VIJFTIG JAAR LIEF EN LEED Bij het halve eeuwfeest van de parochie van de H

© copyright Ria Gordon, Ephraem Hendrikx Internetbewerking; Henk Kersten/Stichting Noviomagus.nl

VIJFTIG JAAR LIEF EN LEED
Bij het halve eeuwfeest van de parochie van de H. Thomas a Villanova

'n Weemoedig voorwoord.
Dit verhaal van het wel en wee van de jubilerende parochie wordt verteld door iemand die vrijwel van het begin af haar geschiedenis in of meer van nabij heeft meegemaakt of gevolgd. Behalve van zijn geheugen kon hij daarvoor gebruik maken van de archiefstukken van het provincialaat van de paters augustijnen en van het dagboek van de pastorie. De verteller kan zijn verhaal niet zonder weemoed doen. Want het is helaas een geschiedenis met veel liefs en met nog meer leed. Het liefs komt misschien het meeste uiterlijk tot uitdrukking in de onvoltooide bouw van de kerk, in de verdere uitbouwingen ervan in de loop der jaren, in de bouw van de pastorie. Het leed, dat er al van het begin af geweest is en ondanks alle moeite tot het tegendeel ervan tenslotte toch steeds meer de overhand kreeg, wordt wel het meest schrijnend zichtbaar in de afbraak van de kerk en de verkoop van het terrein en de pastorie aan de Gemeente, nog niet zo erg lang geleden. Het zijn uiterlijke kanten. Wat een parochie als middelpunt van godsdienstig en kerkelijk leven in deze halve eeuw aan troostende vruchten en aan ontmoedigende teleurstellingen in de harten en geesten van pastores en gelovige volk innerlijk werkelijk betekend heeft, de bronnen spreken er weinig of niet over; ze kunnen er uit de aard van de zaak zelfs nauwelijks over spreken.

I. DE OPRICHTING

De tragiek van deze vijftig jaren, het feit dat de parochie bij dit halve eeuwfeest gedoemd is dit feest in een gehuurde tent te vieren is moeilijk te begrijpen zonder een wat uitvoeriger kennis van de geschiedenis van haar ontstaan.
Wat zich tegen het einde van die halve eeuw voltrokken heeft, is zeker achteraf eigenlijk van het begin af al duidelijk geweest. Vandaar dat dit verhaal wat uitgebreider stil blijft staan bij de voorgeschiedenis en de tot standkoming van parochie en kerk. 

1. Het klooster
In de dagen dat het Willemskwartier gebouwd werd, werden ook de laatste voorbereidingen getroffen voor de tot standkoming van de katholieke universiteit. Zij begon haar werk in 1923. In datzelfde jaar bezonnen de paters augustijnen zich op een nieuw studiehuis. Tot dan toe verbleven de fraters, die theologie studeerden, op de pastorie van de H. Monica te Utrecht. Het getal der fraters begon echter te groeien. En men wilde terwille van een rustiger studieklimaat de opleiding ook losmaken van de pastorie. Als vanzelf dacht men daarbij aan een plaats in de buurt van de zojuist opgerichte universiteit. Dan konden ook de medebroeders, die zich op het leraarschap voor de augustijnse scholen voorbereidden, daar terecht.
In Utrecht werd het onderhoud der fraters voor een gedeelte opgevangen door de pastorie, terwijl het provinciaal bestuur uit de renten van de beperkte fondsen waarover men beschikte bijpaste. De nieuwbouw zou de fondsen verslinden en de pastorie als bron zou ook niet meer kunnen helpen. Men vroeg dan ook aan de bisschop van Den Bosch bij het klooster een openbare kerk of kapel te mogen hebben die door haar inkomsten tot het onderhoud zou kunnen bijdragen. Klooster en kapel werden toegestaan. Daartegenover zouden de paters afzien van het gebruik van hun recht om ten behoeve van het klooster in het bisdom te bedelen. Het landgoed Dennendaal werd aangekocht, voor de bouw een lening gesloten. Het was meer dan mogelijk was. De bouwplannen moesten telkens worden ingekrompen. In plaats van de kerk kwam tenslotte een voorlopige houten noodkapel. Kapel en klooster werden in 1925 in gebruik genomen.

2. De parochie
Inmiddels begonnen de gedachten van de pastoor van de Groenestraat en van het bisdom om die parochie te ontlasten van de zielzorg van het grootste gedeelte van het Willemskwartier vastere vormen aan te nemen. In de loop van 1926 drongen geruchten hierover tot de augustijnen en hun provinciaal bestuur door. Uit angst dat er anders wel priesters van het bisdom of andere paters dicht in de buurt van de kapel zouden komen verklaarden zij zich tegenover de bisschop gaarne bereid in Nijmegen een parochie aan te nemen. In juli 1927 werd deze bereidheid onder veel wederzijdse strubbelingen beloond. Het werd inderdaad de parochie van de H. Thomas van Villanova. De moeilijkheden rond de geldelijke mogelijkheden van de parochie en die rond de verhouding van kloosterkapel en parochiekerk waren daarmee begonnen en zouden zich blijvend voortslepen.
Ontworpen werd n.l. een parochie die uit twee door de spoorlijn gescheiden delen bestond. Een gedeelte zou uit het grootste gedeelte van het Willemskwartier bestaan, het andere uit de smalle strook tussen spoorlijn en de Graafseweg. Daarbij werd in het vooruitzicht gesteld dat er aan de Leliestraat een overweg zou komen die beide gedeelten met elkaar zou verbinden. Tegelijk werd de eis gesteld dat de parochiekerk gebouwd zou worden in de strook tussen het spoor en de Graafseweg, dus vlak bij de kloosterkapel. Het was daarbij van het begin af voor iedereen duidelijk dat de kerkelijken onder de gelovigen van het Willemskwartier naar de Groenestraatskerk zouden blijven gaan, en dat de gelovigen uit het andere gedeelte bovendien nog de kloosterkapel tot hun beschikking hadden. Het provinciale bestuur vond de parochie onmogelijk en stelde voor de nieuwe parochie te vormen uit gedeelten van de bewoning rond de Graafseweg, de Molenweg en de Floraweg. Een voorstel dat door de bisschop tenslotte onuitvoerbaar bevonden werd. Toen meende het provinciale bestuur de parochie alleen te kunnen aanvaarden als er inderdaad een overweg aan de Leliestraat zou komen. Als voorwaarde werd dit echter door de bisschop van de hand gewezen.
Niet alleen zou de door de bisschop ontworpen parochie als aardrijkskundig geheel onmogelijk zijn, het was ook voor iedereen duidelijk dat de parochie financieel niet zou kunnen bestaan. Dit werd door de pastoor van de moederparochie uitdrukkelijk erkend en stilzwijgend door de bisschop.
Maar ja, zo was de reactie; als het op zich al niet kan, dan kunnen de paters het misschien toch wel klaarspelen. Provincie en bisdom zouden echter niet kunnen helpen, daar ze beiden, de eerste meer nog dan de tweede, al in grote geldzorgen zaten. Dan duikt bij de provinciaal de gedachte op om misschien toch maar de kloosterkapel tot parochiekerk te maken op voorwaarde dat aan de op te richten parochie een gedeelte van de parochie Neerbosch zou worden toegevoegd. Hier ging de bisschop onmiddellijk op in, eiste echter dat kapel en grond in eigendom aan het bisdom zouden overgaan. Steun van fondsen voor arme kerken stelde hij in uitzicht.
Tenslotte aanvaardde in juli 1927 de provinciale raad van de augustijnen de aangeboden parochie, wees echter het voorstel om van de kloosterkapel parochiekerk te maken van de hand. Was men juist niet mede om het studiehuis los van een parochiekerk te maken een paar jaar tevoren onder grote geldelijke offers uit Utrecht weggetrokken? Ook woog zwaar de behoefte aan een openbare ontplooiing der liturgie volgens de voorschriften der Orde (koorgebed, enz.), terwijl het besef dat men dan weer vrijwel zonder inkomsten zou komen te zitten eveneens mede een rol speelde. Alleen in het aller-uiterste noodgeval, als er echt geen enkele andere oplossing mogelijk zou zijn, was men bereid de kloosterkapel tot parochiekerk te laten maken.

De parochie was aanvaard, de pastores konden worden benoemd. Bouwpastoor werd pater Ugolinus Goll, kapelaan pater Maximus Harm, die al eerder de eerste pater van het toen nog toekomstige klooster geweest was. Ook pater Goll nam zijn intrek in het klooster. De houten noodkapel van het klooster zou tevens als voorlopige parochiekerk dienst doen. De eerste kerkmeesters werden eveneens benoemd. Het werk: het vinden van een terrein voor de kerk en de bouw ervan konden beginnen. Evenals de zielzorg onder de gelovigen.

Foto: Ugolinus Goll, de eerste pastoor, 1927-1929

Wat dit laatste betreft waren de verwachtingen niet hoog gespannen. De werkelijkheid bleek er nog beneden te blijven. De paters, die in Amsterdam toch wel wat gewend waren, kwamen er diep van onder de indruk. Het parochiebezoek verkeerde in desolate toestand, het huisbezoek had er niets voorgesteld. Het Willemskwartier bleek grotendeels onkerkelijk, wat toen nog gelijk gesteld werd met ongelovig of ongodsdienstig. De kerksen zouden naar de Groenestraat blijven gaan. Allen vonden een nieuwe kerk dan ook overbodig. Geldelijke steun was er, ook al gezien de geringe inkomens der gezinnen, niet te verwachten. De pastoors van de andere parochies in Nijmegen vertoonden zich ook weinig bereid de nieuwe arme parochie door het toestaan van bedelpreken te hulp te komen. Bovendien bleek het totaal onmogelijk in het levensonderhoud der paters te voorzien. De veertig gulden per week, die voor gebruik van de kapel en voor kost en inwoning voor de beide paters overeenkomstig een schikking van de bisschop wekelijks aan het klooster vergoed moesten worden, kwamen er zelfs vaak niet. 

Foto: Maximus Harm, kapelaan, 1927-1929

Daarnaast werd het zoeken van een terrein voor de bouw van de kerk een ware lijdensweg. Pater Goll zag het tenslotte niet meer zitten. De parochie bood in geen enkel opzicht perspectief. Zijn gezondheid ging er onder lijden. Tenslotte vroeg en verkreeg hij ontheffing van zijn taak. Zijn opvolger werd pater Thomas van der Vloodt, die toen al eveneens tot het klooster behoorde.

3. De kerk
Tegen de oorspronkelijke bedoelingen van het bisdom in was pater Goll begonnen met het zoeken van een terrein in het Willemskwartier. Dit bleek er echter nauwelijks meer te vinden. Er waren er n.l. nog slechts twee beschikbaar. Een, waarop nu wel de Fatima-kerk staat, leek als bouwterrein minder geschikt; het lag bovendien te dicht bij de Groenestraatskerk. Het andere, waarop later de papierfabriek uitgebreid werd, werd in voorkoop genomen. Om dit terrein af te ronden voor de bouw en een toegang naar de Willemsweg mogelijk te maken, zouden echter ook een paar belendende huizen moeten worden aangekocht en afgebroken. Ook dit terrein voldeed echter niet, o.a. ook omdat het tegenover een der twee toenmalige lokomotievenloodsen der spoorwegen lag. Vooral wanneer deze lokomotieven stoom aan het afblazen waren, zou alles in de te bouwen kerk onverstaanbaar zijn. Ook dit terrein werd opgegeven. Aan het nog onbebouwde gedeelte tussen de Paddepoelseweg en het kerkhof, waar volgens de bisschop de kerk toch wel zou hebben moeten komen, werd blijkbaar nooit ernstig gedacht. Geen der bronnen vermeldt er verder tenminste iets over. Het lag ook wel te ver van het Willemskwartier weg om als parochiekerk daarvoor ernstig in aanmerking te kunnen komen.
Ten einde raad werd tenslotte het terrein aan de Graafseweg, hoek Looimolenweg, samen met de daarop staande huizen gekocht. Op de open ruimte tussen de huizen in werd de thans weer afgebroken kerk gebouwd. Twee van de huizen zouden in onderlinge verbinding de pastorie gaan vormen, terwijl de benedenverdieping van een van deze beide huizen gesloopt werd om als doorgang naar de kerk dienst te kunnen gaan doen. Het terrein lag zo dicht mogelijk bij het Willemskwartier, echter buiten de parochie!
Om in deze merkwaardige situatie te voorzien werd het terrein met zijn huizen door de bisschop onttrokken aan de parochie van de Kraayenhofflaan en toegevoegd aan de eigen parochie van de H. Thomas van Villanova.
Om een en ander mogelijk te maken moest het kerkbestuur een lening sluiten. Ook wat giften kwamen binnen, terwijl door enkele paters van de augustijnen door bedelpreken in het bisdom dertigduizend gulden bij elkaar gebracht werden. Ook de inventaris van de kerk zowel als van de pastorie kwam voor een aanzienlijk gedeelte bij elkaar door giften in natura van medebroeders zowel als van vele anderen uit stad en land. De koster en anderen, o.a. een huishoudster voor halve dagen, verrichten in die eerste tijd hun werkzaamheden ter liefde Gods zonder er een geldelijke beloning voor te ontvangen.
Nog onder pater Goll waren de voorbereidingen voor de bouw van de kerk begonnen. Als architekt was de heer van Moorsel al door pater Goll aangezocht. Hij ontwierp een zeker voor die tijd opmerkelijke en mooie kerk, die van iedere plaats af uitzicht op priesterkoor en altaar bood, zodat een echt meeleven van alle aanwezigen met het gebeuren op en aan het altaar mogelijk was. Voorlopig zou echter slechts het schip van de kerk gebouwd worden met een gedeelte van het priesterkoor. Absis, zijbeukjes, ingangshal en toren zouden tot betere tijden moeten wachten....

Foto: Daags voor de eerste steenlegging werd het kruis geplant (Rituale 413)

Foto: 25 januari 1930: de bekisting voor de vloer van het kerkschip die in 1975 niet weggebroken is. Hopelijk zal hier binnenkort door de Gemeente Nijmegen een wijkcentrum op gebouwd worden, waar de parochie een gedeelte van in kan huren voor liturchische diensten en pastorale werkruimte.

In januari 1930 werd de bouw begonnen. Op maandag 22 september, waarop toen het feest van de H. Thomas van Villanova gevierd werd kon de kerk al door de bisschop, Mrg. Diepen, plechtig worden geconsacreerd. Groot was allerwege de vreugde dat wat onmogelijk geschenen had, tenslotte toch nog in zo'n korte tijd tot werkelijkheid had kunnen worden. Nu kon de kerk in gebruik worden genomen als liturgisch centrum van de parochie. In de ogen van pater van der Vloodt zou zij een volkskerk zijn, een liturgische kerk met volkszang. Om allen in de diensten te betrekken en het blijven staan hangen achter in de kerk tegen te gaan, gingen staanplaatsen 10 cent kosten. De zitplaatsen daarentegen werden gedeeltelijk verpacht; losse plaatsen kostten 2,5, 10 of 15 cent, en enkele rijen ervan waren helemaal vrij.

Foto: 15 oktober 1930: Het Kindsheidsfeest in de nieuwe kerk.

Het parochiŽle godsdienstige leven kon beginnen. Congregaties en het Sint Franciscus-liefdewerk werden opgericht, een kring van zelatricen voor het kerkefonds kwam tot stand, de H. Communie werd bevorderd, waarschijnlijk zou ook aan de bouw van scholen gedacht moeten worden.
De verbinding met het Willemkwartier door een spoorwegovergang of een voetgangerstunnel bij de Leliestraat zou echter niet tot stand komen. Wel besloot de gemeenteraad er in 1933 toe, maar de spoorwegen weigerden hun medewerking. Voor een groot gedeelte der parochianen zou hun parochiekerk moeilijk bereikbaar blijven!

II. DE CRISISJAREN

Intussen was met de grote crach op de beurs van New York in 1929 de grote wereldcrisis begonnen. Al gauw drongen zij en haar gevolgen ook tot ons land door. Onzegbare armoede en grauwe werkeloosheid verspreidde er zich in de dertiger jaren op steeds verschrikkelijker wijze. In het bijzonder Nijmegen werd er zwaar door getroffen. De dagelijkse gang naar het stempellokaal en de uitvoering in werkverschaffing van het grote Goffertpark waren er duidelijk zichtbare verschijnselen van. Bijzonder hard kwam de klap aan in de parochie van de H. Thomas van Villanova. In het Willemskwartier en de Rozenbuurt, toch al nooit rijk met aardse goederen gezegend, heerste vaak doffe ellende, soms huis aan huis, straat aan straat, en dat zonder einde, en met onvoldoende steun. Op het leven van de parochie en op de zielzorg erin heeft het onvermijdelijk zijn neerslachtige terugslag gehad.

Foto: Thomas van der Vloodt, de tweede pastoor en bouwheer van de kerk, 1929-1931. Hij vertrok naar de missie in Bolivia en is daar een jaar later overleden en begraven.

Foto: Priesterwijding 1930

1. Parochieel godsdienstig leven.
Toch laten de bronnen er weinig van merken. Eerder zou men op grond daarvan het tegendeel willen besluiten. In 1931 werd het jongenspatronaat opgericht, in dat zelfde jaar eveneens de R.K. Werkliedenbond en de Jonge Werkman, en de altaarwacht. In 1932 werd een grote Missie gehouden, in 1938 een parochieretraite, beide met niet ongunstig resultaat. Aan de parochieretraite had 60% van de parochianen meegedaan, 14% was verhinderd geweest, slechts 26% had het er helemaal bij af laten weten. Toch bleef de klacht over het zwak godsdienstig leven der meeste parochianen. Toch kende het parochiŽle leven ook bijzondere hoogtepunten. Voor de kerk waren dat wel de toediening der heilige wijdingen aan een vaak groot getal wijdelingen. De kerk met haar grote hoog gelegen priesterkoor en een schip dat overal een goed zicht bood op de heilige handelingen, leende er zich dan ook uitstekend toe. Er werd dan ook in toenemende mate gebruik gemaakt voor de wijdingen der kloosterlingen in het bisdom Den Bosch.
De parochie zelf beleefde wel een bijzonder hoogtepunt, toen haar parochiaan pater Oswald Bouman er als neomist zijn eerste H. Misoffer in de parochiekerk mocht opdragen.

2. Scholen; parochiehuis
Voorspoediger ging het met de al in een vroeger stadium geuite gedachte dat de parochie het in de toekomst niet zonder eigen scholen zou kunnen blijven stellen. Al in 1932 werd de jongensschool in gebruik genomen, in 1934 de frŲbel school, en in 1936 de meisjesschool. Al gauw kon men vaststellen dat door de eigen scholen het bezoek van de parochiekerk door de eigen parochianen toenam omdat het tot dan toe zo zwakke parochieverband er sterker door werd.
Eveneens om die parochieband sterker te maken hoopte men zelfs in 1938 tot een lang verlangd eigen parochiehuis te kunnen komen. De oude huishouschool De Haard aan de Tollenstraat werd te koop aangeboden. Helaas kon men echter slechts te laat inschrijven.

3. Parochiekerk en kloosterkapel
Want met het toenemen van de crisis was ook de financiŽle positie van het kerkbestuur, die toch al nooit rooskleurig geweest was, er alleen maar slechter op worden. In 1936 kon het kerkbestuur zijn verplichtingen nog slechts nakomen door f 3000,. te lenen ten laste van 1937. In 1938 was de schuldenlast van de kerk opgelopen tot f 200.000,-. Pastoor en kerkbestuur meenden als hoofdzaak van de ellende het bestaan van de kloosterkapel te moeten aanmerken, een standpunt dat door de bisschop ten volle en met alle energie werd overgenomen. Men vroeg beperking, tenslotte zelfs sluiting van de kloosterkapel.
Van de kant van het klooster was men tot beperking bereid, niet echter tot algehele sluiting. Tevens zou bij beperking of sluiting voor het klooster een andere bron van inkomsten gevonden moeten worden, want ook daar was armoe volslagen koning geworden. Sluiting zou ook het probleem van de parochie niet fundamenteel oplossen. Het jaarlijkse tekort der parochie zou erdoor verzacht worden maar niet weggenomen. De kapel werd bovendien evenals de parochiekerk voor het overgrote deel bezocht door gelovigen die niet tot de parochie behoorden. 

Foto: Clemens Blok, kapelaan 1930-1931. De derde pastoor van 1931-1946.

De provinciaal wees er tenslotte de bisschop op dat de Orde regelmatig een aantal ijverige priesters voor de parochie aan het bisdom gaf. Deze moesten niet alleen armoedig wonen en leven, maar waren daarvoor dan ook nog vaak aangewezen op ondersteuning door het provinciaal bestuur, zulks met voorbijgaan van het klooster, ten opzichte waarvan het bestuur in steeds mindere mate zijn eigen verplichtingen kon nakomen. De bisschop was daarvan niet op de hoogte geweest en schaamde er zich niet voor de provinciaal zijn verontschuldigingen aan te bieden. Op de kwestie van de kapel is hij later niet meer teruggekomen. Intussen was het klooster aan de parochie steeds allerlei hulp blijven bieden door het geven van logies, het verlenen van assistentie, enz. Toen tenslotte in 1942 het klooster verdreven werd, was ook dit onder medebroeders wat pijnlijke probleem grotendeels opgelost, al trok toen ook de kapel bij de parochie in.

III. DE OORLOGSJAREN

De Oorlog was n.l. in 1940 over ons land gekomen. Al aanstonds op 10 mei ondervonden kerk en pastorie er de gevolgen van. Bij het doen springen van de zojuist klaar gekomen en nog niet officieel geopende bruggen over het spoor liepen zij lichte oorlogsschade op. Grotere schade liep de kerk op bij een zware storm van november in dat zelfde jaar. De muur achter het altaar werd n.l. ernstig ontzet. Er moest een nieuwe achterkant van de kerk gebouwd worden. In overleg met de bisschop werd toen besloten de oorspronkelijk bedoelde maar om financiŽle redenen niet gebouwde absis achter het altaar nu wel te bouwen in de plaats van de ontzette muur. In 1941 kwam zij gereed. Door de kunstenaar Lambert Simons zou zij beschilderd gaan worden met wel zeer stoere figuren van de twaalf apostelen. Dit werk zou echter eerst in 1946 voltooid worden.
Financieel ging het de parochie in de loop van de oorlog steeds beter. De sluiting van de kapel in 1942 deed het getal kerkbezoekers toenemen, hun vrijgevigheid werd eveneens groter. In dat jaar was het kerkbestuur voor het eerst in staat zonder buitengewone hulp van het bisdom de verplichte rente en aflossing te betalen. In 1944 kon zelfs versterkt afgelost worden. De mogelijke bouw van een parochiehuis was door de tijdsomstandigheden echter voor onbepaalde tijd van de baan. Het als zodanig in gebruik zijnde huis naast de pastorie werd na de in beslagneming van het klooster door het provincialaat van de augustijnen betrokken. In dat zelfde jaar 1942 werd ook de kerkklok ten bate van de bezetter van ons land onteigend en weggevoerd.

Foto: Fabianus Hennes, kapelaan 1939-1946

Het kan gelden als een symbool van de aftakeling waaraan tijdens de oorlog de gebruikelijke vormen van zielzorg steeds meer ten offer vielen. Daarentegen kwam de Katholieke Actie tot grote bloei en vruchtbare werkzaamheden: cursussen, retraites, recoilecties, propaganda voor het lof in de meimaand, voor het plaatsen van de kinderen op katholieke scholen, vormingsweken, enz. Toch moest men na de oorlog vaststellen dat desondanks het godsdienstige leven door de oorlog veel geleden had.

Vermelden we tenslotte nog dat de bevrijding van de stad kerk en pastorie weer op allerlei meestal kleinere oorlogsschade kwam te staan tengevolge van de oorlogshandelingen in en om Nijmegen.

IV. DE TIJD NA DE OORLOG

Gaf de geschiedenis van de parochie van het begin af tot aan het einde van de oorlog alles bij elkaar een vrij homogeen en konstant beeld te zien, voor de tijd na de oorlog is dit eerder verwarrend te noemen. Niet alleen werd de parochie meegesleept door de snelle stadsuitbreiding in Nijmegen-west, zij moest tenslotte ook delen in de algemene teruggang van het kerkbezoek en de verminderde offerbereidheid voor katholieke doeleinden van de kant van de gelovigen. Leidde het eerste tot herhaaldelijke wijzigingen van de grenzen der parochie, het tweede moest tenslotte leiden tot de verkoop en afbraak van de kerk. De overgang van een minstens uiterlijk florissante toestand naar de teruggang in ieder opzicht valt wel ongeveer samen met het einde van het pastoraat van pater Arendse.

Foto: De Augustinusgroep - welpen en verkenners - met hun oprichter pater Isaias Mijnsbergen, kapelaan 1945-1946.

Foto: De verkenners 10 jaar later in 1957 bij hun blokhut op het terrein van Dobbeman aan de Weg door Jonkerbos

1. Kerk; parochiehuis; school
Veel werd in het eerste gedeelte van de na-oorlogse jaren gedaan aan de verbetering en verfraaiing van de kerk. De al in de oorlog begonnen schildering van de absis werd in 1946 voltooid. In 1948 kreeg de kerk ook weer een klok in de plaats van de in de oorlog door de Duitsers in beslag genomene. Het zilveren jubileum der parochie in  1952 werd aanleiding als feestgeschenk een fonds voor een pijporgel in het leven te roepen. Om dit orgel te kunnen plaatsen werd in 1953 een begin gemaakt met de bouw van een zangkoor, twee jaar later aangevuld met een voorportaal voor de kerk. De kerkgevel kreeg toen ook een beeld van de H. Thomas van Villanova. Ook kreeg in deze jaren de kerk een tegelvloer, een nieuwe verwarming, en tot twee keer toe een nieuwe verlichting. De sacristie werd in 1956 vernieuwd, terwijl in 1963 priesterkoor en sacristie geheel verbouwd werden. Tien jaar eerder hadden de stoere Apostelen in de absis het al moeten dulden dat zij door gordijnen achter het altaar liefdevol aan het oog werden onttrokken. Het zo lang en vurig verlangde parochiehuis kwam er al in 1946. Het moest al snel worden verbouwd.

Foto: Prosper Jansen, kapelaan van 1931-1935, de vierde pastoor 1946 - overleden 1 september 1949 en 5 september uitgedragen uit de kerk van Thomas a Villanova.

Voorbereidingen voor een nieuwbouw ervan werden in 1954 opnieuw getroffen. Ook een nieuwe school kreeg de parochie er nog bij. In 1962 kon zij in gebruik worden genomen. Hoe weinig heeft men er toen aan kunnen denken dat de hal ervan nog eens bij gebrek aan een kerkruimte tot liturgisch centrum van de parochie zou gaan dienen.

2. De pastorie
De pastoor en zijn kapelaans (hun aantal had in de loop der jaren uitbreiding ondergaan) woonden nog altijd in het anderhalve huis dat zij bij het begin hadden betrokken. Het was ongetwijfeld de meest bescheiden pastorie van het bisdom. Zij werd echter te klein en ook in andere opzichten bleef het voor een goed functioneren wel erg behelpen. 

Foto: Anicetus van den Bosch, kapelaan 1952-1955, bij de pastorie Graafseweg 178.

Begrijpelijk werd dan ook wel eens aan betere en vooral ruimere behuizing gedacht. Voor het eerst werd er ernstig aan gedacht en over gesproken in 1947. Er werd zelfs door een architekt een schets voor gemaakt. Het werd echter allemaal veel te duur. Bovendien kon er bij de toenmalige woningnood niet aan worden gedacht een aantal huizen die in het bezit van de kerk waren af te breken om daardoor de voor de bouw benodigde grond vrij te krijgen. Alles bleef tenslotte dus bij het oude. Toen echter in 1952 na afloop van de Wijdingen de bisschop kort de pastorie bezocht, vroeg hij of het niet beter was om in plaats van aan de bouw van een koor te denken, te denken aan het uitbreiden van de kerk en aan het bouwen van een betere woning voor de paters. De paters stonden paf! Het laatste woord van de bisschop was bijna een opdracht:' Overleg met het kerkbestuur en laat mij de uitslag weten'. Nadat ook het proviciaal bestuur van de augustijnen de toezegging gedaan had van een renteloos voorschot om de nieuwe pastorie in sommige opzichten wat geschikter te maken voor de medebroeders, kon de bouw worden begonnen. In 1955 werd zij in grote dankbaarheid betrokken. De oude werd een jaar later afgebroken, waarbij het voorbereidende werk al voor een flink gedeelte door de jeugd was verricht.

Kapelaan van den Bosch bij het parochiehuis Villanova, in 1970 overgedragen aan het R.K. Club- en Buurthuiswerk en genoemd "t Groene Gebouwtje".

3. De financiŽn
Het hiervoor verhaalde zou de indruk kunnen wekken dat de parochie die eens de armste van het bisdom genoemd werd, financieel in betere doen was geraakt. Tot op zekere hoogte was dat wel waar, maar wezenlijk was er toch niet veel veranderd. In de oorlog hadden reserves gevormd kunnen worden, die na de oorlog echter al snel slonken. Wel was door de nieuwbouw rond de Floraweg het aantal kerkbezoekers toegenomen, al behoorden zij niet tot de parochie. Dit ondanks de heropening van de kloosterkapel, die zich overigens duidelijker anders ging oriŽnteren. Haar bezoekers bleven eveneens grotendeels van buiten de parochie komen. Ook het feit dat de parochiekerk gedurende langere tijd een der weinige kerken in de stad was waar zaterdagavonds een Eugaristieviering plaats mocht vinden bracht weliswaar weinig parochianen maar zeer vele gelovigen uit de gehele stad naar de kerk van de H. Thomas van Villanova. Ook de grote kwaliteiten van pater Arendse als predikant mag tot een versterkt bezoek der kerk hebben bijgedragen. Deze had bovendien bijzondere weldoeners die vaker voor grote bedragen aan de verbetering en verfraaiing van de kerk bijdroegen. Voor de bouw van de pastorie had, zoals al vermeld, ook het provinciaal bestuur der augustijnen hulp verleend. Zo kon er veel gebeuren ondanks een in werkelijkheid plaatsvindende geleidelijke teruggang naar de toestand van het verleden. Hetzelfde gold voor het huishoudelijke leven op de pastorie. In de jaren dat de zielzorgers nog nauwelijks enige bezoldiging van de kant van het kerkbestuur ontvingen en van het misstipendum moesten leven, kon de pastorie tenslotte zich slechts bedruipen doordat er ook een pater woonde die buiten het parochiŽle werk om anderzijds voor de medebroeders aldaar een bron van inkomsten was. In 1965 hield dit op.

4. Kerkelijk en godsdienstig leven
Zoals reeds vermeld nam in deze periode het kerkbezoek voorlopig gestaag toe. Het kwam grotendeels uit de parochie van de Kraayenhofflaan. Daarentegen bleef een groot gedeelte van de kerkelijken uit het Willemskwartier de kerk in de Groenstraat bezoeken. Het godsdienstig gehalte der eigen parochie was nog altijd niet bijzonder hoog. Toch werd er met ijver en toewijding door haar zielzorgers en hun medewerkers gewerkt. 

Foto: (onderschrift: op 29 juni 1952 beloofden wij trouw aan Christus onze Koning)

Op de speelplaats van de Mariaschool v.l.n.r. de paters Herman Joseph van Roosmalen, 1946-1953, Eligius van Mulukom, 1949-1952 en Urbanus Rozenstraten 1948-1955.

Wel veranderde de zielzorg geleidelijk enigszins van karakter. De oude congregaties waren in 1949 al praktisch opgeheven, gedeeltelijk door een te geringe belangstelling van de kant van de gelovigen, gedeeltelijk ook door een ononderbroken wisseling der kapelaans. Daarentegen werd de verkennerij opgericht. Zij kwam tot grote bloei. Ook een moedervereniging kwam in 1950 tot stand. Het St. Franciscus-liefde-werk ging echter als Don Bosco-werk al in 1946 in de handen der paters capucijnen over. In dat jaar werd ook een grote Missie gehouden; eveneens in 1954 voor een overvolle kerk. Het jaar erop eveneens een Misweek. Hetzelfde gebeurde nog eens in 1960 met goed resultaat.

Foto: Eligius van Mulukom, de vijfde pastoor 1949-1952.

Een sociaal werkster was intussen al vanaf 1952 in dienst van de parochie gekomen.
Niet onbelangrijk was dat de zusters, die aan de meisjesschool verbonden waren, in 1946 in de parochie gingen wonen. Ook de broeders van Oudenbosch vestigden er zich. Vanaf 1948 belastten zij zich met de leiding van de kindermis. Een behoorlijke bijdrage tot versterking van de parochieband was ook dat een eigen parochieblad 'Bij de bruggen' in 1965 regelmatig begon te verschijnen.

Foto: 1956: 10-jarig bestaan van Augustinus-Monica-groepen, de staf bij elkaar.

Foto: De gidsen zaten onder de Mariaschool in de kelder. Hier een installatieplechtigheid.

V. GRENSWIJZIGINGEN

Van het begin af aan had de kerk als parochieel centrum niet goed kunnen functioneren door de ongelukkige aard van het parochiegebied en de daardoor onvermijdelijke ligging van de kerk ten opzichte van dat gebied.
De stadsuitbreiding in Nijmegen-West als ook wel de erkenning van de toestand door de kerkelijke autoriteiten ging daar tenslotte toch verandering in brengen. In 1951 werd de Florawijk aan de parochie toegevoegd en de Fatimaparochie in het uitzicht gesteld. In 1959 begon deze in een noodkerk. Het grootste gedeelte van het Willemskwartier ging naar haar over. Twee jaar later, in 1956, begon de parochie van Maria-ten-hemel-opneming als eigen parochie. Een gedeelte der Villanovaparochie ging weer daar naar toe, waartegenover deze laatste enige uitbreiding aan de kant van de Wolfskuil ontving.
In 1957 waren de nieuwe grenzen van de nu jubilerende Thomasparochie definitief.
Van de oorspronkelijke parochie, die in 1927 begon, behoorde haar nog slechts de naam, een klein gedeelte van het vroegere gebied met de daarop wonende gelovigen, en tenslotte, maar toch ook wel niet het minste: de financiŽle schuldenlast.

VI. DE AFBRAAK

Het verhaal van de geschiedenis der laatste tien jaren kan hier korter worden verteld. Het ligt allen, die ermee meegeleefd hebben, ongetwijfeld nog vers in het geheugen. Temeer daar deze geschiedenis rijk is geweest aan teleurstelling, ontgoocheling en pijn.

1. Achteruitgang
Vanaf 1967 valt een regelmatige achteruitgang waar te nemen, zowel van het kerkbezoek als van de inkomsten. De oorzaken, die de werkelijke toestand van de voorafgaande jaren hadden versluierd waren weggevallen. En ook de Thomaskerk ontkwam niet aan de overal aanwezige achteruitgang van het kerkbezoek en van de dalende bereidheid van vele gelovigen om voor hun kerk voldoende - wat in de gegeven omstandigheden zou betekend hebben: heel veel - over te hebben.
Vanaf 1967 werd het aantal kerkgangers geregeld geteld. Bedroeg dit op een weekeinde in januari van dat jaar nog 1300, in oktober van het jaar erop waren het er nog maar 840, een half jaar later 670. In het najaar van 1970 waren het er nog maar 500, terwijl het in januari van 1972 teruggevallen was tot slechts 450. Verdeeld over de verschillende weekeinde-diensten konden zij moeilijk anders dan de indruk wekken van een veel te grote, lege kerk. Een zelfde terugslag gaven de inkomsten van de kerk te zien. Het werd dan ook steeds moeilijker de begroting sluitend te krijgen.
Vanaf 1970 vertoonde zij steeds grotere tekorten. In 1973 is dan de zaak helemaal hopeloos, zeker als dan nog als klap er bovenop een zware storm de schoorsteen van de kerk doet afknappen, deze tegen een kerkmuur valt en haar ernstig ontzet. De schade, die geraamd werd op ongeveer 25.000 gulden, werd niet door verzekering gedekt.

Foto: 1 september 1973 de laatste dienst.

Wel werd door een ijverig aantal gelovigen meegedaan aan de gezinsaktie ten bate van de financiŽn van kerk en pastorie. Maar hun getal was tenslotte toch te klein. En alle pogingen, telkens weer ondernomen, om bij deze zo noodzakelijke aktie meer parochianen te betrekken, leverden over het algemeen maar een mager resultaat op. De meesten bleven slapen. Een katastrofe werd dan ook onvermijdelijk.

2. Godsdienstig en kerkelijk leven
Onder de gegeven omstandigheden was het zielzorgelijke en andere werk door de pastores en hun helpers eerder ontmoedigend dan hartverwarmend. Er waren gelukkig ook vele meestal kleinere vreugdevolle gebeurtenissen: Communifeesten, het slagen van een vastenaktie, eens een keer goed bezochte diensten op bijzondere dagen, enz. Men was tenslotte ook niet veel meer gewend. Maar over het geheel genomen overheerste ook daarin het teleurstellende. Zo konden in 1968 de geplande gespreksgroepen geen doorgang vinden omdat zich slechts twee deelnemers meldden. Ook de gespreksbijeenkomsten voor verloofden in 1970 vielen grotendeels in het water.
Toch gebeurde er nog wel een en ander, ondanks de deplorabele toestand. In 1969 werd de verlichting van de kerk vernieuwd. Ook kon in dat jaar met behulp van een bliksemaktie een electrisch orgel aangeschaft worden voor vůůr in de inmiddels veel te groot geworden kerk.
Eveneens begon zich een samengroeiende band tussen parochie en wijkwerk langzaam af te tekenen. In 1968 werd het pastoraat over het klubhuis door de pastorie opgegeven. Pater Emke van het klooster werd bereid gevonden de zorg over de wijkkapel aldaar op zich te nemen. Het parochiehuis, het bekende groene gebouwtje, werd dependance van het klubhuis aan de Myrtestraat voor de omgeving van de Rozenstraat. In de lijn van deze ontwikkelingen ging ook het eigen parochieblad 'Bij de bruggen' op in het wijkblad 'De Oversteek'.

Foto: De laatste dienst v.l.n.r. Ludger van der Borg, Johan Verhappen, Louis Mulder, Jan van Bohemen, vicaris J. Maris, Gerard Emke, Wim Flapper en Joost Koopmans.

3. Sluiting der kerk
Het was zo langzaamaan voor iedere ingewijde overduidelijk geworden: de kerk was niet te redden. Zij functioneerde niet meer. Zij was veel te groot en de kleine getrouwe groep der aan het godsdienstige leven deelnemende gelovigen zou het onderhoud ervan onmogelijk meer op kunnen brengen. Lang is er toen in gemeenschappelijk overleg met alle betrokkenen over gedacht en gesproken wat er nu het beste zou kunnen gebeuren. Dit zou wel zijn de kerk om te bouwen tot wijkcentrum en daarin een ruimte af te zonderen voor kerkelijke vieringen. Het bleek echter om de veel te hoge kosten zowel voor het kerkbestuur als voor de Stichting Nijmeegs Wijkcentra een volstrekt onhaalbare kaart. Het pijnlijk besluit moest toen tenslotte wel vallen: de kerk gaat dicht. Ze werd met grond, pastorie en huizen verkocht aan de gemeente. Met het ervoor ontvangen geld werd de schuldenlast betaald. Op 1 september 1973 vond er de laatste dienst plaats. Ruim twee jaar later werd zij afgebroken.

4. Het vertrek der paters
Nog een andere slag kwam in de gegeven omstandigheden bijzonder hard aan. Vrijwel gelijktijdig met het sluiten van de kerk verlieten alle paters van de pastorie de parochie en gingen naar Amsterdam. Hoe respectabel hun redenen ook geweest mochten zijn, het is te begrijpen dat de getrouwe gelovigen zich verlaten voelden, zo al niet verraden. Kerk weg, paters weg, ook de parochie weg? Pater Emke sprong erin, korte tijd later bijgestaan door pater Koopmans. De cirkel was rond. Na een halve eeuw wonen, zoals toen het begon, de beide zielzorgers weer in het 'klooster', weer vinden de diensten van de parochie althans voor een gedeelte plaats in de kapel van dat 'klooster'. Begint de geschiedenis nu weer opnieuw? Over het nu en de toekomst zal verderop verhaald worden, niet door de hand van de geschiedschrijver, maar door die van iemand die midden in het heden met ijver en toewijding voor die toekomst werkt.

Foto's: v.l.n.r. Hipolytus van Bohemen, kapelaan 1953-1960. De zevende pastoor 1966-1973. Ludger van der Borg, kapelaan 1955-1974. Johan Verhappen, kapelaan 1962-1973. Louis Mulder, kapelaan 1965-1973.

VII. DE ZIELZORGERS

Zeven pastoors en bijna dertig kapelaans hebben in het verleden in de parochie van de H. Thomas van Villanova gewerkt. Hun namen kan men achter in deze Oversteek vinden. Afgezien van de beide eersten, die het uit ondervinding moesten ontdekken, hebben zij bij hun benoeming allen geweten dat hun een moeilijke en vaak teleurstellende werkkring te wachten stond. De parochie van Nijmegen heeft binnen de landelijke augustijnengemeenschap altijd bekend gestaan als de moeilijkste van de vele waar men voor zorg te dragen had. Toch hebben zij er met grote ijver en toewijding gewerkt. Het heeft zeker niet aan hen gelegen dat deze geschiedenis van een halve eeuw zo weinig bevredigend verlopen is. Enkelen onder hen mogen hier misschien kort met name worden genoemd zonder dat dit daarom afbreuk mag doen aan de inzet van het grotere aantal dat hier bij gebrek aan ruimte niet genoemd kan worden.

Foto: Frits van Leur, kapelaan 1955-1964

Vooreerst dan pater Ugolinus Goll. Hij en zijn kapelaan pater Maximus Harm waren uitstekend geschikt voor een volkse parochie. Dat pater Goll bij zijn ietwat zwaarmoedige aard al spoedig om gezondheidsredenen ontheffing van zijn opdracht heeft moeten vragen lag uitsluitend aan het feit dat de oprichting van deze parochie hem een onmogelijke zaak leek. Een halve eeuw geschiedenis heeft hem ondanks zijn in dit opzicht sterkere opvolgers achteraf helaas gelijk moeten geven.
Het langst in de parochie, in het geheel zeventien jaar lang, heeft pater Blok gewerkt. Begonnen nog als kapelaan onder pater van der Vloodt, werd hij na diens vertrek naar Bolivia zijn opvolger als pastoor. 

Foto: Macellinus Mes, kapelaan 1940-1945. Ook hij ging naar de missie in Bolivia en stierf daar.

Om zijn wat stijve figuur en wat houterige gang had hij al in Amsterdam, waar hij tevoren werkzaam was geweest, van het volk de bijnaam gekregen van 'ijzere Janus'. Tot op zekere hoogte was hij ook in andere opzichten een man van ijzer. Van een stalen discipline voor zichzelf en stipt een man van de klok en van de kalender, was hij voor anderen behalve een harde werker een rechtschapen mens en een toegewijd en fideel medebroeder en pastoor. Werk, zorgen en ontberingen, vooral in de latere oorlogsjaren, zijn zijn gezondheid niet ten goede gekomen. Na de oorlog werd hij dan ook op een minder veeleisende post benoemd. Bijna even lang, n.l. zestien jaren, heeft pater Arendse in de parochie gewerkt, uitsluitend als pastoor. Toen hij benoemd werd, was hij al geen onbekende meer voor Nijmegen. Als pater van het klooster, rector van Jonckerbosch, betrokken bij de gezinszorg, als bekend predikant, enz. had hij kwaliteiten en vrienden, waardoor hij meer dan anderen als pastoor iets voor de parochie heeft kunnen doen. Terwille van zijn gezondheid moest ook hij tenslotte naar een rustigere en betere werkkring overgaan.
Dertien jaar heeft in de parochie gewerkt pater van Bohemen, eerst zeven jaar als kapelaan, en later voor de sluiting van de kerk zes jaar als pastoor. Als kapelaan had hij er de betere tijd meegemaakt. Het moet dan ook wel bijzonder ontmoedigend en bitter voor hem geweest zijn dat juist onder hem als pastoor de achteruitgang zich manifesteerde en de katastrofe van de sluiting steeds duidelijker naderde.
De paters, die in het verleden als kapelaan aan de parochie verbonden zijn geweest, hebben er veelal slechts een beperkt aantal jaren gewerkt. Van hen, die er langer gebleven zijn, noemen we op de eerste plaats pater van den Borg, die er tot de sluiting negentien jaren had geleefd en gewerkt, verder pater Johan Verhappen (11 jaar). Frits van Leur (9 jaar), Mulder (8 jaar), en Hennes, van Roosmalen en Rozestraten (ieder 7 jaar). Toch is wel het meest de herinnering levendig gebleven aan pater Mes, hoewel hij er slechts de tijd van de oorlog (5 jaren) als kapelaan heeft gewerkt. Deze ascetische en tegelijk blijmoedige figuur die hoewel hij zwak van gezondheid was, alles van zichzelf eiste en wat hij maar te pakken kon krijgen aan anderen gaf om hun nood wat te verzachten, die gewoonlijk opgewekt en fluitend door het leven ging, wordt nog steeds door de oudere parochianen in dankbare herinnering gehouden.

Foto: Evodius van Klaveren, kapelaan 1958, in 1960 overleden en begraven vanuit de Thomas a Villanova.

VIII. DE MEDEWERKERS

In een parochie kan er niet door haar voorgangers en zielzorgers gewerkt worden, wanneer zij daarbij niet door zeer vele gelovigen worden bijgestaan en geholpen. Ook voor de parochie van de H. Thomas was en is dit uit de aard der zaak het geval. De mensen ervoor vinden was echter niet altijd even gemakkelijk. Soms moesten zij zelfs van buiten de parochie worden aangezocht. Maar allen hebben altijd hun hulp en bijstand verleend, ook al moeten zij het moeilijke en moeizame van het werk vaak hebben aangevoeld en de pijn ervan doorleefd. We denken hier b.v. aan de leden van het kerkbestuur, die zelden een niet zorgelijke agenda voor hun vergaderingen zullen hebben gehad. Vervolgens b.v. aan allen, die zich ingezet hebben voor de kerk- en gezinsaktie en zich uitgesloofd hebben, vaak vrijwel tevergeefs, om tot betere resultaten te komen.
Maar vele, zeer vele anderen zouden nog genoemd moeten worden: in de kerk, in de scholen, in het verenigingswerk, enz. enz., ja, ook in de pastorie. Het is ondoenlijk een poging te wagen; zeker zouden er ten onrechte overgeslagen worden. Een piŽteitvol wijzen op hen moet daarom hier helaas volstaan. Ook zij behoren echter in dankbare herinnering voort te leven.

IX. SLOTBESCHOUWING

Aan het slot van dit geschiedenisverhaal gekomen en terugblikkend over een halve eeuw lief en leed, stellen zich aan de peinzende toeschouwer toch wel enkele vragen. Had vůůr het Willemskwartier volgebouwd werd, er niet aan gedacht moeten worden dat er ook een kerkelijke ruimte in zou moeten komen?
En had het noodzakelijk een geijkte parochie moeten worden? Zou in de gegeven omstandigheden een door de parochie bediende wijkkapel met een eigen op de buurt afgestemde zielzorger misschien niet beter zijn geweest?
En dan een vraag van meer algemene aard, die ook elders opgaat: men noemde het Willemskwartier ongodsdienstig of ongelovig. Want onkerksheid werd in die dagen algemeen daarmee gelijkgesteld. Tegenwoordig zal men dat niet meer zo gemakkelijk doen. Maar indien het volk wel godsdienstig maar niet kerks is, kan dat dan misschien niet zijn oorzaak vinden in het feit dat de kerkelijke bovenbouw en godsdienstbeleving niet aansluit en niet past op de volkse onderbouw? ďHet bovennatuurlijke veronderstelt en verheft het natuurlijke' is al een oude gedachte van een gezonde theologie.

Spectator (broeder Ephraem Hendrikx)

Foto: Het geweld van de afbraak duurde twee weken. 29 september to 11 oktober 1975

X. HEDEN EN TOEKOMST

Zondag 2 september 1973 openden we de 'Overbruggingskapel - gelegen in de hal van de Bonifatiusschool - met een eucharistieviering. Er liep een oud mannetje rond het gebouw te drentelen, dat alsmaar uitriep: 'Ik ga niet meer naar de school, ik heb lang genoeg op school gezeten!' 'n Beeld van de nogal moeilijke start Pater Gerard Emke moest er de spits van afbijten, nog bijgestaan door pater v.d. Borg, die zou blijven totdat ondergetekende priester was gewijd en zijn studie had voltooid. De Salesiaan Wim Flapper werkte ruim een jaar mee als stagiaire. Wat hebben we ons moeten 'verkopen'. De aktieve groeperingen wisten wel dat de parochie bleef bestaan, maar de gewone nietkerkse gelovigen dachten: 'kerk-weg, paters-weg, parochie-weg'. Er verschenen dan ook grote foto's van de pastores en van de Overbruggingskapel in de Oversteek met de slagzin: 'WIJ GAAN DOOR!'. We bezochten zoveel mogelijk mensen en fungeerden, als u mij toestaat die uitdrukking te gebruiken, als pispaaltje, omtrent zaken waar wij ook niks aan konden doen.
Ondertussen hadden we een duidelijk beeld van ons pastorale werk. Wij wilden zoveel mogelijk mensen opnemen in onze relatie. Als we ze dan niet meer in de kerk konden ontmoeten, dan maar waar ze wťl aanwezig waren: in de wijkverenigingen (pater Emke), op de scholen (pater Koopmans), op straat (we zetten onze brommers aan de kant, om fietsend en lopend de mensen beter te ontmoeten) en in de huizen. Nu, na vier jaar, mogen we wel zeggen dat we goodwill hebben gekweekt bij veel mensen. Niet dat het om 'ons' gaat. We zijn er ons van bewust dat we als pastores in dienst van de Heer staan, dat het om Hem gaat. Maar we weten ook dat we niet 'zo hoog' moeten beginnen. Eerst maar zorgen dat je gewone vrienden van elkaar wordt, en dan daarin vroeg of laat ervaren dat Hij midden onder ons is.

Foto: De "overbruggingskapel", in de hal van de school, in gebruik vanaf 2 september 1973.

Toch willen we onszelf (de pastores) ook niet zů op de voorgrond stellen. Want als wij, even kwetsbaar alswie ook, zouden wegvallen houdt dan alles weer op? Daarom zijn we van het begin af aan ook bezig geweest met het vormen van groepen, die mede de verantwoordelijkheid dragen voor het zo gevarieerde pastorale werk. Gelukkig was er al een behoorlijk kader. In de afgelopen jaren is dat uitgebreid. En 't wordt steeds duidelijker dat de parochie gedragen wordt door deze hťle groep. Voor de toekomst heeft pater Emke een vijf-jarenplan uitgestippeld dat door alle groepen is bestudeerd, en niet alleen door hem, maar ook door de pastores van de twee aangrenzende parochies van St. Theresia (Waterkwartier) en H. Hart (Kraayenhofflaan). Omdat we ťťn qua-bevolkinggelijkend territorium vormen, willen we als ťťn kracht op de toekomst af.
Verder hebben de komende jaren nog een kerkje in het verschiet. Want hoe mooi de vergelijking van onze parochie met 't rondtrekkende Joodse volk ook is - zij en de Heer hadden geen vaste woon-en verblijfplaats- evenzeer verlangen wij -als zij destijds- naar een land van melk en honing met in het midden een tempel. Om het wat prozaischer te zeggen: we hebben met bisdom en gemeente afspraken gemaakt voor de bouw van een kapel die grenst aan het nog uit te breiden wijkcentrum (voormalige pastorie). Zo gauw dit centrum door de gemeente volledig is goedgekeurd, begint ook de bouw van de kapel.
Alles bij elkaar zouden we kunnen besluiten met te zeggen dat de parochie toekomst heeft:
- omdat zoveel mensen een beroep doen op de pastores (wat mede voortvloeit uit het feit dat de pastores er niet alleen willen zijn voor de kerkelijken, maar dat ze zich presenteren aan 'alleman').
- omdat zoveel mensen de pastores willen bijstaan;
- omdat we onze krachten willen verzamelen (samenwerking 3 parochies);
- omdat er hoop is op een vaste ontmoetingsplaats voor parochianen die er hun verbond met de Heer willen vieren.

Tot slot past me een woord van oprechte dank aan mijn medebroeder Ephraem Hendrikx, voor de boeiende geschiedschrijving van vijftig jaar lief en leed in de parochie St. Thomas van Villanova. Het geeft je het gevoel dat je, zoals zovelen vůůr jou dat deden, terecht je beste jaren geeft aan zo'n veeleisende parochie. En daarbij ben ik dan blij dat ik in dťze lijd leef:
- 'n tijd waarin Ďt niet meer zo gaat om grote getallen en kapitale kerkgebouwen;
- 'n tijd waarin we eerlijker mogen beleven wie we zelf zijn en wat de Kerk is.
Als we iets van deze geschiedenis kunnen leren dan is 't wel dat ook de Kerk niets menselijks vreemd is. Als we daarbij het geloof kunnen opbrengen dat God ook door dťze geschiedenis heen met ons bezig is, dan zullen we dacht ik de moed hebben om te blijven doorgaan.

Joost Koopmans

AANHANGSEL

1. Lijst van pastoors, kapelaans en pastores

Pastoors
1. Ugolinus Goll 1927-1929
2. Thomas van der Vloodt 1929-1931
3. Clemens Blok 1931-1946
4. Prosper Jansen 1946-1949
5. Eligius van Mulukom 1949-1952
6. Paulus Arendse 1952-1966
7. Hipolytus van Bohemen 1966-1973

Hoofdpastor
8. Gerard Emke 1973-

Kapelaans
1. Maximus Harm 1927-1929
2. Adelbertus Damen 1929
3. Eustachius Frantzen 1929-1930
4. Clemens Blok 1930-1931
5. Prosper Jansen 1931-1935
6. Joachim Doensen 1931-1933
7. Tarcisius Brouwer 1933-1939
8. Gulielmus van Wegen 1935-1936
9. Christophorus Vasen 1936-1940
10. Fabianus Hennes 1939-1946
11. Marcellinus Mes 1940-1945
12. Isaias Mijnsbergen 1945-1946
13. Bavo Link 1946-1948
14. Herman Joseph van Roosmalen 1946-1953
15. David Boin 1947-1948
16. Urbauns Rozestraten 1948-1955
17. Hyacinthus van den Broek 1948-1950
18. Gerlach Hendriks 1950-1952
19. Anicetus van den Bosch 1952-1955
20. Hipolytus van Bohemen 1953-1960
21. Ludger van den Borg 1955-1974
22. Hilarius van den Broek 1955-1957
23. Frits van Leur 1955-1964
24. Evodius van Klaveren 1958-1960
Cassianus van Lotringen(Don Bosco-werk) 1959-1965
25. Milo Stricker) (assistent) 1960-1961
26. Caesarius van Heemskerk 1961-1967
Gerard Emke (conventualis) 1961-1962
27. Johan Verhappen 1962-1973
28. Nicolaas Raaymakers 1964-1965
(Don Bosco-werk) 1965-1968
29. Louis Mulder 1965-1973
(Frans Wesselingh) (stagiaire) 1967-1969
(Theo Geutjes) 1968
Gerard Emke (Don Bosco-werk) 1968-1973

Pastores
30. Gerard Emke 1973-
31. Joost Koopmans 1974-
Wim Flapper (stagiaire) 1973-1974
Wim Janssen-Lorkeers (stagiaire) 1976-1977

2. Status quo.

Pastores:
pater Gerard Emke, osa  
pater Joost Koopmans, osa

Pastorie:
3e v. Hezewijkstraat 2, telefoon 080-774473 (tussen 5 en 6 uur 's avonds)

Woonhuis:
Augustijnen, Graafseweg 284.

Overbruggingskapel:
Floraweg 69.
Weekenddiensten: zaterdag 18.30 uur en zondag 9.00 en 10.30 uur.

Kapel Zusters:
Graafseweg 136.
Diensten: dinsdag en donderdag 9 uur.

Boskapel:
Graafseweg 276.
Diensten bij huwelijken en uitvaarten.

Kerkbijdrage:
giro 840044 t.n.v. Kerkbestuur Thomas a Villanova, 3e v. Hezewijkstraat 2, Nijmegen

"ONTWERP DER NIEUWE PAROCHIEKERK VAN DEN H. THOMAS A VILLA NOVA TE NIJMEGEN"

Foto: De architect C.M. van Moorsel heeft de kerk zo ontworpen. Het is een beeld geworden van het verloop van haar geschiedenis: een droom die nooit werkelijkheid is geworden. Alleen het idee van de schaapskooi, het grote schip van de kerk, is in 1929 begonnen, in 1930 klaargekomen, en in 1975 afgebroken.

terug

Reactiepagina
Reactie 1:

Godfried van Agthoven, 19-11-2016: Wie was de augustijn Christophorus Vasen? [Red.: In dit artikel genoemd als kapelaan van 1936-1940.] En waarom kwam hij in Dachau terecht als nr. 33672?
Godfried van Agthoven (medewerker Titus Brandsma Museum Bolsward)
Reactie 2:

Rob Essers, 19-11-2016: Zie Een kleine orde met allure: De augustijnen in Nederland, 1886-2006, pp. 185-186
Reactie 3:

Godfried van Agthoven, 20-11-2016: nadere informatie:
* Zie: bidprentjesarchief.nl bidprentje van Christophorus Hendrik (Pater) Vasen.
* Zie ook: www.verzetsmuseum.org dat verwijst naar Monument Geen nummers maar Namen:
Hendrik Vasen
Utrecht (arrestatie) rode driehoek (politiek gevangene) 33672.
Geboren 28-02-1905 Blerick
Aankomst 07-08-1942 Dachau
Bevrijd 29-04-1945 Dachau

Geeft ruimte voor aanvulling!!

* Veerman, Hanneke - Innerlijke reis Dachau - voor bij de grens
Dagboek van Rafael Tijhuis met daarin de laatste dagen van Titus Brandsma
Op p. 81: "Het is voor Titus zeker prettig een aantal landgenoten rondom zich te zien....en de reguliere priesters..de Augustijn Christoph Vasen"

Samenvattend:
Pater Vasen kwam het KZ Dachau binnen nadat pater Titus op 26 juli 1942 gestorven was.

Rob Essers, mijn dank voor de info.
Reactie 4:

Frans Savelkouls, 21-11-2016:

Christophorus Vasen (1936-1940)
Hendrik (kloosternaam Christophorus; roepnaam Hein) Vasen werd op 28 februari 1905 te Blerick geboren als zoon van Hendrik Vasen, magazijnknecht, en Petronella Hubertina van Avezaath. Christophorus had ťťn zus. Hij volgde het gymnasium te Venlo en trad in 1924 toe tot de orde der augustijnen in Witmarsum en werd op 9 juni 1930 te Nijmegen tot priester gewijd. Na een jaar in Venlo als surveillant aan het Gymnasium Augustinianum verbonden te zijn geweest, werkte pater Vasen als kapelaan in Amsterdam, Utrecht, Witmarsum, Nijmegen en wederom Utrecht. Tijdens de oorlog was hij van 1942 tot aan de Duitse capitulatie geÔnterneerd in het concentratiekamp Dachau. Na zijn terugkeer in Nederland was Christophorus Vasen tot 1960 directeur van het Labrehuis in Utrecht waar hij zich onvermoeibaar en compromisloos inzette voor de mensen aan de onderkant van de samenleving. Van 1960 tot 1964 was hij kapelaan in de St. Rita te Amsterdam. Hij verhuisde daarna naar MariŽnhage en was tot mei 1966 assistent in Oirschot. Pater Vasen overleed na een lang ziekbed op 10 oktober 1967 te Valkenswaard op 62-jarige leeftijd.

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: