hoe hij het daar vond kan men lezen in het boekje 'Praeses van Schaik', dat hij in 1943 clandestien publiceerde. Dit in 1929 al geschreven boekje was eigenlijk alleen bestemd voor zijn medepriesters. Hierin heeft hij op onnavolgbare wijze zijn seminarieherinneringen vastgelegd.
Hij was een uitstekend student. Sport was aan hem echter niet besteed. Uitmuntend was hij in het tekenen Dat wist hij als geen ander. Ík kon schitterend tekenen', zei hij tegen Leo Rijkens bepaald niet bescheiden. Dat geldt ook voor de tijd (1924-1928) dat hij studeerde aan het groot-seminarie te Driebergen, alwaar de kerkhistoricus dr. J. de Jong, de latere kardinaal-aartsbisschop van Utrecht, zijn mentor was.
Op 22 juli 1928 werd hij priester gewijd door de aartsbisschop van Utrecht, mgr. H. van de Wetering. Eind dat jaar werd hij benoemd tot kapelaan aan de St. Maartenskerk te Oud-Zevenaar. Na zijn studie in Rome werd hij in 1934 kapelaan in de Cosmas en Damianuskerk in Abcoude en in 1935 van de St. Vitusparochie in Hilversum. Hij werkte daar voornamelijk in de arbeidersbuurt en kreeg de naam éen ideale kapelaan' te zijn. Hij was tevens godsdienstleraar aan de kweekschool in Hilversum.

De studie naar de christelijke archeologie kreeg Van der Meer al op jonge leeftijd in haar greep. In 1920 reisde hij al naar Frankrijk om de gotische kathedralen van Chartres en Soissons te bekijken. Na zijn priesterwijding reisde hij enkele maanden langs allerlei West-Europese kathedralen en maakte hij een reis door de Balkan, Turkije en Griekenland.
Na deze reis vertrok hij in 1931 naar Rome om daar christelijke archeologie te gaan studeren. De dag na aankomst op het Pontificio Collegio Olandese in Rome leidde Van der Meer zijn medestudenten langs de Romeinse monumenten zonder ooit eerder in Rome te zijn geweest.
Na drie jaar studie aan het Instituto di Archeologia Christiana promoveerde hij eind 1934 maxima cum lauda tot doctor in de christelijke archeologie op een proefschrift over de godsbeelden uit het Bijbelboek Ápocalyps' in de christelijke kunst. Zijn dissertatie zou vier jaar later in druk verschijnen onder de titel: 'Maiestas Domini Théo-phanies de l' Apocalypse dans lárt chrétien. Etude sur les origines dúne iconographie spéciale du Christ'.

Vanuit Rome maakte hij studiereizen naar het Middellandse Zeegebied inclusief het Nabije Oosten en Jeruzalem. Na de oorlog in '45/'46 maakte hij een aantal reizen in Europa, maar ook naar Amerika, Canada en mexico.
In 1939 werd Van der Meer benoemd tot lector aan de R.K. Universiteit van Nijmegen in de christelijke archeologie en liturgie. Onmiddellijk na de oorlog in 1946 werd de leeropdracht uitgebreid met de oud christelijke en middeleeuwse kunstgeschiedenis. In hetzelfde jaar werd hij benoemd tot buitengewoon hoogleraar in de christelijke kunst en in de kunst der Middeleeuwen. In 1955 ten slotte werd hij benoemd tot gewoon hoogleraar in de schoonheidsleer en kunstgeschiedenis.

Hij was een boeiende, inspirerende hoogleraar. Het was dan ook niet verwonderlijk dat zijn colleges ademloos werden gevolgd. Daarna konden de studenten altijd bij hem terecht behalve zij die het hoog in de studiebol hadden. Daar had hij niets mee. Dat gold ook academische plechtigheden. Daar schitterde hij door afwezigheid. Hij gaf alleen colleges, de rest vond hij tijdverlies. In 1974 ging hij als hoogleraar met emiraat.

Voor al zijn wetenschappelijke publicaties, in het bijzonder 'Augustinus, de zielzorger', ontving Van der Meer in 1963 de staatsprijs voor literatuur, de P.C. Hooftprijs. Tevoren was hij in 1950 als jongste benoemd tot lid van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen.
In de jaren na het Tweede Vaticaanse Concilie (1961-1965) ging hij zich mateloos ergeren aan de in zijn ogen ontoelaatbare en ketterse veranderingen in de Nederlandse kerkprovincie. Hij achtte het nodig dat katholiek Nederland wakker werd geschud. Hij deed dat in 1973 met een openbrief, waarin hij de vloer aanveegde met de manier waarop in ons land werd omgegaan met de uitkomsten van het Tweede Vaticaanse Concilie.

In 1985 werd hij getroffen door een hartaanval. Daarna werd het lezen moeizamer. Maar zijn geest bleef ongebroken bij deze fysieke beperkingen. En hij bleef elke morgen zo goed en kwaad als het ging de H.Mis lezen.
Bij zijn 89e verjaardag, met enkele intimi gevierd, 'sneuvelden nog heel wat reputaties', zo verhaalt ons dr. Ton H.M. van Schaik. En in zijn laatste dagen kon hij niet meer wat hij nu anderen vroeg: eens íets leuks' vertellen. Op 19 juli overleed hij te Lent.

Als schrijver kan men Van der Meer als volgt typeren. Hij was naast een internationaal erkend kunsthistoricus en gezaghebbend hoogleraar vooral een overtuigd priester en een vermaard schrijver. Deze laatste hoedanigheid manifesteerde zich al in 1929 met het schrijven van zijn kostelijk boekje 'Praeses van Schaik'. In feilloos Nederlands. Vandaar dat zijn schrijftaal allerwegen als schitterend werd ervaren. De rake typering van het toenmalig seminarieleven maar vooral van de hoofdpersoon maakt van dit boekje een uniek document. En van hem een biograaf pur sang.
Dat gold nog in heviger mate voor zijn onnavolgbare biografie van de bisschop van Hippo, Augustinus, dat hij in 1947 publiceerde. Het boek werd in meerdere talen vertaald.
Dit biografische standaardwerk Áugustinus, de zielzorger, een studie over de praktijk van een kerkvader, werd jaren later, om precies te zijn in 1967, door de Engelse auteur Peter Brown in zijn biografie over Augustinus 'briljant'genoemd. Uiterst zorgvuldig van taal en stijl, maar bepaald geen eenvoudige kost.
Dat kan overigens wel worden gezegd van zijn in 1941 verschenen opzienbare Çatechismus, dat is onderrichting in het Ware geloof'. In de volksmond 'de katechimus van Van der Meer'. Hij schreef over het r.k. geloof op een wijze, die tot dan toe onbekend was in Nederland. Het was de neerslag van zijn godsdienstlessen aan de leerlingen van de hoogste klas van de r.k. kweekschool in Hilversum. In zijn interview met Rijkens vertelt de auteur hoe zijn katechismus tot stand kwam. 'Enkele broeders van die school hebben van die lessen, zonder dat ik het wist, aantekeningen gemaakt en die aan aartsbisschop De Jong te lezen gegeven. En toen heeft De Jong tegen mij gezegd: 'Werk dat nu eens uit tot een katechismus voor ontwikkelde mensen. Beschouw het meer als een opdracht', aldus Van der Meer.

In de eerste na-oorlogse jaren verschenen diverse publicaties van zijn hand over kunst in relatie tot geloof en kerk. Als voornaamste mogen wel worden genoemd: 'Christus' Oudste Gewaad', over de oorspronkelijkheid der Oud-Christelijke Kunst, en zijn drie grote atlassen, waarvan de eerste en indrukwekkendste van de drie, de Átlas van de Westerse beschaving' in 1957 verscheen. Het was een combinatie van tekst, door hemzelf getekende kaarten en gekozen illustraties.
In 1959 verscheen zijn 'Paasmorgen. Bij het altaarluik van Rogier van der Weyden en de feestikoon genaamd Anastasis'. Een merkwaardig boekje dat een combinatie bevatte van fantasie en theologische en kunsthistorische eruditie over hoe het Paasfeest nu in de hemel wordt gevierd.
In 1981 publiceerde hij 'Het tonnel is in de Hemel', een bloemlezing uit zijn werk, samengesteld door de onlangs overleden Kees Fens.

Vlak na zijn dood, in 1995, verscheen tenslotte zijn 'Feestelijke gedachtenis', beschouwingen voor het kerkelijk jaar. Het is een verzameling van artikelen die op verzoek van redacteuren in de jaren '50 en '60 werden geschreven voor r.k. dag- en weekbladen bij gelegenheid van een hoog feest of tot een andere kerkelijke herdenking zoals in 1953 die van het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland. Hij ging altijd in op zo'n verzoek, omdat hij dit genre ook zag als een vorm van verkondiging, zo blijkt uit de inleiding van Wouter Kusters en Gerard Lemmens.
Van der Meer was in hart en nieren katholiek en een orthodox priester, die zich stipt hield aan de Romeinse kerkleer overeenkomstig alle voorschriften van het geloof. De ex-kardinaal Simonis typeerde hem als 'een groot man en een waarachtig priester'': trouw, rechtzinnig en diepgelovig katholiek. De onder invloed van het tweede Vaticaanse Concilie in gang gezette liturgische 'vernieuwingen' konden in zijn ogen geen genade vinden. En de geloofscrisis in de Nederlandse kerkprovincie was hem een doorn in het oog. Ongezouten gaf hij in 1973 in zijn 'Open brief over geloof en eredienst' zijn visie.
In het boekje spuwt hij zijn gal over de teloorgang van de Nederlandse kerkprovincie en veegt hij genadeloos de vloer aan met de wijze waarop katholieken in Nederland meenden te moeten omgaan met de zegeningen van het Tweede Vaticaanse Concilie. De afschaffing van het Latijn en het gregoriaans in de liturgie, het zg. kritisch Bijbelonderzoek, de kaalslag in het kerkgebouw, het totaal gemis aan historisch besef, het gebrek aan ontzag voor het kerkelijk gezag. Het waren evenzovele 'vernieuwingen' die ontoelaatbaar en zelf ketters waren. Hij laakt vervolgens de drang naar medezeggenschap van leken in de Kerk. 'Inspraak in de kerk is waanzin', zei hij tegen Rijkens.
Het boekje was een bewerking en nadere uitwerking van een uitvoerig artikel dat hij medio jaren '60 publiceerde in een Pools tijdschrift 'Tygodnik Powszeckny' 1966.

Men zou Van der Meer kunnen portretteren als een pure eenling. Een individualist pur sang. Weinigen hadden echt toegang tot hem. Hij was een groot geleerde en een zeer erudiet man. Volgens Puchinger was hij een 'uitzonderlijk begaafd, bijna exuberant geleerde'. Van der Meer zag zijn werk meer als hobby. Hij nam het allemaal niet zo serieus.

En dit gebeurde allemaal in de katholieke kerk in Lent.

A.L.S.Kersten (Nijmegen), februari 2009

Reactiepagina
Reactie 1:

Godfried van Agthoven, 10-08-2014: Frits werd in 1917 ingeschreven voor het gemeentelijk gymnasium in Sneek. In september begon hij in klasse I.
In 1920 brak hij het derde leerjaar voortijdig af. In de zomerperiode maakte hij, nog geen 16 jaar oud, in zijn eentje zijn eerste reis naar Frankrijk. Bezocht er de kathedralen o.a van Chartres en Soissons.

(Ik ben expositiemedewerker in het Titus Brandsma Museum te Bolsward, waar de huidige expo gaat over: "Bolsward, het bekijken waard" met als kapstok het boekje "De kleine stad-langgeleden" dat Frits van der Meer schreef in 1977.)
Reactie 2:

P. Hendrickx, 29-04-2015: Als rechtenstudent in de jaren vijftig heb ik met veel genoegen ook de colleges van Prof. van der Meer gevolgd. In het kader van een gezamenlijke studentenreis van diens studenten en de studenten van de Faculteit Duits met de Hoogleraren Wessels en Moser hebben we tweemaal een rondreis gemaakt door midden Europa, waarbij Prof. Van der Meer boeiende toelichting gaf op de vele kunsthistorische sites die we bezochten. Elke stad of dorp werd eerst 'genomen' met een kathedraal of kerk! Ik bewaar nog hele goede herinneringen aan deze bijzondere priester-hoogleraar.
Reactie 3:

Wim Hazeu, 06-08-2015: Tijdens mijn onderzoek voor de komende Lucebertbiografie mocht ik de brieven van mr. Cas de Quay (zoon van Jan) aan Lucebert lezen. Cas schrijft dat Frits van der Meer hem gemaakt en gevormd heeft. Cas was in de jaren '50 een van de studenten Rechten die de colleges kunstgeschiedenis van Van der Meer volgden.

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: