Brandbestrijding

© Henny Fransen en Evert Kam; Digitale bewerking: Mark van Loon/Stichting Noviomagus.nl

Nijmeegse brandbestrijding in vroeger eeuwen

door Henny Fransen en Evert Kam



Stadsbranden

Het voorkomen van brand was in middeleeuwse steden een voortdurende zorg. Naast kerken, kloosters, overheidsgebouwen en een enkele uit steen opgetrokken brouwerij hadden de huizen nog veelal een houten bovenbouw met een rieten dak. Een bakkerij of smederij liep door het gebruik van open vuur extra risico. Bij brand liep ook de directe omgeving gevaar en bij een uitslaande brand en sterke wind kon zelfs een heel stadsdeel in de as worden gelegd. Het bestrijden van brand behoorde net als het onderhouden van de stadsgrachten en het verlenen van hulp bij de wolvenjacht tot de burgerplichten.

Vele Nijmeegse burgers zullen zich de stadsbranden van 1537 en 1554 nog hebben herinnerd, toen er op de zaterdag na Pinksteren van het jaar 1561 brand uitbrak in het huis De Aren op het Cruijs, het gedeelte van de Burchtstraat tussen de Grote Markt en de Grotestraat, ter hoogte van het huidige pand van V&D in het hart van de middeleeuwse stad. Helaas zijn er over die periode geen stadsrekeningen bewaard gebleven, maar blijkbaar had de brand ernstige schade veroorzaakt en was deze door gebrek aan voldoende middelen moeilijk te bestrijden geweest, want de raad besloot op de eerstvolgende raadsvergadering onmiddellijk om de oude brandverordening aan te passen en zo snel mogelijk onder de aandacht van de bevolking te brengen. Zo werd het reglement op het luiden van de schepenklok al de zondag daarop (na sacramentsdag) onder de luifel van het stadhuis publiekelijk voorgelezen.

Natuurlijk kende de stad al voorzieningen die voor het bestrijden van brand werden gebruikt. Zo waren er verspreid over de stad zo’n achttien putten te vinden. Verder waren er de stadspoelen, stenen waterbassins die in de buurt van de stadspoorten lagen. Op de stadsplattegrond van Gorissen uit 1550 is de plek van de poel voor de Molenpoort door de terugspringende rooilijn bij het pleintje voor café De Tempelier in de Molenstraat ook nu nog te herkennen. Behalve deze waterreservoirs stonden er bij verschillende kloosters houten waterbakken opgesteld die voor hetzelfde doel waren ingericht.

 

Bij brand werd met leren brandemmers uit verschillende reservoirs water opgediept en door een lange rij burgers tot aan de vuurhaard doorgegeven. Met gaffels werden ladders en brandhaken omhooggestoken om het vuur te bestrijden. Omdat effectief blussen in die tijd sowieso een hachelijke zaak was, bestond de eerste zorg uit het voorkomen dat een brand zich zou uitbreiden. Daarom werden brandende houten wanden zo snel mogelijk met brandhaken omver getrokken, zodat belendende percelen niet door het vuur zouden worden aangetast.

Uit de bijgevoegde 17e eeuwse reconstructietekening van de Burchtstraat met het daarachter gelegen broederklooster blijkt hoe smal en dicht opeen de houten huizen waren gebouwd. De afstand van het in 1554 gebouwde stadhuis met gedeputeerdenpoort aan de Burchtstraat tot aan de Broerstraat bedraagt zo’n 48 meter, waarop zich in de huidige tijd vijf grote winkelpanden en een poortwoning bevinden. Toegegeven, de Broerstraat en vooral het Kerkegasje waren aanmerkelijk smaller in de middeleeuwen, maar toch, op de destijds wat ruimere afstand van 160 Rijnlandse voeten of zo’n 50 meter waren toen elf huizen gebouwd.

Nieuwe maatregelen

Als eerste maatregel besluit de raad op die woensdag na de brand dat de stadsrentmeester het aantal leren brandemmers in het raadhuis tot honderd moet aanvullen. De opvolgende rentmeester zal dit aantal nog eens met honderd moeten vermeerderen, zodat het raadhuis uiteindelijk tweehonderd brandemmers op voorraad zal krijgen. Daarbij zal de rentmeester voor vier nieuwe brandladders moeten zorgen en regelen dat er drie nieuwe gaffels en brandhaken bij komen die eveneens in het raadhuis bewaard moeten blijven.

De twee houten waterbakken die eigendom zijn van de stad moeten bij het klooster van de predikbroeders (Dominicanen) in de Broerstraat gestald worden. Deze bakken met een inhoud van acht aam (ca 1200 liter) moeten bij brand op een onderstel van vier wielen naar de plaats des onheils worden getrokken. Het klooster van de Regulieren aan de Molenstraat, het convent op de Hessenberg en de Commanderie van Sint Jan moeten zelf dergelijke waterbakken onderhouden. Gebouwen van kloosters en broederschappen moeten bovendien van extra brandwerende gereedschappen worden voorzien. Zo moet het Heilige Geesthuis en de Heilig Kruisbroederschap op eigen kosten drie ladders en twee brandhaken aanschaffen en de Ellendige Broederschap en het Sint Nicolaas Gasthuis onder aan de Grote straat elk twee leren. Het Mariënburgklooster, De heren van Sint Jan (de Commanderie ) de fraters in de Bottelstraat, de abt van Camp en de abdis van Graefenthal of Nieuwklooster moeten in hun huizen over twee ladders en twee brandhaken beschikken.

Naar gelang de omvang van hun gebouwen moeten kloosters de nodige leren brandemmers in voorraad hebben. Zo moeten de kloosters aan de Molenstraat, de Hessenberg, de heren van Sint Johan en de heren van Xanten elk zestien leren brandemmers hebben. De Apostelheren, de abt van Camp, de abdis van Graefenthal, het klooster van de witte nonnen van Maria Magdalena aan de Nonnenstraat, het Heilige Geesthuis aan de Ottengas en de fraters aan de Bottelstraat mogen met zes brandemmers volstaan. Het observantenklooster aan de Papengas moet echter over vierentwintig brandemmers beschikken. Verder wordt elke burger verplicht vóór de eerstkomende Sint Victor (10 oktober) tenminste één leren brandemmer in huis te hebben op een boete van tien pond.

De bouwverordening wordt eveneens aangepast en ook hierbij neemt de raad geen halve maatregelen, want men mag voortaan alleen nog een huis laten bouwen met een harde bedekking van pannen of leien en met een stenen schoorsteen die boven het dak uitsteekt. Ook bakkerijen en smederijen worden alleen nog onder een harde dakbedekking toegestaan en met een boven het dak uitstekende schoorsteen, op een boete van tien Rijnse guldens. Wie in de binnenstad woont en een dak met zachte bedekking bezit, moet dit binnen twee maanden afbreken en van een harde dekking voorzien op een boete van tien gulden. Wie echter een huis met een zacht dak in de voorstad heeft, krijgt nog een jaar de tijd om zijn dak te vervangen. Wie de kaart van Gorissen bekijkt, begrijpt waarom dit onderscheid werd gemaakt. De toenmalige voorstad ontstond tijdens de laatste middeleeuwse stadsuitbreiding, toen de stad vanaf de oude Wiemelpoort aan het einde van de Broerstraat tot aan de nieuwe Molenpoort op de grens van de huidige Eerste en Tweede Walstraat werd vergroot. Maar in tegenstelling tot de dichtbebouwde binnenstad kende de voorstad nog slechts lintbebouwing, waarachter grote open terreinen lagen, zodat het risico van een zich in de omtrek verspreidende brand minder groot was. Om de burger tegemoet te komen wordt voor het vervangen van zachte daken door een harde bedekking een subsidie verstrekt. Voor elke vierkante roede (ca 3.80 m x 3.80 m) harde dakbedekking, opgemeten door de gezworen landmeter, worden twee guldens betaald. Huizen en schuren mogen voortaan geen open vensters meer hebben. Waar dit wel het geval is, moeten vensteropeningen binnen veertien dagen van een raam of luik worden voorzien. Ook wordt erop toegezien dat er geen hooi, stro, heide of rijshout in een huis met een week dak wordt gelegd, op een boete van tien pond. En niemand mag voortaan een open vuur aansteken, dan alleen onder een stenen schoorsteen.

Tijdens een brand zet de raad dragers in, die twee aan twee zowel overdag als ’s nachts de tonnen met water moeten aandragen. Wie een korenmolen en een paard bezit, moet daarbij tevens over een slee beschikken om daarmee met zijn molenpaard water naar de brand te kunnen slepen. Voor elke keer dat de molenaar in gebreke blijft, moet hij een boete van twee Brabantse stuivers betalen. Het bestrijden van brand was mannenwerk.

Toch hadden ook vrouwen een rol bij de brandbestrijding. Zij mochten dan wel niet met brandhaken bij de brand komen, maar ook niet werkloos toezien. Zij moesten dan óf meehelpen bij het aandragen van water, óf het eigen huis gaan bewaken.

Andere tijden

De overgave van Nijmegen aan prins Maurits in oktober 1591 brengt fundamentele veranderingen op politiek, economisch, religieus en bestuurlijk gebied met zich mee. Door de reductie tot de Unie van Utrecht en de toetreding tot de staten generaal wordt de gereformeerde staatsgodsdienst ingevoerd, waardoor katholieken geen toegang meer krijgen tot het stadsbestuur. Priesters en kloosterlingen verlaten de stad, liefdadige en religieuze broederschappen worden genaast en samengevoegd tot één instelling, die onder de naam ‘De Ellendige en andere gevoegde broederschappen’ een behuizing krijgt op de Sint Anthoniusplaats.

Met de vlucht van geestelijken uit de stad verdwijnt ook de rol van de kloosters als steunpunt bij de brandbestrijding. De oude stadsverdeling in kwartieren met middeleeuwse namen als Sint Antonisvierdel, Broervierdel, Onze Lieve Vrouwenvierdel en Sint Jansvierdel verdwijnen en maken plaats voor een indeling in acht hopmanschappen; buurten onder leiding van een hopman, die verantwoordelijk is voor het innen van belastingen, het schoonhouden van straten, het bewaken van wallen en stadspoorten en het opkomen bij alarm en brand.

Het oude Sinterklaasgilde met veel zeggenschap in de raad is na de reductie opgeheven en in plaats hiervan is een nieuw college van tweeëndertig gemeenslieden aangetreden, dat met vier leden per hopmanschap als raadgevend orgaan in de raad vertegenwoordigd is, maar in tegenstelling tot het voormalige Sinterklaasgilde alleen nog een adviserende functie heeft. Weliswaar heeft Nijmegen met de reductie nu een eigen garnizoen gekregen, maar dit beroepsleger is niet voor hulpverlening bij brand bedoeld, maar voor de bescherming van de stad tegen vijandelijkheden van buitenaf. Naast de burgerhoplieden hebben beroepsverenigingen als gilden en ambachten een belangrijke rol bij de brandbestrijding, waarbij ieder zijn eigen taak heeft.

Raadsbesluiten

Zo blijkt uit het raadsbesluit van 5 maart 1634 dat de twaalf leren brandemmers van het bakkersgilde onder de vier gildenmeesters moeten worden verdeeld, zodat elke meester drie emmers in zijn huis moet bewaren om die bij brand meteen in te kunnen zetten.

In 1656 vindt er een grote verbetering plaats, wanneer burgemeester Vos en raadsvriend Leeuwens besluiten om in Wezel twee brandspuiten voor de stad te bestellen. De spuiten bestaan uit een waterpomp met twee slangen op een onderstel, die vier mannen moeten bedienen om water uit de putten te pompen en onder hoge druk door de brandslang te spuiten. Het raadsbesluit houdt wel in dat de gezamenlijke hoplieden de kosten moeten dragen en zij maar moeten zien hoe zij dit geld van de wijkbewoners terugkrijgen. Blijkbaar wil dit niet erg vlotten, zodat de raad toestemming geeft voor assistentie door een roeidrager, die als deurwaarder fungeert bij het incasseren.

In december 1669 wordt de hoplieden opgedragen het aantal ladders en brandemmers in hun gebied te controleren, waarvan lijsten aan de magistraat moeten worden overhandigd. Voor rekening van de stad worden dan acht nieuwe brandladders en acht brandkuipen gemaakt, waarbij acht touwen worden geleverd, zodat de kuipen bij gebrek aan paarden door burgers getrokken kunnen worden. Bij brandalarm wordt de helft van het aantal brandemmers op het stadhuis door de stokmeester aan de stadsarbeiders, waaronder stratenmakers, omroepers, kosters, doodgravers en voorgangers uitgedeeld. De andere helft wordt achter de hand gehouden voor het geval er elders in de stad brand uitbreekt. Bij brandalarm moeten alle burgerofficieren tot en met de rang van sergeant met hun sabel of lans bij het logement van hun hopman verschijnen om instructies te ontvangen voor het opstellen van rijen burgers die water moeten aandragen. De bierkruiers moeten dan zo snel mogelijk de twee brandspuiten ophalen, waarvoor zij door de eigenaar van het brandende huis met een rijksdaalder worden beloond, tenzij de voerlieden hen al voor zijn geweest. De zakkendragers moeten er voor zorgen dat ladders, haken en gaffels bij de brandhaard komen, waarna schippers, timmerlieden, metselaars en leidekkers het werk overnemen door te blussen en zonodig daken en muren omver te trekken.

Sancties

Wanneer een brand door onachtzaamheid is ontstaan, moet de eigenaar van het huis de brandweerlieden voor hun bluswerk betalen. Dit ondervindt verver Cornelis de Witt als hij in 1689 voor een brand in zijn huis wordt veroordeeld tot het betalen van een ton bier aan de meesters van het leidekkers-en metselaarsambt, omdat hun gezellen de brand hebben geblust.

De torenwachters van de Sint Steven zijn onmisbaar voor de veiligheid van de stad en het verzuimen van hun plicht wordt hen dan ook streng aangerekend. Wanneer torenwachter Paul van Hensbergen in oktober 1690 niet in de toren aanwezig blijkt om de brandklok te kunnen slaan, wordt hem als boete een kwart jaarsalaris ingehouden.

Maar ook de gewone burger die verplicht is om jaarlijks zijn schoorsteen te onderhouden, wordt bij nalatigheid gestraft. Als er op 31 oktober 1730 brand in het huis van blauwverver Mosseveld aan de Molenstraat ontstaat, wordt de man wegens nalatigheid tot een boete van tien goudguldens veroordeeld, omdat zijn schoorsteen niet is geveegd. Een probleem dat zich al vaker had voorgedaan, reden waarom de raad al in januari 1692 besloten had om Paul Claessen als stadsschoorsteenveger aan te stellen, die zich vanaf dat moment met het vegen en controleren van schoorstenen gaat bezig houden.

Er komt dan ook een publicatie uit, waarin staat dat ieder die een schuur of stal bezit, waarin hooi, stro of hout gelegen is, binnen 24 uur over een afgedekte lantaarn moet beschikken, want met geen ander licht zal een schuur of stal voortaan betreden mogen worden, op een boete van twee goudguldens. In een publicatie van maart 1758 worden de ambachten vermaand, omdat zij tijdens een brand in het schependom niet kwamen opdagen. De meesters van de timmerlieden, metselaars en smeden in het schependom wordt dan uitdrukkelijk bevolen om bij het slaan van de brandklok direct met hun knechten in actie te komen. Wanneer de orders niet worden opgevolgd, mogen zij hun ambt een jaar en zes weken lang niet uitvoeren.

Omdat roken tijdens het werk gevaren met zich meebrengt, besluit de raad op 15 januari 1759 ter voorkoming van alle onheil door brand om het roken van tabak door meesters en knechten tijdens het werk te verbieden. Dit treft met name ambachtslieden als metselaars, timmerlieden, schrijnwerkers, leidekkers, stro-, en rietdekkers, glazenmakers en ververs. Een verbod dat tevens geldt voor alle molenaars, kardrijvers en sleedrijvers die met hun voertuigen de straat op gaan. Op elke overtreding staat een boete van twee goudguldens ten profijt van de aanbrenger. Wanneer een knecht op roken wordt betrapt, moet zijn meester de boete betalen, die dan vervolgens op het loon van de knecht wordt ingehouden, aldus het raadsbesluit. In september van datzelfde jaar besluit de raad speciale mutsen te laten maken voor het personeel van de brandspuit, zodat zij gemakkelijker van anderen onderscheiden kunnen worden. Verder moeten er behoorlijke zakken gemaakt worden voor het bergen van waardevolle stadsdocumenten, ingeval het raadhuis zelf in gevaar komt.

Brandmeesters en brandspuiten

Intussen is het aantal brandspuiten tot acht uitgebreid, zodat elk hopmanschap een eigen brandspuit ter beschikking heeft. Tijdens een raadsbijeenkomst in 1759 besluiten de burgemeesters Pieter Verschoor en Francois van den Steen, de schepen Engelbart de Man en raadssecretaris Cornelis Weijer Vermehr om de volgende ambachtslieden tot opzichter of brandmeester van de brandspuiten aan te stellen: Isaak Bakker uit de Platenmakerstraat en timmerman Witte Winter uit de Grotestraat voor het hopmanschap van de Burchtstraat en de brandspuit op het stadhuis; timmerman Couwaater uit de Ridderstraat en verver Gerrit van Broekhooven uit de Snijderstraat voor het hopmanschap van de Muchterstraat, ook wel hopmanschap Steenstraat genoemd en de brandspuit bij Sint Anthonis; timmerman Hendrik van Aarnsbergen uit de Grotestraat en metselaar Hendrik Hollenberg uit de Ridderstraat voor het hopmanschap van de Grotestraat en de brandspuit op de Vismarkt; metselaar Anthoon Stemberg uit de Broerstraat en smid Jacob Kramp uit de Houtstraat voor het hopmanschap van de Broerstraat en de brandspuit bij de Broederkerk; metselaar Barend Stemberg van de Korenmarkt en timmerman Jacob Wijs van de Doddendaal voor het hopmanschap van de Grote Markt en de brandspuit op het Stevenskerkhof; Radmaker Anthoon van den Bosch en de smid Anthonis van Hulst, beiden uit de Molenstraat voor het hopmanschap van de Hezelstraat en de brandspuit bij het Oud Burgeren Gasthuis; timmerman Jan Majen uit de Smidstraat en metselaar Arnold Dibbets uit de Priemstraat voor het hopmanschap van de Lage Markt en de brandspuit bij het Burger Weeshuis en tenslotte metselaar Casper van Duuren uit de Hezelstraat en leidekker Paul Schouwenburg uit de Smidsraat voor het hopmanschap van de Smidstraat en de brandspuit bij de Stevenstoren. Behalve de acht brandspuiten staan er negen brandkuipen opgesteld in de stad; op de Burchtstraat, de Broerstraat, de Sint Anthoniusplaats, de Hertogstraat, het Stevenskerkhof, de Molenstraat, de Bloemerstraat, de Pijkestraat en de Regulierstraat. Op de Anthoniusplaats, bij de Broerstraatskerk, het Regulierenkerkhof bij de Molenstraat, op de Doddendaal, de Hessenberg, de Vismarkt, de Bottelstraat, in de Stevenskerk, op het Mariënburg en bij de burchtpoort bevinden zich opslagplaatsen voor haken en brandladders.

Beloningen

Een reëel gevaar vormt de opslag van zwavelstokken in of tussen de woningen, zodat de raad op 9 mei 1778 een publicatie uitgeeft waarbij het aan ieder verboden wordt om in een huis, plaats of loods, tussen woningen of andere gebouwen meer dan honderd zwavelstokken- of schijven op te slaan, op een boete van tien goudguldens. Boventallige zwavelstokken zullen ten profijt van de armen verbeurd worden.

Maar de raad deelt niet alleen boetes uit; zij beloont de burgers ook voor hun inzet bij de brandbestrijding. Zo besluit de raad in april 1766 dat het aanbrengen van de eerste ladder bij een brand voortaan met twee gulden beloond zal worden.

In mei 1778 besluit de raad dat de vier werklieden van de brandspuit officieel zullen worden aangesteld en voor hun werk met tien stuivers betaald. Zij zijn daarmee in feite de eerste betaalde brandweerlieden in gemeentelijke dienst. De gezamenlijke zakkendragers krijgen dan een halve ton bier als beloning.

REAGEER

terug

Reactiepagina

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: