Prostitutie

© Henny Fransen; Digitale bewerking 17-06-2014 Mark van Loon/Stichting Noviomagus.nl

Prostitutie in de Nijmeegse benedenstad

door Henny Fransen


Van Rozemarijngas tot Kromme Elleboog

Vooral handelssteden met verschillende markten die een eigen haven aan de rivier hadden en bovendien een wisselend garnizoen soldaten binnen de stadsmuren huisvestten, kenden dikwijls een bloeiende vrouwenhandel. In de 19e eeuw bevonden de Nijmeegse bordelen zich dan ook vooral langs de stadswallen, rondom de markt en dicht bij de rivier.

In 1855 stelt de raad vanwege de kosten van toezicht op bordelen en de medische behandeling van prostituees een belasting voor publieke huizen en vrouwen in. Tussen 1857 en 1867 werden er twaalf bordeelhouders en honderdzesenvijftig onder geneeskundig toezicht staande publieke vrouwen geregistreerd. De illegale prostitutie zal in werkelijkheid echter veel groter zijn geweest.

Naast enkele dames die op hun privéadres dit beroep uitoefenden, woonden en werkten de meeste prostituees in bordelen bij elkaar in de steeds meer verkrottende panden van de oude benedenstad: Achter de Vismarkt, in de Kromme Elleboog, de Praalshof, de Steenstraat, de Vleeshouwerstraat, de hoger gelegen Kabelgas en op het Sint Stevenskerkhof verbleven de vrouwen in publieke huizen bijeen.

Uit het overzicht tussen 1857 en 1867 blijkt het vooral om jonge en ongehuwde vrouwen tussen de twintig en dertig jaar te gaan. De gemiddelde leeftijd was bij hun aanmelding zesentwintig jaar; twee van de 156 waren al jong weduwe geworden en zeven vrouwen waren gehuwd, terwijl hun mannen elders verbleven. De meeste vrouwen gaven bij hun aankomst op zonder beroep te zijn. Naast drie dienstmeisjes en één naaister vermeldden slechts veertien vrouwen bij hun aanmelding het beroep van publieke vrouw.

Opvallend is dat zowel door de bordeelhouders als de prostituees regelmatig van huis werd gewisseld en er een groot verloop was onder de vrouwen. Zo exploiteerde Hendrik Jan van Minkelen vanaf augustus 1866 een bordeel aan de Proosthof wijk D 245, waar in dat jaar vijf prostituees voor hem werkten. Toen hij een jaar later naar Arnhem vertrok en het bordeel door Anna Acker werd overgenomen, waren er intussen negen vrouwen bij gekomen.
Veel vrouwen bleven slechts enkele maanden, om daarna de stad te verlaten en er soms na enige tijd weer terug te keren, waardoor de indruk ontstaat van een levendige vrouwenhandel in de stad.
Dit lijkt nog sterker het geval doordat er van de honderdzesenvijftig vrouwen maar negen uit Nijmegen afkomstig waren. Naast dertien uit Duitsland afkomstige vrouwen en twee dames uit Antwerpen kwamen de vrouwen uit alle windstreken van Nederland.

Hadden zij bewust voor dit beroep in de anonimiteit van een vreemde stad gekozen? Of waren zij uit armoede, door het verlies van ouders of hun geliefde, of als ongehuwde moeder wanhopig op zoek naar een nieuw bestaan in de prostitutie terechtgekomen? Een feit is dat menig jong meisje via het beroep van dienstbode of naaister in de prostitutie terecht kwam, mede als onbedoeld gevolg van de Nederlandse wet op de personele belasting van 24 april 1843, toen voor dienstboden boven de 18 jaar een hogere belasting moest worden betaald, waardoor oudere dienstmeisjes werden ontslagen.

In de Nijmeegsche Courant van zaterdag 6 mei 1843 werden de problemen van jonge meisjes in geheime bordelen in beeld gebracht, toen een Duits echtpaar op 1 mei van dat jaar tot een jaar gevangenisstraf met een forse geldboete werd veroordeeld vanwege het uitlenen van hun huis tot het plegen van ontucht en het verleiden van jonge meisjes. Omdat het vonnis algemeen werd toegejuicht, moest dit volgens het krantenartikel
tot een duchtige waarschuwing verstrekken aan ouders, meesters en andere toezichthebbenden, wier dochters, dienstboden, en betrekkingen geheel buiten hun weten om, in dat hol des verderfs werden gelokt en gebracht, evenzo als dit vermoedelijk met nog andere huizen het geval is. Alleen een verdubbeling van waakzaamheid op de gangen der jonge lieden, en tegen de houding van zodanige huizen kan verhoeden, dat het aankomend geslacht niet het slachtoffer wordt dier eerlooze als verfoeilijke speculatien, en niet zedelijk en lichamelijk verloren geraken.


Een berucht souteneur die er meerdere bordelen op na hield was Engelbartus Knuvelder. Volgens het bevolkingsregister vestigde hij zich in 1878 met zijn gezin en bediende aan de Rozemarijngas 156. Officieel als tapper vermeld, hield hij in dit gasje tussen de Voerweg en Lange Baan een bordeel waarin tussen 1878 en 1880 drieëndertig prostituees in leeftijd variërend van 21 tot 34 jaar stonden ingeschreven, waaronder ook een mannelijk persoon. Eenentwintig dames kwamen uit Duitse dorpen en steden, waarvan de meesten uit het deelgebied Noordrijn-Westfalen. (Engelbartus Knuvelder staat elders op Noviomagus.nl uitgebreid beschreven in een artikel van Andre Kersten)


Voerweg met onderaan links de Rozemarijngas, ca 1890


Wetgeving en ontduiking

Een groot probleem ontstond wanneer een meisje ongehuwd zwanger raakte en voor haar kind moest zorgen, want in de negentiende eeuw werd een ongehuwde moeder nog vaak als een prostituee beschouwd.
In 1827 werd de jeugdige Otto Gerhard Heldring (1804-1876) als predikant in het Betuwse Hemmen aangesteld. In 1847 richt de door christelijke barmhartigheid gedreven dominee een tehuis op voor uit de gevangenis ontslagen meisjes en vrouwen en de opvang van prostituees, waar de vrouwen godsdienstles krijgen en huishoudelijke vaardigheden leren.
Vooral meisjes die als werkster, naaister of dienstbode in betrekking waren, kwamen in een kwetsbare positie wanneer zij seksueel benaderd werden.

In 1886 stelde de wetgever zich bij seksuele delicten nog op het liberale standpunt dat het omreden van persoonlijke vrijheid niet tot de taak van de overheid behoorde om het individu tegen 'vrijwillig' ondergaan zedenbederf te beschermen. Alleen ontucht gepaard met geweld, onzedelijke handelingen met kinderen en openbare schennis van de eerbaarheid waren strafbaar.
Het gevolg daarvan was dat degene die zich vrijwillig onder iemands toezicht stelde en vervolgens seksueel werd bedreigd, uitgesloten was van een goede rechtsbescherming. Dit veranderde toen er onder het bewind van het christelijke coalitiekabinet Heemskerk (1908-1913) een zedelijkheidswet werd ingevoerd, die uitging van het principe dat het ook een taak van de overheid was om de bronnen van zedenbederf te bestrijden.

De Gelderlander van 20 september 1910 vermeldde het volgende bericht
Het doet de minister genoegen dat men zich thans algemeen met het verbod van huizen van ontucht heeft verenigd. Van het absolute bordeelverbod verwacht de minister o.a een betere bestrijding van de internationale meisjeshandel. De ge­meen­ten blijven bevoegd ook het bezoek aan een bordeel strafbaar te stellen.


In de krant van zaterdag 4 maart 1911 meldt de Gelderlander dat de Tweede Kamer in de vergadering van afgelopen donderdag het bordeelverbod heeft aangenomen. Op 20 mei 1911 wordt de Zedelijkheidwet naar ontwerp van minister van Justitie Edmond Regout officieel ingevoerd, waardoor prostitutie in het Wetboek van Strafrecht wordt opgenomen.
Vanaf dat moment worden pornografie, homoseksuele relaties tussen volwassenen en minderjarigen en abortus strenger bestraft. Openbare sekshuizen worden verboden, evenals het aanzetten en exploiteren van prostitutie, en ook de souteneurs worden strafbaar gesteld.

Als gevolg van de Zedelijkheidswet neemt de taak van de politie sterk toe, zodat er tussen 1910 en 1920 een speciale afdeling Zedenpolitie wordt opgericht. Omdat de vraag naar prostitutie blijft voortbestaan, wordt de wet op allerlei manieren ontdoken. Omdat bordelen zijn verboden, verplaatst de prostitutie zich naar ongure logementen en koffiehuizen, waar klanten afspraken kunnen maken en naar achterafzaaltjes of privéadressen worden gelokt, waar zij tijdens het intieme samenzijn soms door pooiers worden bestolen. Ook neemt het tippelen op pleinen, straten en in parken toe, waar pooiers hun vrouwen schaduwen om uit handen van de politie te blijven.
In Amsterdam, waar het bordeelverbod al in 1897 van kracht was gegaan, verplaatst de prostitutie zich naar de Pijp. De vrouwen mogen niet meer in de deuropening blijven staan om klanten te lokken, maar achter het raam met het gordijn op een kier wordt gedoogd. Zo ontstaat er een begin van raamprostitutie, dat zich naar Amsterdams voorbeeld ook naar andere steden uitbreidt. Als de seksuele normen geleidelijk vrijer worden, schuiven de gordijnen steeds verder open en gaat ook de onthulling van de dames zelf geleidelijk verder door het dragen van steeds minder kledingstukken.

Meisjesbescherming

De grote toestroom van ongehuwde Duitse vrouwen in de jaren twintig en dertig gaf redenen tot extra zorg. Aan het einde van de eerste Wereldoorlog waren er twee miljoen Duitse mannen gesneuveld en door grote werkloosheid en inflatie komen Duitse meisjes in groten getale naar Nederland op zoek naar een betrekking bij een Nederlandse familie.
In 1934 is het aantal Duitse dienstboden intussen tot veertigduizend opgelopen en mede ter voorkoming van zedenverwildering en ongewenste zwangerschappen wordt er door diverse kerkelijke en maatschappelijke organisaties voor opvang en begeleiding gezorgd. Uit de advertenties in de Gelderlander van die tijd blijkt dat er regelmatig Duitse avonden worden gehouden, zodat in de kapel van de Eerwaarde Zusters aan de van Schaeck Mathonsingel speciaal voor Duitse meisjes lof met een Duitse preek wordt gegeven. Bij de Rooms Katholieke Vereniging tot Bescherming van Meisjes die haar hoofdvestiging heeft in Amsterdam, kunnen Nederlandse meisjes terecht voor ontspanning en advies en hulp bij sollicitaties voor het vinden van werk in het buitenland.
De plaatselijke afdelingen van de meisjesbescherming vangen met de trein aangekomen dienstboden op, om hen uit handen van lieden met slechte bedoelingen te houden en hen te wijzen op gezonde ontspanningsmogelijkheden en geestelijke ontwikkeling via jeugdverenigingen.

In Nijmegen nemen de zusters van Bethlehem aan de Sint Anthoniusplaats de zorg voor de ongehuwde moeders op zich. Tijdens de zwangerschap leren zij de meisjes de noodzakelijke huishoudelijke taken. Als er geen opvang door familie is, gaat het meisje na haar bevalling in het Canisiusziekenhuis naar het meisjeshuis voor ongehuwde moeders. Daar wordt voor haar naar een goede betrekking gezocht. De baby gaat naar een kindertehuis waar de jonge moeder haar kind in het weekend kan bezoeken. Soms worden moeder en kind door de grootouders opgenomen. Ook plaatsen de zusters wel advertenties voor het vinden van een geschikte huwelijkspartner. Een enkele keer treedt een meisje in het klooster, waarbij ze afstand doet van haar kind.


Zusters van Bethlehem, 1951


Nieuwe Markt

De opening van de verkeersbrug over de Waal en het verdwijnen van de veerpont in 1936 bracht de reguliere handel in dit toch al verarmde stadsdeel aan de Waal een flinke klap toe, maar de prostitutie bleef zich in de benedenstad handhaven, totdat de gemeente in de jaren vijftig met de sloop van de benedenstad begon, waarmee tevens de bestaande bordelen uit de onderstad verdwenen, en met de sloop van de huizen in de Pepergas ook de prostituees uit dit steile gasje tussen de Korenmarkt en de Grotestraat verdwenen. Daarna mochten de vrouwen van gemeentewege alleen nog achter een beperkt aantal ramen aan de Nieuwe Markt hun gunsten aanbieden.

De Nijmegenaar en benedenstadbewoner Wim Janssen (1919-1996) heeft op oudere leeftijd over alle facetten van het dagelijkse leven in de oude stad geschreven. Zijn wieg stond aan de Vleeshouwerstraat, waar hij als zevende in een gezin van vijftien kinderen werd geboren en opgroeide in een tijd waarin er grote armoede heerste. Door zijn jeugdherinneringen aan de oude stad werd hij voor meerdere generaties een dankbare bron door zijn talrijke verhalen, dia-lezingen en ontroerende Nijmeegse liedjes over het leven van toen, die hij in het Oude Weeshuis aan de Papengas ten gehore bracht.
Onderstaand het lied van Wim Janssen over het droevige lot van een prostituee op de Nieuwe Markt, geschreven in het Nijmeegse dialect dat hem zo dierbaar was.


Het Oude Weeshuis aan de Papengas


Se was wel de mooiste der meiden
se sat as 'n roos feur 't raom
Feul manne die kende huir lichaam
mar niemand die kende huir naom

Huir werk begon vroeg ien de aovend
werd laot ien de nacht pas gestaokt
't Geld wat zij duir mee verdiende
werd steeds deur huir vriend opgemaokt

Se was nog maor kurt ien 't lefe
huir lichaom dè kreeg haos gin rust
't Mooiste van huir moest zij gefe
Sij werd steeds gepakt en gekust

Mar rose die bliefe nie bloeie
'n Wäörheid die iedereen wit
Gin mins het de eeuwige schoonheid
iets dat men nog wel 's fergit

Huir lichaom begon te verwelleke
bij 't rooie licht al te sien
Huir vriend zei 'Ga jij maor de straot op!
Je bint nie mèr lonend feur mien'

Se was al 't tied ien 't lefe
Huir lichaom kreeg meer en meer rust
Feul moois had ze nie mèr te gèfe
werd minder gepakt en gekust

Se dwaolde deur straote en gasse
steeds zuukend nuir iets van d'r uird
Huir charmes die wuire verdwene
Se was feur 'n man niks mèr wuird

En ins op 'n duustere aovond
het zij iets wanhopigs gedaon
Men vond toen ien één van die gasjes
huir lichaom toen lèfeloos aon

Nou is zij nie mèr ien 't lèfe
huir lichaom het nou alle rust
Die rust het de dood huir gegèfe
Hij het huir feur 't laotst nog gekust

Zij was wel de mooiste der meiden
ze zat als een roos voor het raam
Veel mannen kenden haar lichaam
maar niemand kende haar naam

Haar werk begon vroeg in de avond
werd laat in de nacht pas gestaakt
't Geld wat ze daar mee verdiende
werd steeds door haar vriend opgemaakt

Ze was nog maar kort in het leven
haar lichaam kreeg nauwelijks rust
't Mooist van zichzelf moest zij geven
Zij werd steeds gepakt en gekust

Maar rozen die blijven niet bloeien
'n waarheid die iedereen weet
Geen mens heeft de eeuwige schoonheid
iets dat men nog wel eens vergeet

Haar lichaam begon te verwelken
bij 't rode licht al reeds te zien
Haar vriend zei 'Ga jij maar de straat op!
Je bent niet meer lonend voor mij'

Zij was al een tijd in het leven
Haar lichaam kreeg meer en meer rust
Veel moois had zij niet meer te geven
werd minder gepakt en gekust

Ze dwaalde door straten en gassen
steeds zoekend naar iets van haar aard
Haar charmes die waren verdwenen
Ze was voor een man niks meer waard

En eens op een donkere avond
heeft zij iets wanhopigs gedaan
Men vond in een van die gasjes
haar lichaam toen levenloos aan

Nu is zij niet meer in 'het leven'
Haar lichaam heeft nu alle rust
Die rust heeft de dood haar gegeven
Hij heeft haar voor 't laatst nog gekust

Bronnen

G.A. Boomsma - Nijmeegse lichtekooien (1857-1867), Genealogisch Heraldische Bundel Zoeklicht 2005 blz 57.
Bevolkingsregister Nijmegen 1870-1880, Regionaal Archief Nijmegen (RAN).
Foto's Beeldbank RAN.
Filmopnamen van Interviews met De zusters van Bethlehem: zuster Theodora, RAN.
De Nijmeegsche Courant 1843.
De Gelderlander 1910-1911
.

REAGEER

terug

Reactiepagina
Reactie 0:

Henny Fransen, 17-06-2014: Prostitutie in de Nijmeegse benedenstad
Reactie 1:

Andre Kersten, 22-07-2014: Ter complementering van dit verhaal verwijs ik naar een artikel van Lema Salah, De langste straat van Nijmegen: De seksuele cultuur van de Rozemarijngas en Vinkengas tussen 1880 en 1890, verschenen in het tijdschrift Raffia over gender, emancipatie en feminisme, juli 2014.
Overigens wil ik nog opmerken dat na internationaal en natonaal onderzoek het aantal publieke vrouwen in de bordelen veel groter was, wel met 75 % meer, dan alleen de geregistreerden.

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: